3. Toelichting Buitengebied, herziening Witharenweg 4
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied, herziening Witharenweg 4
Mei 2021
Vastgesteld
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Witharenweg 4
Plannaam: IMRO-nummer: Plantype: Status: Datum:
Buitengebied, herziening Witharenweg 4 NL.IMRO.0175.buiten2012bp0063-vg01 Bestemmingsplan Vastgesteld Mei 2021
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 4 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 5 HUIDIG PLANOLOGISCHE REGIME .................................................................................................................... 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE ....................................................... 7 2.1 2.2 2.3
HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................................ 7 GEWENSTE SITUATIE ..................................................................................................................................... 8 VERKEER EN PARKEREN ................................................................................................................................. 8
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ............................................................................. 9 3.1 3.2 3.3
RIJKSBELEID ................................................................................................................................................ 9 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 11 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 15
HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 19 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
GELUID .................................................................................................................................................... 19 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 19 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 20 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 21 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 23 GEUR ...................................................................................................................................................... 24 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 25 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 28 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 28
HOOFDSTUK 5 WATERASPECTEN........................................................................ 31 5.1 5.2 6.1 6.2 6.3
VIGEREND BELEID....................................................................................................................................... 31 WATERPARAGRAAF .................................................................................................................................... 32 INLEIDING................................................................................................................................................. 33 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 33 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 34
HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 36 HOOFDSTUK 8 VOOROVERLEG ........................................................................... 37 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
HET RIJK .................................................................................................................................................. 37 PROVINCIE OVERIJSSEL ............................................................................................................................... 37 WATERSCHAP VECHTSTROMEN .................................................................................................................... 37 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 37 ZIENSWIJZEN............................................................................................................................................. 37
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 38 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2
HISTORISCH VOORONDERZOEK BODEM ................................................................................................... 39 WATERTOETSRESULTAAT ................................................................................................................... 40
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Aan de Witharenweg 4, in het buurtschap Witharen, bevindt zich een bedrijfsperceel met daarop een bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing. De bedrijfsactiviteiten op deze locatie zijn inmiddels beëindigd. De huidige eigenaar heeft het perceel onder voorbehoud verkocht en de toekomstig eigenaar (vanaf nu: initiatiefnemer) heeft geen plannen om het perceel weer in gebruik te nemen ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Initiatiefnemer wil het perceel uitsluitend als woonperceel gebruiken. Reguliere bewoning op het erf is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Het is gewenst de planologische situatie in overeenstemming te brengen met het gewenste gebruik (wonen), hiertoe is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen heeft besloten in principe medewerking te verlenen aan het hiervoor beschreven voornemen. Voorliggend plan voorziet in de juridischplanologische vertaling van het voornemen. In het voorliggende bestemmingsplan wordt aangetoond dat de herziening van de bestemming in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’ en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is. 1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Witharenweg 4 te Witharen, in het buitengebied van Ommen. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Ommen, sectie A, nummers 3949 en 3950 (gedeeltelijk). In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van Witharen en Ommen en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Afbeelding 1.1
Ligging plangebied (bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan “Buitengebied, herziening Witharenweg 4” bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.0175.buiten2012bp0063-vg01) en een renvooi; regels.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 1.4
Huidig planologische regime
1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Ommen vastgesteld op 18 februari 2010. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weergegeven. Het rode kader geeft het plangebied weer.
Afbeelding 1.2.
1.4.2
Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: Gemeente Ommen)
Beschrijving bestemming
De gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Gronden met de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ zijn bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (zoals opgenomen in de bijlage van het bestemmingsplan “Buitengebied”) of bedrijven die daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen zijn, met bijbehorende voorzieningen als (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, tijdelijke waterberging en sierwater. Per bestemmingsvlak is daarnaast één bedrijfswoning toegestaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld Naast de perceelsgebonden bestemmingen kent het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ ook bestemmingen op gebiedsniveau. Op basis van de bijbehorende plankaart maakt het plangebied onderdeel uit van het gebiedsniveau ‘Agrarisch gebied met landschappelijke openheid’. Deze gronden zijn bestemd voor doeleinden en bouwmogelijkheden zoals deze in de bijbehorende tabel zijn opgenomen. 1.4.3
Strijdigheid
Het in gebruik nemen van het bedrijfsperceel met daarop een bedrijfswoning als een woonperceel is niet in overeenstemming met de gebruiksregels van de huidige bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. De bedrijfswoning mag namelijk uitsluitend bewoond worden door iemand die binding heeft met het bedrijf binnen de bedrijfsbestemming. Het regulier bewonen van de woning is niet toegestaan. Het geldende bestemmingsplan bevat geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid om het voornemen mogelijk te maken. Omdat de ontwikkelingen in beginsel niet passen binnen het geldende bestemmingsplan is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. 1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied en de gewenste situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Ommen beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de wateraspecten. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 8 in op het vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
HOOFDSTUK 2 2.1
HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE
Huidige situatie
Het plangebied bevindt zich aan de Witharenweg 4 te Witharen, in het buitengebied van de gemeente Ommen. Het plangebied ligt op een dekzandrug in een voormalig heidegebied. Dit gebied is in de 19e en 20e eeuw ontgonnen. Belangrijke ruimtelijke structuurdragers vormen de Witharenweg en de lineaire heideontginningsstructuren. Functioneel gezien betreft het een overwegend agrarisch landschap, waarin verspreid agrarische erven en woonpercelen liggen. Het plangebied wordt begrensd door de Witharenweg in het zuiden, door een maatschappelijke bestemming in het westen en agrarische cultuurgronden aan de overige zijden. Binnen het plangebied zijn een voormalige bedrijfswoning met bijbehorende bijgebouwen en een voormalige bedrijfshal aanwezig. De overige gronden zijn verhard of ingericht als tuin. Zoals passend in een heideontginningslandschap komen langs de randen van het erf singels voor. Het plangebied wordt met twee in- en uitritten ontsloten op de Witharenweg. In afbeelding 2.1 en 2.2 zijn respectievelijk een luchtfoto en een straatbeeld van de het plangebied opgenomen.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto huidige situatie (Bron: Provincie Overijssel)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
Afbeelding 2.2
2.2
Straatbeeld vanaf de Witharenweg (Bron: Google Streetview, 2010)
Gewenste situatie
Op basis van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” dient het perceel aan de Witharenweg 4 te worden gebruikt ten behoeve van bedrijfsactiviteiten, waarbij uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan. Zoals reeds verwoord in de aanleiding zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd en wil initiatiefnemer het perceel gebruiken voor woondoeleinden. De bestaande bedrijfshal wordt daarbij in gebruik genomen voor opslagdoeleinden, behorend bij het woonhuis. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste functieverandering. Het perceel is in de huidige situatie reeds landschappelijk ingepast middels perceelgrensbeplanting in de vorm van bomenrijen, wat passend is in het heideontginningslandschap. Nadere landschappelijke inpassing is in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet noodzakelijk. 2.3
Verkeer en parkeren
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Dit plan voorziet in het omzetten van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Aangezien het aantal woningen niet toeneemt (in de bestaande situatie één bedrijfswoning en in de gewenste situatie één reguliere woning), is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De voorgenomen ontwikkeling heeft juist een positieve invloed op de bestaande verkeersituatie, aangezien een bedrijfsperceel een hoger aantal verkeersbewegingen met zich mee brengt dan een woonperceel. Daarnaast is op het perceel voldoende parkeerruimte beschikbaar voor het parkeren ten behoeve van de woonfunctie. De ontsluiting op het erf wijzigt niet en blijft via de bestaande in- en uitritten op de Witharenweg plaatsvinden. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggend plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. 3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
3.1.1.1 Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. 3.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • • •
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn: •
•
• •
Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol; Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma’s zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw; Het tot stand brengen en beschermen van de NNN, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe); Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
3.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.2
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten van het rijksbeleid
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt het volgende opgemerkt: De Ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gevolgd wanneer planologisch nieuwe “stedelijke ontwikkelingen” mogelijk worden gemaakt. Nieuwe planologische bouwmogelijkheden van enige omvang kwalificeren als zodanig en zijn 'Ladderplichtig'. Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er in het geheel geen sprake is van toename van het ruimtebeslag (bijv. bij functiewijziging), dan is de Afdelingslijn dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat: a. b. c. d.
er geen sprake is van extra beslag op de ruimte; er geen sprake is van het (planologisch) toevoegen van een woning; er sprake is van een planologische wijziging die ten opzichte van de huidige toegestane functie geen extra milieueffecten op de omgeving met zich meebrengt; er sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling, die in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' aanvaardbaar is;
kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking achterwege kan blijven. Geconcludeerd wordt dat geen verdere toetsing plaats hoeft te vinden aan de “Ladder voor duurzame verstedelijking” en dat het initiatief voldoet aan het rijksbeleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 3.2
Provinciaal beleid
In deze paragraaf wordt het voor deze ontwikkeling relevante provinciale beleid behandeld. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei zijn de nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. In 2018 zijn de visie en verordening partieel herzien. 3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele centrale ambities van de provincie: • •
• •
3.2.2
goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit; veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen door te zorgen voor waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan. Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal: 1. 2. 3.
Of – generieke beleidskeuzes Waar – ontwikkelingsperspectieven Hoe – gebiedskenmerken
Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
3.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. 3.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 3.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.
Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet. 3.2.4
Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de generieke beleidskeuzes zoals opgenomen in de Omgevingverordening Overijssel. Er zijn in voorliggend geval geen aspecten van belang die een nadere onderbouwing behoeven. 3.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Het plangebied is met een rode stippellijn aangeduid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
Afbeelding 3.2
Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’ Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Initiatieven binnen het ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de landbouw, rekening houdend met specifieke omstandigheden en de grenzen aan de mogelijkheden van het waterbeheer (onder andere door de klimaatverandering). Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief' Het concrete voornemen voorziet in het wijzigen van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Een woonperceel is passend binnen het ontwikkelingsperspectief mits dit geen extra belemmeringen met zich mee brengt ten aanzien van de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven. Kortheidshalve wordt verwezen naar hoofdstuk 5 waar nader wordt ingegaan op diverse milieu- en omgevingsaspecten.
Hier wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een extra belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende (agrarische) bedrijven en dat hiermee het voornemen in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief. 3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een functiewijziging van een bedrijfsperceel naar een woonperceel. Er vinden ten gevolge van dit bestemmingsplan geen fysieke ingrepen plaats. Daarbij is het perceel reeds landschappelijk ingepast middels perceelgrensbeplanting in de vorm van bomenrijen, wat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld passend is in het heideontginningslandschap en zijn aanvullende landschapsmaatregelen niet noodzakelijk. Gelet op het vorenstaande wordt een nadere toetsing niet noodzakelijk geacht. 3.2.5
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie ‘Het Ommer Motief’
3.3.1.1 Algemeen Het Ommer Motief bevat de strategische koers van de gemeente Ommen tot en met 2020. Deze toekomstvisie is vastgesteld door de raad op 18 december 2008. Het Ommer Motief is samen met bewoners, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven opgesteld. Het doel van Het Ommer Motief is om een betekenisvol kader te bieden dat mede richting geeft aan de besluiten en het handelen van de gemeente, maar dat ook bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties prikkelt tot het (mede) ontwikkelen en uitvoeren van plannen. 3.3.1.2 Toekomstperspectief Ommen zet in op ontwikkeling op basis van haar sterke en kenmerkende kwaliteiten, het groene en gastvrije toeristische karakter. Een plek waar het aangenaam wonen en verblijven is. Deze kernkwaliteiten vormen het fundament voor nieuwe ontwikkelingen. Eén en ander is uitgewerkt in een aantal speerpunten, te weten: leven, wonen, werken en landschap. Met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan zijn de thema’s ‘wonen’ en ‘landschap’ van belang. Wonen In 2020 biedt Ommen volop ruimte om te wonen. Ruimtelijk zet Ommen in op campusachtige ontwikkelingen met nieuwe woningen in een groene setting. Streefbeeld is een zo evenwichtig mogelijke bevolkingsopbouw, zonder dat de gemeente de kop in het zand steekt voor de gevolgen van ontgroening en vergrijzing.
Het ingezette woningbouwbeleid voor starters en senioren wordt voortgezet. Dat betekent doelgroepneutrale en levensloopbestendige woningen nabij voorzieningen, zowel in het bereikbare als het luxe segment. Ook wordt door het aanbieden van woningen in een aantrekkelijke omgeving geïnvesteerd in het behouden en aantrekken van jonge gezinnen. Voorzieningen als sport, kinderopvang en onderwijs ondersteunen het woningbouwbeleid. Landschap Het Ommer landschap vormt een kwalitatief toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat om een goede balans tussen ruimte voor landbouw, toerisme & recreatie, water en natuur. Door een slimme wisselwerking tussen deze functies ontstaat letterlijk ruimte voor nieuwe ontwikkeling en kwaliteitsversterking. 3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Toekomstvisie “Het Ommer Motief” Wanneer de gewenste ontwikkeling wordt getoetst aan bovenstaand beleid, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit bij de gemeentelijke beleidsambities op het gebied van wonen en landschap. Het initiatief voorziet in het omzetten van een bedrijfsperceel met bedrijfswoning naar een woonperceel met een reguliere woning. Er worden geen bedrijfsactiviteiten meer geëxploiteerd op het perceel en er bestaan ook geen plannen om het perceel weer als dusdanig in gebruik te nemen. Het verwijderen van de bedrijfsbestemming is dan ook wenselijk.
Het perceel is in de huidige situatie reeds landschappelijk ingepast middels perceelgrensbeplanting in de vorm van bomenrijen, wat passend is in het heideontginningslandschap. Hiermee is sprake van een woonperceel in een groene setting. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
3.3.2
Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP)
3.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad van Ommen heeft op 7 februari 2013 het Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP) vastgesteld. Het GOP is tevens een structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het GOP wordt de missie uit het Ommer Motief (zie subparagraaf 3.3.1) concreet uitgewerkt. Het plan bundelt de ambities op alle voor het omgevingsbeleid relevante beleidsterreinen: sociaal, economisch en fysiek. 3.3.2.2 Ambities GOP In het GOP gaat men uit van de kernambitie uit het Ommer Motief. De kernambitie luidt: “Ommen ontwikkelt zich op duurzame wijze en uitgaande van haar kernkwaliteiten, tot een groene, gastvrije en geïnspireerde verblijfsgemeente. Een leefbare gemeente voor iedereen die er woont, werkt of recreëert.” In het omgevingsplan worden om dit te bereiken bewuste keuzes gemaakt op sociaal-maatschappelijk, economisch en fysiek ruimtelijk gebied. Keuzes die er op zijn gericht de ambities en het streefbeeld uit het Ommer Motief te realiseren. De kernambitie uit het Ommer Motief wil Ommen realiseren door op duurzame wijze in te zetten op het behouden en versterken van haar ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid. Rekening houdende met en anticiperende op lokale, landelijk en internationale trends en ontwikkelingen, brengt dit een groot aantal opgaven met zich mee. De kernambitie van Ommen is vertaald in meerdere thematische beleidsambities.
Per invalshoek zijn de beleidsambities zoveel mogelijk geïntegreerd en gebundeld in de volgende drie centrale thema’s (3-P’s): • • •
Welzijn en leefbaarheid (People) Thema’s: Wonen / Onderwijs / Veiligheid, gezondheid, zorg, sport en cultuur Welvaart en economie (Prosperity) Thema’s: Bedrijvigheid en voorzieningen / Landbouw / Recreatie en toerisme Omgevingskwaliteit (Planet) Thema’s: Milieu, klimaat en duurzaamheid en openbare ruimte / Natuur, landschap, water en erfgoed/ Infrastructuur, verkeer en vervoer en bereikbaarheid
In het voorliggende geval zijn name de thema’s “Wonen” en “Natuur en Landschap” van belang. Daarnaast zijn de gebiedsgerichte beleidsambities en de spelregels van bepaling. Op deze aspecten wordt hierna ingegaan. 3.3.2.3 Wonen De ambities voor het gemeentelijk woonbeleid zijn: •
•
•
Vraag gestuurd huisvesten: het aanbod aan woningen is niet langer het uitgangspunt, maar de vraag van de (toekomstige) bewoners, die gemiddeld steeds ouder worden. Mensen moeten zichzelf verantwoordelijk voelen voor hun eigen woon- en leefsituatie en de gemeente wil dat faciliteren; Evenwichtige leeftijdsopbouw: voorkomen moet worden dat Ommen op enig moment nog vrijwel uitsluitend bestaat uit ouderen. Dit is niet goed voor de leefbaarheid en voor het draagvlak van voorzieningen. Daarnaast zijn er jongeren nodig om de ouderen een goed woongenot te bieden (door bijvoorbeeld in winkels te werken en zorg aan huis te bieden). Daarom streeft de gemeente naar een evenwichtige leeftijdsopbouw; Streven naar een duurzame gemeente en samenleving: het gemeentebestuur heeft grote aandacht voor duurzaamheid (duurzame woningen qua materiaalgebruik, CO2-uitstoot en energiehuishouding) en wil stimuleren dat ouderen zo lang mogelijk in hun eigen, vertrouwde woning kunnen blijven wonen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 3.3.2.6 Spelregels GOP In het GOP heeft de gemeente een aantal spelregels opgenomen voor ontwikkelingen waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Deze luiden als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
U dient belanghebbenden tijdig te informeren over uw initiatief (beoogde ruimtelijke ontwikkeling). U hebt een inspanningsverplichting om draagvlak te verkrijgen voor uw initiatief bij belanghebbenden. Uw initiatief dient op aantoonbare duurzame wijze gerealiseerd te worden. Uw initiatief dient bij te dragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit. Uw initiatief dient bij te dragen aan de leefbaarheid van wijk of buurt (Noaberschap). Wanneer er sprake is van negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid dient u deze effecten adequaat te compenseren.
De uitwerking van deze spelregels wordt vastgelegd in een overeenkomst of op onderdelen in de bestemmingsregels. Aangegeven dient te worden (per voorwaarde) op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de gestelde spelregels. 3.3.2.7 Toetsing van het initiatief aan het “Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen” Algemeen Als gevolg van voorliggende ontwikkeling wordt een bedrijfsperceel omgezet tot woonperceel. Hiermee wordt automatisch ook een bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. Daarmee is geen sprake van het toevoegen van een nieuwe woning aan de woningvoorraad. Er is daarnaast sprake van een concrete koper van het perceel, waardoor invulling wordt gegeven aan het vraag-gestuurd huisvesten. De toekomstige kopers van de woning betreffen daarnaast relatief jonge mensen, waarmee wordt bijgedragen aan het voorkomen dat Ommen op enig moment nog vrijwel uitsluitend bestaat uit ouderen. Dit draagt tevens bij aan de leefbaarheid van de kleine kern Witharen en het draagvlak voor voorzieningen ter plaatse. Spelregels GOP Hierna wordt puntsgewijs aan de spelregels van het GOP getoetst: Ad 1: direct omwonenden zijn vroegtijdig geïnformeerd over het plan. Ad 2: initiatiefnemer is in gesprek gegaan met omwonenden. De naaste omwonenden zijn op de hoogte. De reactie van omwonenden op de plannen was onverdeeld positief.
Ad 3: binnen het plan is voldoende aandacht voor het aspect duurzaamheid. Ad 4: Het omzetten van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming komt ten gunste van het woonklimaat ter plaatse, aangezien het niet meer mogelijk is om een bedrijf met een milieubelastende werking voor de omgeving te exploiteren. Ad 5: De toekomstige kopers van de woning betreffen daarnaast relatief jonge mensen, waarmee wordt bijgedragen aan het voorkomen dat Ommen op enig moment nog vrijwel uitsluitend bestaat uit ouderen. Dit draagt tevens bij aan de leefbaarheid van de kleine kern Witharen en het draagvlak voor voorzieningen ter plaatse. Ad 6: uit deze toelichting blijkt dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op de omgevingskwaliteit, leefbaarheid of duurzaamheid. 3.3.3
Landschapsontwikkelingsplan Ommen
3.3.3.1 Algemeen Het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente Ommen stamt uit 2011. De doelstelling van het LOP is om aan te geven hoe het landschap kan worden ontwikkeld, gebruikmakend van kwaliteiten en potenties. In het LOP wordt informatie gegeven omtrent het landschapsbeeld en cultuurhistorie van het landschap. Daarnaast worden kansen benoemd voor ontwikkeling van het landschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld In het Inspiratieboek behorend bij het LOP wordt aangegeven hoe de kenmerken behouden en versterkt kunnen worden door inpassing van bebouwing. Het doel is het inspireren van iedereen die bezig is met ruimtelijke plannen in het buitengebied van Ommen. Het inspiratieboek biedt ideeën ter verbetering van de kwaliteit van het buitengebied en vormt een kader waaraan de gemeente erfinrichtingsplannen toetst. Het plangebied ligt op basis van het LOP in het jonge ontginningslandschap. In afbeelding 3.3 is dit weergegeven.
Afbeelding 3.3
Uitsnede verbeelding LOP (Bron: Gemeente Ommen)
Kenmerkende karakteristieken van dit landschap betreffen een open landschap met beplanting voornamelijk langs wegen en op erven. Het verkavelingspatroon is rationeel en de kavels zijn rechthoeking. Langs de wegen bevindt zich verspreide bebouwing. Voor dit landschapstype zijn in het LOP de volgende kansen aangewezen: • • • • • • • •
Schaalvergroting landbouw; Behoud openheid door versterkte positie van de landbouw; Verkoop streekeigen producten; Wandelen over boerenlandpaden; Grote landbouwgebieden als “rustgebied” voor fauna (weinig menselijke verstoring) Behoud en herstel cultuurhistorische elementen en gebouwen: Natuurlijke inrichting watergangen; Versterken ontginning structuur (wegen) door aanplant bomen.
3.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het LOP Ommen Voorliggend plan heeft betrekking op de omzetting van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. De omzetting van de huidige bestemming naar een woonbestemming heeft geen invloed op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Het bestaande erf zal geen verandering ondervinden ten gevolge van de bestemmingswijziging. Overigens wordt opgemerkt dat het erf in de huidige situatie reeds adequaat landschappelijk ingepast is en dat in het kader van voorliggend bestemmingsplan aanvullende landschapsmaatregelen niet noodzakelijk zijn. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit mer. 4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 4.1.2
Situatie plangebied
In het voorliggende geval is er geen sprake van de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. De functie van de bestaande bedrijfswoning, namelijk ‘wonen’, wijzigt niet. Daarnaast is in artikel 76 van de Wgh bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de voorkeurswaarden. Hieronder valt ook het in gebruik nemen van een voormalige bedrijfswoning als reguliere woning. Rail-, wegverkeers- en industrielawaai, in het kader van de Wet geluidhinder, kunnen buiten beschouwing worden gelaten. 4.1.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor het plan. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. In voorliggend geval heeft Kruse Milieu BV een vooronderzoek conform norm NEN 5725 uitgevoerd voor het plangebied. Het vooronderzoek dient om inzicht te krijgen in hoeverre verontreinigingen kunnen zijn ontstaan door huidige en/of voormalige (bedrijfs)activiteiten of dat er sprake is van een (historische) verontreiniging. Het doel van het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek. Hieronder wordt de conclusie van dit onderzoek beknopt weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 1. 4.2.2
Situatie plangebied
Uit de historische topografische kaarten blijkt dat van 1900 tot 1950 het besluitvormingsgebied in gebruik als landbouwgrond. Vanaf 1965 is er op de locatie een boerderij met bijgebouwen (varkensstal en hooischuur) zichtbaar, in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) staat weergegeven dat deze gebouwd zijn in BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 1951. In de jaren ’70 is de varkensstal uitgebreid. Vanaf 1981 tot 1983 is de varkensstal in gebruik als timmerwerkplaats/opslag. Vanaf 1983 tot 1992 is het gebouw in gebruik als opslag voor ledikanten (productie elders). In 1995 is deze opnieuw uitgebreid tot een meubelzaak. In 2013 is er een appartement in de meubelzaak gerealiseerd. Circa 5 jaar geleden zijn de bedrijfsactiviteiten gestopt. Bij de gemeente Ommen is van de locatie een milieudossier (d.d. 25-11-1996) bekend. Uit dit milieudossier kan worden afgeleid dat er op de locatie een meubeldetailhandel aanwezig is. Op de onderzoekslocatie hebben zich geen calamiteiten voorgedaan. Er is geen informatie waaruit blijkt dat de bodem mogelijk verontreinigd is. Het besluitvormingsgebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Vanuit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. De bodem wordt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven middels een blauwe cirkel.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart (Bron:Risicokaart.nl)
Het plangebied ligt nabij drie gasleidingen van de Gasunie Transport Services B.V. (rode stippellijnen). Deze bevinden zich op een afstand van 365 tot 380 meter buiten de begrenzing van het plangebied. De maatgevende gasleiding (A-514) met een diameter van 1220 mm en een maximale werkdruk van 66 bar bevindt zich op ongeveer 365 meter van het plangebied. Bij een dergelijke gasleiding ligt de 100% letaliteitsgrens op 210 meter en de 1% letaliteitsgrens op 540 meter. Het projectgebied valt daarmee binnen de 1% letaliteitsgrens. De 1% letaliteitsgrens is de uiterste grens waarbinnen beïnvloeding van het groepsrisico mogelijk is. Dit kan door een toename van bebouwing inclusief bewoning, maar ook door bijvoorbeeld een wijziging van een bestaande bestemming in een nieuwe waardoor meer bemensing mogelijk is. Binnen de 100% letaliteitsgrens is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bewoning binnen deze afstand sterk bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. Hoewel het plangebied binnen het groepsrisico-aandachtsgebied valt, is een nadere verantwoording niet noodzakelijk. De ontwikkeling leidt namelijk niet tot een fysieke toename van het aantal woningen en daarmee ook niet tot een toename van het aantal mensen ter plaatse. Er is dan ook geen sprake van een toename van het groepsrisico in de gewenste situatie.
Uit de inventarisatie blijkt verder dat het plangebied: • • •
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid. 4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies.
Om deze reden wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
“Buitengebied, herziening Witharenweg 4” Vastgesteld 5.3 6
1.000 m 1.500 m
4.5.3
Situatie plangebied
700 m 1.000 m