antwoordmemo technische vragen oog 30-03-2021 bp lichtenvoordseweg
Tekst van het document
MEMO Datum
: 25 maart 2021
Van
: Marieke Frank
Aan
: Fractie OOG
Afdeling
: Omgeving
Zaaknummer
: 62453-2020
Onderwerp
: Technische vragen fractie OOG, over agendapunt 8: Bestemmingsplan ‘Woonwijken Groenlo, herziening Lichtenvoordseweg 9- 11 Groenlo’
Het verzoek is om de bedrijfsbestemming aan de Lichtenvoordseweg 9-11 te wijzigen naar een woonbestemming. Vraag: Betekent dit dat er een 2e woning kan worden gerealiseerd of is er een duidelijke scheiding tussen 1. de woning en 2. bedrijfsruimte aan huis met de huisnummers 9 en 11? Antwoord: Het bestemmingsplan heeft betrekking op zowel Lichtenvoordseweg 9 als Lichtenvoordseweg 11. Het is ook één kadastraal object. Op deze gronden is slechts 1 woning toegestaan. Er kan dus geen 2 e woning worden gerealiseerd. De achterzijde van het totale pand wordt gebruikt als woning. De voorzijde als bedrijfsruimte aan huis in de vorm van kantoor (nummer 11) en bedrijfshal. Uit de bodeminventarisatie blijkt dat er sprake is van diverse bodemverdenkingen (sanering “in eigen beheer”, voormalig benzineservicestation, schildersbedrijf, puin in de grond). Het is niet duidelijk of de bodemsituatie geschikt is voor het gewijzigde functie. Een (ernstige) bodemverontreiniging kan niet worden uitgesloten. Alhoewel er in dit stadium geen grond-/bouwwerkzaamheden zijn voorzien, is wel degelijk sprake van een wijziging naar een kritischer gebruik (hoofdbestemming Wonen). Wij stellen veiligheid voorop en zijn evenals de ODA van mening dat een goed bodemonderzoek noodzakelijk is.
Niet alleen voor de buurt maar ook voor de bewoners, een gezin met kinderen, zien wij graag dat een bodemonderzoek plaatsvindt zoals ook door de ODA wordt aangegeven. Vraag: Wordt het advies van de ODA meegenomen in de plannen voor deze bestemming en wat gaat het college doen om de eigenaar te bewegen alsnog een bodemonderzoek te laten uitvoeren? Antwoord: Het advies van de ODA luidt als volgt: uit de bodeminventarisatie blijkt dat enige mate van bodemverontreiniging niet kan worden uitgesloten. Het is niet zeker dat de bodemkwaliteit geschikt is voor een woonbestemming. De ODA heeft daarom geadviseerd om een bodemonderzoek uit te voeren. Het bodemonderzoek kan achterwege blijven onder de voorwaarde dat er geen grondgebonden uitbreiding van het pand of wijziging van de buitenruimte naar een gevoeliger gebruik (bv. tuin) plaatsvindt. De aanwezige verharding moet in stand blijven. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden te verrichten ter plaatste van de aanduiding ‘wetgevingszone – aanlegvergunningsplicht’ (artikel 3.7 lid 1). Deze aanduiding zit aan de voorzijde van het pand, waar een verontreiniging niet kan worden uitgesloten.
In dit artikel is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders een onderzoeksrapport kan eisen van de aanvrager van de vergunning die betrekking heeft op de kwaliteit van de bodem (lid 2), en dat de vergunning alleen verleend kan worden als uit het onderzoek blijkt dat de grondwerkzaamheden zonder sanering kunnen worden uitgevoerd en/of als het bevoegd gezag in de zin
62453-2020:321937
van de Wet bodembescherming goedkeuring heeft gegeven voor een eventuele sanering en de grondwerkzaamheden (lid 3). Voor het vasthouden afvoeren, bergen van hemelwater zou het aanleggen van een voortuin wenselijk zijn. Tijdens de laatste informatiebijeenkomst over biodiversiteit en klimaatverandering werd nog eens duidelijk benadrukt hoe belangrijk dit is: bestrating verwijderen en vervangen door groen. Vraag: Ligt dit in de plannen beschreven? Vraag: Welke invloeden gaat het college aanwenden om de eigenaar te bewegen een (groot) deel van de verharding te veranderen in groen? Antwoord: De woning met tuin bevindt zich aan de achterzijde. Er vinden geen wijzigingen plaats in de bebouwing en de verharding. De voorzijde van het pand wordt gebruikt en is nodig als manoeuvreerruimte en parkeerplaats behorend bij het bedrijf aan huis. In dit specifieke geval vindt het college het niet aan de orde om wijzigingen aan het gebruik van de voorzijde te eisen, ten koste van de bedrijfsvoering.
62453-2020:321937
2