antwoordmemo openstaande vragen 28-04-2026 bp oostendorperdiek
Tekst van het document
MEMO Datum
: 6 mei 2026
Van
: Jos Hoenderboom
Aan
: Raads- en commissieleden
Afdeling
: Ruimte en economie
Onderwerp
: vragen bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a te Groenlo
Tijdens de commissievergadering is ingesproken. Buurtbewoners van de Oostendorperdiek 19, 21 en 21a hebben aangegeven dat zij geuroverlast hebben ondervonden de proefopstelling van de kleinschalige visvoerproductie voor de eigen vissen die tijdelijk opgesteld heeft gestaan op de locatie. Ze vrezen dat opnieuw geuroverlast wordt ondervonden als het bestemmingsplan wordt vastgesteld en daarmee toestemming wordt verleend voor de visvoerproductie. In de memo gaan we in op het verschil tussen de proefinstallatie en definitieve installatie en ook in op de systematiek hoe tot het advies van de omgevingsdienst ODA is gekomen. Verschil proefopstelling versus definitieve opstelling Door de tijdelijke proef is duidelijk geworden wat benodigd is om geuroverlast te ‘voorkomen’. Dit is ook door het gerenommeerd geuronderzoekbureau Olfansense bevestigd in haar geurrapport. De ODA geeft in haar advies aan dat “Op basis van een ‘worst case-scenario’ kan worden aangetoond dat het bedrijf, door het treffen van voorzieningen kan voldoen aan de normstelling voor geur, zoals deze volgt uit het Gelders geurbeleid.” Tijdens de commissievergadering werd menigmaal gerefereerd aan overlast die ondervonden is tijdens de proefopstelling. De uiteindelijke situering is anders dan de proefopstelling.
Hieronder de verschillen tussen proefopstelling en beoogde opzet, en de eindconclusie waarom niet voor geuroverlast hoeft te worden gevreesd. Proefopstelling In de proefopstelling werd gebruik gemaakt van een verplaatsbare ‘standaard’ drooginstallatie die in verband met de hoogte deels buiten was geplaatst. Ook waren de tubs met de vis bijproducten en de machine die deze vis bijproducten vermaalde geplaatst in een open werktuigenberging. De installatie stond in directe en open verbinding met de buitenlucht. Daarnaast was er sprake van 1 installatie voor beide soorten vis- zijnde witvis en ‘vettere’ vis- hetgeen voor technische problemen zorgde. Daarnaast heeft in de proefperiode door een technisch mankement van de installatie, de installatie stilgestaan waardoor geuroverlast is ontstaan. Ook heeft er geen geurbehandeling op de proefdroger gezeten. De afgevoerde lucht werd op slechts 3 meter hoog zonder nabehandeling in de lucht geblazen. Beoogde opzet Er worden 2 afzonderlijke installaties gerealiseerd, 1 voor de ‘vettere’ vis en 1 voor de witvis. Beide installaties zijn binnen opgesteld in afzonderlijke ruimten en zijn ingesteld voor de te behandelen vissoort. De verschillende visbijproducten worden binnen in dezelfde ruimte bewaard. De opslagruimte is gesloten en de drooginstallaties zijn eveneens gesloten.
De lucht van de ruimte van de drooginstallaties worden afgezogen en gereinigd in een biotricklingfilter (lees luchtwasser) die is afgestemd op een maximaal berekende geurlast. Conclusie Door de verschillende visbijproducten afzonderlijk van elkaar te drogen in 2 afzonderlijke installaties die binnen zijn opgesteld en zijn afgesteld op de last en waarbij de lucht van de gebouwen wordt behandeld door een luchtwasser heeft de geurspecialist geconcludeerd dat de geurbelasting zeer beperkt is en gelegen is onder de streefwaarden van het Gelders Geurbeleid. De geuremissie van de vergunde intensieve veehouderij is ruim een factor 7 hoger dan de totale emissie van de beoogde activiteiten (inclusief de scharrelvarkens).
8461-2026:607134
De intensieve veehouderij en viskwekerij wordt omgezet naar een kleinschalige veehouderij en viskwekerij met voerbereiding voor eigen vissen en agrotoerisme (in de vorm van vissershutten en boerderijkamers. Om de gewenste vorm van agro-toerisme tot een succes te maken doet initiatiefnemer er alles aan om geuroverlast te voorkomen. Toelichting van de omgevingsdienst op advies Tijdens de commissievergadering is door een van de insprekers aangegeven dat het vreemd is dat de onderbouwing met name ingaat op scharrelvarkens en viskwekerij en niet op de productie van vismeel. We hebben een nadere toelichting gevraagd bij de omgevingsdienst. Zij geven het volgende aan, waarmee indirect ook antwoord wordt gegeven op de vraag van LBOG of er vergelijkbare situaties zijn. Reactie ODA In het rapport “Effect geur als gevolg van productie visvoer bij Twente Vis”, d.d. 1 september 2025, kenmerk 20250901GELO, door Olfasense is juist heel veel tijd besteed aan het in beeld brengen van de geur van het produceren en drogen van visvoer. In het advies valt hierover te lezen: “Probleem van dit proces is dat hiervoor geen bruikbare kengetallen bekend zijn, om de geurbelasting van deze activiteiten te berekenen. Dit terwijl anderzijds voldoende indicaties bestaan dat met name het drogen van vis voor geuroverlast kan zorgen (o.a.
de in de VNG brochure genoemde richtafstanden voor de categorie ‘visdrogerij’) Ook een internationaal onderzoek (o.a. het Duitse TA-luft, het Europese Reference Document for the Food, Drink and Milk Industries), en informatie op basis van een vraagstelling aan het IPLO en KaGO (kennisalliantie geur overheden, geurspecialisten van verschillende omgevingsdiensten) gaven geen uitsluitsel ten aanzien van deze vraag. Het IPLO adviseerde hierbij wel om een vergelijk te maken met de productie van krachtvoer voor landbouwhuisdieren, waarvoor ook wel vismeel wordt gebruikt. Daarnaast werd geadviseerd: “om waarborgen op te nemen voor het geval de geur toch tot hinder leidt (met een meting als het bedrijf is gestart).” Om een vergelijk te kunnen maken met de productie van voer voor dieren, is gebruik gemaakt van het Excel-bestand ‘Vaststellen Emissiefactoren’ van de website https://geurnormdiervoeder.nl/emissiefactoren/. Aangezien het droogproces bij het bedrijf van aanvrager plaats vindt bij een temperatuur tussen de 20-30 oC, is gekeken naar de hoogste geuremissie van kippenvoer (waarin vaak vismeel wordt verwerkt) bij een zo laag mogelijke temperatuur. Deze waarde kon worden gevonden bij een eiwitpercentage tussen de 24 en 26. Per ton is de geuremissie dan 95,8 MOUe te verwachten.
Berekend kan worden (zie bijlage 1) dat er dan een totale geuremissie op zal treden van ongeveer 6200 OUe/m3. Deze waarde valt ruim binnen de rendementsrange voor de aan te brengen ‘biotricklingfilters’ die in het geuronderzoek (blz. 3/20) wordt genoemd. Volgens het geuronderzoek is er dan een geuremissie van 500 OUe/m3 te verwachten. Toetsing Op basis van de hiermee gevonden kengetallen en aangevraagde debieten is in het geuronderzoek een G-stacks-geurberekening (Geomilieu, DGMR, versie 2025.1) doorgevoerd. Deze berekening is door ons verifieerd en in orde bevonden.”
Bijlage 1 bepaling grootte geurbron 1) Onderzoek naar de hoogste geurnorm bij lagere temperaturen, in het Excel-bestand ‘Vaststellen Emissiefactoren’ van de website https://geurnormdiervoeder.nl/emissiefactoren/. Gevonden is dat bij kippenvoer met een eiwitgehalte tussen de 22- 24 en een meeltemperatuur tussen de 40-45 oC, een geuremissie van 95,8 MOUe per ton diervoeder verwacht kan worden. 2) Jaarlijks wordt in het bedrijf, volgens opgave, 850.000 kg visproducten verwerkt. Bij een 24/7 werktijd betekent dit dat per uur gemiddeld 97,0 kg vis wordt verwerkt. Deze verwerkte vis is 20% van het totaal te drogen product, waardoor gemiddeld per uur 485,2 kg visproducten wordt gedroogd. 3) Dit betekent dat een geuremissie te verwachten is van 95,8*485,2/1000 = 46,5 MOUe/uur. Bij een totale emissie van 7.500 m3/uur wordt dit dus een geuremissie van 6.197,0 OUe/m3. Dat een contour bij de voordeur ophoudt zal natuurlijk te maken hebben met het openhouden van de mogelijkheid om zoveel mogelijk te kunnen produceren (net zoals meestal gebeurt bij bijvoorbeeld een varkensbedrijf). Dat is geen reden om de berekeningen niet te vertrouwen.
8461-2026:607134
2