3. Toelichting (1)
Tekst van het document
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour 18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
26
waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico’s vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico’s van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.10.2 Inrichtingen In de omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor de verwerking en/of opslag van gevaarlijke stoffen voor. 4.10.3 Transportroutes gevaarlijke stoffen Formeel ligt het voorgenomen plan binnen 200 meter van een in de nabijheid gelegen transportroute voor gevaarlijke stoffen. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BTEV) is om die reden noodzakelijk. Op basis van het huidige Basisnet1 ligt de ontwikkeling aan de Varsenerstraat 2 – 6 te Ommen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg N34 wegvlak O95 - N34: N48 (Ommen) afrit N347 (Ommen).
Hierdoor zal formeel voor de ontwikkeling, het groepsrisico in kaart moeten worden gebracht en advies bij de Veiligheidsregio moeten worden opgevraagd. Door reconstructiewerkzaamheden in het kader van het centrumplan Ommen is deze route niet meer als zodanig bruikbaar. Zowel aan de west- als aan de oostzijde is de route niet toegankelijk voor doorgaand vrachtverkeer. Verkeersborden regelen de toegang voor het vrachtverkeer in het centrum uitsluitend voor de bevoorrading van winkels. In de Regeling Basisnet zijn per abuis zowel de nieuwe basisnetroute ten noorden van Ommen als de oude basisnetroute door centrum van Ommen in de ministeriële regeling opgenomen. Dit is bij het ministerie bekend en zal met de eerst volgende wijziging van de Regeling Basisnet worden aangepast. De Omgevingsdienst IJsselland heeft het bovenstaande opgenomen in een advies ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Het advies van de Omgevingsdienst is als bijlage 4 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
27
4.10.4 Buisleidingen In de omgeving van het plangebied komen geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen voor. 4.10.5 Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.11 Besluit Milieu-effectrapportage 4.11.1 Beoordelingskader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in: 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde wordt overschreden. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) ook als de drempelwaarde niet wordt overschreden, maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu.
Gevolg van dat laatste is dat in een bestemmingsplan voor een activiteit die voorkomt in onderdeel D, maar waarbij de omvang onder de drempelwaarde ligt, gemotiveerd moet worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten en daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r. beoordeling dient dan voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure plaats te vinden. 4.11.2 Verantwoording vormvrije m.e.r.-beoordeling Het mogelijk maken van een woning binnen de bestemming ‘Horeca’ is geen activiteit welke opgenomen is in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Of de activiteit wel onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject) valt is volgens de Raad van State (201601015/1/R10) afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als locatie, de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. De concrete omstandigheden in dit geval betreft het gedeeltelijk slopen van een gebouw dat in gebruik is en zal zijn ten behoeve van detailhandel en wonen. Het plangebied ligt dan ook reeds in stedelijk gebied.
Wegens een beperkte toename van de verkeersbewegingen leiden de voorgenomen ontwikkelingen niet tot een verslechtering van de situatie ten opzichte van de omliggende functies. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de locatie die niet in of bij beschermde natuurgebieden ligt en het juist gunstige effect op de leefomgeving, maakt dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Zodoende is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
28
4.11.3 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-((vormvrije)beoordeling)plichtig.
4.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten De relevante milieu- en omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
29
5. Toelichting op de regels 5.1 Inleiding 5.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •
artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Op de verbeelding zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). 5.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Gebruiksregels: specifieke regels ten aanzien van het toegestane of niet toegestane gebruik van gronden en gebouwen in de bestemming; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.
In paragraaf 5.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
30
5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• •
•
•
•
•
artikel 5 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 6 Algemene bouwregels: in de algemene bouwregels zijn bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakken en bouwregels beschreven die met een omgevingsvergunning toegestaan zijn; artikel 7 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Tevens zijn in dit artikel regels opgenomen ten aanzien van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden; artikel 8 Algemene aanduidingsregels: over het gehele plangebied bevinden zich meerdere molenbiotopen. In dit artikel worden bouwregels gegeven over hoe hoog maximaal de bebouwing gebouwd mag worden binnen deze biotoop. Binnen een afstand van 100 meter mag de bebouwing in bestemmingsplan 'Centrum Ommen' principe niet meer bedragen dan het onderste punt van de verticaal staande molenwiek. Het plangebied bevindt zich op een ruimere afstand.
Tussen de 100 en 300 meter is een berekeningsformule opgenomen waarin wordt geregeld wat de maximale bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken bedraagt. In dit artikel is een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van deze bouwregel, zolang de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad. Vooraf dient advies te worden ingewonnen bij de Stichting Ommer Molens. artikel 9 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen; artikel 10 Algemene wijzigingsregels: op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders de bouwhoogte van antennemasten wijzigen, nutsvoorzieningen gelijk kunnen stellen met een bouwwerk van openbaar nut tot een maximum inhoud van 400 m³ en een maximum bouwhoogte van 4 m en geringe wijzigingen aan de bestemmingsgrenzen door kunnen voeren; artikel 11 Overige regels: Dit artikel bevat afstemmingsregelingen ten aanzien van de in de Algemeen Plaatselijke Verordening opgenomen regels over evenementen en ten aanzien van de welstandstoets.
5.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 12 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 13 Slotregel wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.
5.3 Nadere toelichting op de bestemmingsregels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
31
Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Het centrumgebied van Ommen omvat de functies wonen, detailhandel, bedrijvigheid, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, kantoren en horeca, deze functies zijn in het plangebied als 'Centrum - 1' bestemd. Omdat wonen in het geldende bestemmingsplan niet bij recht is toegestaan op de begane grond is door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van centrum wonen' het wonen op de begane grond aangeduid. Deze woningen worden buiten het kernwinkelcentrum van het centrum van Ommen gerealiseerd. Daarnaast zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Binnen de bestemming centrum is tevens horeca in de categorie 1 en 2 toegestaan. Volumineuze detailhandel en detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen zijn niet toegestaan. Volumineuze detailhandel is niet toegestaan. De bestemming bevat een afwijkingsbevoegdheid om bedrijven in een hogere categorie toe te staan indien deze naar aard en effecten op het woonklimaat kunnen worden gelijkgesteld met bedrijven uit categorie 1 en 2.
Ook is afwijking mogelijk ten behoeve van groepswoningen. Verder is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' van toepassing. Eventueel aanwezige archeologische verwachtingswaarden worden door deze bestemming beschermd. Binnen de bestemming is bepaald wanneer bij bodemingrepen een archeologische onderzoek noodzakelijk is: bij bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 cm is archeologisch onderzoek vereist.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
32
6. Financiële uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.
6.2 Exploitatie De Grondexploitatiewet (afdeling 6.4 Wet ruimtelijke ordening) gaat ervan uit dat bij het bestemmingsplan een exploitatieplan wordt vastgesteld tenzij het kostenverhaal anders verzekerd is. De voor dit bouwplan en bestemmingsplan te maken kosten, waaronder eventuele tegemoetkoming in schade, zijn voor rekening van de betrokken initiatiefnemer. Met hem zijn hierover bindende afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Om die reden maakt een exploitatieplan geen deel uit van dit bestemmingsplan.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
33
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
7.2 Overleg belanghebbenden In de voorbereiding van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met omwonenden. De volgende gesprekken zijn gevoerd of worden nog gevoerd: •
• • •
VVE 'appartementen' Varsenerplein boven EP (boven Gasthuisstraat 52): er is een gesprek geweest met de voorzitter en penningmeester op dinsdag 24 november 2020 en donderdag 3 december 2020. Afgesproken is om op 15 december 2020 een proefopstelling te maken in verband met de hoogte rondom de loggia van dit appartementengebouw; VVE '11 aprilplein' (bakker, slager, groenteboer, kledingzaak & bovenliggende appartementen): in het gesprek is aangegeven dat zij geen geen bezwaar hebben met de voorgenomen ontwikkelingen; Met eigenaar van Gasthuisstraat 58, 60 & 60a: in het gesprek is aangegeven dat zij geen geen bezwaar hebben met de voorgenomen ontwikkelingen; Het gesprek met de Hema heeft nog niet plaatsgevonden, maar is wel gepland.
7.3 Overleg Conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is dit bestemmingsplan toegestuurd aan bevoegde instanties. Van deze instanties zijn geen reacties ontvangen, het bestemmingsplan is niet aangepast.
7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 - 6' heeft vanaf donderdag 1 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Het plan lag in analoge vorm ter inzage bij de afdeling Publieksdienst in het gemeentehuis te Ommen. Het plan was in digitale vorm te raadplegen op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens de inzage termijn kon een ieder schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen naar voren brengen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht.
18 augustus 2021 | Bestemmingsplan ‘Centrum Ommen, Varsenerstraat 2 – 6’ | Buro Stedenbouw
34