CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Regels en artikelsgewijze toelichting

Gemeenteraad 25 september 2025, gemeente OmmenBij agendapunt: Wijzigingsbesluit omgevingsplan Ommen, omzetten verordeningsregels (959277)49.900 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

houtopstanden met een stamomtrek van maximaal 95 cm (gemeten op 1,30 m hoogte van het maaiveld) voor zover deze houtopstand niet valt onder de onderdelen a tot en met i van dit artikel en voor zover deze houtopstanden niet vallen onder de lijst van beschermwaardige bomen op grond van het vastgestelde ‘Bomenbeleidsplan Ommen’ of eventuele rechtsopvolgers; k. houtopstanden, voor zover deze niet vallen onder de onderdelen a tot en met j van dit artikel, die dood zijn.

SubParagraaf 9.3.1.2 Het vellen van houtopstanden - vergunningplicht Artikel 9.18 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het vellen of doen vellen van houtopstanden in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.3.1.1.

Artikel 9.19 Het vellen van houtopstanden - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning houtopstanden te vellen of te doen vellen.

23

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Concept

Artikel 9.20 Het vellen van houtopstanden - beoordelingsregels

24

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.19 wordt slechts verleend als: a. de aanvrager gerechtigd is over de houtopstand te beschikken of toestemming heeft van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken; en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de natuurwaarde, landschappelijke waarde, cultuurhistorische waarde, beeldbepalende waarde of waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand, welke worden beoordeeld overeenkomstig het vastgestelde ‘Bomenbeleidsplan Ommen’ of eventuele rechtsopvolgers.

Artikel 9.21 Het vellen van houtopstanden - vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.19 kan als vergunningvoorschrift een herplantingsplicht worden opgelegd, waarbij is bepaald binnen welke termijn en onder welke voorwaarden dient te worden herplant.

Artikel 9.22 Herplant-/instandhoudingsplicht 1.

Als een houtopstand zonder daartoe benodigde omgevingsvergunning is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop de houtopstand zich bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.

2.

Wanneer een verplichting als bedoeld in artikel 9.40, eerste lid wordt opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Als een houtopstand waarop een vergunningplicht tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de betrokken grond, of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.

4.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Afdeling 9.4 Kabels en leidingen Paragraaf 9.4.1 Aanleggen van kabels en leidingen SubParagraaf 9.4.1.1 Algemene regels aanleggen van kabels en leidingen Artikel 9.23 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

3.

Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.

4.

Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Artikel 9.24 Aanleggen van kabels en leidingen - gebod Het aanleggen van kabels en leidingen moet plaatsvinden op de wijze zoals is beschreven in het protocol welke is opgenomen in bijlage III.

Concept

SubParagraaf 9.4.1.2 Aanleggen van kabels en leidingen - specifieke zorgplicht Artikel 9.25 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

3.

Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.

4.

Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.

Artikel 9.26 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu.

Artikel 9.27 Aanleggen van kabels en leidingen - specifieke zorgplicht 1.

De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen.

2.

De netbeheerder is verplicht bij verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen.

SubParagraaf 9.4.1.3 Aanleggen van kabels en leidingen - toegestaan Artikel 9.28 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

3.

Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.

4.

Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.

Artikel 9.29 Aanleggen van kabels en leidingen - toegestaan Het is toegestaan kabels en leidingen aan te leggen als: a. het werkzaamheden betreffen die door of in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak; of

25

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

b.

sprake is van spoedeisende werkzaamheden als gevolg van een calamiteit die noodzakelijk zijn: 1. om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen; 2. als gevolg van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening.

SubParagraaf 9.4.1.4 Aanleggen van kabels en leidingen - informatieplicht

Concept

Artikel 9.30 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

Artikel 9.31 Aanleggen van kabels en leidingen - informatieplicht De netbeheerder die zijn fysieke werkzaamheden heeft afgerond doet hiervan binnen vijf werkdagen een gereedmelding bij het college.

SubParagraaf 9.4.1.5 Aanleggen van kabels en leidingen - meldingsplicht Artikel 9.32 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.4.1.3.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

3.

Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.

4.

Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.

5.

Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt verstaan: a. het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aanwezige voorzieningen, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; b. werkzaamheden aan kabels of leidingen over een lengte van minder dan 25 meter, gerekend met een maximale sleufbreedte van 0,60 meter; c. het maken van huisaansluitingen, waaronder tijdelijke aansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 meter.

6.

Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt niet verstaan: a. werkzaamheden die langer duren dan één dag; b. werkzaamheden waarbij (water)wegen worden gekruist; c. werkzaamheden waarbij sprake is van boringen of persingen.

Artikel 9.33 Aanleggen van kabels en leidingen - meldingsplicht 1.

Het is verboden zonder voorafgaande melding werkzaamheden van niet-ingrijpende aard uit te voeren.

2.

De voorgenomen werkzaamheden worden ten minste vijf werkdagen voor de start van de werkzaamheden schriftelijk gemeld bij het college.

Artikel 9.34 Aanleggen van kabels en leidingen - specifieke indieningsvereisten De melding als bedoeld in artikel 9.33 bevat in ieder geval: a. de naam, het adres, de contactgegeven en het factuuradres van de melder; b. wanneer de melder een aanbieder betreft: het ACM-registratienummer;

26

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

c. d. e. f.

Concept

g.

h. i.

j.

k.

het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het project; een omschrijving van de aard en omvang van het project; wanneer de melding door een gemachtigde wordt ingediend: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de melding wordt ingediend alsmede een afschrift van de machtiging; wanneer het project wordt uitgevoerd door een ander dan de melder: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; wanneer de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar al kabels en leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd: één of meer verslagen waaruit overeenstemming tussen de melder en de andere netbeheerder(s) blijkt over de voorgenomen werkzaamheden; een motivering, zo nodig aan de hand van een tekening, waaruit blijkt onder de welk van de categorieën werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.32, vijfde lid, zijn werkzaamheden vallen; voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op schaal, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is; voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: de tekeningen als bedoeld in artikel 9.34, onder i en de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied en maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding

van een oriëntatieverzoek of een graafmelding, welke niet ouder mag zijn dan twintig dagen gerekend vanaf de datum van ontvangst van de melding.

Artikel 9.35 Aanleggen van kabels en leidingen - eisen aan tekeningen De tekeningen als bedoeld in artikel 9.34 moeten in ieder geval voldoen aan de volgende eisen: a. de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; b. de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl; c. de matvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving; d. het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten en diameters van de leidingen.

SubParagraaf 9.4.1.6 Aanleggen van kabels en leidingen - vergunningplicht Artikel 9.36 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het aanleggen van kabels en leidingen, niet zijnde telecomkabels, in of op openbare gronden in de gemeente Ommen, tenzij toepassing kan worden gegeven aan subparagraaf 9.4.1.3 of aan subparagraaf 9.4.1.5.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Telecommunicatiewet.

3.

Onder het aanleggen van kabels en leidingen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het uitvoeren van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels en/of leidingen in of op openbare gronden.

4.

Onder openbare gronden als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken; en b. wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor eenieder toegankelijk zijn.

Artikel 9.37 Oogmerk De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; en b. het beschermen van het milieu.

Artikel 9.38 Aanleggen van kabels en leidingen - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen aan te leggen.

Artikel 9.39 Aanleggen van kabels en leidingen - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.38 wordt alleen verleend als: a. het veilige en doelmatige gebruik van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd;

27

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

b. c. d. e. f.

de bereikbaarheid van gronden of gebouwen niet onevenredig wordt belemmerd; het doelmatige beheer en onderhoud van de openbare ruimte niet onevenredig wordt gehinderd; de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte niet wordt belemmerd; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan eventuele archeologische vondsten, groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; en het uiterlijk aanzien van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.

Concept

Artikel 9.40 Aanleggen van kabels en leidingen - specifieke aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.38 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam, het adres, de contactgegeven en het factuuradres van de aanvrager; b. wanneer de aanvrager een aanbieder betreft: het ACM-registratienummer; c. het adres, de kadastrale aanduiding of de ligging van het project; d. een omschrijving van de aard en omvang van het project; e. wanneer de aanvraag door een gemachtigde wordt ingediend: de naam, het adres en de contactgegevens van degene namens wie de aanvraag wordt ingediend alsmede een afschrift van de machtiging; f. wanneer het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: de naam, het adres en de contactgegevens van de uitvoerder; g. wanneer de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar al kabels en leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd: één of meer verslagen waaruit overeenstemming tussen de melder en de andere netbeheerder(s) blijkt over de voorgenomen werkzaamheden; h. voor werkzaamheden in bestaand gebied: één of meer tekeningen van het gewenste tracé, ingetekend op schaal, waarop de positionering van het tracé ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is; i.

voor werkzaamheden in gebieden die in ontwikkeling zijn: de tekeningen als bedoeld in artikel 9.40, onder h en de begrenzing van het plangebied, inclusief indeling van het te ontwikkelen gebied en maatvoering ten opzichte van toekomstige vaste punten; j. de door de netbeheerder verkregen gebiedsinformatie naar aanleiding van een oriëntatieverzoek of een graafmelding, welke niet ouder mag zijn dan twintig dagen gerekend vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 9.41 Aanleggen van kabels en leidingen - eisen aan tekeningen De tekeningen als bedoeld in artikel 9.40 moeten in ieder geval voldoen aan de volgende eisen: a. de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie en voorzien van versiebeheer met datum; b. de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl; c. de matvoering van het geplande tracé is eenduidig en volledig aangegeven ten opzichte van vaste punten in de omgeving; d. het aantal kabels en leidingen is aangegeven inclusief materiaalsoorten en diameters van de leidingen.

Artikel 9.42 Aanleggen van kabels en leidingen - vergunningvoorschriften Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.38 kunnen vergunningvoorschriften over de volgende onderwerpen worden opgelegd: a. een termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten zijn voltooid; b. verhalen van herstraat- en degeneratiekosten; c. overleg en afstemming tussen betrokken partijen; d. werktijden waarbinnen werkzaamheden mogen worden uitgevoerd; e. situaties waarbij een graaf- en breekverbod kan worden ingesteld; f. een wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels en leidingen.

Hoofdstuk 10 Milieuaspecten voor activiteiten Afdeling 10.1 Geluid Paragraaf 10.1.1 Algemene regels geluid Artikel 10.1 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het geluid van een activiteit, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

28

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Artikel 10.2 Voorrangsbepaling De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in het afdeling 10.1 van dit omgevingsplan.

Concept

Paragraaf 10.1.2 Geluidhinder in de open lucht SubParagraaf 10.1.2.1 Geluidhinder in de open lucht - vergunningplicht Artikel 10.3 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder in de open lucht in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Overijssel.

3.

Onder geluidhinder in de open lucht als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het in de open lucht in werking hebben van een geluidsapparaat, toestel of machine op zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Artikel 10.4 Geluidhinder in de open lucht - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning geluidhinder in de open lucht te veroorzaken.

Paragraaf 10.1.3 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen SubParagraaf 10.1.3.1 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen - verbod Artikel 10.5 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen in de gemeente Ommen.

2.

Onder geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het met een motorvoertuig of bromfiets zodanig gedragen buiten een bedrijfsmatige activiteit, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 10.6 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen - verbod Het is verboden geluidhinder door motorvoertuigen of bromfietsen te veroorzaken.

Paragraaf 10.1.4 Geluidhinder door dieren SubParagraaf 10.1.4.1 Geluidhinder door dieren - gebod Artikel 10.7 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op geluidhinder door dieren in de gemeente Ommen.

2.

Onder bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in deze paragraaf wordt verstaan: a. elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Artikel 10.8 Geluidhinder door dieren - gebod Degene die buiten een bedrijfsmatige activiteit de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Paragraaf 10.1.5 Overige geluidhinder SubParagraaf 10.1.5.1 Overige geluidhinder - vergunningplicht

29

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Concept

Artikel 10.9 Toepassingsbereik

30

1.

Deze subparagraaf is van toepassing op overige geluidhinder in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien: a. bij of krachtens de Omgevingswet; of b. door de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Overijssel.

3.

Onder overige geluidhinder als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. het in werking hebben van toestellen of geluidsapparaten of handelingen verrichten buiten een bedrijfsmatige activiteit op zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Artikel 10.10 Overige geluidhinder - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning overige geluidhinder te veroorzaken.

Artikel 10.11 Overige geluidhinder - specifieke aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.10 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de dag(en) en tijden waarop geluidhinder wordt verwacht; en b. de reden van de geluidhinder.

Paragraaf 10.1.6 Onversterkte muziek SubParagraaf 10.1.6.1 Onversterkte muziek - toegestaan Artikel 10.12 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek in de gemeente Ommen.

2.

Deze subparagraaf is niet van toepassing op het ten gehore brengen van onversterkte muziek bij collectieve en incidentele festiviteiten.

3.

Onder bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen activiteit die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

4.

Onder onversterkte muziek als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 10.13 Onversterkte muziek - toegestaan 1.

Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek binnen bedrijfsmatige activiteiten is artikel 22.63, eerste en derde lid, van toepassing met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 3.22 Besluit bouwwerken leefomgeving; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; en e. als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek.

2.

Voor de duur van maximaal 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een bedrijfsmatige activiteit gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Afdeling 10.2 Geurhinder Paragraaf 10.2.1 Algemene regels geur Artikel 10.14 Toepassingsbereik

Concept

1.

Deze subparagraaf is van toepassing op een activiteit, anders dan wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 10.15 Voorrangsbepaling 1.

De regels in hoofdstuk 22 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in het afdeling 10.2 van dit omgevingsplan.

Paragraaf 10.2.2 Geurhinder Witharen Artikel 10.16 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op activiteiten die geur veroorzaken ter plaatse van de locatie geurhinder - Witharen.

2.

Onder veehouderij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar landbouwhuisdieren worden gehouden, inclusief de weilanden die functioneel ondersteunend zijn aan deze veehouderij.

Artikel 10.17 Waarde voor geurbelasting binnen de bebouwingscontour geur De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig gebouw bedraagt ten hoogste 4,0 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.

Paragraaf 10.2.3 Geurhinder Vilsteren Artikel 10.18 Toepassingsbereik 1.

Deze subparagraaf is van toepassing op activiteiten die geur veroorzaken ter plaatse van de locaties geurhinder - Vilsteren 1 en geurhinder - Vilsteren 2.

2.

Onder veehouderij als bedoeld in deze subparagraaf wordt verstaan: a. een veehouderij zoals bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving waar landbouwhuisdieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, inclusief de weilanden die functioneel ondersteunend zijn aan deze veehouderij.

Artikel 10.19 Afstand bij geurbelasting binnen de bebouwingscontour geur De afstand tussen een dierenverblijf van een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig gebouw bedraagt ter plaatse van de locatie geurhinder - Vilsteren 1 ten minste 50 meter.

Artikel 10.20 Afstand bij geurbelasting buiten de bebouwingscontour geur De afstand tussen een dierenverblijf van een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig gebouw bedraagt ter plaatse van de locatie geurhinder - Vilsteren 2 ten minste 40 meter.

Hoofdstuk 11 Monumentenactiviteiten Afdeling 11.1 Gemeentelijke monumentenactiviteiten Paragraaf 11.1.1 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - zorgplicht Artikel 11.1 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen,

31

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument.

Artikel 11.2 Oogmerk

Concept

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 11.3 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - zorgplicht Degene die een gemeentelijke monumentenactiviteit of een andere activiteit die een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.

Paragraaf 11.1.2 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - toegestaan Artikel 11.4 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument.

Artikel 11.5 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 11.6 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - toegestaan Het is toegestaan de volgende activiteiten met betrekking tot een gemeentelijk monument te verrichten: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument, mits dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2. doen van begravingen of asbijzettingen; of 3. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

Paragraaf 11.1.3 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - vergunningplicht Artikel 11.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument.

Artikel 11.8 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 11.9 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument: a. af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

32

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Artikel 11.10 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.9 wordt slechts verleend als: a. het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet, rekening houdend met het gebruik van het monument.

Concept

Paragraaf 11.1.4 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - verbod Artikel 11.11 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van gemeentelijke monumentenactiviteiten en andere activiteiten die gemeentelijke monumenten of voorbeschermde gemeentelijke monumenten betreffen, met betrekking tot de monumenten opgenomen in bijlage IV, op een locatie met de functie-aanduiding gemeentelijk monument.

Artikel 11.12 Oogmerk De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed.

Artikel 11.13 Gemeentelijke monumentenactiviteiten - verbod Het is verboden een gemeentelijk monument: a. te beschadigen of te vernielen.

Hoofdstuk 12 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 16 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 18 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 [Gereserveerd]

33

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Concept

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1.

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2.

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

34

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

b.

het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6 [Vervallen]

Concept

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

35

Artikel 22.7 Repressief welstand 1.

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2.

Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

3.

Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

4.

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Concept

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2.

De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3.

Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4.

Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2.

De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3.

De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

36

1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

c.

Concept

d. e.

op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4.

Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5.

Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3.

De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4.

Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5.

Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte 1.

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

37

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Concept

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken 1.

Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing als: a. de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is; b. de stof deugdelijk is verpakt, waarbij: 1. de verpakking tegen normale behandeling bestand is; 2. de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en 3. geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en c. de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor; b. brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel; c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken; d. gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter; e. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en f. brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

4.

Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

5.

In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen. Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse1

Omschrijving

2 Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen UN 1950 spuitbussen & UN (spuitbussen) 2037 houders, klein, gas

38

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Verpakkingsgroep

Toegestane maximum hoeveelheid

n.v.t.

50 kg

Concept

ADR-klasse1

Omschrijving

3

Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen II en aceton

3 excl. dieselolie, gasolie of Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde lichte stookolie met een inkten vlampunt tussen 61°C en 100°C

Verpakkingsgroep

III

Toegestane maximum hoeveelheid 25 liter

50 liter

4.1, 4.2, 4.3

4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste II en III stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

50 kg

5.1

Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

II en III

50 liter

5.2

Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en dipropionyl peroxide

n.v.t.

1 liter

1

Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171).

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2.

Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

3.

Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek 1.

39

Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Concept

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen 1.

De artikelen 22.27 en 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2.

Bij de toepassing van de artikelen 22.27 en 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 22.27, onder a, of 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen 1.

Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en c. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25 Mantelzorg Voor de toepassing van de paragrafen 22.2.7.2 en 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken: a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. gelegen in achtererfgebied; 3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; 4. niet hoger dan 5 m; 5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en 6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. op de grond staand; 2. niet hoger dan 5 m; en 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

40

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

Concept

c.

41

d.

e. f.

g.

h. i.

een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; 2. voorzien van een plat dak; 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. niet hoger dan 4 m; en 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien; een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m; 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en 3.

achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied; een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om: 1. een silo; of 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m; een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen: 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte; 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed 1.

Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

2.

Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

3.

Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om: a. inpandige wijzigingen; b. een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; c. een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of d. een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

4.

Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij: a. het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of b. het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22

Concept

(van 31-3-2025 14:42)

over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Concept

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4; b. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en c. de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en: 1. de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of 2. bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15889704/1