CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 nota zienswijzen

Raadscommissie 20 februari 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Oude Borculoseweg 5 te Groenlo5.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

W.Z19.103397.01 / D230814501 BIJLAGE: NOTA ZIENSWIJZEN

Datum advies ODRN Onderwerp Inzake Locatie OLO-nummer Zaaknummer ODRN

: : : : : :

samenvatting en reactie op ontvangen zienswijzen Wabo omgevingsvergunning Ottink Mestverwerking B.V. Oude Borculoseweg 5 te Groenlo 4314445 W.Z19.103397.01

Ingekomen adviezen op de ontwerpbeschikking In reactie op de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken is advies ontvangen van: • IL en T, 29 juni 2023 • Waterschap Rijn en IJssel, 6 juli 2023 Het waterschap en IL en T vinden beide geen aanleiding voor het opstellen van een aanvullend advies.

Ingekomen zienswijze op de ontwerpbeschikking In reactie op de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken zijn zienswijzen ontvangen van: 1. Indiener zienswijze A, 18 juli 2023 2. Indiener zienswijze B, 27 juli 2023

Zienswijzenota Ottink W.Z19.103397.01 Nr. Zienswijze Zienswijze van A Verklaring van geen bedenkingen

Reactie

1

2.

3.

Uit de ontwerpvergunning blijkt dat een deel van de te legaliseren bebouwing niet op legale wijze tot stand is gekomen. Daar komt nog bij dat een gedeelte van de mestverwerkingsinstallatie (verder te noemen: MVI), alsmede de gewenste uitbreiding hiervan, ook buiten het bouwvlak is geprojecteerd. Datzelfde geldt voor de te realiseren nieuwe uitweg. Een verzoek tot uitbreiding bouwvlak is eerder geweigerd door het gemeentebestuur van Oost Gelre. In 2017 komt er een ommezwaai en volgt er een positief bericht van het gemeentebestuur van Oost Gelre aan Gedeputeerde Staten. Er zal wel worden meegewerkt aan een legalisering van de bestaande situatie. Daarmee handelt het gemeentebestuur in strijd met de uitgangspunten van bestemmingsplan Buitengebied, het gemeentelijk beleid en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, te weten de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel. Constructie De werkzaamheden zoals beschreven in de concept Wabovergunning zijn grotendeels al illegaal uitgevoerd zonder in achtneming van de actuele veiligheidsrichtlijnen. Gezien de geschiedenis (o.a. een grote brand) is dit onverantwoord. Het opleggen van een onafhankelijke technische keuring over de bouwkundige en constructieve uitvoering van de illegaal uitgevoerde bouwwerken ontbreekt. Deze vergunning is een legalisatie van een illegale situatie met onverantwoorde risico’s voor de buurt.

Proefnemingen Gezien de problematische geschiedenis met meerdere grote en kleine incidenten op dit bedrijf is het onverantwoord om deze ondernemer ruimte te geven om te experimenteren met deze MVI installatie. Het betreft hier namelijk een aerobe mestverwerkingsinstallatie met een tweetal open tanksystemen. Deze ondernemer zonder wetenschappelijke begeleiding laten experimenteren met dit systeem geeft onverantwoorde risico’s. De omschreven inkadering in de concept Wabo wekt de suggestie dat de Omgevingsdienst toegerust is om

Het aanwezige agrarisch bouwvlak aan de Oude Borculoseweg 5 te Groenlo wordt gering overschreden door enkele bouwwerken ten behoeve van de mestverwerking. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft aangegeven mee te werken aan legalisering van deze geringe overschrijding van het bouwvlak en de nieuw aan te leggen toegangsweg. De raad heeft hierin beleidsruimte en mag daarbij dus beslissen of er gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan door toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. Er is geen strijd met door de gemeenteraad vastgesteld beleid.

Een deel is zonder omgevingsvergunning gerealiseerd. Deze omgevingsvergunning is mede bedoeld om de bouwwerken in overeenstemming met de regels van het bouwbesluit te brengen. Ook voor wat betreft de bouwconstructies en de brandveiligheid. Het toezien op de naleving van de regelgeving is door GS bij de ODRN neergelegd.

Proefnemingen zijn alleen toegestaan als deze geen onverantwoorde risico’s met zich meebrengen. Een proef is niet gericht op het behalen van economisch voordeel. De proeven mogen niet worden uitgevoerd met grotere hoeveelheden dan strikt noodzakelijk voor de proef. Daarom hebben wij hieraan randvoorwaarden gesteld en moet voorafgaande aan de proefneming goedkeuring zijn verleend door het bevoegd gezag.

4.

5.

6

experimenteren met de daarbij horende risico’s bij dit type complexe biochemische processen goed te kunnen inschatten. Afvalwater In december 2022 is de nieuwe richtlijn van de Waterschappen gepubliceerd: “Het aanwijzen van BBT voor effluent behandeling bíj mestverwerkingsinstallaties". Daarin wordt gespecificeerd dat afvalwaterlozing via het riool van MVľs, zoals het type Ottink niet meer BBT is en om die reden niet meer vergund kan worden. Het gedogen van forse overschrijdingen van de lozingsnorm voor chloride is niet conform de landelijke richtlijnen en derhalve in deze vorm niet vergunbaar.

Emissies De door bureau Blauw opgemaakte emissierapporten voldoen niet aan de norm en zijn incompleet. De gehanteerde meetmethodes en gesuggereerde nauwkeurigheden zijn niet realistisch, aangezien dit metingen aan grote open nitrificatie en denitrificatie tanks betreft. Het extrapoleren van een beperkt aantal meetpunten en metingen naar jaarlijkse emissies met de daarbij gehanteerde foutmarge is onbetrouwbaar. Deze resultaten kunnen hooguit als indicatief beschouwd worden. Daarnaast ontbreekt emíssie-informatie over te gebruiken apparatuur. Milieueffectrapport De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft een inventarisatie gemaakt van de gezondheidsrisico’s met betrekking tot mestverwerking op basis van literatuuronderzoek. Daaruit wordt duidelijk dat daaraan de nodige risico’s zijn verbonden. Tot op heden is er geen gericht onderzoek bekend naar de gezondheidsrisico’s voor mens en dier bij dit specifieke type

In dit betreffende BBT document wordt aangegeven dat de voorkeurs lozingsroute de volgende is: 1. bodem, 2. lozing groot oppervlaktewater, 3. lozing klein oppervlaktewater, 4. lozing riolering. Afvalwaterlozing van mestverwerking op de riolering heeft niet de voorkeur. De finale keuze voor de voorkeurslozingsroute vergt een lokale afweging op maat. Hiertoe is voorschrift 4.2 in de vergunning opgenomen: Ottink B.V. zal volgens voorschrift een onderzoek moeten verrichten en een (concept) plan van aanpak moeten indienen om te voldoen aan BBT, volgens de notitie “Het aanwijzen van BBT voor effluent behandeling bij mestverwerkingsinstallaties”. In het plan van aanpak worden alle lokale afwegingsaspecten meegenomen en wordt uiteindelijk de best beschikbare techniek gekozen die als redelijk en billijk te beschouwen is in de situatie van Ottink. Een aanpassing van de lozingsnorm voor chloride is gelet op het plan van aanpak niet aan de orde. Het toezicht op deze lozingsnorm wordt uitgevoerd volgens de landelijke handhavingsstrategie.

De emissies zijn van een te verwachten niveau. Wij hebben de aangevraagde geuremissie en de maatregelen om geuremissie uit apparatuur te voorkomen vastgelegd in voorschriften. Hiermee zijn de emissies acceptabel en te controleren.

Uit het advies van de Gezondheidsdienst voor Dieren blijkt dat verspreiding van ziekteverwekkers vanuit mest via de lucht niet zeer waarschijnlijk is. Ook zijn er geen algemeen aanvaardbare wetenschappelijke inzichten die dit aantonen. Uit de aanvraag blijkt dat maatregelen zijn en worden getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Zo wordt onder andere een hygiënisatie-installatie geplaatst om het gescheiden slib ziektekiem-vrij te maken.

Ottink-MVI met grote open nitrificatie en denitrificatie tanks. Het is te verwachten dat dit type MVI een verhoogd risico inhoudt voor het verspreiden van onder andere zoönose en endotoxinen. Gezien de ligging ten opzichte van woonwijken (kleiner dan 1 km), de direct aanpalende veebedrijven, de kennislacune en de hierboven vermelde gezondheidsrisico’s is een volledig MER noodzakelijk.

7

Geluid Het ‘s nachts laden en lossen van vee geeft al jaren grote overlast in de buurt. Verwezen wordt naar de lijst van klachten die over de jaren heen bij de Omgevingsdienst zijn aangemeld. Ook de recent hernieuwde afspraken met betrekking tot het op voorhand melden van nachtelijke activiteiten wordt niet gerespecteerd. Er wordt op jaarbasis voor tien nachten ontheffing verleend voor afvoer van slachtrijpe kalveren. Bij een normale bedrijfsvoering volstaat tweemaal per jaar. Door deze activiteiten in de nachtelijk uren uit te voeren is er ook geen enkel zicht op het respecteren van de regels voor dierenwelzijn. Gezien de ervaringen in het verleden, nachtelijke geluidsoverlast voor de buurt, risico op dierenleed en het ontbreken van de wil om handhavend op te treden bij overheidsinstanties moet iedere nachtelijke activiteit met kalveren worden verboden

Het volledige proces wordt beschreven in hoofdstuk 14.2 van de vergunning. Door al deze maatregelen op het bedrijf te treffen wordt een inspanning geleverd om, indien ziektekiemen of andere schadelijke stoffen in de mest voorkomen, deze te beperken en de verspreiding hiervan tot een minimum te beperken. Daarnaast hebben wij voorschriften aan de vergunning verbonden om de risico’s op mogelijke verspreiding van ziektekiemen te beperken. Doordat diverse maatregelen zijn getroffen en gezondheidsrisico’s volgens algemeen aanvaardbare wetenschappelijke inzichten niet aantoonbaar zijn, zien wij in het opstellen van een MER geen toegevoegde waarde.

De zienswijze is gericht op de incidentele bedrijfssituatie voor het laden en lossen van kalveren in de nachtperiode. Incidenteel mogen 10 nachten per jaar kalveren worden geladen. Twee keer per jaar worden de kalveren geladen en deze activiteit wordt gedurende meerdere dagen en nachten uitgevoerd. Wij hebben Ottink gevraagd om de activiteit laden en lossen kalveren nader toe te lichten. Hiertoe heeft Ottink gewijzigde teksten (paragraaf 3.1 en 6.1 en 6.2) voor het akoestisch rapport van Sain – rapportnummer 20143126-4 d.d. 5 december 2023 aangeleverd m.b.t. de activiteit laden en lossen kalveren, en: • De juiste bijlage 4 en 5 zijn toegevoegd; • De locatie van het laden van vee is in de figuur van bijlage 3 aangegeven. Het gewijzigde akoestisch rapport is als nieuw document aan de aanvraag toegevoegd. Wij beoordelen dat de activiteit laden van kalveren in de nacht een kleine overschrijding van de geluidnorm veroorzaakt (ca. 0,3 dB(A)) van het langtijdgemiddelde geluidsniveau. De overschrijding van het maximale geluidniveau bedraagt 3 dB(A). Gezien de mate van overschrijding, de frequentie van de activiteit en de kosten worden maatregelen (68.000 euro) in de overdracht is het maximale geluidniveau vergunbaar. Om de controleerbaarheid te vergroten hebben wij voorschrift 7.3.4. aan de voorschriften toegevoegd (plaats van de bronnen 20A, 21A en 21B).

Zie verder ook de beoordeling van zienswijze 12.

8

Zienswijze B De separaat ingediende zienswijze B als geïntegreerd onderdeel van deze zienswijze te beschouwen.

Zie hieronder uitgewerkte reactie op de zienswijzen.

Zienswijze B Ontbrekende stukken bij terinzagelegging 9 In het ontwerpbesluit wordt bij de omschrijving van de aanvraag een groot aantal documenten omschreven dat niet ter inzage is gelegd. Tevens zijn de adviezen niet ter inzage gelegd.

De aanvraag bestaat uit een groot aantal documenten. De hoeveelheid documenten is het gevolg van een lang traject waarin door gewijzigd beleid diverse aanpassingen in de aanvraag zijn doorgevoerd. Om overzicht te behouden en geen misverstanden te laten ontstaan over de aangevraagde activiteiten en het bijbehorende milieueffect, zijn alle documenten in de aanvraag opgesomd in hoofdstuk 1.3, met daarbij aangegeven of deze documenten nodig zijn geweest om te komen tot een beslissing. Documenten die zijn achterhaald, hebben wij daarom wel in de lijst opgenomen, maar doorgestreept en niet ter inzage gelegd. In het hoofdstuk 1.7 “beoordeling van de aanvraag” hebben we het proces van de aanvraag en de diverse aanvullingen op de aanvraag nader toegelicht. Op 15 juni 2023 heeft indiener zienswijze een verzoek gedaan voor het digitaal toezenden van de aanvraag, adviezen en de authentieke AERIUS-berekeningen. Deze zijn op 23 juni 2023 toegezonden.

10

Gebruik strijdig met het bestemmingsplan A: In het ontwerpbesluit wordt onder overweging 2.4 verwezen naar een bijlage waarin de afwijking van het bestemmingsplan nader zou zijn gemotiveerd. Deze bijlage is echter niet tezamen met het ontwerpbesluit gepubliceerd. Het ontwerpbesluit is op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd.

A: In hoofdstuk 2.4 van het ontwerpbesluit wordt voor de overwegingen bij de strijdigheid met het bestemmingsplan en de toepassing van artikel 2.12 Wabo verwezen naar de bijlage “Gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan of een beheersverordening”. Deze verwijzing klopt niet. De overwegingen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 “Toetsingskader Strijdig gebruik”. Dit betekent dat de betreffende motivering wel degelijk is opgenomen in het ontwerpbesluit, alleen in hoofdstuk 4 en niet in een bijlage. Dit staat ook niet goed in de inhoudsopgave. In het definitieve besluit zal deze tekortkoming hersteld worden. Inhoudelijk wijzigt dit het besluit niet.

B: In het ontwerpbesluit wordt voorgespiegeld dat sprake is van een beperkte afwijking. Dat is niet het geval.

B: In hoofdstuk 4.2 van het besluit is juist aangegeven dat sprake is van een grote afwijking van het bestemmingsplan. Reden waarom een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad benodigd is om deze strijdigheden toe te staan.

C: In het ontwerpbesluit is niet ingegaan op de ruimtelijke gevolgen van de nieuwe uitweg. Verkeersbewegingen leveren voor cliënten een aanzienlijke geluidsbelasting op. Met name het

C: Om de bereikbaarheid van de voorzieningen te vergroten (m.n. de brandveiligheid) is een weg aangelegd naast de mestverwerking. Deze weg sluit aan op de Oude Borculoseweg. Tussen de

lossen en laden van kalveren in de nachtperiode. De nieuwe uitrit zal leiden tot een grotere geluidsbelasting.

nieuwe weg en de bestaande ontsluiting wordt op het terrein van de inrichting een nieuwe verbindingsweg aangelegd. Voor het aansluiten van de uitweg op de Oude Borculoseweg ziet het besluitonderdeel voor “het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik daarvan” (artikel 2.2, eerste lid, onder e van de Wabo). Aan dit onderdeel van het besluit hebben wij abusievelijk de verkeerde overwegingen ten grondslag gelegd. In het definitieve besluit hebben wij deze vervangen door de juiste overwegingen. Dit betekent dat hoofdstuk 3 “toetsingskader uitweg” in zijn geheel is vervangen. Dit is een wijziging ten opzichte van het ontwerpbesluit. Tevens worden ook voorwaarden aan de aanleg van deze uitweg verbonden. Deze staan in het hoofdstuk 11 Uitweg. Dit is eveneens een wijziging ten opzichte van het ontwerpbesluit. Het aspect geluid is geen onderdeel van de toetsing in het kader van het realiseren van een uitweg. Dit aspect is beoordeeld bij de besluitonderdelen “strijdigheid bestemmingsplan” en “milieu”. Voor de beantwoording van de zienswijze met betrekking tot het lossen en laden van kalveren verwijzen wij naar zienswijze 7.

D: In plaats van een mestvergistingsinstallatie wordt een scheidings- en drooginstallatie toegestaan. Hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat een vergistingsinstallatie een wezenlijk andere toepassing is met andere gevolgen voor het milieu. In de nu vergunde situatie wordt geen energie geproduceerd, zoals blijkens de planregels en toelichting bij het bestemmingsplan wel is beoogd. Tevens is miskend dat in het bestemmingsplan uitdrukkelijk toestemming is gegeven voor de oprichting van installaties waarin eigen mest verwerkt wordt.

D: In de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de beschikking is sprake van een mestverwerkingsinstallatie en niet van een mestvergistingsinstallatie zoals de indiener van de zienswijze dit benoemt. Volgens het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost Gelre 2011’ is een mestvergistingsinstallatie ten behoeve van o.a. energieopwekking toegestaan. Omdat deze aanvraag ziet op een mestverwerkingsinstallatie en deze niet past binnen de regels van het geldend bestemmingsplan buitengebied wordt hiervan ook afgeweken met deze gevraagde omgevingsvergunning. Zoals eerder aangegeven heeft het bevoegd gezag hierin beleidsruimte. Ditzelfde geldt voor de verwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf. Ook hiervan wordt afgeweken zodat ook mest van derden kan worden verwerkt in de mestverwerkingsinstallatie.

E: Er is niet voldaan aan de indieningsvereisten gesteld in art. 3.2. Mor.

E:. Voor de aanvraag wordt wel degelijk voldaan aan de indieningsvereisten die de Mor daaraan stelt. Alleen voor het aspect Archeologie is geen onderzoeksrapport overlegd, de gemeente Oost Gelre heeft aangegeven dat op basis van de aanvraag en de bij hen aanwezige gegevens, geen onderzoeksrapport vereist is. Een en ander is verwoord in de ruimtelijke onderbouwing die deel uitmaakt van deze beschikking en waaraan is getoetst voor de beoordeling van het strijdig gebruik in hoofdstuk 4.2 van de beschikking.

Ontbreken dekkend m.e.r.-beoordelingsbesluit

11

Met het ontwerpbesluit wordt een vergunning verleend ex. art. 2.1, lid 1, sub e Wabo voor het uitbreiden van de mestverwerkingsinstallatie met een mestdrooginstallatie. In de m.e.r.- aanmeldnotitie d.d. oktober 2018, de verouderde notitie waar het besluit op is gebaseerd, wordt gesteld dat de drooginstallatie reeds onderdeel uitmaakt van de inrichting. In de notitie wordt voorgespiegeld dat de installatie reeds is vergund en er enkel een uitbreiding van het bouwvlak wordt aangevraagd vanwege een miscommunicatie. Wat ook met deze miscommunicatie wordt bedoeld, in het ontwerpbesluit is duidelijk opgenomen dat sprake is van een uitbreiding met nieuwe processtappen. Hiervoor is geen m.e.r.beoordelingsbesluit genomen. Tevens is het m.e.r.-beoordelingsbesluit gedateerd. In de m.e.r.aanmeldnotitie d.d. juli 2022 zijn aanpassingen gedaan ten opzichte van de versie d.d. oktober 2022. Naar aanleiding van deze aanpassingen is echter geen nieuw m.e.r.beoordelingsbesluit genomen.

12

Ottink heeft een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een mestverwerkingsinstallatie met een capaciteit van 36.000 m3. In hoofdstuk 1.4 van de vergunning staat de vergunde situatie beschreven. Het besluit heeft betrekking op de veranderingen van de inrichting die sindsdien zijn of nog gerealiseerd moeten worden. De veranderingen staan beschreven in de m.e.r.-aanmeldnotitie van 30 oktober 2018 en de aanvullende gegevens bij m.e.r.-beoordelingsnotitie d.d. 17 januari 2019. Het gaat om het wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie met nageschakelde technieken in de vorm van het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser. De aanvullende gegevens zien op een wijziging van het productieproces en de ruimtelijke inpasbaarheid. De capaciteit van de installatie blijft ongewijzigd. Daarmee zijn in de m.e.r.-aanmeldnotitie inclusief aanvulling alle wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie beschreven. Op basis hiervan hebben wij op 26 maart 2019 een m.e.r.beoordelingsbesluit genomen. Op 27 juli 2022 hebben wij een geactualiseerde m.e.r.-aanmeldnotitie ontvangen voor de wijzigingen die hebben plaatsgevonden. In hoofdstuk 5.5 van de onderliggende vergunning hebben wij een aanvullende toetsing aan de relevante criteria van bijlage III van de m.e.r.richtlijn gedaan.

Hieruit blijkt dat het project, ook met de laatste wijzigingen, niet leidt tot belangrijke gevolgen voor het milieu waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Bij gebrek aan een dekkend m.e.r.-beoordelingsbesluit dient de aanvraag op grond van art. 7.28 Wm, lid 2, sub a buiten behandeling te worden gesteld. Geluidsbelasting lossen van kalveren In het akoestisch onderzoek is geen althans niet afdoende rekening gehouden met de verhoogde geluidsbelasting voor cliënten als gevolg van het lossen van kalveren. A: Er is geen rekening gehouden met de nieuwe inrit. Er zijn wel vervoersbewegingen gemodelleerd voor het vervoer van kalveren aan de achterkant van stal 5. Het laden en lossen van kalveren aan de achterkant van stal 5 is echter niet gemodelleerd.

A: De transportroute 108 (overig) in het akoestisch onderzoek is gemodelleerd naar de achterzijde van stal 5. De geluidbron 102 Luchtwasser is gemodelleerd nabij transportroute 108. De indruk dat de transportroute 102 (vee) naar de achterzijde loopt is niet juist. Het laden en het lossen van kalveren gebeurd aan de voorzijde van stal 5, zijnde bron 21a en 21b.

B: De gemodelleerde duur van het laden en lossen, te weten een uur per stal, niet realistisch. In werkelijkheid duurt dit ongeveer

B: De inrichtinghouder geeft aan dat maximaal 2 vrachtwagens worden geladen per nacht. Het laden van een vrachtwagen duurt een uur.

vier uur. Doordat in de modelberekening van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan valt het langtijdgemiddelde niveau in het akoestisch onderzoek aanzienlijk lager uit dan in de werkelijkheid het geval is. C: Er zijn geen voorschriften opgenomen over de duur, locatie en tijdstip waarop kalveren worden geladen of gelost. Omdat het gaat om een incidentele bedrijfssituatie is bij gebrek aan dergelijke voorschriften het geluidsniveau niet handhaafbaar.

13

C: De duur van de activiteit laden en lossen per nacht is in voorschrift 7.3.3 beperkt tot 2 uur. Het tijdstip waarop deze activiteit plaatsvindt is variabel en het ligt niet in de macht van de inrichtinghouder om daarin sturing aan te brengen. De zienswijze is gegrond voor zover het betreft het opnemen van een voorschrift met betrekking tot de locatie van de activiteit laden/lossen van kalveren in de nachtperiode. Wij hebben een aanvullend voorschrift aan de vergunning verbonden (7.3.4)

Geurbelasting De geurbeoordeling is niet deugdelijk uitgevoerd. Daarover worden een aantal opmerkingen gemaakt. A: Het adres Vrakkinkweg 1 is ten onrechte aangemerkt als behorend tot gebiedscategorie B. Het betreft een woning die kan worden gekenmerkt als verspreid gelegen woningen in het buitengebied. Gelet op art. 8 van de Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017 (hierna: de beleidsregel) dient het adres te worden aangemerkt als behorend tot gebiedscategorie A.

A: Vrakkinkweg 1 ligt op een perceel met de bestemming “specifieke vorm van bedrijf gebiedsgebonden bedrijf”. Hierom is voor dit geurgevoelige object de categorie B, “wonen in de gebiedscategorie werken” aangehouden.

B: De geurbelasting op dit adres is ten onrechte niet getoetst in tabel 5.5.

B: Tabel 5.5 is slechts een tabel om het verschil in resultaat tussen GeoMilieu en V-Stacks te bezien. Dit is geen tabel waarin getoetst wordt. Een volledige lijst van alle berekende objecten is daarom niet benodigd.

C: Niet beargumenteerd is of u het eens bent met de toekenning van de hedonische waarde ‘minder hinderlijk’ in het geurrapport.

C: Conform ons geurbeleid bepalen wij, dus niet de aanvrager, wat de aard van de geur is. In paragraaf 13.3.4. onder b) hebben wij aangegeven hoe wij tot de beoordeling “minder hinderlijk” zijn gekomen. Ook bij een geur met als aard “minder hinderlijk” kan overigens hinder optreden.

D:

D:

14

De geuremissies van de mestverwerkingsinstallaties zijn niet duidelijk onderbouwd en lijken laag in relatie tot het niveau dat gebruikelijk is voor soortgelijke installaties.

Door de genomen en de te nemen maatregelen is de geuremissie van de mestverwerkingsinstallatie inderdaad relatief laag. Om te verzekeren dat de waarden gehaald worden hebben wij voorschriften aan de vergunning verbonden om de goede werkzaamheid van de maatregelen te verzekeren.

E: In tabel 5.7. is aangegeven dat de 98%- geurconcentratie 16,0 ouE/m³ bedraagt. Dit is een overschrijding van de grenswaarde, zelfs wanneer uitgegaan wordt van gebiedscategorie B. Gelet op art 6 en 11 van de beleidsregel kan een vergunning voor nieuwe geurrelevante activiteiten niet verleend worden.

E: De toetsing van geur uit verschillende bronnen met verschillende toetsingskaders staat nader uitgewerkt in de toelichting bij artikel 5 van het geurbeleid. Aangezien de geuremissie van zowel de mestverwerkingsinstallatie als van het houden van vee afneemt, zien wij dit als een acceptabel geurhinderniveau.

F: De huidige belasting is zodanig hoog dat in cumulatie met andere bronnen naar alle waarschijnlijkheid sprake is van geurniveau dat een schending oplevert van het recht op eerbied voor de eigen woning, vastgelegd in art. 8 EVRM. Vlak naast de onderhavige inrichting is nog een grote veehouderij gevestigd. Daarvan is geen rekenschap gegeven en geen onderzoek naar gedaan bij de voorbereiding van het ontwerpbesluit. Dit is onzorgvuldig en in strijd met art. 3:2 Awb.

F: Met de voorliggende vergunning neemt de geurbelasting van de omgeving af. De gecumuleerde geurbelasting zal dus ook afnemen. Of de gecumuleerde geurbelasting een schending oplevert is daarmee niet van belang in deze procedure.

G: De geurbelasting is zodanig hoog dat de ontwerpvergunning niet kan worden verleend. U dient maatregelen op te leggen teneinde de geurbelasting ten gevolge van het houden van vleeskalveren voor cliënten te verminderen. Toepassing omgekeerde osmose In overweging 1 is aangegeven dat MBR-en OO-installatie op de tekeningen staan, maar dat deze niet zijn vergund. In het hoofdstuk afvalwater zou nader op deze installaties worden ingegaan, maar dat is niet het geval. Verzocht wordt te verduidelijken of deze installaties zijn vergund. Indien dit het geval is, dient een MER te worden opgesteld.

G: Zoals wij in het besluit en hierboven hebben overwogen, hebben wij bepaald dat aan een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt voldaan. Wij hebben geen reden om extra maatregelen voor te schrijven.

De installaties Membraan Bio Reactor (MBR) en Reserved Osmose (OO) zijn inderdaad op de tekeningen ingetekend. Deze installaties worden niet aangevraagd en maken daarom geen onderdeel uit van de aanvraag. Dit staat onjuist verwoord in de aanvraag en in hoofdstuk 1.2. van de considerans. In het hoofdstuk “afvalwater” wordt hier dus ook niet nader ingegaan. De zin wordt aangepast in het definitieve besluit.

Strijdigheid met art. 2.8 Wet natuurbescherming wegens ondeugdelijk stikstofonderzoek

15

De stikstofberekeningen zijn niet deugdelijk uitgevoerd. Daarover worden enkele opmerkingen gemaakt. A: De juistheid van de AERIUS-projectberekeningen zijn niet voldoende onderbouwd. In de toelichting zijn de referentiesituatie en de beoogde situatie niet duidelijk uit elkaar gehouden. Tevens is niet aangegeven op welke toestemming de referentiesituatie is gebaseerd. De vergunning dient te worden geweigerd om het enkele feit dat het bestaan van een referentiesituatie niet voldoende is aangetoond (vergelijk ECLI:NL:RBOVE:2021:4405).

A: De aanvrager is naar aanleiding van de zienswijze verzocht om extra onderbouwing. Deze is aangeleverd inclusief de geactualiseerde AERIUS berekeningen (ontvangen 27 november 2023) en verschaft voldoende duidelijkheid m.b.t. referentiesituatie en beoogde situatie.

B: Op verschillende plekken in de vergunning wordt verwezen naar een aanvraag voor een Wnb-vergunning. In bijlage 3 van de m.e.r.-aanmeldnotitie is tevens een ontvangstbevestiging van deze aanvraag opgenomen. Op deze aanvraag is echter nooit positief beslist. Een aanvraag zonder beslissing kan vanzelfsprekend niet als referentietoestemming gelden. Toch wordt hier in de aanvraag een beroep op gedaan. Ook hierom had de vergunning moeten worden geweigerd.

B: Ten tijde van het m.e.r.-beoordelingsbesluit d.d. 26 maart 2019 was het de bedoeling voorafgaand aan de Wabo-aanvraag een Wnb-vergunning aan te vragen. Dit is ook gebeurd. Echter, door de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 (de zogenaamde PASuitspraak) mogen er geen Wet natuurbeschermingsvergunningen meer worden afgegeven die leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Dit heeft ertoe geleid dat de Wabo-aanvraag en de Wnb-aanvraag zijn aangepast. Omdat voor het kunnen uitvoeren van het project beide vergunningen noodzakelijk zijn, heeft Ottink ervoor gekozen de Wabo en de Wnb gecombineerd aan te vragen. Het bedrijf heeft een Nbw-vergunning uit 2014 (voordat Wnb in 2017 van kracht werd), waar zij voor haar referentiesituatie rechten aan kan ontlenen. Hieraan is getoetst.

C: De autonome verschoning van het transport is ten onrechte gebruikt als intern saldo voor het beoogde project. Deze verschoning is geen gevolg van het project en mag derhalve niet worden meegerekend. De referentietoestemming dient naar huidig inzicht met de nu geldende emissiefactoren te worden doorgerekend.

C: Naar aanleiding van de zienswijze hebben wij de aanvrager gevraagd dit aan te passen. Deze is geleverd en de berekeningen zijn nu gebaseerd op rekenjaar 2024.

D: De emissiefactoren voor de mestverwerking zijn niet realistisch. De emissie uit de mestdrooginstallatie zal in de praktijk hoger uitvallen dan in het stikstofonderzoek wordt voorgespiegeld. Er wordt verwezen naar een eenmalige meting die niet

D: De gehanteerde emissiefactoren voor het nitrificatie en denitrificatie proces zijn bepaald op basis van metingen conform NTA-9065 door een geaccrediteerd bureau en zijn voldoende onderbouwd. Daarnaast geldt dat de rechten van deze emissies (nitrificatie en denitrificatie) ook in de referentiesituatie gelden en uiteindelijke toetsing (effectbepaling) plaatsvindt op

representatief is. De worst-case berekening voor hygiënisatie is niet juist omdat ook gerecirculeerde lucht uiteindelijk geëmitteerd zal worden.

basis van verschilberekeningen tussen de beoogde- en referentiesituatie. Eventuele meetonnauwkeurigheden vallen hierdoor bij de toetsing dan ook tegen elkaar weg. De aanvrager is naar aanleiding van de zienswijze verzocht de onderbouwing van gehanteerde emissies voor het hygiënisatie proces uit te breiden. De toelichting bij de AERIUS berekeningen d.d. 27 november 2023 hebben wij aanvullend in het besluit opgenomen

E: De cijfers in het toegelichte stikstofonderzoek komen niet overeen met de AERIUS-berekening waar het bestreden besluit op is gebaseerd. Ook in het ontwerpbesluit wordt van andere cijfers uitgegaan.

E: Het is onduidelijk naar welke cijfers hier wordt gerefereerd. Bij toetsing van de documenten (toelichting bij de aanvraag, toelichting op AERIUS berekeningen en de AERIUS berekeningen zelf) zijn geen inconsistenties in ‘cijfers’ geconstateerd.

F: In de beoordeling zijn ten onrechte meerdere projecten samengevoegd die niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn (vergelijk ECLI:NL:RVS:2011:BR5684, ECLI:NL:RVS:2016:2017 en ECLI:NL:RVS:2017:3002).

F: Onduidelijk is welke projecten - volgens de indiener van de zienswijze - zijn samengevoegd, maar niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn.

G: De emissies in het stikstofonderzoek komen niet overeen met de emissies in de m.e.r.- aanmeldnotitie.

G: Het stikstofdepositieonderzoek is volgens de laatste inzichten opgesteld en kent wat wijzigingen ten opzichte van de m.e.r-aanmeldnotitie. Voor het ontwerpbesluit zijn de meest actuele stikstofdepositie berekeningen en onderbouwing getoetst (zie ook de reactie op zienswijze 15B).

H: De emissie van verzurende deposities zoals SO2, HF en HCL is niet beoordeeld.

H: Omdat de biomassakachel zowel in de referentie als beoogde situatie aanwezig is en niet wijzigt, is er geen toename van verzurende depositie a.g.v. SO2. Daarnaast is er een kleine afname van NH3 (afname van 30 vleeskalveren), waardoor nadelige verzurende effecten t.o.v. de referentiesituatie zijn uit te sluiten. Dit aspect is voldoende beoordeeld.

I: In voorschrift 10.2.2 dient de relevante meetmethode en frequentie te worden gespecificeerd. Voorgesteld wordt continumeting met verwijzing naar de relevante NEN-norm zonder afwijkingsmogelijkheid.

I: De beoordeling van de meetmethode en frequentie die gehanteerd zal worden voor de NOx en NH3 metingen, worden getoetst in de goedkeuring van het monitoringsplan (voorschrift 10.2.3). Doordat deze afzonderlijk worden beoordeeld, is er geen reden dit apart in een voorschrift op te nemen.

J:

J:

Al met al is de vergunning verleend in strijd met art. 2.8 Wnb. Subsidiair geldt dat, indien zoals u betoogt op grond van intern salderen geen toename van stikstofdeposities zou optreden, geen aangehaakte natuurtoestemming nodig is, waardoor ten onrechte een vergunning ex. art. 2.1 Wabo, lid 1, sub i is verleend.

In de bestaande natuurtoestemming is met name de omschrijving van de activiteiten die verband houden met het be- en verwerken van mest slechts marginaal beschreven. De activiteit is weliswaar expliciet vergund maar de samenhangende emissie is onvolledig weergegeven of beschreven. De betreffende vergunning vormt echter wel de referentie voor deze procedure. Er is om deze reden zeer veel tijd en energie gestoken in het op correcte wijze vaststellen van de referentie per activiteit en is er vervolgens bepaald of de beoogde situatie passend is door een technische beoordeling van de bronkenmerken. Deze zijn vastgelegd in de aangehaakte natuurtoestemming. Wij zien dit als een passende beoordeling van het bedrijf. Het nu voor alle belanghebbenden duidelijk wat wel en wat niet is toegestaan. Ook is de bedrijfsvoering nu beter handhaafbaar. Daarnaast kunnen wij alleen garanderen dat het hier intern salderen betreft als wij voorschriften opleggen. Het opleggen van voorschriften is alleen mogelijk met een vergunning ex art. 2.1 van de Wabo. Wij zien de opgelegde voorschriften dan ook als een beschermingsmaatregel.

16

Toepassing best beschikbare technieken A: Er is in het geheel niet getoetst aan het relevante BBT-document: Het aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties d.d. 19 december 2022. Ten onrechte is gesteld dat dit document pas relevant wordt in het geval deze in een wettelijke regeling wordt gepubliceerd. Dit is niet het geval. Op grond van art. 2.14, lid 1, sub c, onder 1 Wabo bent u eraan gehouden de best beschikbare technieken vast te stellen. Het ligt in de rede voor het bepalen van de best beschikbare technieken het voorgenoemde document te gebruiken. Indien u afwijkt van het genoemde document dient u per onderdeel aan te geven welke overweging daaraan ten grondslag ligt. B: Ten onrechte is niet overwogen welke emissies naar lucht corresponderen met BBT. U meent dat art. 2.5 Abm van toepassing is. Dat is niet het geval. U dient in een voorschrift emissiegrenswaarden op te nemen die corresponderen met BBT. Voorschrift 8.2.9 is niet voldoende concreet. Het rendement van de luchtwassers voldoet niet aan BBT.

A: In het besluit is rekening gehouden met het document “aanwijzen van BBT voor effluentbehandeling bij mestverwerkingsinstallaties d.d. 19 december 2022”. In voorschrift 4.2 van het besluit is daarom voorgeschreven dat een (concept) plan van aanpak moet worden aangeleverd, met een onderbouwend onderzoek naar de mogelijkheden binnen de bedrijfsvoering om aan de emissiegrenswaarden uit het document te voldoen.

B: De emissies naar lucht (anders dan geur) voor de mestscheiding worden niet benoemd in de BBT conclusies. Afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit is daarom van toepassing op deze emissies. Wij zien geen aanleiding extra maatwerkvoorschriften te stellen voor de emissies.

C: Ook voor wat betreft geur heeft u geen BBT-beoordeling uitgevoerd. Dit steekt des te meer nu enorme geurvrachten optreden. Er zijn niet afdoende voorzieningen getroffen om diffuse emissies te voorkomen en ook het gedeeltelijk buiten opslaan van grondstoffen voldoet niet.

D: Al met al is uw BBT-beoordeling nagenoeg onvolledig. Het ontwerpbesluit is op dit punt in strijd met art. 2.14, lid 1, sub c, onder 1 Wabo verleend.

17

Proefnemingen In voorschriften 2.2.1 t/m 2.2.5 is de mogelijkheid opgenomen om zonder appellabel besluit wijzigingen aan te brengen in het type te behandelen afvalstoffen of het type brandstoffen. Dit is een vergunningsplichtige wijziging van de inrichting. Deze voorschriften zijn niet rechtsgeldig en dienen omwille van de duidelijkheid uit de vergunning te worden geschrapt.

C: Een geurbeheerplan (BBT 12 van de BBT conclusies voor afvalbehandeling) en de te nemen maatregelen uit BBT 13 en 14 zijn opgenomen in de voorschriften. Voor geur van het houden van dieren zijn de stalsystemen, zoals opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij, BBT. Voor de mestscheiding is in de paragraaf “Overige geurhinder” aangegeven dat BBT maatregelen worden toegepast om de geur te minimaliseren. De uitgevoerde BBT-toets, waaronder de controle van de ingediende “BBTchecklist” is niet volledig uitgewerkt in het besluit. Wij voegen een alinea toe aan paragraaf 13.3 van het definitieve besluit. D: Wij hebben een volledige BBT-beoordeling uitgevoerd. Hoe wij deze voor Geur hebben uitgevoerd is verwoord in de beantwoording van zienswijze 16C.

De voorschriften 2.2.1 t/m 2.2.5 zien op proefnemingen. De wet biedt de mogelijkheid op grond van artikel 5.9 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) voorschriften aan de vergunning te verbinden voor het testen of gebruik van technieken in opkomst. Zie ook onze reactie bij zienswijze nr. 3. Als een proefneming wordt omgezet naar een reguliere activiteit die niet past binnen de vergunning, zal daarvoor een vergunningprocedure moeten worden doorlopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13794642/1