CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

beleidsdocument grote windmolens

Gemeenteraad 8 april 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Beleidsdocument grote windmolens22.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

instandhouding) wordt planologisch bestemd; landschappelijke inpassing van de toegangs- en onderhoudswegen; combinatie van hekwerken etc. met de landschappelijke randafwerking de positie van de benodigde gebouwen in cluster of één lijn; keuze van de kleur voor hekwerken en installatievoorzieningen/gebouwen (die in het landschap wegvallen); op welke wijze wordt gewerkt met beplanting en andere middelen die passen bij het landschapstype (landschapstype-eigen); installaties behorende bij de windmolen moeten zoveel mogelijk worden opgenomen in de voet van de windmolen een beoordeling/berekening van een gebied 360 graden rondom het windmolenpark, welk gebied noodzakelijk is voor aanleg van landschapselementen voor landschappelijke inpassing. De situatie wordt met 3D beelden gevisualiseerd. Het gaat bij windmolens om een ‘lagenbenadering’ waarbij inpassing plaats vindt op meerdere locaties en op verschillende afstanden (lagen) van de molens. De beoordeling moet voor meerdere relevante (zicht) locaties inzichtelijk gemaakt worden. Dit ‘wensbeeld’ moet vervolgens getoetst worden op haalbaarheid van uitvoering. Bijvoorbeeld of de gewenste grondaankopen kunnen worden gerealiseerd. De grondposities die noodzakelijk zijn voor de landschappelijke inpassing incl. het landschappelijk inrichtingsplan maken deel uit van de aanvraag en vergunningverlening

4.1.7 Ecologische aspecten Windmolens kunnen effecten op (beschermde) natuurwaarden hebben. Voor initiatieven voor nieuwe grootschalige windmolenprojecten hanteert de gemeente daarom de volgende randvoorwaarden voor het aspect natuur:

26

Beleidsdocument grote windmolens

•

•

•

• •

• •

•

Bij een initiatief voor windmolens moet ecologisch onderzoek worden verricht. Dit ecologisch onderzoek moet zowel de effecten op beschermde natuurgebieden als effecten op beschermde soorten onderzoeken. Hierbij moet worden getoetst of er significant negatieve effecten optreden op de instandhoudingsdoelstellingen of gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Initiatiefnemer moet voor soortenbescherming een ontheffing/toestemming in het kader van de Omgevingswet (voorheen: Wet natuurbescherming)/Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aanvragen, wanneer uit de ecologische onderzoeken blijkt dat een ontheffing noodzakelijk is. De haalbaarheid voor het verlenen van deze ontheffing/toestemming maakt onderdeel uit van de afweging over het verlenen van medewerking aan de ruimtelijke procedure voor het realiseren van het initiatief. Initiatiefnemer moet de effecten van eventuele stikstofdepositie onderzoeken op Natura 2000-gebieden. Bij een initiatief moet worden onderzocht of hiervoor een vergunning op grond van de Omgevingswet (voorheen: Wet natuurbescherming)/Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) noodzakelijk is. Initiatiefnemer moet de effecten op bijzondere gebieden zoals het Gelders NatuurNetwerk en de Groene Ontwikkelzone onderzoeken. Hierbij moet worden voldaan aan de voorwaarden volgend uit de provinciale Omgevingsverordening Gelderland.

Voor zoekgebied K geldt dat binnen een gedeelte van deze locatie weidevogels aanwezig zijn. In het ecologische onderzoek moet daarom de aanwezigheid van weidevogels nadrukkelijk worden onderzocht. Overigens gebeurt dit altijd bij ecologische onderzoeken in het landelijk gebied, ook als het betrokken gebied volgens de provinciale omgevingsverordening niet formeel is aangewezen als weidevogelgebied. Als op basis van de resultaten van het ecologisch onderzoek een automatische stilstandvoorziening voor (trek)vogels en/of vleermuizen nodig blijkt, moet deze verplicht worden toegepast en maakt deze deel uit van de vergunningsvoorwaarden. Indien compenserende of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn, moet hierbij ook rekening worden gehouden met het gemeentelijk biodiversiteitplan (inspiratiedocument) en het effect daarvan op het aanwezige landschap. Verplichte monitoring van ten minste drie jaar na ingebruikname van de windmolens/het windpark om de effecten op natuur door de komst van de windmolens/het windpark in kaart te brengen (deze verplichting kan ook voortkomen uit de provinciale Wnb/Bal-ontheffing)

4.1.8 Randvoorwaarden afstand Het regeerakkoord van het kabinet Rutte IV stelde een heldere afstandsnorm in het vooruitzicht voor de bouw van windmolens op land. Om die reden introduceerden de ontwerpwindturbinebepalingen een afstandsnorm die wordt bepaald op minimaal tweemaal de tiphoogte van de windturbine. Dit betreft een harde norm waarvan alleen kan worden afgeweken vanwege ‘zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen’ (ZEZAM). De Nota van Toelichting bij de ontwerpwindturbinebepalingen geeft aan dat toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid vraagt om “…een indringende inhoudelijke afweging en goede motivering. Om tot een goede afweging te komen of de voorgenomen afwijking van het algemene beschermingsniveau van de afstandsnorm gerechtvaardigd is, moet gekeken worden naar de legitimiteit van het voorgenomen besluit, de doelmatigheid en doeltreffendheid daarvan, de

27

Beleidsdocument grote windmolens

evenredigheid en proportionaliteit, de noodzakelijkheid en naar de aanwezigheid van voldoende maatschappelijk draagvlak. Deze norm biedt veel zekerheid voor omwonenden, en weinig mogelijkheden voor maatwerk voor het bevoegd gezag vanwege de gedegen motiveringsplicht.”9 Tegen deze achtergrond en vanuit de wens van de gemeente om hinder vanwege windmolens zo gering mogelijk te laten zijn, gaan de gemeenten bij de toepassing van deze beleidsregel uit van de afstandsnorm zoals die is opgenomen in de ontwerpwindturbinebepalingen en zien zij na vaststelling daarvan op voorhand geen mogelijkheden voor toepassing van maatwerk via de ZEZAM-afwijking. Dit betekent dat de gemeenten uitgaan van een minimale afstand van tweemaal de tiphoogte tussen een windmolen en een windturbinegevoelig gebouw zoals deze is voorzien in artikel 5.162d Bkl.

4.1.9 Kansenkaarten op basis van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen (2023) Om in beeld te krijgen hoe de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen doorwerken in de mogelijkheden voor het realiseren van windmolens in de zoekgebieden K en I, hebben de gemeenten kansenkaarten opgesteld. Daarbij is uitgegaan van de twee referentieturbines die ook in het planMER van het Rijk bij de ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebruikt (235 m en 280 m tiphoogte), van de standaardwaarden van 45dB dBLden en 39 dBLnight en van de vuistregel dat deze standaardwaarden een geluidscontour van 600 m opleveren. Dit laatste betekent dat de afstand die vereist is vanwege de geluidsnorm meer bepalend is als belemmering voor het realiseren van windmolens dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte van de windmolen (zonder toepassing van de ‘ZEZAM’afwijking). Figuur 6. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld)

9

Nota van Toelichting, pag. 51.

28

Beleidsdocument grote windmolens

Figuur 7. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld)

Wanneer op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten wordt gekeken welk gedeelte van zoekgebied K voor het plaatsen van deze referentieturbines in aanmerking zou kunnen komen, dan blijkt bij een geluidsnorm van 45dBLden dat deze geluidsnorm maatgevend is en om een grotere afstand ten opzichte van gevoelige functies vraagt dan de vaste afstandsnorm van tweemaal de tiphoogte. Dit levert dat het onderstaande beeld op: Figuur 8. Kansenkaart (indicatief) voor windturbines zoekgebied K (geluidsnorm = bepalend 600 m)

29

Beleidsdocument grote windmolens

Voor zoekgebied I zijn hierna vergelijkbare belemmeringenkaarten weergegeven voor de beide referentieturbines: Figuur 9. Belemmeringen referentieturbine 235 m tiphoogte (indicatief beeld)

Figuur 10. Belemmeringen referentieturbine 280 m tiphoogte (indicatief beeld)

Uit deze belemmeringenkaarten komt naar voren dat zoekgebied I geen ruimte lijkt te bieden voor de turbines die bij de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen als referentieturbines zijn gebruikt.

30

Beleidsdocument grote windmolens

Op basis van de bovenstaande belemmeringenkaarten en kansenkaart is vervolgens ook ingeschat hoeveel windmolens zouden kunnen worden geplaatst in de zoekgebieden, welk vermogen dat zou kunnen opleveren en hoe zich dat verhoudt tot de opgave die de gemeenten zijn aangegaan in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES1.0). Ook daarbij is weer uitgegaan van de referentieturbines uit het landelijke plan-MER. Voor het groen gekleurde deel van zoekgebied K geldt dat dit een lengte heeft van ongeveer 1.320 m en dat het op zijn breedste punt ongeveer 470 m breed is. Voor het plaatsen van windmolens wordt doorgaans als vuistregel gehanteerd dat de onderlinge afstand 3 à 4 maal de rotordiameter moet bedragen. Bij een rotordiameter van 170 meter komt dit voor de referentieturbine ‘235 m tiphoogte’ neer op een onderlinge afstand van 510-680 m, een afstand die voor de referentieturbine ‘280 m tiphoogte’ via een rotordiameter van 200 m neerkomt op 600-800 m. Dit betekent dat in het betreffende gedeelte van zoekgebied K realistisch gezien drie windmolens met een tiphoogte van 235 m zouden kunnen worden geplaatst of twee windmolens met een tiphoogte van 280 m.

Dit aantal windmolens kan worden vertaald in een daarmee te behalen elektriciteitsproductie, iets waarbij ook weer wordt aangesloten die de kengetallen die de landelijke planMER hanteert voor de beide referentieturbines (6MW voor ‘235 tiphoogte’ en 8 MW voor ‘280 m tiphoogte’). Met drie windmolens ‘235 tiphoogte’ of 2 windmolens ‘280 tiphoogte’ komt dat neer op 16-18 MW, een vermogen dat bij 3.300 uur voluit draaien (de zogenaamde “vollasturen”) zou neerkomen op 52.800 59.400 MWh (0,0052TWh-0,059 TWh). In RES-verband hebben de gemeenten Berkelland en Oost Gelre afgesproken dat zij een bijdrage van 0,071 TWh resp. 0,058 TWh willen invullen via windenergie. Deze gezamenlijke windopgave van 0,129 TWh kan echter niet worden gehaald door het plaatsen van twee of drie referentieturbines in de zoekgebieden K en I. De gezamenlijke elektriciteitsproductie daarvan komt namelijk uit tussen de 41% en 46% van deze gezamenlijke windopgave. Ondanks het gegeven dat de voorgaande berekeningen vanuit de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zijn gebaseerd op aannames, lijkt het er dus op dat de RES-opgave voor windenergie niet kan worden ingevuld binnen de zoekgebieden K en I uit RES1.0.

Dit beeld zou niet veel anders worden wanneer met creatief passen en meten in zoekgebied K nog een windmolens zou kunnen worden geplaatst omdat de opbrengst ook dan nog zou uitkomen op ongeveer 60% van de RES-opgave. Al met al kan worden geconcludeerd dat de toepassing van de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen zal maken dat de RES-opgave niet kan worden ingevuld in de zoekgebieden K en I uit RES 1.0. Bij dit alles is van belang om te beseffen dat de verschillende berekeningen en uitkomsten voortkomen uit de aanname dat in de zoekgebieden wordt gewerkt met de referentieturbines uit het landelijke planMER. Wanneer bij een concreet initiatief bijvoorbeeld een andere tiphoogte in beeld zou zijn of wellicht een stillere windturbine, dan zou het gedeelte van de zoekgebieden waarbinnen windmolens mogelijk zouden zijn er dus enigszins anders uit kunnen komen zien. Uit de bovenstaande afbeeldingen moet dus niet worden geconcludeerd dat in zoekgebied K alleen in het ‘groene’ gebied windmolens kunnen worden gerealiseerd en dat in zoekgebied I helemaal geen windmolens mogelijk zijn. Wel geven de afbeeldingen en de bijbehorende gegevens een eerste beeld van de mogelijkheden voor het plaatsen van windmolens in de zoekgebieden en van de bijdrage die de zoekgebieden dan zouden kunnen leveren aan de opgave uit RES1.0.

31

Beleidsdocument grote windmolens

4.2 Randvoorwaarden proces- en financiële participatie De gemeenten vinden het belangrijk dat de omgeving vroegtijdig bij het windinitiatief wordt betrokken door initiatiefnemers (procesparticipatie). Daarnaast willen de gemeenten dat de omgeving mee kan profiteren in de opbrengsten van de energieproductie, zodat een goede lasten en lusten-verdeling ontstaat (financiële participatie). Voor initiatieven van nieuwe grootschalige windmolenprojecten hanteert de gemeente daarom met het oog op en ten behoeve van een goede belangenafweging over windmolenprojecten de volgende randvoorwaarden in het kader van procesen financiële participatie: Procesparticipatie •

•

•

Het betrekken van omwonenden en andere belanghebbenden moet actief door initiatiefnemer worden opgepakt, een eis die ook de Omgevingswet stelt. Initiatiefnemer moet hiervoor een participatieplan opstellen waarin door initiatiefnemer wordt ingegaan op de wijze waarop de (directe) omgeving en belanghebbenden worden betrokken bij het initiatief en op welke wijze de communicatie wordt opgepakt. Bij het opstellen van het participatieplan moet initiatiefnemer (in samenspraak met de gemeenten) in dialoog gaan met de omgeving, maar pas nadat het conceptparticipatieplan met de gemeenten is afgestemd. Initiatiefnemer moet voor de (directe) omgeving en stakeholders een openbaar toegankelijk loket (of website) opstellen, waar zij informatie kunnen opvragen over het initiatief of vragen kunnen stellen. Een initiatief voor windenergie moet voldoen aan de Gedragscode Acceptatie & Participatie windenergie op Land van de Nederlandse Windenergie Associatie (Gedragscode NWEA, oktober 2020)10.

Financiële participatie •

10

Initiatiefnemer moet een plan voor financiële participatie opstellen, waarbij het uitgangspunt geldt dat 1) ‘iedereen mee kan doen’, en 2) de financiële en elektriciteitsopbrengsten zo lokaal mogelijk blijven: o Lokaal eigendom: omwonenden, inwoners of andere belanghebbenden moeten mede-eigenaar kunnen worden van het windinitiatief. Uitgangspunt is een zo hoog mogelijk percentage lokaal eigendom/(mede)eigenaarschap, bijvoorbeeld via coöperatieve ontwikkeling en exploitatie. Hierbij geldt voor initiatiefnemers een eis van minimaal 51% lokaal eigendom bij een initiatief voor windenergie. Als een plan uit meerdere initiatieven bestaat geldt de eis van minimaal 51% lokaal eigendom voor ieder afzonderlijk initiatief. o Initiatiefnemer levert een onderbouwing aan hoe het lokaal eigendom gerealiseerd wordt. o Delen in de opbrengst/Financiële deelneming in project: initiatiefnemer moet mogelijkheden bieden om omwonenden en belanghebbenden financieel te laten deelnemen aan het windpark door bijvoorbeeld aandelen en/of obligaties. 20201103-Gedragscode-WoL-opgemaakt-FINAL.pdf (nwea.nl) 32

Beleidsdocument grote windmolens

o o

o

o

o

o

Uitgangspunt hierbij is dat de opbrengsten zo maximaal mogelijk in het gebied zelf of binnen de gemeente(n) blijven en ten goede komen aan de gemeenschap in algemene zin. De initiatiefnemer moet aangeven hoe de geproduceerde stroom zoveel mogelijk geleverd zal worden aan lokale eindgebruikers. Een of beide gemeenten kunnen een regierol in de vorm van (mede)-initiatiefnemer nemen als dit vanuit het oogpunt van maximale opbrengsten voor de gemeenschap genereren wenselijk is. Omgevingsfonds: initiatiefnemer moet een omgevingsfonds opzetten waarbij financiële middelen beschikbaar worden gesteld ten gunste van de maatschappelijke doelen van omgeving, zoals een bewoners-/buurtvereniging of sportclub. De inhoud van dit fonds wordt samen met de omgeving bepaald. Omgevingsfonds: voor bewoners en buurtschappen rondom het windpark (of ruimere omgeving, afhankelijk van lokale situatie) moet een omgevingsfonds worden ingesteld dat wordt gevuld op basis van de maximale bijdrage per MWh overeenkomstig de dan geldende Gedragscode NWEA . Deze gedragscode hanteert momenteel een bedrag van €0,50 per MWh. Omwonendenregeling: initiatiefnemer moet een omwonendenregeling verzorgen waarbij direct omwonenden een voordeel krijgen vanuit het project, zoals het gebruik van de groene stroom tegen een goedkoper tarief.

Initiatiefnemer moet een plan voor socialisatie van grondvergoedingen aan leveren, zodat de grondvergoeding binnen het (zoek)gebied eerlijk verdeeld is. De verdeelsleutel wordt hiertoe door de direct betrokkenen (grondeigenaren en inwoners van het projectgebied) transparant en gemeenschappelijk vastgesteld.

33

Beleidsdocument grote windmolens

Eisen ten aanzien van procesparticipatie en financiële participatie hebben vooral het karakter van een inspanningsverplichting. Deze zullen ook in de toekomst een plek kunnen krijgen in anterieure overeenkomsten met een initiatiefnemer, waarin dan concrete doelen worden benoemd, maar wellicht ook een plek krijgen via provinciale of gemeentelijke verordeningen onder de nog vast te stellen Energiewet (zie paragraaf 5.1).

4.3 Overige randvoorwaarden •

•

•

Archeologisch bureauonderzoek verrichten voor het gehele project zodat kan worden bepaald of vervolgonderzoek nodig is vanwege de aanwezigheid van archeologische waarden. In de anterieure overeenkomst (en omgevingsvergunning) wordt vastgelegd dat het grondgebied na afloop van de exploitatietermijn (vaak ongeveer 25 jaar) – met uitzondering van de gerealiseerde landschaps- en natuurversterking - wordt opgeruimd en in oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. De sloop betreft de windmolens en alle ondersteunende (technische) installaties (trafo’s, onderhoudspaden, hekwerken etc.) en is binnen 1 jaar afloop van de exploitatietermijn voltooid. Er vindt een nulmeting plaats met vaste evaluatiemomenten om zo overlast te kunnen duiden en te kunnen beoordelen of aanvullende maatregelen deze overlast verminderen

34

Beleidsdocument grote windmolens

Hoofdstuk 5.

Processtappen voor initiatiefnemers

5.1 Bevoegd gezag Op grond van het sinds 1 januari 2024 nieuwe artikel 9c lid 4 van de Elektriciteitswet zijn Gedeputeerde Staten van Gelderland het bevoegd gezag voor het verlenen van projectbesluiten voor windparkinitiatieven tussen 5-100 MW. Voor een project met een opgesteld vermogen van 5 MW of meer moet de provincie de projectprocedure doorlopen en een projectbesluit nemen. Dit projectbesluit vervangt een deel van de regels van het omgevingsplan rechtstreeks. Dit zijn de regels die specifiek gericht zijn op het toelaten van de windmolens op locaties. Via een provinciaal projectbesluit kunnen ook de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. Provincies kunnen het bevoegd gezag voor het nemen van projectbesluiten voor windparken overdragen aan gemeenten. In de praktijk draagt de provincie Gelderland het bevoegd gezag over als een gemeente eigen windbeleid heeft opgesteld dat voldoet aan de provinciale eisen. De provincie hanteert daarvoor de zogenaamde ‘windladder’ (Windladder (youtube.com)) die kort gezegd uitgaat van een voortvarende aanpak van het windinitiatief. Na zo’n bevoegdheidsoverdracht kunnen de gemeenten Oost Gelre en Berkelland dus het bevoegd gezag krijgen voor het voeren van de projectprocedure.

Wanneer deze projectprocedure op gemeentelijk niveau wordt gevoerd, dan leidt deze echter niet tot een omgevingsvergunning maar uitsluitend tot een wijziging van het omgevingsplan (vroeger: bestemmingsplan). Bij een overdracht van de provinciale bevoegdheid naar de gemeente zal na een eventuele gemeentelijke projectprocedure dus ook nog een aparte omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. De verwachting is dat onder de Omgevingswet de provincie Gelderland de bevoegdheid onder dezelfde voorwaarden ook zal overdragen. Volgens de Elektriciteitswet moeten burgemeester en wethouders daar dan wel instemmen met deze bevoegdheidsoverdracht voor het voeren van de projectprocedure uit artikel 5.55 van de Omgevingswet. Inmiddels loopt er een wetgevingstraject om de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet samen te brengen in een nieuwe Energiewet. Deze nieuwe wet, waarmee de Eerste Kamer op 10 december 2024 instemde, biedt provincies en gemeenten een grondslag om een verordening op te stellen over lokaal eigendom bij wind- en zonneparken. Ook voorziet de Energiewet er in dat het bevoegd gezag voor windparken tot 15 MW bij de gemeente komt te liggen. De verwachting bestaat dat de Energiewet op 1 juli 2025 in werking treedt.

5.2 Eisen aan verzoek In Hoofdstuk 4 geven gemeenten Oost Gelre en Berkelland de randvoorwaarden en richtlijnen voor een windpark . Onderstaande figuur laat zien wat de stappen zijn om te komen tot een definitief principeverzoek.

35

Beleidsdocument grote windmolens

Concept verzoek initiatefnemer

Defintief verzoek initiatiefnemer

Toets gemeente

Startoverleg gemeente - initiatiefnemer

Start gebiedscommunicatie

Collegebesluit principe medewerking

Ambtelijke toets concept verzoek

Go/no go besluit college Gebiedscommunicatie & omgevingsdialoog

Omgevingsdialoog uitgewerkt plan

De volgende onderwerpen moeten aan bod komen bij het daadwerkelijk verzoek (initiatief op papier): • Een ruimtelijk plan met locatie (kaarten), type windmolen (in woord én beeld), afmetingen, energieopbrengst per windmolen en voor het windpark als geheel. Hierin moet worden ingegaan op de toets van het initiatief aan (technische) belemmeringen zoals Natura 2000gebieden, Gelders NatuurNetwerk (GNN), Groene Ontwikkelzone (GO), buisleidingen, cultuurhistorische waarden, recreatief gebruik etc. • Activiteiten op, in of rond waterstaatswerken zoals dijken en watergangen vallen onder de regels van het waterschap en kunnen daarmee vergunningsplichtig zijn. Zie hiervoor Waterschapsverordening Waterschap Rijn en IJssel | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl). Voor het bouwen van windturbines zijn mogelijk uitgebreide vergunningenprocedures noodzakelijk. Belangrijke aandachtspunten hierbij: o Voor windturbines nabij waterkering gelden strenge voorwaarden. Handreiking windturbines waterkeringen. Wetgeving | STOWA o Aanwezigheid van persleidingen o Waterberging/compensatie o Watergerelateerde aspecten Bij concrete planvorming dient net als bij ieder ander ruimtelijk initiatief de ‘weging van het waterbelang’ (voorheen: watertoets) doorlopen te worden.

In de waterparagraaf van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning moet beschreven worden hoe binnen het plan wordt omgegaan met water en watergerelateerde aspecten. Het waterschap moet positief adviseren op de waterhuishoudkundige onderbouwing van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. In de waterhuishoudkundige onderbouwing dient rekening gehouden te worden met o.a.: o het compenseren van de toename van verhard oppervlak (voor fundering, rijroutes, steunpunten kranen, onderhoud routes etc.)

36

Beleidsdocument grote windmolens

de vraag of het plan het huidige watersysteem / onderhoudspaden van het waterschap raakt o de benodigde berging in m³ met omschrijving van bergingsvoorzieningen en bijbehorende capaciteit o maatregelen om eventuele wateroverlast te voorkomen o waterkwaliteit o de omgang met afvalwater en riolering (NB: Het direct en indirect lozen van hemelwater in oppervlaktewater is sinds 1 januari 2024 vergunningsplichtig volgens de Omgevingswet en de Waterschapsverordening) o de omgang kabels en leidingen (zowel bestaand als nieuw aan te leggen) o grondwaterbeheer Verplichte onderzoeken voor de planMER (of projectMER) en/of ruimtelijke (omgevingsvergunning)procedure. Een landschapsontwikkelings- en natuurontwikkelingsplan. Paragraaf 4.1.6 gaat in op de randvoorwaarden van het landschapsplan en ontwerp van het windpark. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) Bovenop de planologische (omgevingsvergunning)procedure is volgens landelijke wet- en regelgeving voor sommige projecten een integrale milieueffectrapportage (m.e.r.) vereist. De Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) adviseert over de inhoud van het milieueffectrapport (MER). We laten de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (de NRD die de reikwijdte en het detailniveau van de m.e.r. bepaalt) voorleggen aan de Commissie m.e.r.

Dit is wettelijk niet verplicht, maar de gemeente hecht waarde aan een deskundige advisering door een onafhankelijke instantie. Ook toetst en beoordeelt de Commissie m.e.r. of het MER de benodigde en juiste informatie bevat. De gemeente betrekt de (milieu)gevolgen zo bij haar afwegingen. Een m.e.r.: o Brengt de milieugevolgen in beeld voordat er een besluit over wordt genomen o Beoordeelt ook op basis van gezondheid (geluidhinder, slagschaduw, veiligheid, nachtverlichting), landschap en natuur o Kijkt naar geldende regelgeving, cumulatieve effecten en de consequenties voor flora en fauna o Neemt de gemeentelijke vastgestelde beleidskaders en wensen vanuit de raad mee o Onderzoekt verschillende inrichtingsvarianten en onderbouwt en vergelijkt deze o Geeft inzicht in alternatieve oplossingen en maatregelen voor het beperken van de effecten op de leefomgeving o Is openbaar. Het helpt bij het voeren van de discussie en bij de mogelijkheden voor participatie, waarbij inwoners kunnen meepraten over het besluit Een plan voor participatie en communicatie in en met de omgeving: o De Gedragscode NWEA is van toepassing. o De Handreiking Betrek de buurt bij de start van uw plan van de gemeente Oost Gelre is van toepassing 11, waarbij voor windparken ‘level 1’ geldt.

o Een verslag van het gevoerde participatie- en communicatieproces waaruit blijkt op welke manier het initiatief is gepresenteerd en besproken met de omgeving, welk reacties dat heeft opgeleverd en op welke manier bij de planuitwerking rekening is gehouden met de ingebrachte reacties. o

• • •

•

11 https://www.oostgelre.nl/file/handreiking-betrek-uw-buurt-bij-uw-bouwplanpdf

37

Beleidsdocument grote windmolens

• • •

Een plan voor maximale opbrengstparticipatie, waarbij de uitgangspunten gelden dat ‘iedereen mee kan doen’ en ‘de opbrengsten lokaal blijven’. Paragraaf 4.2 gaat in op de randvoorwaarden van het plan voor financiële participatie. Aantoonbare energie opbrengst die voldoet aan de opgave van de RES 1.0 Een onderbouwing voor de uitvoerbaarheid en haalbaarheid: In het verzoek wordt inzicht gegeven in de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het windpark door in te gaan op: o De mogelijkheden dat het windpark op het net kan worden aangesloten o De mogelijkheid dat de initiatiefnemer kan beschikken over de benodigde gronden, grondpositie en bijbehorende afspraken.

5.3 Selectie bij meerdere initiatieven De gemeente is voornemens om voor een bepaalde periode de inschrijving voor windparkinitiatieven open te stellen. Het exacte moment waarop, de inschrijftermijn en de voorwaarden waaronder worden daarvoor nader bepaald. Wanneer meerdere initiatieven voor één- en hetzelfde zoekgebied voldoen aan de indieningsvereisten en dus geschikt zijn bevonden door de gemeenten, moet er een keuze gemaakt worden welk initiatief uiteindelijk geselecteerd wordt. In het geval dat meerdere initiatieven hetzelfde scoren op basis van de gemeentelijke randvoorwaarden wordt daarbovenop voorkeur gegeven aan het initiatief met het hoogste percentage lokaal eigendom. In het geval dat er zich meerdere initiatieven aanmelden, die voldoen aan de randvoorwaarden, maar individueel niet leiden tot de volledige doelstelling, kiezen de gemeenten voor een samenwerkingsverband. De gekozen partijen werken één integraal plan uit en presenteren dit als één plan naar buiten. Binnen dit gezamenlijke plan wordt gezocht naar de meest optimale opstelling met zo min mogelijk effect op milieu en omgeving.

38

Beleidsdocument grote windmolens

Hoofdstuk 6 Evaluatie beleid Dit beleidsdocument is gericht op het mogelijk maken van grote windmolens, waarbij gemeenten Oost Gelre en Berkelland rekening houden met andere belangen binnen de gemeenten. Het succes van het beleidsdocument is afhankelijk van de aanvragen van initiatiefnemers, waarbij windmolens op een goede manier en met begrip en grote mate van acceptatie van inwoners gerealiseerd worden. De komende jaren zal er veel ontwikkeling zijn op het gebied van technologie van hernieuwbare energie. Zo zullen bestaande technologieën, zoals wind en zonne-energie verder ontwikkelen, maar ook zullen er in de toekomst nieuwe ontwikkelingen zijn. Gemeenten Oost Gelre en Berkelland willen echter niet stilstaan en hebben daarnaast in de RES afgesproken om in 2030 een CO2-reductie van 55% te halen ten opzichte van 1990. De RES Achterhoek is inmiddels gestart met de herijking van de RES 1.0 naar de RES 2.0. Dit is nodig omdat er in de uitvoering van de RES 1.0 nieuwe inzichten zijn ontstaan, ruimteclaims van andere maatschappelijke opgaven worden gedaan of innovaties op allerlei gebieden zich voordoen. Deze dynamiek kan leiden tot het aanpassen van plannen of het vaststellen van nieuwe kaders in de RES 2.0.

Om te bekijken of aanpassing aan het beleidsdocument moet plaatsvinden en om ruimte te bieden aan innovatieve technologieën wordt het beleidsdocument binnen twee jaar na vaststelling geëvalueerd. De gemeenten Oost Gelre en Berkelland evalueren het beleidsdocument door te kijken naar: • het aantal initiatieven dat is aangemeld; • de bijdrage van de ingediende initiatieven aan de gemeentelijke ambities; • de kwaliteit van de ingediende initiatieven; o het aantal initiatieven dat positief is beoordeeld en dus voldoen aan de randvoorwaarden van het beleidsdocument; o het aantal initiatieven dat negatief is beoordeeld en dus niet voldoen aan de randvoorwaarden van het beleidsdocument; • het aantal initiatieven dat haalbaar is (of gerealiseerd kon worden) binnen de randvoorwaarden van het beleidsdocument; • de reactie van inwoners van beide gemeenten op de initiatieven; • de ervaring van initiatiefnemers, inwoners, andere stakeholders en gemeenten met het beleidsdocument. In het geval dat niet het gewenste doel met voorliggend beleidsdocument is gehaald, kunnen gemeenten Oost Gelre en Berkelland ervoor kiezen om het beleidsdocument aan te passen. Dit zal worden beoordeeld na de eerste inschrijfperiode voor wind-initiatieven en na de evaluatieperiode.

De evaluatie kan leiden tot aanpassingen wanneer blijkt dat de kwaliteit van de ingediende initiatieven afwijkt van de verwachtingen of wanneer blijkt dat de gestelde randvoorwaarden te hoog of te laag zijn. Het beleidsdocument is na bekendmaking geldig totdat (één van de) gemeenten een nader besluit neemt tot (gedeeltelijke) intrekking van het beleidsdocument en ook dat besluit bekendmaakt.

39

Beleidsdocument grote windmolens

Bijlagen

40

Beleidsdocument grote windmolens

Bijlage 1. Begrippenlijst Anterieure overeenkomst: Elke grondexploitatieovereenkomst die men sluit voor de vaststelling van een exploitatieplan is een anterieure overeenkomst. Deze overeenkomst sluit men in de beginfase van een project vóór de vaststelling van een exploitatieplan. Ashoogte: De ashoogte van een windmolen geeft weer op welke hoogte de as zich bevindt waaraan de bladen zijn bevestigd. Hoger in de lucht is meer wind, windmolens met een grote ashoogte produceren daardoor meer windenergie. Externe veiligheid: Personen buiten de inrichting van een windmolen, lopen het risico dat een ongeval met een windmolen ook hen treft. Denk hierbij aan: ijsafwerping, mastbreuk, het afbreken van een turbineblad of de gondel. Omdat externe veiligheid relevant is bij windmolens, kent de landelijke regelgeving en ook de landelijke ontwerpwindturbinebepalingen veiligheidseisen. Financiële participatie: De mogelijkheid om financieel deel te nemen aan het project, of op een andere manier profijt te hebben van een tegemoetkoming. Bijvoorbeeld in de vorm van financiële obligaties, eigendomsparticipatie, een omgevingsfonds of combinatie hiervan. Gebiedsanalyse: Ruimtelijk onderzoek naar de mogelijkheden en beperkingen voor windmolens volgens geldende wet- en regelgeving. Grootschalig open landschap: een type landschap waar sprake is van: • • • • •

Situering in een relatief jong ontginningslandschap, ontstaan na 1900 Een landschap dat is ontstaan uit voormalige heide en veengebieden Een rationele en rechthoekige verkaveling, meestal vanuit een hoofdtoegangsweg of – watergang; de hoofdstructuur is vaak eenzijdig aangeplant. Agrarische bedrijven die loodrecht gesitueerd zijn aan de hoofdroutes met ruime erven Relatief grootschalige landbouwpercelen van 1 ha of meer al of niet omzoomd met robuuste landschapsstructuren, meestal in de vorm van houtsingels.

Grote windmolen: Windmolens met een ashoogte hoger dan 80 meter. Harde belemmeringen: Belemmeringen voortkomend uit landelijke wet- en regelgeving waarin bufferafstanden zijn voorgeschreven ten opzichte van diverse functies als woningen, spoorwegen, buisleidingen en het Gelders NatuurNetwerk. Een harde belemmering sluit de ontwikkeling van een windmolen op die locatie bij voorbaat uit. Lokaal eigendom: Een vorm van financiële participatie die betekent dat inwoners en (lokale) ondernemers/grondeigenaren uit de gemeenten Oost Gelre en/of Berkelland samen, deels of volledig eigenaar zijn en blijven van een windpark. m.e.r.: Milieueffectrapportage, de wettelijk geregelde procedure van milieueffectrapportage.

41

Beleidsdocument grote windmolens

MER: Milieueffectrapport, brengt de milieueffecten van een plan (planMER) of project (projectMER) in beeld. NOVI: De Nationale omgevingsvisie (van het Rijk) is de langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkeling van de leefomgeving. Omgevingsfonds: Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een sportclub of wijkvereniging. Omwonenden: mensen die in de buurt wonen, bedrijven die in de buurt gevestigd zijn en/of eigenaren van in de buurt gelegen percelen. Omwonendenregeling: Direct omwonenden ontvangen voordeel, bijvoorbeeld in de vorm van verduurzaming van hun woning, korting op groene stroom of een vergoeding. Proces participatie: Het actief informeren van stakeholders en bewoners en het ophalen van input over het project, bijvoorbeeld via inspraakavonden of het inrichten van klankbordgroepen. RES Zoekgebied: Zoekgebieden waarin de mogelijkheden voor windmolens worden onderzocht. RES: Een regionale energiestrategie (RES) is het document van een regio waarin de afspraken over duurzame energie staan. Nederland kent 30 energieregio’s met ieder een eigen RES. Rotordiameter: De rotordiameter van een windmolen geeft de diameter weer van de cirkel die de bladen beschrijven. Dit is tweemaal de lengte van de rotorbladen. Voor de rotor geldt: hoe groter de rotor, hoe meer energie de windmolen kan opwekken.

Slagschaduw: De schaduw die ontstaat wanneer de zon op de bladen van een windmolen schijnt. Dit is de schaduw van de turbine op de ondergrond of achtergrond. Deze slagschaduw draait mee met de zon en is het langst bij zonsopgang en -ondergang in de winter. Tiphoogte: De tiphoogte van een windmolen geeft de maximale hoogte weer die de tip van de bladen kan bereiken. Dit is de ashoogte met daarbij opgeteld de lengte van het rotorblad. TWh: Het jaarlijkse elektriciteitsgebruik van heel Nederland wordt uitgedrukt in terawattuur (TWh), ofwel miljarden kWh. 1 TWh staat ongeveer gelijk aan de opwek van 57 windmolens van 5 MW of 1000 hectare aan zonnepark. Woonkern: Dat deel van de gemeente dat als aaneengesloten geheel beschouwd wordt en prioritair in aanmerking komt als woonomgeving. Zachte belemmeringen: Belemmeringen vanuit wet- en regelgeving die aandachtspunten meegeven maar geen absolute uitsluiting zijn voor de ontwikkeling van een windmolen.

42

Beleidsdocument grote windmolens

Bijlage 2. Gebiedsanalyse windenergie (2022)

43

Bosch & van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466

Auteurs Daan Booij MSc.

Gebiedsanalyse windenergie Gemeenten Berkelland en Oost Gelre

Opdrachtgever Gemeente Berkelland

Gebiedsanalyse windenergie Gemeenten Berkelland en Oost Gelre

Datum

15 december 2022

Versie

2.1

Auteur

Daan Booij

Tweede lezer

Steven Velthuijsen

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2022 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

Gebiedsanalyse windenergie Gemeenten Berkelland en Oost Gelre

Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1

INLEIDING

3

1.1

Aanleiding

3

H OOFDSTUK 2

RUIMTELIJKE ANALYSE

4

2.1 2.2 2.3 2.4

Introductie Harde belemmeringen Zachte belemmeringen Woningen en woonkernen

4 4 5 6

H OOFDSTUK 3

POTENTIE

9

3.1 3.2

Aantal windturbines Energieopbrengst

9 10

H OOFDSTUK 4

GELUID EN HINDER

12

Indicatieve geluidscontouren Aantal ernstig gehinderden

12 12

BELEMMERINGENKAARTEN POTENTIEKAARTEN WINDTURBINES

16 21

4.1 4.2

BIJLAGE A BIJLAGE B

Inleiding 2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding De gemeente Berkelland en de gemeente Oost Gelre zijn op zoek naar goed onderbouwde normen voor windturbines, waarmee zij gezamenlijk de inwoners, de gemeenteraden, de RES-partners en de rechtspraak kunnen meenemen. In dit kader vragen zij om een gebiedsanalyse die ter voorbereiding kan dienen voor het stellen van normen die de door de raad gewenste bescherming kan bieden. Voorliggend onderzoek biedt een doorkijk richting het stellen van deze normen en het onderbouwen hiervan. De gemeenten Berkelland en Oost Gelre hebben beide een andere insteek bij de gebiedsanalyse. Voor Berkelland dient de gebiedsanalyse voor de herijking of herziening van haar RODE-beleid (Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energieopwekking). Voor Oost Gelre dient de gebiedsanalyse om keuzes te maken bij het opstellen van windbeleid waarbij hoofdzakelijk wordt gekeken naar zoekgebieden uit de RES 1.0 Achterhoek. De gebiedsanalyse is uitgevoerd voor het hele grondgebied van de gemeente Berkelland en voor de gemeente Oost Gelre is alleen het RES-gebied K onderzocht1. Figuur 1 toont het plangebied.

Figuur 1

Plangebied Berkelland en Oost Gelre.

1 Oost Gelre overweegt eenzelfde gebiedsanalyse voor zoekgebied I uit te voeren

3

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke analyse 2.1

Introductie De ruimtelijke beperkingen voor windturbines zijn een gevolg van het feit dat voldoende afstand tot verschillende objecten (zoals woningen) en bestemmingen (zoals vaarwegen) moet worden aangehouden. Omdat dit soort objecten en bestemmingen normaal gesproken een belemmering voor het ontwikkelen van windturbines opleveren, worden zij in dit hoofdstuk belemmeringen genoemd. We onderscheiden harde en zachte belemmeringen. Binnen harde belemmeringen zijn windturbines (hoogstwaarschijnlijk) uitgesloten. Locaties binnen zachte belemmeringen zijn niet uitgesloten, maar dan gelden er wel aandachtpunten. Als uitgangspunt in de analyse worden windturbines aangehouden met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter (tiphoogte 225 meter). Ervan uitgaande dat de windturbines binnen circa vijf jaar worden gebouwd, is de verwachting dat tenminste deze omvang nodig is om in de komende jaren tot een rendabele businesscase te komen.

2.2

Harde belemmeringen Vanuit landelijke wet- en regelgeving gelden normen2 ten aanzien van geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Rondom harde belemmeringen zijn minimale afstanden aangehouden die volgen uit, of zijn afgeleid van, wet-/regelgeving en beleid. Concreet gaat het om de onderstaande ‘harde belemmeringen’ voor windturbines met de bijbehorende bufferafstanden: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

Woningen (250m) Overige bebouwing (75m) Spoorwegen (86m) Rijkswegen (75m) Vaarwegen (125m) Hoogspanningsinfrastructuur (225m)

➢ ➢ ➢ ➢ ➢

Buisleidingen zoals aardgasleidingen (225m) Luchtvaartrestrictievlakken Bestaande windturbines (300m) Natura 2000 gebieden (75m) Natuurnetwerk Nederland (75m)

Figuur 2 toont de harde belemmeringen op kaart. Een afstand van 250 meter tot woningen is aangehouden als harde belemmering en wordt gezien als het absolute minimum. Dit betekent dat met betrekking tot geluidshinder deze afstand voldoende is om voor een zeer stil windturbinetype aan de voorheen geldende norm van 47 dB Lden3 uit het Activiteitenbesluit te voldoen. Paragraaf 2.4 gaat verder in

2

3

Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak over de uitbreiding van Windpark Delfzijl Zuid (ECLI:NL:RVS:2021:1395). Deze uitspraak heeft gevolgen voor het toepassen van de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer. Lden is het jaargemiddelde invallende geluidsniveau (den = day, evening, night), inclusief straffactoren. Omdat geluid in de avond en nacht als hinderlijker wordt ervaren, wordt er een straffactor van 5 dB in de avondperiode en 10 dB in de nachtperiode aan het geluidsniveau toegevoegd. Vanwege deze straffactoren zijn de daadwerkelijk ervaren geluidsniveaus lager dan het Lden gemiddelde.

4

op de afstand tot woningen en daarin worden er meer afstanden tot woningen onderzocht. Figuur 2

Projectgebied met harde belemmeringen.

2.3

Zachte belemmeringen Naast harde belemmeringen zijn er zachte belemmeringen met aandachtspunten vanuit wetgeving, regelgeving en beleid die van invloed op de kansrijkheid van windturbines kunnen zijn. Deze gebieden worden als minder wenselijk beschouwd voor het plaatsen van windturbines. Windturbines binnen de gebieden met zachte belemmeringen worden echter niet op voorhand uitgesloten en daarom beschouwen wij deze niet als uitsluitingsgebied in deze analyse. Figuur 3 toont de zachte belemmeringen op kaart met in onderstaande tabel de belemmeringen met bufferafstanden. ➢ Groene ontwikkelingszone (75m) ➢ Vrijwaringszone antenneveld (75m)

➢ Stiltegebieden (75m) ➢ Grens Duitsland (377m)

5

Figuur 3

Projectgebied met zachte belemmeringen.

2.4

Woningen en woonkernen Voor de afstand tot woningen en woonkernen is een ‘twee-sporen’ aanpak toegepast. De twee-sporen aanpak gaat uit van trechtering, waarbij eerst op een hoger abstractieniveau de minimumafstand tot woonkernen wordt onderzocht, alvorens op een gedetailleerder niveau een minimumafstand tot verspreid liggende woningen (in het buitengebied) wordt onderzocht, binnen de gebieden die voldoen aan de afstandsnorm voor woonkernen. Ten eerste een ruimtelijke trechtering waarbij aannames voor een minimumafstand tot woonkernen worden onderzocht om geringe hinder op grote aantallen woningen te beperken. Minimumafstanden kunnen leiden tot zoekgebieden voor windenergie. Voor de afstand tot woonkernen zijn de volgende afstanden aangehouden: ➢ 600 meter (dit komt overeen met 4x een ashoogte van 150 meter) ➢ 900 meter (dit komt overeen met 4x een tiphoogte van 225 meter) ➢ 2250 meter (dit komt overeen met 10x een tiphoogte van 225 meter) Ten tweede een nadere trechtering op basis van alle nabijgelegen woningen4 om hoge mate van hinder op kleine aantallen woningen te beperken. Daarbij gaan wij uit van de huidige situatie, zoals opgenomen in de Basisadministratie Adressen en Gebouwen. Maximale milieubelasting kan worden geborgd door middel van planregels en/of vergunningvoorschriften. Voor de afstand tot verspreid liggende woningen zijn in 4

En andere geluidsgevoelige objecten zoals scholen en ziekenhuizen.

6

dit onderzoek drie afstanden aangehouden. Deze dienen om inzicht te krijgen in de resterende ruimte. Daadwerkelijke milieubescherming kan beter geboden worden met behulp van milieunormen (zoals maximale jaargemiddelde geluidsbelasting en maximale slagschaduwduur per jaar) in plaats van met behulp van afstandsnormen. De gehanteerde onderzoeksafstanden tot woningen zijn: ➢ 250 meter (dit komt overeen met een vuistregelafstand waarbij met een zeer stil windturbinetype aan de 47 dB Lden kan worden voldaan, (absoluut minimum)); ➢ 400 meter (dit komt overeen met een vuistregelafstand waarbij met een gemiddeld windturbinetype aan een norm van 47 dB Lden kan worden voldaan); ➢ 600 meter (dit komt overeen een vuistregelafstand waarbij met een gemiddeld windturbinetype aan een norm van 45 dB Lden kan worden voldaan). De drie afstanden tot woonkernen en de drie afstanden tot woningen leiden samen tot 9 scenario’s. Als voorbeeld toont onderstaande afbeelding het scenario met 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot woningen. Daarbij zijn in het lichter blauw naast woningen ook andere harde belemmeringen opgenomen die de plaatsing van windturbines verhinderen; zie ook Figuur 2. In Bijlage A zijn voor de bovengenoemde 9 scenario’s de belemmeringenkaarten van zoekgebied K opgenomen. Figuur 4

Belemmeringenkaart projectgebied bij het scenario: 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen. Overige harde belemmeringen zijn ook meegenomen.

Aanvullend is in Figuur 5 figuur de ingezoomde situatie van zoekgebied K weergegeven.

7

Figuur 5

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

8

Hoofdstuk 3 Potentie 3.1

Aantal windturbines Op basis van de belemmeringenkaart is het plaatsingspotentieel per scenario opgemaakt. Om te voorkomen dat er op elke locatie waar enige ruimte ligt (en te voorkomen dat dit tot onrealistische opstellingen leidt met veel verspreid liggende solitaire windturbines) geldt dat er ten minste 2 windturbines per locatie moeten kunnen worden geplaatst. Omdat windturbines niet te dicht bij elkaar geplaatst kunnen worden (ze zouden elkaar dan de wind ontnemen) is hierbij rekening gehouden met een minimale onderlinge afstand van viermaal de rotordiameter (een vuistregel). Ervaring en data van recent gebouwde windparken leren dat dit vaak voldoende onderlinge afstand tussen de windturbines is. In Tabel 1 is voor de verschillende scenario’s het plaatsingspotentieel weergegeven. In Bijlage B zijn voor de 9 scenario’s de opstellingsvarianten van zoekgebied K opgenomen.

Figuur 6

Plaatsingspotentieel projectgebied - 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot woningen.

9

Figuur 7

Plaatsingspotentieel zoekgebied K - 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot woningen.

Tabel 1

Potentie aantal windturbines per scenario.

Afstand tot woningen 250 meter 400 meter 600 meter

Gehele projectgebied Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m 299 253 85 24 21 10 3 3 3

Zoekgebied K Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m 57 57 32 8 8 7 3 3 3

De scenario’s met 250 meter afstand tot individuele woningen leidt tot een zeer groot aantal potentieel te plaatsen windturbines. Dit is een volstrekt onrealistisch scenario, omdat op nagenoeg elk onbelemmerd gebied (wat in deze scenario’s een relatief groot gebied is) windturbines worden geplaatst wat zeer onwenselijk is voor de inwoners van Berkelland en Oost Gelre. ➢ Bij een norm van 600 meter afstand tot individuele woningen maakt voor de potentie niet uit welke afstandsnorm tot woonkernen wordt toegepast (het potentiële aantal windturbines is altijd 3). ➢ Bij een norm van 600 meter afstand tot individuele woningen passen er alleen windturbines in zoekgebied K en niet in het overige deel van de gemeente Berkelland. ➢

3.2

Energieopbrengst Windturbines genereren elektriciteit uit windenergie. De bruto elektriciteitsproductie van een windturbine volgt uit een vermenigvuldiging van de vermogenscurve met het windaanbod. Vervolgens worden over deze bruto elektriciteitsproductie 10

nog elektriciteitsverliezen in rekening gebracht (bijvoorbeeld als gevolg van stilstand voor onderhoud), dan resulteert dit in de netto elektriciteitsproductie. In Tabel 2 is de netto elektriciteitsproductie van de verschillende scenario’s weergegeven. Als uitgangspunt voor de berekening is de Vestas V150 met een vermogen van 5,6 MW aangehouden. Dit is een representatief windturbinetype voor het betreffende formaat. Tabel 2

Verwachte netto elektriciteitsproductie per scenario in TWh/jr.

Afstand tot woningen 250 meter 400 meter 600 meter

Gehele projectgebied Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m

Zoekgebied K Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m

6,06

5,13

1,72

1,16

1,16

0,65

0,49

0,43

0,20

0,16

0,16

0,14

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

0,06

De RES Achterhoek heeft voor de gemeente Berkelland een bod uitgebracht op zoekgebied K van 0,071 TWh. Vanuit Oost Gelre is een bod gedaan voor 0,058 TWh voor zoekgebieden K en I samen5. Voor gemeente Berkelland betekent dat met een bijdrage van 4 windturbines (waarmee in dit onderzoek is gerekend) aan de doelstelling wordt voldaan en voor gemeente Oost Gelre, afhankelijk van de verdeling van het aantal windturbines in zoekgebied K en I, tussen de 0 en 3 windturbines.

5 https://www.resachterhoek.nl/res+10/default.aspx

11

Hoofdstuk 4 Geluid en hinder 4.1

Indicatieve geluidscontouren Figuur 8 biedt inzicht in de geluidsbelasting van windturbines op de omgeving met behulp van afstandslijnen rondom windparklocaties. Afstanden van 400, 600 en 800 meter komen grofweg overeen met een jaargemiddelde geluidsbelasting van 47, 45 en 43 dB Lden. De oranje contour komt overeen de voorheen geldende norm van 47 dB Lden uit het Activiteitenbesluit.

Figuur 8

Zoekgebied K - Indicatieve geluidscontouren.

4.2

Aantal ernstig gehinderden

4.2.1

Dosis-effectrelatie Een dosis-effectrelatie (ook wel dosis-hinderrelatie genoemd) is een verband tussen de hoogte van de geluidsbelasting van een bepaalde bron en het bijbehorende percentage ernstig gehinderden. Verschillende soorten geluid kennen een verschillende dosis-effectrelatie, zoals geïllustreerd in onderstaande figuur. Hoe sneller een grafiek stijgt, des te hinderlijker wordt het geluid ervaren. Zoals uit de grafiek blijkt is windturbinegeluid hinderlijker dan weg- en railverkeersgeluid. Dat is ook de reden dat windturbinegeluid doorgaans een lagere normgrens kent. De hinderlijkheid 12

van windturbinegeluid wordt o.a. veroorzaakt door het kenmerkende ritmische karakter van het geluid van de wieken die de mast passeren, de zogenaamde amplitudemodulatie. Figuur 9

Relatie tussen Lden en het percentage ernstig gehinderden (binnenshuis) bij verschillende bronnen (Verheijen, et al., 2009). De normen voor railverkeer (68 dB Lden) en wegverkeer (58 dB Lden) zijn met rode cirkels weergegeven en liggen rond de 9-10%. Voor windturbinegeluid ligt een vergelijkbaar hinderpercentage ronde de 47 dB Lden.

De dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid (blauwe lijn in bovenstaande figuur) kan vervolgens gebruikt worden om te berekenen hoe groot het verwachte percentage ernstig gehinderden is binnen elk van deze woningen. De berekening van het hinderpercentage maakt gebruik van de polynome functie die is gegeven in (Janssen, Vos, & Eisses, A., 2008). %𝐻𝐴𝑏𝑖𝑛𝑛𝑒𝑛 = −107,6 + 9,656 𝐿𝑑𝑒𝑛 − 0,289 𝐿𝑑𝑒𝑛 2 + 0,002894 𝐿𝑑𝑒𝑛 3 Deze formule beschrijft de blauwe lijn in Figuur 9. Met het aantal inwoners en het aantal huishoudens van de gemeenten Berkelland en Oost Gelre om te komen tot een gemiddeld aantal bewoners per gevoelig object. Tabel 3

Demografische gegevens woningen in de gemeenten Berkelland en Oost Gelre. Bron: https://allecijfers.nl, 2022. Inwoners Huishoudens (hh) Inwoners per (hh) Gemiddelde aantal bewoners

Berkelland

Oost Gelre

43.850 18.967 2,3 2,3

29.603 12.472 2,4

Rekenvoorbeeld: Een woning ondervindt 45 dB Lden als gevolg van het windpark. Invullen in bovenstaande polynome functie leidt tot een percentage ernstig gehinderden van 5,4%. 13

Bij een verwacht aantal bewoners van 2,3 per huishouden leidt dat tot 0,12 ernstig gehinderden voor de woning.

4.2.2

Aantal gehinderden zonder mitigatie/normstelling Onderstaande tabel toont het verwachte aantal ernstig gehinderden als gevolg van de windturbines voor wat betreft geluid, wanneer geen beperkende geluidsnorm wordt opgenomen.

Tabel 4

Aantal ernstig gehinderden

Afstand tot woningen 250 meter 400 meter 600 meter

Gehele projectgebied Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m 2942 2349 466 159 109 15 3 3 3

Zoekgebied K Afstand tot woonkernen 600m 900m 2250m 56 56 29 13 13 9 3 3 3

Tabel 5 geeft de verdeling van het aantal ernstig gehinderden over de verschillende gemeenten weer als gevolg van de windturbines in zoekgebied K. Hieruit kan worden opgemaakt dat de windturbines in zoekgebied K twee of meer keer zoveel ernstig gehinderden in Berkeland opleveren dan in Oost Gelre. Tabel 5

Verdeling aantal ernstig gehinderden tussen Berkelland, Oost Gelre en andere gemeenten als gevolg van windturbines in zoekgebied K. De notatie is Berkelland/Oost Gelre/andere gemeenten (indien van toepassing). De som van deze getallen komt steeds overeen met het aantal gehinderden in zoekgebied K zoals weergegeven in Tabel 4. Afstand tot woonkernen Afstand tot woningen 600m 900m 2250m 250 meter 32 / 15 / 9 32 / 15 / 9 17 / 7 / 5 400 meter 10 / 3 10 / 3 6/3 600 meter 2/1 2/1 2/1

4.2.3

Conclusie aantal gehinderden De scenario’s die uitgaan van 250 meter tot individuele woningen leiden tot een zeer groot aantal ernstig gehinderden. Daarbij is het belangrijk om te beseffen dat deze theoretische exercitie (met honderden windturbines binnen het plangebied) een volstrekt onrealistisch scenario is dat enkel is bedoeld om de maximale theoretische potentie (en hinder) in beeld te brengen. ➢ De windturbines binnen zoekgebied K liggen relatief verder af van de woonkernen in vergelijking met de windturbines buiten zoekgebied K. Dit is terug te zien in het lagere aantal ernstig gehinderden. ➢ Bij een eis van 600 meter tot individuele woningen is er enkel ruimte voor windturbines in zoekgebied K, en niet in de rest van Berkelland. ➢

14

15

Bijlage A Belemmeringenkaarten Figuur 10

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

Figuur 11

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

16

Figuur 12

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

Figuur 13

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

17

Figuur 14

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

Figuur 15

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

18

Figuur 16

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

Figuur 17

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

19

Figuur 18

Belemmeringenkaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

20

Bijlage B Potentiekaarten windturbines Figuur 19

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

Figuur 20

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

21

Figuur 21

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 250 meter tot individuele woningen

Figuur 22

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

22

Figuur 23

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

Figuur 24

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 400 meter tot individuele woningen

23

Figuur 25

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 600 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

Figuur 26

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 900 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

24

Figuur 27

Potentiekaart zoekgebied K - Harde belemmeringen, 2250 meter tot woonkernen en 600 meter tot individuele woningen

25

Beleidsdocument grote windmolens

Bijlage 3. Participatieverslag

44

Samen aan de slag met de energie-opgave Verslag van het participatieproces om te komen tot nieuw windbeleid voor de gemeenten Oost Gelre & Berkelland

Dit document is een bijlage van het Beleidsdocument grote windmolens

Voorwoord Bij planvorming over klimaatbeleid is het belangrijk belanghebbenden te informeren en betrekken. Het gemeentelijk windbeleid valt hier ook onder. Dat benadrukt de Rijksoverheid in het landelijke klimaat­ akkoord uit 2019. Een goed participatie­proces draagt bij aan betere besluitvorming. Dat onderschrijven wij als gemeenten Oost Gelre en B ­ erkelland. Van­ daar dat bij de start van dit proces het onderwerp participatie direct op de agenda stond. Eerst door beide gemeenten afzonderlijk. Toen we tot samen­ werking overgingen, zijn we samen opgetrokken in het partici­patietraject. Met als resultaat dat hier één verslag ligt van het gezamenlijke participatieproces om te komen tot windbeleid in beide gemeenten. Diverse vormen van participatie De afgelopen periode hebben we stakeholders en inwoners betrokken bij dit proces en om hun inbreng gevraagd. Dat hebben we bijvoorbeeld gedaan door het organiseren van windcafés, themasessies, excursies, het voeren van stakeholdergesprekken, het schrijven van artikelen en nieuwsbrieven en tot slot het uitzetten van digitale enquetes. In dit ver­ slag ­geven we een weergave van de stappen die we hebben gezet. We geven daarbij aan wat er in hoofd­ lijnen is opgehaald en hoe dat is verwerkt in het windbeleid.

Informeren en betrekken van inwoners We zijn ons bewust van de impact van grote windmolens. Zeker bij inwoners die in de toekomst mogelijk op geringe afstand van de windmolens wonen. Voor die groep hadden we in de participatie extra aandacht. De bevoegdheden van de verschillende overheden bleken voor deze groep inwoners belangrijk. Maar het is ook complex om toe te lichten. Het Rijk gaat over de milieu­ normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid (de conceptnormen zijn in oktober 2023 gepubli­ceerd, de definitieve normen worden in 2025 verwacht), de provincie en Nationaal Programma Regionale Energie Strategie (NP RES) gaan over de zoekgebieden en de opgave. Over deze onderwerpen hebben we inwoners geïnformeerd. Want als gemeente houden wij ons aan de afspraken die met de andere overheden zijn ge­ maakt. U zult in dit document onderwerpen zien waar­ bij ruimte was voor inbreng (zoals lokaal eigendom en het landschap), maar ook andere onderwerpen die veel leefden bij de inwoners en waar geen of beperkte ruim­ te was voor de inbreng van andere belanghebbenden (zoals hinder en de keuze voor de zoekgebieden). Dit participatieverslag geeft u inzicht in het gevolgde participatieproces om te komen tot het windbeleid. Hans van der Noordt Wethouder gemeente Berkelland

Bart Porskamp Wethouder gemeente Oost Gelre 2

Inhoud 1.

Inleiding

2

Samenvatting

3.

Aanpak

4.

Verslag

Het gezamenlijk participatieproces voor windbeleid

Een uitgebreid proces in een notendop

Waarom, wat en hoe

Tijdlijn, stappen, opbrengsten

Disclaimer: Om u een beeld te geven van wat we zoal hoorden, zijn illustratief in dit document quotes van inwoners toegevoegd. Ze behoren niet direct tot de tekst waar ze bij staan. Veel gebruikte afkortingen: RODE = Ruimtelijke Ordening en Duurzame Energie RES = Regionale Energie Strategie DET = Dialoogplatform Energietransitie WOO = Wet Open Overheid ALV = Algemene Leden Vergadering DBO = Dorpsbelangenorganisatie

Participatieverslag beleidsproces windenergie - Gemeenten Berkelland & Oost Gelre

3

1 Participatieverslag beleidsproces windenergie - Gemeenten Berkelland & Oost Gelre

Inleiding Het gezamenlijk participatieproces voor windbeleid Gemeenten Berkelland en Oost Gelre ­hebben een gezamenlijk participatie­ proces georganiseerd om te komen tot nieuw windbeleid. Wat was de a ­ anleiding? ­Waarom doen we dat g ­ ezamenlijk? Wat was het doel? En wat was ieders vertrekpunt?

4

1 Inleiding “Windmolens zijn momenteel een noodzakelijk kwaad. Mochten er op den duur alternatieve mogelijkheden zijn, die het landschap en het welzijn van mens en dier niet aantasten, dan ben ik daarvoor.” Inwoner gemeente Oost Gelre

Aanleiding De gemeenteraden van Berkelland en Oost Gelre hebben samen met de andere Achterhoekse ge­ meenten de Regionale Energie Strategie 1.0 vast­ gesteld. Beide gemeenten werken aan nieuw wind­ beleid om grootschalige opwekking van windenergie mogelijk te maken. Inwoners betrekken we met participatie bij het proces om te komen tot nieuw windbeleid. Berkelland en Oost Gelre trekken zo veel mogelijk samen op in dit proces. Dat doen we omdat we een zoekgebied voor wind delen: zoek­ gebied K gelegen tussen Ruurlo, Beltrum, Z ­ ieuwent en ­Lievelde. In Oost Gelre ligt nog een zoekgebied. Het gebied ten zuiden van Vragender tegen de gemeente­grens met Aalten en Winterswijk wordt zoekgebied I (i) genoemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15336460/1