CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Woningbouw Beerzerveld Bijlagen bij motivering

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente OmmenBij agendapunt: Vaststellen TAM-omgevingsplan Woningbouw Beerzerveld (942210)18.603 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

TAM-omgevingsplan Woningbouw Beerzerveld Ommen

DATUM IMRO IDN

NL.IMRO.0175.2024TAMOP0002-ON01

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR STATUS

vastgesteld

Inhoudsopgave

Bijlagen bij motivering

5

Bijlage 1

Stedenbouwkundig plan

7

Bijlage 2

Beleidsregels beeldkwaliteit

13

Bijlage 3

Mer-beoordeling

33

Bijlage 4

Bodemonderzoek

59

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek

149

Bijlage 6

Quickscan geur

209

Bijlage 7

Geuronderzoek

225

Bijlage 8

Onderzoek spuitzonering

243

Bijlage 9

Quickscan omgevingsveiligheid

273

Bijlage 10

Afweging waterbelangen

291

Bijlage 11

Quickscan natuur

331

Bijlage 12

Onderzoek stikstofdepositie

367

Bijlage 13

Archeologisch onderzoek

411

Bijlage 14

Toets ladder voor duurzame verstedelijking

429

Bijlage 15

Onderzoek aanwezigheid steenuil

447

3/452

4/452

Bijlagen bij motivering

5/452

6/452

Bijlage 1

7/452

Stedenbouwkundig plan

BEERZERVELD

Stedenbouwkundig plan uitbreiding Beerzerveld

Project nr: 230302 Datum: 24 juli 2024 Formaat A3

STEDENBOUWKUNDIG PL AN

Schaal 1:1000

STEDENBOUWKUNDIG PL AN - PROGRAMMA Sociale huur 35% Starters beuk 5.10m

4

Senioren beuk 6.50m

6

Midden huur/koop 38% 6

Vrije sector koop

2^

27%

ap

0m

2^1kap 6

1k

5.1

2^

4x

Vrijstaand 4

8x

Totaal 34 woningen

m

m

m

50

0m

50

6.

50

5.1

ap

6.

3x

6.

6x

3x

1k

ap

Senioren beuk 6.50m

1k

8

2^

Starters beuk 5.10m

Schaal 1:1000

STEDENBOUWKUNDIG PL AN - RUIMTEGEBRUIK

Schaal 1:1000

STEDENBOUWKUNDIG PL AN - RUIMTEGEBRUIK

Schaal 1:1000

Bijlage 2

13/452

Beleidsregels beeldkwaliteit

Beerzerveld

Beleidsregels beeldkwaliteit

November 2024, 230302

Plangebied

Ligging van het plangebied in Beerzerveld

2

Inleiding In de gemeente Ommen is er een groeiende behoefte om het dorp Beerzerveld uit te breiden, waarbij de westzijde als ontwikkellocatie is aangewezen. In samenwerking met de gemeente Ommen heeft SAB de afgelopen periode het stedenbouwkundig plan voor de uitbreiding van Beerzerveld opgesteld. Dit plan legt de ambities vast voor de inrichting van de openbare ruimte en het ontwerp van de woningen. Het voorliggende beleidsregels beeldkwaliteit document dient als toetsingskader voor de verdere uitwerking van zowel de openbare ruimte als de woningen. Deze samenwerking en de vastgelegde beleidsregels vormen een solide basis voor een succesvolle en kwalitatieve uitbreiding van Beerzerveld, die behoeften van het dorp tegemoet komt.

van de verharding dat aansluit bij de huidige kleurstelling van Beerzerveld, de straatinrichting met een groene berm aan minimaal één zijde en parkeergelegenheid aan maximaal één zijde. De openbare ruimte zal voornamelijk groen worden ingericht, met de nadruk op collectief groen en ontmoetingsplekken. Dit document dient als toetsingskader en inspiratiebron voor de verdere ontwikkeling van de buurt. De exacte toetsingsmethoden voor de plannen zullen nog worden bepaald.

Beleidsregels beeldkwaliteit De uitbreiding van Beerzerveld bestaat uit twee architectonische uitwerkingen en die elk specifieke beleidsregels voor de beeldkwaliteit van de bebouwing zullen omschrijven. Als eerste zullen de grondgebonden woningen langs de straat aan bod komen. Deze woningen verhouden zich tot de bestaande bebouwing van Beerzerveld kwalitatief afrond. Centraal gelegen in het plan liggen de zogenoemde clusterwoningen. Deze grondgebonden seniorenwoningen en beneden-boven woningen positioneren zich als herkenbare eenheid. Het cluster onderscheidt zich in kleur, vormgeving en materiaal in vergelijking met de grondgebonden woningen. De beleidsregels voor de beeldkwaliteit van de openbare ruimte beschrijven de principes voor de inrichting, zoals het kleurgebruik Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

3

Stedenbouwkundigplan uitbreiding van Beerzerveld

4

Toelichting stedenbouwkundig plan De uitbreiding van Beerzerveld aan de westzijde van de kern van het drop. Met in totaal 34 nieuwe woningen in verschillende typen en categorieën, sluit het plan aan op de behoeften en wensen van de Gemeente. De opzet van het plan is helder en overzichtelijk, met een nieuwe entree van het dorp. Aan de straat worden grondgebonden vrijstaande, twee-onder-een-kap en rijwoningen gerealiseerd, die zich verhouden tot de bestaande bebouwing van Beerzerveld. Deze hebben een voorgeschreven hoogte van één laag met kap of twee lagen met kap. De oriëntatie van de woningen richt zich op de straat. De woningen laten zich afwisselend plaatsen ten opzichten van de uiterste rooilijn, ontstaat een gevarieerd beeld. Centraal in het plan bevindt zich een cluster met seniorenwoningen en beneden-boven woningen, die als herkenbare eenheid zijn ontworpen. Dit cluster onderscheidt zich door zijn architectonische uitwerking en positionering binnen het plan. Met een gedraaide positionering ten opzichte van de grondgebonden woningen aan de straat en een omliggende parkzone, vormt het cluster een aantrekkelijk middelpunt. Binnen dit cluster zal een collectieve groene ruimte worden ontwikkeld Het openbaar groen rondom het cluster wordt zo ingericht dat spelen en ontmoeten voorop staan.

Via onverharde paden staat de ontwikkeling in directe verbinding met de blauw/groene zone in het zuiden van het plangebied.

Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

5

Grondgebonden woningen aan de straat Gebouwtypologie De woningen zijn als vrijstaand, twee-ondereen-kap en/of in rijtjes geplaatst. Door de typen gemengd te plaatsen zal een afwisselend beeld ontstaan. De architectonische verschijningsvorm is hedendaags zonder duidelijk voorgeschreven stijlidioom. Hoofdvolume en bouwlagen De bouwvolumes hebben een duidelijk herkenbaar hoofdvolume. De opzet is traditioneel waarbij de woningen voorzien zijn van een kap. De woningen laten zich afwisselend plaatsen ten opzichten van de uiterste rooilijn. De afwisseling vind plaats per woning (vrijstaand) of gebouwd (twee-ondereen-kap dan wel rijwoningen). Per blok door het toepassen van verschillende geveluitwerkingen binnen een blok. De woningen zijn in één laag met kap of in twee lagen met kap. Een afwisseling in hoogte binnen een gebouw en/of bouwblok is mogelijk. Kapvormen, kleur en materiaal gebruik De grondgebonden woningen hebben als gevel materiaal metselwerk in baksteen, in de kleur rood – roodbruin – bruin. Het keimen (schilderen) in lichte aardse tint van de gevel is denkbaar. Aangebouwde en ondergeschikte toepassingen worden optioneel uitgevoerd in hout. De woningen zijn voorzien van een kap en afgedekt met pannen of riet, zonder specifieke kleurvereisten. De zonnepanelen zijn geplaatst in een eenduidig vlak.

Rooilijn en oriëntatie De woningen oriënteren zich in de richting van de straat. De woningen die aan twee zijden aan de openbare ruimte grenzen, hebben gevelopeningen in zowel de voor- als zijgevel, zoals vensters, 6

erkers of bloemkozijnen met rondom zicht op de omliggende ruimte. Alle woningen zijn voorzien van een voortuin waardoor een ‘groen’ straatbeeld wordt versterkt. De minimale voortuindiepte bedraagt 4 meter. De entree van de woning is duidelijk zichtbaar vanaf de straat en is uitnodigend. Doormiddel van het toepassen van bijvoorbeeld een bovenlicht, luifel, verbijzondering van het metselwerk als kader ect. Dit zorgt voor een uitnodigende uitstraling van de woning. Erfafscheiding De overgang aan de voorzijde van de tuin en bij woningen die aan twee zijden grenzen aan de openbare ruimte (tenminste tot halverwege de bouw massa) aan de zij tuin bestaat uit een wintergroene haag en heeft een minimale hoogte van 0.80 meter en maximale hoogte 1.20 meter. De overgang aan de zijkant van de kavel (gesteld dat deze grenst aan de openbare ruimte) en/of een brandgang (achterom) bestaat uit een groen hekwerk dat gegroeid is. De hoogte bedraagt maximaal 2.00 meter. De wens is om (onderlinge-) erfafscheidingen te voorzien van een opening aan de onderzijde van 15 – 20 cm, voor het passeren van dieren, zoals egels. Parkeren Bij de vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen worden op eigen terrein minimaal 2 en waar mogelijk 4 opstelplaatsen voor de auto gerealiseerd. De breedte van de oprit maximaal 3.50 meter tot 4.50 meter bedraagt.

Bij twee inritten naast elkaar zal ten alle tijden een lage wintergroene haag van 0.80 meter en maximale hoogte van 1.20 meter gepositioneerd moeten worden op de erfgrens. Haag onderbrekingen van meer dan 4.50 meter worden niet toegestaan.

Groen straatbeeld d.m.v. lage haag

Groen straatbeeld d.m.v. groene berm

Afwisseling in kleur en materiaalgebruik

Variatie in hoogte binnen een bouwblok

Samengestelde kappen

Afwisseling in materiaalgebruik Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

7

Grondgebonden woningen aan de straat Principes beeldkwaliteit voor grondgebonden woningen: 1. Locatie van de grondgebonden woningen. 2. Voor de grondgebonden woningen wordt een bouwhoogte van één of twee lagen met kap voorgeschreven. 3. De woningen hebben als gevelmateriaal metselwerk in baksteen in de kleur rood – roodbruin – bruin, waarbij gekeimd in aardse tinten denkbaar is. 4. Uiteenlopende woontypes en plaatsing van de woningen t.o.v. uiterste rooilijn. 5. Toepassen van hagen om de groene sfeer van de woonomgeving te versterken. 6. Parkeren op eigen terrein, waarbij de breedte van de inrit (haag opening) tussen de 3.50 meter en 4.50 meter ligt.

8

1. Locatie grondgebonden woningen

2. Kapvormen

3 . Kleur en materialen

4. Rooilijn en oriëntatie

5. Erfafscheidingen

6. Parkeren op eigen terrein Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

9

Cluster woningen Gebouwtypologie De woningen zijn als grondgebonden senioren woningen en beneden-boven woningen, gecombineerd in een cluster. De verschillende woonvormen worden als één geheel vormgegeven. De architectonische verschijningsvorm wijkt af van de grondgebonden woningen aan de straat en is hedendaags zonder duidelijk voorgeschreven stijlidioom. Hoofdvolume en bouwlagen Het cluster moet als herkenbare eenheid zichtbaar worden gemaakt en een andere meer contrastrijke verschijningsvorm krijgen. De aangebouwde elementen vormen een integraal onderdeel van de architectonische vormgeving. De woningen binnen kunnen worden gerealiseerd in één laag met kap of als twee lagen met kap, afhankelijk van het toegepaste programma. Kapvormen, kleur en materiaal gebruik Het cluster van woningen onderscheid zich van de omliggende woningen aan de straat door middel van afwijkend kleur en materiaal gebruik, zoals hout of het keimen (schilderen) van de gevel in lichte aardse tinten. De woningen zijn voorzien van een kap en afgedekt met pannen of riet, zonder specifieke kleurvereisten. De zonnepanelen zijn geplaatst in een eenduidig vlak. Rooilijn en oriëntatie De woningen oriënteren zich in de richting van de omliggende groene ruimte en naar de collectieve binnenruimte.

De woningen die aan twee zijden aan de openbare ruimte grenzen, hebben gevelopeningen in zowel de voor- als zijgevel, zoals vensters, erkers of bloemkozijnen met rondom zicht op de omliggende ruimte. 10

Alle grondgebonden woningen zijn voorzien van een voortuin en achtertuin, waar een veranda denkbaar is. De minimale tuindiepte aan de voor en achterzijde bedraagt 2 meter. Bij de beneden-boven woningen zijn de bovenwoningen voorzien van een balkon die georiënteerd is op de openbare ruimte. Erfafscheiding De overgang van de tuin met de openbare ruimte kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de situatie. De binnenzijde van het cluster wordt als een geheel vormgegeven, zonder een voorgeschreven verschijningsvorm. Voor de beneden-boven woningen grenzend aan de openbare ruimte is een lage wintergroene haag voorgeschreven. Deze haag heeft een minimale hoogte van 0.80 meter en maximale hoogte 1.20 meter. De senioren woningen hebben aan de westzijde in het verlengde van de gevel een erfafscheiding om de vorm van een tuinmuur. Deze is onderdeel van de architectuur, met een maximale hoogte van 2.00 meter. De erfafscheiding aan de openbare ruimte heeft een open uitstraling waarbij geen hoge haag dan wel gebouwd element het zicht op de openbare ruimte ontneemt. De maximale hoogte van een element op de erfgrens is 1.20 meter. De wens is om (onderlinge-) erfafscheidingen te voorzien van een opening aan de onderzijde van 15 – 20 cm, voor het passeren van dieren, bijvoorbeeld egels.

Afwisselend gevelbeeld

Open verharding rond cluster

Groene ruimte aan minimaal één zijde van de straat

Houten gevel bekleding

Wonen in een park ruimte

Toevoeging van veranda Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

11

Cluster woningen Principes beeldkwaliteit voor cluster woningen: 1. Locatie van de cluster woningen. 2. Uiteenlopende woontypes die vormgegeven zijn als één architectonisch element, zorgen voor het geclusterde woonprinciepen. 3. De cluster woningen moeten in kleur en materiaal gebruik afwijken van de omliggende grondgebonden woningen aan de straat. 4. Voor de cluster woningen is de bouwhoogte één laag met kap of twee lagen met kap voorgeschreven. 5. Toepassen van hagen rond het cluster. Bij het cluster kan ook een veranda worden toegepast. In dat geval vervalt de eis om een haag te maken.

12

1. Locatie cluster woningen

2. Rooilijn en oriëntatie

3 . Kleur en materialen

4. Bouwhoogte en kapvorm

5. Erfafscheidingen Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

13

Ambitie openbare ruimte Karakter De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, in principe wordt aan één zijde van de straat een trottoir gerealiseerd waarbij de ander zijde als groenvoorziening is ingericht. Inrichting straat De inrichting van de straat is overzichtelijk en helder in de uitwerking. De straat (rijloper) heeft een breedte van ca. 5 meter zodat deze in beide richtingen kan worden gebruikt. Het trottoir heeft een breedte van ca. 2 meter. De wandelpaden (parkpaden) in het plangebied en aan de groenblauwe zone zijn met half-verharding ingericht. Parkeren Het parkeren van auto’s is alleen toegestaan op de daarvoor bestemde parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk centraal en minder prominent in het plan gepositioneerd. Aan de straat wordt geparkeerd door middel van langsparkeren en haaksparkeren. De langsparkeerplekken bestaan uit maximaal vier geschakelde parkeerplaatsen, deze wordt onderbroken door een groenvoorziening of voetpad. De haaksparkeerplaatsen aan de straat dan wel in de vorm van een parkeer hof, zijn omzoomd met een wintergroene haag en heeft een minimale hoogte van 0.80 meter en maximale hoogte 1.20 meter. Waarbij in het westen en noorden de parkeerhoven toegankelijk zijn middels een aparte ingang. Parkeren van auto’s is in deze groen berm niet toegestaan.

Inrichting groen voorziening Er wordt ingezet op collectief groen en ontmoetingsplekken. De groen voorzieningen 14

zijn zo ingericht dat deze naast de groen functie ook mogelijkheden bieden om te spelen en te ontmoeten. De bestaande bomen worden zovele mogelijk gehandhaafd. Bomen zijn solitair en als boomgroep geplaatst opdat een zo natuurlijk mogelijk ogende inrichting wordt gerealiseerd bermen en groenvoorzieningen hebben ook een vergelijkbaar natuurlijke uitstraling (bloemrijk grasland). Gewenst is om zovele mogelijk gevarieerd inheems groen aan te planten zowel in de openbare ruimte als in de tuinen van woningen. De inrichting van de groen voorziening draagt zovele mogelijk bij aan de hittestress. Daarnaast is de wens om een infiltratievoorziening te treffen, die water bergt en vasthoud voor later gebruik.

Wonen in een groene omgeving

Hagen als erfafscheiding

Onverhard parkpad

Parkeren omzoomd door een haag

Speel element in het park

Solitaire bomen

Open verharding

Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

15

Ambitie openbare ruimte Principes beeldkwaliteit voor de openbare ruimte; 1. Openbaar groenvoorziening 2. Kleur indicatie verharding 3. Locatie parkeren in de openbare ruimte 4. Hagen rond parkeervoorzieningen 5. Indicatie bestaande en nieuwe bomen

16

1. Openbare groenvoorziening

2. Kleur indicatie verharding

3 . Parkeren in de openbare ruimte

4. Hagen rond parkeervoorziening

5. Indicatie bestaande en nieuwe bomen Beleidsregels Beeldkwaliteit Beerzerveld

17

32/452

Bijlage 3

33/452

Mer-beoordeling

mer-beoordeling

Woningbouw Beerzerveld

Gemeente Ommen

Datum: 19 mei 2025 Projectnummer: 230302.01

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding De mer-beoordeling

3 3

2

Kenmerken van het project

6

2.1 2.2 2.4

Inleiding Beschrijving van het project Overige kenmerken van het project

6 6 6

3

Locatie van het project

8

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

8 8 8

4

Mogelijke milieueffecten

13

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8

Inleiding Archeologie Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Water Ontplofbare oorlogsresten

13 14 15 16 17 18 19 20

5

Conclusie

22

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Het voornemen bestaat om ten zuiden van de Van Alewijkstraat in het noordwesten van de kern Beerzerveld 34 nieuwbouwwoningen te realiseren. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt een procedure doorlopen tot wijziging van het omgevingsplan. In de motivering van het omgevingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijnde wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de mer-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een project als bedoeld in categorie J11 in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit type project geldt een mer-beoordelingsplicht. Ook dient op basis van het Omgevingsbesluit een mer-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag. Het bevoegd gezag besluit of, vanwege de aanzienlijke effecten die het voorgenomen project mogelijk voor het milieu kan hebben, een mer-procedure moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende mer-beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie.

Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegd gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een mer-procedure noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De mer-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: mer) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wetgeving rond de mer is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In het Omgevingsbesluit (Bijlage V) staat wanneer een mer of merbeoordeling aan de orde is. Het project dat mogelijk wordt gemaakt en de omvang ervan zijn daarbij bepalend. Bij een mer-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat zo is, moet een mer-procedure worden doorlopen. In artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit zijn de onderdelen opgenomen die in de mer-beoordeling moeten worden beschreven: − het project, met in ieder geval een beschrijving van: − de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van de sloopactiviteiten; − de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; − de mogelijke aanzienlijk milieueffecten van het project;

3

− voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project als gevolg van: − de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en − het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Hierbij moet rekening worden gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn en, voor zover relevant, met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten. Tot slot kan een beschrijving worden bijgevoegd van de kenmerken van het voorgenomen project en van de voorgenomen maatregelen om mogelijk aanzienlijke milieueffecten te vermijden. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en of een mer nodig is. Het bevoegd gezag kan de mer-beoordelingsbeslissing tegelijk met het ontwerp-besluit voor het plan nemen. Toetsing aan het Omgevingsbesluit Onderhavig plan (de realisatie van 34 woningen) is een project zoals benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit, namelijk ‘een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ (categorie J11).

Voor dit project geldt een mer-beoordelingsplicht, aangezien sprake is van aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een directe merplicht is voor projecten in categorie J11 niet van toepassing. Doel m.e.r-beoordeling Het doel van een mer-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van het voorgenomen project aan het bevoegd gezag. Er wordt in een mer-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van het project aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde mer-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een mer-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende procedure voor het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van het project; − de locatie van het project; − de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en − het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

4

Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige project en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het project in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het project beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het project Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project besproken. De aard en de omvang van het project worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en het risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het project Het voornemen bestaat om ten zuiden van de Van Alewijkstraat in het noordwesten van de kern Beerzerveld 34 nieuwbouwwoningen te realiseren. De ontwikkeling kent een gevarieerd woningbouwprogramma bestaande uit zowel koop- als huurwoningen, zowel starters- als seniorenwoningen en rijwoningen, twee-onder-één kappers en vrijstaande woningen.

2.3

Omvang van het project Programmatisch is het uitgangspunt dat er 34 woningen worden gerealiseerd. Dit betreffen 25 tussen/hoek woningen, 6 twee-onder-één kap woningen en 4 vrijstaande woningen waarvan 35% is bestemd voor sociale huur, 38% voor de middeldure huur/koop en 27% bestaat uit koopwoningen in de vrije sector.

2.4

Overige kenmerken van het project

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere projecten is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het besluitgebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het besluitgebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het project maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het besluitgebied.

6

In het geheel legt het project hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. 2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw (de aanlegfase) wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterend materieel (machines, etc.). De uitstoot van stikstof wordt getoetst onder het aspect natuur. Door de duur en omvang van het project wordt niet verwacht dat er in betekenende mate fijnstof uitgestoten zal worden. Indien de voorgestelde richtlijnen uit het programma Schoon en Emissieloos Bouwen worden gevolgd kunnen nadelige milieueffecten nog verder worden uitgesloten. Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met de generatie van afvalstoffen (zoals overtollige bouwmaterialen), reststoffen (zoals door waterbemaling) en hinder (zoals geluid door heien). In de gemeente Ommen bestaat hier geen lokaal beleid voor, maar er zijn wel onder het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) algemene regels voor gesteld. In Bbl hoofdstuk 7 zijn regels gegeven voor de toegestane activiteiten in verband met het waarborgen van de gezondheid van omwonenden. Zo staat hier onder andere hoe omgegaan moet worden met het verwerken van sloopafval en eventuele stofproductie hierbij; beperkingen voor het wijzigen van de grondwaterstand; en de dagwaarden voor geluid met de daarbij behorende maximale blootstellingsduur.

In overleg met de betrokken civieltechnische uitvoerder is bepaald dat bovenstaande hinder mogelijk aan de orde is voor voorliggend project, maar niet in een uitzonderlijke mate. Er wordt een regulier bouwtraject voorzien. De toekomstige aannemer dient zich daarnaast bij de uitvoering van de aanlegwerkzaamheden aan het Bbl te houden en hiertoe eventueel nadere onderzoeken en maatregelen uit te voeren. Deze kunnen in de huidige fase van planvorming nog niet uitgevoerd worden. Via het Bbl wordt zo de omgeving beschermd tegen nadelige effecten; significante milieueffecten kunnen worden uitgesloten. In de gebruiksfase van de ontwikkeling vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft daarnaast een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig project vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het project brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

7

3 3.1

Locatie van het project Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin het project plaatsvindt, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor het voorgenomen project. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het besluitgebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het besluitgebied bevindt zich aan de noordwestzijde van de kern Beerzerveld. Het besluitgebied heeft een oppervlakte van circa 16.000 m2 en is grotendeels in gebruik als grasland. In het zuiden van het besluitgebied liggen daarnaast een watergang en een groenzone.

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze mer-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze mer-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze mer-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

8

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor het project

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het besluitgebied zijn geen aangewezen Wetlands aanwezig.

Kustgebieden

Het besluitgebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Omgevingswet

Het besluitgebied is niet gele-

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het besluitgebied ligt niet in een

•

Nationale Landschappen

benoemd in de Structuurvisie

Nationaal Landschap.

•

Nationale parken

Infrastructuur en Ruimte

Het besluitgebied ligt niet in een

Nationale Parken zijn onderdeel

Nationaal Park.

gen in een berg- of bosgebied.

van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 3.3.2.1

Speciale beschermingszones,

•

door de lidstaten aangewezen

Europese Vogel- en habi-

In de omgeving van het besluit-

tatrichtlijn

gebied liggen Natura 2000-gebieden (zie verder onder 1).

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

•

Omgevingswet

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn

•

Besluit activiteiten leefom-

92/43/EEG (Habitatrichtlijn)

geving

Gebieden waarin de bij commu-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het besluitgebied ligt niet in ge-

nautaire wetgeving vastgestelde

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

bieden waar op basis van com-

normen inzake milieukwaliteit

derrichtlijn water)

munautaire wetgeving reeds

reeds worden overschreden

normen worden overschreden.

Gebieden met hoge bevolkings-

Het besluitgebied is niet gele-

dichtheid

gen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

•

Verdrag van Valletta

Het besluitgebied ligt in een

•

historisch belang

•

Besluit kwaliteit leefomge-

zone met een archeologische

•

cultureel belang

ving

verwachtingswaarde. In het ka-

o •

beschermd stads- en

•

Omgevingsplan

der van het op te stellen omge-

dorpsgezicht

•

Programma landschap

vingsplan is verkennend arche-

archeologisch belang

ologisch bureauonderzoek uitgevoerd (zie verder onder 2). In of rondom het besluitgebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig.

9

1. Natura 2000-gebied Het besluitgebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Omgevingswet is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Vecht- en Beneden- Reggegebied” en “Engbertsdijkvenen” in de directe omgeving van het besluitgebied. Deze liggen, respectievelijk, op circa 1 kilometer en 5,5 kilometer van het besluitgebied verwijderd. Daarnaast liggen er Duitse natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 binnen een straal van 25 km van de ontwikkellocatie. Het betreft de Itterbecker Heide op 14 km afstand en de Hügelgräberheide Halle-Hessingen op 21 km afstand.

Globale ligging van het besluitgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: PDOK, bewerking: SAB).

Met het project wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Omgevingswet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het project te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Binnen het besluitgebied zijn mogelijk nog archeologische waarden in de ondergrond aanwezig. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht.

10

3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor het project

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Omgevingsverordening

Het besluitgebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN).

Gebied geschikt voor be-

•

Omgevingswet

Het besluitgebied is mogelijk ge-

schermde soorten

•

Besluit activiteiten leefom-

schikt voor beschermde soorten

geving

(zie verder onder 3).

Weidevogelgebied en ganzen-

Omgevingsverordening

foerageergebied

Het besluitgebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een stiltegebied.

Bodembeschermingsgebied

Omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Omgevingsverordening

Het besluitgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

Risicogebieden explosieven

-

Het projectgebied is gelegen in een gebied waar mogelijk ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn (zie verder onder 4).

3. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het besluitgebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht. 4. Ontplofbare Oorlogsresten In de omgeving van de gemeente Ommen is in de tweede wereldoorlog gevochten en zijn bombardementen uitgevoerd. Hierdoor kunnen er ontplofbare oorlogsresten in de bodem zijn overgebleven. Indien deze tijdens de aanleg van het project worden aangetroffen kan dit een verstorende werking op de nabijgelegen woningen hebben. De afbeelding op de volgende pagina toont de ligging van het projectgebied ten opzichte van de nabijgelegen risicogebieden voor ontplofbare oorlogsresten en eerdere munitieruimingen.

11

Globale ligging van het projectgebied (rode stip) ten opzichte van risicogebied en aangetroffen explosieven. (bron: BeoBOM, bewerking: SAB)

Met het project wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt in een gebied waar in de nabije omgeving reeds meerdere munitieruimingen zijn geweest en waarvoor is geconstateerd dat er luchtaanvallen hebben plaatsgevonden. Het is dus mogelijk dat er in het projectgebied oorlogsresten aanwezig zijn. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

12

4 4.1

Mogelijke milieueffecten Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de mogelijke milieueffecten van het project. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de locatie van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het project de realisatie van 34 woningen in het noordwesten van Beerzerveld betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het besluitgebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het besluitgebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen archeologische waarden en beschermde dier- of plantensoorten in het besluitgebied aanwezig zijn. Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: Het project kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna.

Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie. − archeologie: de gronden in het besluitgebied hebben de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Dit betekent dat het nodig is om een archeologisch onderzoek uit te voeren. − verkeer: De nieuwe ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: Het project heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. − water: Het project kan door de toename in verhardoppervlak effect hebben op waterschapsbelangen en de waterhuishouding van het gebied. − ontplofbare oorlogsresten: De uitvoering van het project kan leiden tot verstoring van oorlogsresten welke nog in de bodem aanwezig zijn. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken van het concrete project en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten. Om alle aspecten nog kort langs te lopen:

13

− diverse milieueffecten bouw: Onderhavig project heeft geen bijzondere kenmerken in de aanlegfase en is nog niet in de fase van planvorming waar de praktische uitvoering beoordeeld kan worden. Wanneer dit aan de orde is zullen de richtlijnen uit het Bbl worden gevolgd, waardoor geen negatieve effecten worden verwacht. Daarnaast betreft dit een tijdelijke situatie, eventuele effecten zijn niet blijvend. − bodem: Onderhavig project bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem. De te realiseren woningen zullen naar verwachting niet leiden tot grondverontreiniging. − omgevingsveiligheid: De functies in onderhavig project leiden niet tot omgevingsveiligheidseffecten. − cultuurhistorie: De functies in onderhavig project leiden niet tot negatieve effecten op cultuurhistorische waarden. − geurhinder: De functies in onderhavig project leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze mer-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de mer-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van de motivering behorende bij het wijzigingsplan.

4.2

Archeologie

4.2.1

Huidige situatie Binnen het besluitgebied zijn mogelijk archeologische resten aanwezig. In 2004 is op de locatie een inventariseren archeologisch veldonderzoek 1 uitgevoerd. Bij dit onderzoek is binnen het plangebied Beerzerveld weinig variatie in het bodemprofiel waargenomen. De bodem bleek op alle boorlocaties tot op de keileem of de C-horizont sterk verstoord. De middelhoge IKAW - waardering komt voort uit de aanwezigheid van een zandkop in dit gebied. Deze zandkop, welke zich in het noorden van het plangebied zou bevinden, is niet in de boringen of aan het oppervlak waargenomen. Wel is er in het meest oostelijk deel van het plan een duidelijk zichtbare zandkop aanwezig. De bodem is echter tot een minimale diepte van 70 cm verstoord/vermengd. Er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen en er zijn uit het gebied geen archeologische vondsten van grote ouderdom bekend. Ook tijdens de veldkartering zijn geen vondsten gedaan, ondanks de gunstige waarnemingsomstandigheden. Het bouwland was geploegd en het regende de hele dag. Eventuele vondsten zouden aan het oppervlak goed zichtbaar zijn geweest. Omdat in het hele gebied een sterk verstoord bodemprofiel tot op de C-horizont is waargenomen en er geen vondsten zijn gedaan, is geconcludeerd dat de kans op onverstoorde archeologische sporen in dit gebied zeer klein is.

1

De Steekproef (2004). Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek, Beerzerveld. Projectnummer: 10009412, 26 juni 2004. 14

4.2.2

Effecten ontwikkeling Aangezien de kans op archeologische sporen in het besluitgebied klein is, kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de bouw- en graafwerkzaamheden geen sprake zal zijn van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.3

Natuur

4.3.1

Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich aan de noordwestzijde van de kern Beerzerveld. In de omgeving van het besluitgebied zijn meerdere Natura 2000-gebieden aanwezig. Ten noorden en westen van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig en ten zuiden en oosten een woonwijk. Het besluitgebied zelf bestaat uit een grasland.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000) Natura 2000-gebieden “Vecht- en Beneden- Reggegebied” en “Engbertsdijkvenen” liggen in de buurt van het besluitgebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied bedraagt circa 1 kilometer. Op een dergelijke afstand kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de ontwikkeling is een onderzoek stikstofdepositie2 uitgevoerd. Uit het onderzoek is gebleken dat er een afname is van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden in zowel de aanleg- of gebruiksfase. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Beschermde soorten Quick scan natuur Door middel van een quick scan natuur3 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. In en rondom het onderzoeksgebied kunnen Rode lijstsoorten en soorten uit bijlage IX van het Bal voorkomen. Door te werken buiten de broedperiode, zal voldoende rekening worden gehouden met de specifieke zorgplicht.

In en nabij het besluitgebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Omgevingswet, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het besluitgebied vogels kunnen broeden. Om

2

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepostie Ommen, Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 3 december 2024.

3

SAB (2023). QuickScan Natuur Ommen, Beerzerveld. Projectnummer: 230302.01, 20 november 2023. 15

overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Onderzoek aanwezigheid steenuil Op het ontwerp TAM-omgevingsplan is een zienswijze ingediend dat nabij het plangebied een steenuil aanwezig is. In een onderzoek naar de aanwezigheid van de steenuil is geconcludeerd dat de steenuil aan de Nijboerstraat 14 aanwezig is4. Er heeft geen volledig steenuilenonderzoek plaatsgevonden omdat de onderzoeksperiode conform het onderzoeksprotocol opgesteld door het Netwerk Groene bureaus al verlopen was. Geconcludeerd wordt dat het leefgebied van de steenuil de met de geplande werkzaamheden waarschijnlijk verloren gaat. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling die leidt tot een vergunningsplicht. Voor de werkzaamheden is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. Milieueffecten Uitgegaan kan worden dat de genoemde werkwijze in de quick scan natuur en de het onderzoek aanwezigheid steenuil wordt gevolgd.

Zo kunnen de negatieve gevolgen van het project minimaal blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.4

Verkeer

4.4.1

Huidige situatie Onderhavig besluitgebied betreft een grasland aan de noordwestzijde van de kern Beerzerveld. In de huidige situatie is er geen sprake van een verkeersaantrekkende werking. De realisatie van de beoogde woningen zal zorgen voor een toename in de verkeersaantrekkende werking van het besluitgebied.

4.4.2

Effecten ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 34 woningen. Dit zal zorgen voor een toename van het planverkeer. Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Aan de hand van CROW (versie 381) is de verkeersgeneratie bepaald. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) 4

SAB (2025). Onderzoek aanwezigheid steenuil. Projectnummer: 230302.02, 19 mei 2025.

16

die gedurende een dag naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De verkeersgeneratie voor woningen wordt bepaald per woning per etmaal. De onderstaande tabel geeft het (gemiddeld) aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (10) Koop, huis, tussen/hoek of huur, huis, vrije sector (14) Koop, huis twee-onder-een-kap (6) Koop, huis, vrijstaand (4) Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 10 x sociale huur (5,6) 14 x koop, tussen/hoek (7,4) 6 x koop, twee-onder-een-kap (7,8) 4 x koop, vrijstaand (8,2)

Verkeersbewegingen 5,6 7,4 7,8 8,2

= 56 verkeersbewegingen = 103,6 verkeersbewegingen = 46,8 verkeersbewegingen = 32,8 verkeersbewegingen

Dit betreffen in totaal 240 verkeersbewegingen per etmaal. Hieruit volgt dat als gevolg van de ontwikkeling de verkeersaantrekkende werking toeneemt met circa 240 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het verkeer wordt ontsloten via de Van Alewijkstraat. Deze weg kent een verkeersintensiteit van 1.232 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Volgens de CROW richtlijnen conform ASVV2004 kan een erftoegangsweg met 30 km/uurzone tussen de 5.000 en de 6.000 verkeersbewegingen per etmaal opvangen. De verkeersgeneratie kan dus worden opgevangen op de bestaande infrastructuur. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.5

Geluid

4.5.1

Huidige situatie Het besluitgebied is gelegen aan de noordwestzijde van de kern Beerzerveld.

4.5.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van 34 woningen zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. De woningen worden ontsloten op de Van Alewijkstraat. Langs deze straat bevinden zich reeds bestaande woningen. Bij deze bestaande woningen zal de geluidsbelasting mogelijk toenemen door de realisatie van het project. Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Artikel 5.78af) is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 Lden de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van 17

de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). In de huidige situatie kent de Van Alewijkstraat 1.232 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbeweging neemt in de toekomstige situatie toe met 240 per etmaal, oftewel circa 20%. De verwachting is dat deze hindertoename niet merkbaar zal zijn voor het menselijke oor. Gezien voorgaande worden voor wat betreft geluid geen significant negatieve (milieu)effecten verwacht.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Artikel 2.2 t/m 2.7). Hierin staan de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)

Achtergrondconcentratie (2022) 12,2 µg/m3 15,9 µg/m3 8,4 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (bron: Atlas Leefomgeving).

4.6.2

Effecten ontwikkeling Voorliggend project voorziet in de realisatie van 34 woningen. Gezien de omvang is het project ruimschoots als ‘niet in betekenende mate’ NIBM aan te merken conform artikel 5.54 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, zoals ook weergegeven in navolgende uitsnede. Van projecten die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig project onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat er geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.

18

Berekening NIBM-tool, op basis van 240 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).

Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen ruim onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het project kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

4.7

Water

4.7.1

Huidige situatie In de huidige situatie is het besluitgebied volledig onverhard. Daardoor zal de hoeveelheid verhard oppervlak sterk veranderen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Dit zal direct effect hebben op de waterhuishouding binnen en rond het besluitgebied.

4.7.2

Effecten ontwikkeling Door de significante toename in verharding binnen het besluitgebied en de gedempte watergang kunnen negatieve milieueffecten ontstaan met betrekking tot de watercyclus en eventuele verhoogde risico’s van overstromingen. Om die redenen is een weging van het waterbelang uitgevoerd5. Daaruit blijkt dat de bergingsopgave binnen het besluitgebied 91 mm bedraagt. Dit is overeenkomstig met een bui van T = 100 + 10% klimaatverandering. Van de bergingsopgave dient 55 mm fysiek geborgen te worden in een systeem. De overige 36 mm dient geborgen te worden op maaiveld (openbaar

5 Gemeente Ommen (2024). Afweging waterbelangen Beerzerveld, Ommen. 29 april 2024.

19

terrein), maar mag geen schade en/of overlast veroorzaken aan gebouwen. Op de uit te geven kavels wordt een bergingsopgave verlangd van 10 mm. Binnen de grenzen van het besluitgebied wordt gestreefd om al het hemelwater oppervlakkig te laten afstromen richting de wadi en de verbrede retentievijver aan het zuiden van het plan. De totale berging van de wadi en verbreding van de retentievijver is berekend op de berging van 55 mm. De overige 36 mm zal op maaiveld (wegen/ trottoir/ parkeren en groen) worden geborgen. De maatregelen worden verder onderzocht en uitgevoerd in de vergunningsfase. In de regels van het omgevingsplan zal worden gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. Nadelige milieueffecten zijn derhalve uitgesloten.

4.8

Ontplofbare oorlogsresten

4.8.1

Huidige situatie Onderhavig besluitgebied betreft een onbebouwd grasland aan de noordwestzijde van de kern Beerzerveld waar nog niet eerder tot de diepte van oorlogsresten is gegraven. In de nabije omgeving zijn reeds meerdere munitieruimingen geweest. Daarnaast is geconstateerd dat het besluitgebied in een gebied ligt waar luchtaanvallen hebben plaatsgevonden.

4.8.2

Effecten ontwikkeling Gelet op de ter plaatse geldende verwachtingswaarde wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling voorzien in een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd wanneer de omgevingsvergunning voor de bouw wordt aangevraagd, waarin bepaald wordt waar en in welke mate oorlogsresten verwacht kunnen worden in het besluitgebied. Een van de uitkomsten van dit onderzoek zal een kaart zijn waar de ontwikkellocatie in deelgebieden met verschillende verwachtingswaarden is ingedeeld. Voor deze deelgebieden wordt aangegeven of een verdachte laag aanwezig is en op hoeveel meter diepte, of dat er geen verwachtingswaarde voor explosieven bestaat. Indien er wordt geconstateerd dat er verdachte gebieden bestaan binnen het besluitgebied dienen binnen deze gebieden passende beheersmaatregelen getroffen te worden, eventueel met betrekking van de plaatselijke politie en EOD. In de onverdachte gebieden kunnen de werkzaamheden op reguliere wijze worden uitgevoerd, waarbij in het onderzoek ontplofbare oorlogsresten een processchema wordt gegeven voor onverwachts aangetroffen oorlogsresten. Deze maatregelen kunnen voorkomen dat er een risico voor omwonenden ontstaat. Ten hoogste zullen zij tijdelijk het gebied moeten verlaten als oorlogsresten gecontroleerd tot ontploffing worden gebracht.

Er is daarnaast reeds in 2004 een onderzoek naar archeologische resten uitgevoerd, waarbij tijdens de boringen geen oorlogsresten zijn waargenomen. Er is dus in ieder geval geen grote hoeveelheid oorlogsresten aanwezig. In dit onderzoek is ook vermeld dat de bodem tot 70 cm diepte is verstoord, waardoor in deze bovenste laag de aanwezigheid van explosieve oorlogsresten uitgesloten kan worden.

20

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect wanneer de juiste maatregelen worden toegepast. Deze maatregelen worden door een onderzoeksbureau met relevante expertise voorgeschreven voordat de bouw start. In ieder geval wordt uitgesloten dat er sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

21

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van 34 woningen aanzienlijk milieueffecten zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Archeologie

Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Luchtkwaliteit

Beoordeling milieueffecten Op grond van het archeologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat er een zeer kleine kans is dat archeogische waarden aanwezig zijn. Er kan daarom worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een significant nadelig milieueffect. Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten. Uit verricht natuuronderzoek volgt dat mogelijk Rode lijstsoorten, soorten uit bijlage IX van het Bal aanwezig zijn, dat er vogels in het besluitgebied kunnen broeden en dat er waarschijnlijk leefgebied van de steenuil verloren gaat. Om rekening te houden met de specifieke zorgplicht en overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten en voor de steenuil een projectplan op te stellen en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Met inachtneming hiervan zal hoogstens een beperkt effect optreden, maar zeker geen significant nadelig effect. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Gezien voorgaande worden wat betreft verkeer geen negatieve milieueffecten verwacht.

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. De verwachting is dat deze hindertoename niet merkbaar zal zijn voor het menselijke oor. Gezien voorgaande worden voor wat betreft geluid geen significant negatieve (milieu)effecten verwacht. Er zijn geen aanzienlijk effecten te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en

22

Water

Ontplofbare oorlogsresten

de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Door de significante toename in verharding binnen het besluitgebied en de gedempte watergang kunnen negatieve milieueffecten ontstaan met betrekking tot de watercyclus en eventuele verhoogde risico’s van overstromingen. In de regels van het omgevingsplan zal worden gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterberging. Nadelige milieueffecten zijn derhalve uitgesloten. Er bestaat een verdenking van de aanwezigheid van munitie binnen het projectgebied. Indien onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten wordt uitgevoerd en de daarin aangeraden maatregelen worden gevolgd bestaat er geen risico op het ontploffen van oorlogsresten. Hiermee kunnen significant negatieve milieueffecten worden uitgesloten.

De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Enkel voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten. Er kan echter worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een aanzienlijk nadelig milieueffect. De conclusie is dan ook dat aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten. Het volgen van een mer-procedure is daarom niet nodig.

23

Bijlage 4

59/452

Bodemonderzoek

VERKENNEND BODEMONDERZOEK volgens NEN 5740 van Alewijkstraat Beerzerveld

Datum:

27 november 2023

Adviesbureau:

De Klinker B.V. Holtmede 1 7207 BX Zutphen 0575-517298

Rapportnummer:

K2320204

Opdrachtgever:

SAB

Auteur: W. Wilbrink A.Waanders

Paraaf

Rapportnummer: K2320204

Gecontroleerd door N. Looman

Paraaf

1

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................3 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................4 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie...................................................................................4 2.2 Locatie-inspectie........................................................................................................................4 2.3 Historische kaarten....................................................................................................................5 2.4 Informatie Omgevingsrapportage .............................................................................................5 2.5 Informatie Omgevingsdienst .....................................................................................................5 2.6 Gemeente ..................................................................................................................................5 2.7 Bodemkwaliteitskaart ...............................................................................................................6 2.8 Asbestdakenkaart

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15660145/1