2. Bijlage oplegnotitie - Artikelsgewijze toelichting APV per categorie
Tekst van het document
Bijlage Oplegnotitie - Artikelsgewijze toelichting APV
Inhoud 1. Inhoudelijke wijzigingen............................................................................... 3 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg (artikel 2:10).........................3 Betreden gesloten woning of lokaal (artikel 2:41)............................................3 Afdeling 9 Bestrijding van heling van goederen (artikelen 2:66, 2:67 en 2:68) ......................................................................................................................... 3 Begripsbepaling (artikel 2:66)..........................................................................3 Begripsbepaling (artikel 2:71)..........................................................................4 Openlijk drugsgebruik (artikel 2:74a)...............................................................4 Gedragseisen exploitant en beheerder (artikel 3:5).........................................4 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting (artikel 4:1). 4 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving (artikel 5:13). 4 Ventverbod (artikel 5:15)................................................................................. 4 Crossterreinen (artikel 5:32)............................................................................ 4 Sanctiebepaling (artikel 6:1)............................................................................
4 Overgangsbepaling (artikel 6:5).......................................................................4 2. Aanpak ondermijning................................................................................... 5 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing (artikel 1:6)...5 Ordeverstoring (artikel 2:26)............................................................................5 Openbare inrichtingen/terrassen (artikel 2:27)................................................5 Nadere eisen (artikel 2:28b) & Aanwezigheid leidinggevende (artikel 2:31c). .5 Kansspelen (artikel 2:31b)............................................................................... 5 Aanwezigheid leidinggevende (artikel 2:31c)...................................................6 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (artikel 2:50a).........6 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (artikel 2:79)............7 Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen (artikel 2:80)...............8 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikel 2:81)................................................................................................................. 8 3.
Aanpak overlast en openbare orde..............................................................9 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (artikel 2:19)................................................9 Evenementen (artikel 2:24 en artikel 2:25)......................................................9 Exploitatie openbare inrichtingen (artikel 2:28).............................................10 Exploitatie terras (artikel 2:28a)....................................................................10 Verboden gedragingen (artikel 2:31).............................................................10 Vervoer inbrekerswerktuigen, rooftassen en andere geprepareerde voorwerpen (artikel 2:44)............................................................................... 11
Lachgasverbod (artikel 2:48a).......................................................................11 Loslopende honden (artikel 2:57)...................................................................11 Verontreiniging door honden (artikel 2:58)....................................................11 Aanlijn- en muilkorfgebod (artikel 2:59).........................................................11 Gevaarlijke honden op eigen terrein (nieuw artikel 2:59a)............................12 Bijen (artikel 2:64).......................................................................................... 12 Bedelarij (artikel 2:65)...................................................................................
12 Verzameling van personen in verband met drugs (artikel 2:74b)..................12 Messen en andere voorwerpen als steekwapen (artikel 2:76a).....................12 Gebiedsontzeggingen (artikel 2:78)...............................................................12 Geluidhinder in de openlucht (artikel 4:5b)....................................................13 Geluidhinder door dieren (artikel 4:5c)..........................................................13 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen (artikel 4:5d).................13 Kampeermiddelen en andere voertuigen (artikel 5:6)...................................13 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (artikel 5:10)............................................................................................................... 13 Overlast van fietsen of bromfietsen (artikel 5:12)..........................................14 4. Specifieke artikelen /bepalingen................................................................14 Objecten onder hoogspanningslijn (artikel 2:22)............................................14 Verbod oplaten ballonnen (artikel 4:9a).........................................................14 Afdeling 10 Gebruik gemeentewapen (artikel 5:39 tot en met artikel 5:40). .14 Regionale tradities (artikel 2:73a en artikel 5:34)..........................................14 5.
Wet- en regelgeving/begripsomschrijvingen/technische en redactionele wijzigingen..................................................................................................... 15 Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen....................................16 Begripsomschrijvingen (artikel 1:1)...............................................................16 Indiening aanvraag (artikel 1:3).....................................................................17 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen (artikel 2:3)........................17 Begripsbepaling (artikel 2:34a)......................................................................17 Regulering para-commerciële rechtspersonen (artikel 2:34b).......................17 Slaapplaats op of aan een openbare plaats (Artikel 2:50a vernummerd naar 2:50b)............................................................................................................. 17 Begripsbepaling snuffelmarkt (artikelen 5:14 lid 2 sub b, 5:17 lid 2 sub a en 5:22 lid 2 sub a).............................................................................................
17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (artikel 5:18).........................17 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (artikel 5:24)............................17 Ligplaatsen (artikel 5:25 tot en met artikel 5:27)...........................................18 6. Aanpassing termijnen................................................................................. 18 Weigeringsgronden (artikel 1:8).....................................................................18
Evenementenvergunning (artikel 2:25)..........................................................18 Melding incidentele festiviteiten (artikel 4:3).................................................18 1. Inhoudelijke wijzigingen In onderstaande artikelen is sprake van een aantal voorgenomen inhoudelijke wijzigingen. De actualisering is een gevolg van voorgestelde wijzigingen van de VNG die wij hebben ontvangen en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden. Alle inhoudelijke wijzigingen worden hieronder genoemd en uitgebreid omschreven. Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg (artikel 2:10) Het woord terrassen is verwijderd, voor terrassen is een nieuw artikel ingevoegd, te weten artikel 2:28a. De woorden opslag (tijdelijke) en laadpalen zijn toegevoegd. Doordat elektrisch rijden in de nabije toekomst de brandstof gaat worden waarop auto’s voortbewogen gaan worden, zullen er nadere regels opgesteld moeten worden over het plaatsen van laadpalen in de gemeente. Betreden gesloten woning of lokaal (artikel 2:41) Aan het derde lid is “of het daarbij behorend erf” toegevoegd. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of het daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Afdeling 9 Bestrijding van heling van goederen (artikelen 2:66, 2:67 en 2:68) Begripsbepaling (artikel 2:66) Een nieuwe begripsbepaling betreft ‘handelaar’ is opgenomen in dit artikel. Dit heeft mede te maken met aanpassing van de artikelen 2:66, 2:67 en 2:68 vanwege het Digitaal Opkopersregister (DOR). Voordeel van het aanpassen van de APV en te zijner tijd na de vaststelling van de APV door de gemeenteraad, het vaststellen van de bijbehorende beleidsregels door de burgemeester is dat het veiliger wordt en de verwachting is dat het aantal diefstallen en inbraken vermindert. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en veiligheid in de gemeente. In artikel 172 e.v. van de Gemeentewet zijn de verantwoordelijkheid en de daarbij behorende bevoegdheden vastgelegd. Om de openbare orde en veiligheid te beschermen, beschikt de burgemeester over verschillende bestuursrechtelijke middelen. Zo is de burgemeester op grond van artikel 125 van de Gemeentewet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Controle is een onmisbaar aspect bij de invoering van het DOR. Zonder toezicht en handhaving is de kans namelijk groot dat opkopers onvoldoende prioriteit geven aan de naleving van de gestelde eisen. Om heling daadwerkelijk tegen te gaan dient er periodiek gecontroleerd te worden.
Begripsbepaling (artikel 2:71) De begripsbepaling betreft consumentenvuurwerk is aangepast conform de tekst van de model APV van de VNG.
Openlijk drugsgebruik (artikel 2:74a) Voor het publiek toegankelijke plaats is vervangen door een andere openbare plaats. Gedragseisen exploitant en beheerder (artikel 3:5) Als extra voorwaarde is toegevoegd in het eerste lid dat de exploitant en de beheerder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) moeten kunnen overleggen bij de aanvraag. Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting (artikel 4:1) De definities in artikel 4:1 zijn aangepast. Daarnaast wordt nu verwezen naar de Wet – en het besluit geluidhinder. Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving (artikel 5:13) Het herformuleren van de vrijstelling van het inzamelings- of wervingsverbod voor instellingen die zijn opgenomen in het collecte- en wervingsrooster. Daarnaast wordt het artikel uitgebreid met omschrijving van leden- of donateurwerving. Ventverbod (artikel 5:15) Tekst conform modelverordening APV. Dit artikel is opgenomen zodat het verboden is om te venten in het belang van de openbare orde. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing van het verbod verlenen in voorkomende gevallen. Indien gewenst kunnen via een aanwijzingsbesluit nadere regels worden vastgesteld na vaststelling van de APV. Crossterreinen (artikel 5:32) Het crossverbod beperkte zich tot wedstrijden of de voorbereidingen daarvan.
Crossen buiten wedstrijdverband is aan de verbodsbepaling in het eerste lid toegevoegd. Sanctiebepaling (artikel 6:1) Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1, eerste en tweede lid, regelt dat het niet-naleven van de in de APV genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden een strafbaar feit oplevert. Onder andere het Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (artikel 2:50a) is opgenomen in artikel 6:1. Overgangsbepaling (artikel 6:5) Tekst conform modelverordening APV. Dit artikel is opgenomen zodat besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Aanpak ondermijning Onderstaande artikelen zijn opgenomen om te beschermen tegen ondermijning.
Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing (artikel 1:6) De termen schorsing en geschorst zijn toegevoegd aan het artikel. De genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Ordeverstoring (artikel 2:26) Invoeging nieuw lid. Dit lid is toegevoegd naar aanleiding van overleg in de interlokale gezagsdriehoek Vechtdal en heeft betrekking op de door de rechter verboden organisaties, zoals motorclubs. Openbare inrichtingen/terrassen (artikel 2:27) De definities zijn aangepast en de omschrijving van ‘terras’ en ‘buiten de besloten ruimte gelegen delen’ zijn gecombineerd door een samenvoeging van het eerste lid, onder b. en het tweede lid. In artikel 2:27 is ‘waterpijpcafé’, alsook ‘shisha-lounge’ toegevoegd in de opsomming van openbare inrichtingen. De exploitatie van een waterpijpcafé of shisha-lounge is hierdoor altijd aan een vergunning onderworpen.
In aanvulling op het VNG-model is op basis van “Overzicht juridische mogelijkheden APV, gericht op ondermijning” (hierover later meer) ‘afhaalcentrum’ in de definitiebepaling opgenomen als voorbeeld van een openbare inrichting. Veel gemeenten ervaren overlast van afhaalcentra en een vergunningsplicht biedt mogelijkheden om in die situaties handhavend op te treden. Daarnaast is de definitie van exploitant en leidinggevende beschreven in verband met toevoeging van artikel 2:28b. Nadere eisen (artikel 2:28b) & Aanwezigheid leidinggevende (artikel 2:31c) In navolging van de Drank- en Horecawet (DHW) kunnen ook in de APV (nadere) eisen worden gesteld aan zowel de exploitant als de leidinggevende van een openbare inrichting. Hiermee wordt voorkomen dat personen die niet in aanmerking komen voor een DHW-vergunning wel een openbare inrichting kunnen exploiteren of hier als leidinggevende werkzaam kunnen zijn. Ook de aanwezigheid van de leidinggevende kan verplicht gesteld worden om zo schijnbeheer tegen te gaan. Beide mogelijkheden worden opgenomen in de APV. Kansspelen (artikel 2:31b) Invoeging nieuw artikel. Dit is een (extra) bepaling om illegaal gokken tegen te gaan. Ook in openbare inrichtingen, horecabedrijven, maar ook op andere locaties zoals winkels of bedrijfspanden kan illegaal gegokt worden. Dit gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.
Ook kan er overlast vanuit de omgeving worden ervaren. Het kan bovendien gaan om grote sommen geld die witgewassen worden. Ook brengt illegaal gokken het risico op gokverslaving mee. Het komt voor dat mensen met gokschulden gedwongen worden om bijvoorbeeld hun woning beschikbaar te stellen voor een hennepkwekerij.
Aanwezigheid leidinggevende (artikel 2:31c) Invoeging nieuw artikel, dat opgenomen is in de APV in geval er sprake is van openbare inrichtingen waar geen DHW-vergunning benodigd is. Hiermee wordt voorkomen dat personen die niet in aanmerking komen voor een DHWvergunning wel een openbare inrichting kunnen exploiteren of hier als leidinggevende werkzaam kunnen zijn. Ook de aanwezigheid van de leidinggevende is verplicht gesteld om schijnbeheer tegen te gaan. Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (artikel 2:50a) Er zijn nogal wat ontwikkelingen gaande betreffende de OMG (Outlaw Motorcycle Gangs). Zo lopen er diverse procedures om verschillende motorclubs verboden te verklaren. Aangezien die procedures zich in verschillende stadia van de procedure bevinden, zijn per motorclub verschillende mogelijkheden tot handhaving en afdoening. Het OM stelt zich op het standpunt, dat pas strafrechtelijk gehandhaafd kan worden (op grond van art. 140 lid 2 Sr, voortzetting deelneming aan verboden organisatie) indien het civiele verbod onherroepelijk is. Indien de uitspraak nog niet onherroepelijk is, kan echter wel bestuursrechtelijk gehandhaafd worden. Hierbij maakt het niet uit of de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is of niet.
Uitgangspunt is dat in geval van het dragen van colors (hesjes), t-shirts, logo’s op kleding, gebouwen en / of motoren kan worden opgetreden en betreffende uitingen in beslag kunnen worden genomen. Het is vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt, dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan en op de overige redenen voor het verbod en de ontbinding. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140 lid 2 Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog open staan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak (zoals aan de orde bij bovengenoemde beschikking van de rechtbank).
Om toch op te kunnen treden tegen aanwezigheid in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een strafbaarstelling opgenomen in de APV. Deze strafbaar-stelling houdt in dat het is verboden om op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven en bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Bijvoorbeeld kan het gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en aanduidingen op motoren. Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van
verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruimte tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is. Het verbod wordt voor evenementen opgenomen in het bestaande artikel 2:26 APV waarin ordeverstoring bij evenementen is verboden. Daarnaast wordt een nieuw artikel 2:50a in de APV opgenomen waarbij het verbod wordt ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 APV. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling in de beide artikelen. Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (artikel 2:79) Per 1 juli 2017 is de “Wet aanpak woonoverlast” in werking getreden (Stb. 2017, 77). Daarbij is een nieuw artikel 151d Gemeentewet ingevoerd dat onder meer omvat de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang in de vorm van het geven van een gedragsaanwijzing (uitsluitend) ter bestrijding van ernstige woonoverlast voor omwonenden, veroorzaakt door (een) andere bewoner(s) in de nabije omgeving.
De bevoegdheid strekt niet tot handhaving van de openbare orde, maar ziet enkel toe op het in bestuursrechtelijke zin interveniëren in gespannen burenverhoudingen vanwege ernstige hinder in of vanuit een woning of in de onmiddellijke nabijheid ervan. Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. In dit artikel wordt bepaald dat de burgemeester bij overtreding in ieder geval een last onder bestuursdwang kan opleggen als zich een van de genoemde situaties voordoet. De burgemeester kan op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 125 van de Gemeentewet er ook voor kiezen om een last onder dwangsom op te leggen. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken.
Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen, zal de burgemeester dus in het besluit moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn dat als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d van de Gemeentewet. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen (artikel 2:80) Invoeging nieuw artikel.
De burgemeester krijgt hier de bevoegdheid om in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting te bevelen van een voor het publiek toegankelijk gebouw (niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting) of een bij dat gebouw behorend erf. In de aanpak van ondermijning kan deze sluitingsbevoegdheid betekenisvol zijn. Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. Dit is bijvoorbeeld het geval als er sprake is van illegaal gokken of heling of als er wapens in de ruimte worden aangetroffen. Ook als de openbare orde vanwege andere omstandigheden in gevaar is, kan de burgemeester een publiek toegankelijke inrichting voor onbepaalde tijd sluiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er op een zaak wordt geschoten.
Deze bepaling houdt verband met artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de burgemeester bevoegd is bij de uitoefening van het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen, bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn. Dit brengt met zich mee, dat voor een bevel tot sluiting voldoende is dat wordt gevreesd voor een ernstig gevaar of verstoring van de openbare orde. De burgemeester kan tevens tot sluiting overgaan als zich andere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of zich dreigen voor te doen die de vrees wettigen dat het geopend blijven van die ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Bij dit laatste kan worden gedacht aan zeer ernstige vechtpartijen of mensenhandel. Bij de aanwezigheid van wapens in een voor het publiek toegankelijke inrichting is sprake van een zodanige verstoring van de openbare orde, dat de inrichting in principe wordt gesloten, tenzij er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. In het geval er sprake is van heling spelen ook de invloed van de met de heling gepaard gaande activiteiten binnen en buiten de inrichting een rol. Ook bij overtreden van de Wet op de kansspelen weegt de overlast mee die de overtreding met zich meebrengt. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikel 2:81) Invoeging nieuw artikel.
Dit artikel wordt ook wel de flexibele brancheringsvergunning genoemd (Vergunningplicht, algemeen artikel met apart te nemen aanwijzingsbesluit). Het artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. De gemeenteraad is bevoegd op grond van de autonome verordende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester.
Het doel is het tegengaan van een malafide ondernemersklimaat. Deze vergunningsplicht kan worden ingezet voor bepaalde panden, gebieden en branches. De vergunningsplicht wordt pas “geactiveerd” met een apart aanwijzingsbesluit. Opname van het artikel in de APV heeft dan ook geen directe gevolgen. Deze constructie heeft het voordeel dat meer op maat en ook extra onderbouwd (met analyse, onderzoek en politierapportage) de noodzaak voor de aanwijzing en vergunningsplicht kan worden aangetoond. Afhankelijk van de problematiek per gemeente kan beoordeeld worden welke branche vergunningplichtig gesteld moet worden. Het vergunningplichtig maken van een bepaalde branche maakt het mogelijk om deze branche te screenen door middel van een Bibob-toets. Sinds 2013 is het toepassingsbereik van de wet Bibob uitgebreid, waardoor elke gemeentelijke vergunning die wordt afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit aan zo’n toets kan worden onderworpen. 3. Aanpak overlast en openbare orde In onderstaande artikelen is sprake van een aantal voorgenomen inhoudelijke wijzigingen op het gebied van overlast en openbare orde. Een aantal artikelen zijn nieuw toegevoegd en andere zijn aangepast conform de voorgestelde wijzigingen van de VNG die wij hebben ontvangen en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden.
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (artikel 2:19) Invoeging nieuw artikel, waarbij de tekst van dit artikel spreekt voor zichzelf. Evenementen (artikel 2:24 en artikel 2:25) Het eerste lid van artikel 2:24 is in onderdeel uitgebreid met theatervoorstellingen, voorheen werden alleen bioscoopvoorstellingen genoemd. Daarnaast wordt in het eerste lid van artikel 2:24 onderdeel g toegevoegd te weten sportwedstrijden. Uit artikel 2:25 is verder het onderdeel betreft klein evenement overgeheveld naar artikel 2:24. Het onderdeel vechtsport is toegevoegd aan zowel artikel 2:24 als aan artikel 2:25. Tot de evenementen behoren ook sportgala’s, waaronder vechtsportevenementen. Om de kwaliteit van vechtsportevenementen en –gala’s te vergroten en te waarborgen heeft de Nederlandse Vechtsportautoriteit in samenwerking met verschillende partners, in het najaar van 2017 een richtlijn voor vechtsport-evenementen gepubliceerd. De handreiking is mede opgesteld met als doel het (doen) organiseren van vechtsportevenementen ordentelijk te laten verlopen zonder dat inmenging van organisatoren van bedenkelijk niveau (vanwege een relatie met criminaliteit) plaatsvindt en om onveilige en malafide praktijken te voorkomen. In de handreiking is onder meer geconstateerd dat malafide vechtsportorganisatoren hun evenementen bij voorkeur organiseren in gemeenten waar (nog) niks geregeld is op dit gebied.
De APV-bepaling inzake de evenementen-vergunning biedt een mogelijkheid om hier een en ander te reguleren. Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Voor de zogenaamde kleine evenementen kan worden volstaan met een meldingsplicht. Voor door de burgemeester aangewezen categorieën van vechtsportevenementen of –gala’s is geregeld dat als deze als een klein evenement aangemerkt moeten worden, de uitzondering op de vergunningsplicht
zoals neergelegd in artikel 2:25, derde lid, niet van toepassing is. Daarvoor kan dus niet volstaan worden met een melding, maar dient wel een vergunning aangevraagd te worden. De organisator van een vechtsportevenement of –gala of de aanvrager van de vergunning mag niet van slecht levensgedrag zijn. Het zijn van slecht levensgedrag kan- naast de algemene weigeringsgronden uit artikel 1:8- aanleiding zijn om de vergunning te weigeren. Daarnaast is aan artikel 2:25 toegevoegd dat de burgemeester nadere regels kan stellen. Exploitatie openbare inrichtingen (artikel 2:28) Als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning is in het derde lid van dit artikel toegevoegd dat de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Daarnaast is een 5de en 6de lid ingevoegd. In de APV was opgenomen dat er geen (exploitatie) vergunning is vereist voor een openbare inrichting die op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning vereist. Dit wordt nu gewijzigd naar het verlenen op verzoek of ambtshalve van vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en –handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. Zo moet er dus wel gecontroleerd worden of de exploitatie van de openbare inrichting niet in strijd is met een geldend bestemmingsplan, of als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Ook is in het zesde lid van dit artikel toegevoegd dat de vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a (incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en –handel zich hebben voorgedaan in of bij de inrichting). Exploitatie terras (artikel 2:28a) Invoeging nieuw artikel. Om tevens de exploitatie van een terras te regelen is naast een Drank- en Horecavergunning een terrasvergunning nodig. Een Dranken horecavergunning heeft immers uitsluitend betrekking op het mogen schenken van drank.
Voor het aanvragen van een terrasvergunning kan derhalve een lichter aanvraagregime gelden dan voor een aanvraag voor een exploitatievergunning of Drank- en horecavergunning, wat vooral nuttig is als een ondernemer slechts een terras, qua grootte of plaats of anderszins wil wijzigen. Verboden gedragingen (artikel 2:31) Onderdeel b van dit artikel: ‘Het is verboden in een openbare inrichting zich te bevinden na sluitingstijd’ is aangevuld met ‘tenzij het personeel betreft’. Onderdeel c ‘Het is verboden op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.’, is conform de model APV van de VNG gewijzigd in ‘Het is verboden op
het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.’ Vervoer inbrekerswerktuigen, rooftassen en andere geprepareerde voorwerpen (artikel 2:44) Dit artikel is uitgebreid op verzoek van de politie. Daarom zijn rooftassen en andere geprepareerde voorwerpen bijgevoegd zowel in de titel als voor wat betreft de inhoud van het artikel zelf. Lachgasverbod (artikel 2:48a) Invoeging nieuw artikel betreft het verbieden van lachgas. Lachgas is tot nu toe een legaal middel en het bezit of gebruik ervan is dus niet verboden. Evengoed is er reden voor zorg. Het kabinet is voornemens om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Hierdoor zal onder meer de verkoop, het afleveren, het verstrekken en het aanwezig hebben van lachgas voor oneigenlijk gebruik verboden worden. Dat heeft een gunstig effect op de mate van overlast in de openbare ruimte. Het gebruik van lachgas leidt bovendien tot vervuiling van de omgeving. Opname van het verbod zal vooral preventief zijn voor het geval er wel overlast komt door het gebruik van lachgas. Echter kan er dan ook met de andere APV-artikelen worden opgetreden. Opname van een speciaal artikel zal vooral een statement zijn en duidelijkheid verschaffen.
Voorgesteld wordt het verbod, in een speciaal artikel (2:48a), onder te brengen in afdeling 8 van hoofdstuk 2 van de APV, Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1 van de APV. Loslopende honden (artikel 2:57) In dit artikel is de weg gewijzigd in een openbare plaats. Het verbod voor nietaangelijnde honden is uitgebreid tot openbare plaatsen binnen de bebouwde kom (was voorheen alleen binnen de bebouwde kom op de weg). Hierdoor geldt het verbod ook voor andere plaatsen binnen de bebouwde kom, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid genoemd, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’. Verontreiniging door honden (artikel 2:58) Toevoeging vierde en vijfde lid in dit artikel vanwege het verplicht opruimen van uitwerpselen van honden. Er is een uitzondering gemaakt voor personen die zich laten begeleiden door een geleidehond of een sociale hulphond. Zij hoeven geen uitwerpselen op te ruimen. Het college kan verder plaatsen aanwijzen waar de verplichting tot opruimen niet geldt. Aanlijn- en muilkorfgebod (artikel 2:59) In het tweede en derde lid is uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- en muilkorfgebod.
Het aanlijngebod houdt in dat de lijn een lengte kan hebben van ten hoogste 1,50 meter. In de feitcodes van het OM staat ‘kort aangelijnd’. Om discussie te voorkomen, is het woord ‘kort’ toegevoegd aan de bepaling. Daarnaast wordt een extra lid toegevoegd, zodat in de toekomst beleidsregels kunnen worden opgesteld, hetgeen duidelijkheid geeft hoe te handelen als er in
de toekomst bijtincidenten plaatsvinden. Het nieuwe vierde lid van artikel 2:59 luidt na wijziging als volgt: “De burgemeester kan nadere regels stellen, waarin omschreven wordt hoe te handelen in geval een aanlijn- en muilkorfgebod opgelegd dient te worden.” Gevaarlijke honden op eigen terrein (nieuw artikel 2:59a) Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Daarom is artikel 2:59a opgenomen. Hierin is bepaald dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is om die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrije toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt daarmee dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen, doordat ze van het terrein ontsnappen.
Bijen (artikel 2:64) Invoeging nieuw artikel. Verbod om op bepaalde plaatsen bijen te houden, nieuw artikel ingevoegd, vanwege mogelijke overlast van bijen. Bedelarij (artikel 2:65) Invoeging nieuw artikel. Verbod om te bedelen, het zogenoemde bedelverbod geldt op alle openbare plaatsen dus ook in parken of plantsoenen. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is ook een openbare plaats. Nieuw artikel ingevoegd. Verzameling van personen in verband met drugs (artikel 2:74b) Invoeging nieuw artikel. Het artikel spreekt verder voor zich. Messen en andere voorwerpen als steekwapen (artikel 2:76a) Invoeging nieuw artikel, gezien de huidige actuele ontwikkelingen. Het artikel spreekt verder voor zich. Gebiedsontzeggingen (artikel 2:78) Invoeging nieuw artikel. Dit artikel biedt de mogelijkheid om een persoon die de orde verstoort of zich schuldig maakt aan strafbare feiten een gebiedsontzegging van 24 uur op te leggen ten behoeve van de openbare orde, en of het beperken van overlast of aantasting van het leefklimaat . Geluidhinder in de openlucht (artikel 4:5b) In de model APV van de VNG wordt facultatief voorgesteld de artikelen 4:5b tot en met 4:5d op te nemen.
Deze facultatieve bepalingen vallen –net als artikel 4:6- onder voorschriften over overlast in het algemeen, maar zijn hier toegespitst op geluidsoverlast, gevaar of schade.
Artikel 4:5b betreft voor de gemeente Ommen een nieuw ingevoegd artikel. Het gaat hier om geluidhinder ‘buiten een inrichting’ (in de zin van de Wet milieubeheer). Dit nieuwe artikel is in de APV opgenomen om geluidhinder buiten een inrichting in de openlucht te verbieden. Deze bepaling is uitgezonderd voor de gevallen waarin de bepaling een regeling geeft voor activiteiten waarop ook de Wet milieubeheer ziet. Geluidhinder door dieren (artikel 4:5c) Dit artikel wordt door de VNG voorgesteld om buiten een inrichting, specifieke geluidhinder door dieren, voor een omwonende dan wel voor de directe omgeving, te voorkomen dan wel te reguleren. Te denken valt hierbij aan de kraaiende haan en de blaffende hond. Dit is echter een artikel dat op vele manieren ingevuld kan worden. De één ervaart nu eenmaal sneller of anders geluidhinder dan een ander. Daarbij dient rekening te worden gehouden dat het in ons land gebruikelijk is om huisdieren te houden, dat enige hinder geduld moet worden en de handhavingscapaciteit beperkt is. Het artikel wordt voornamelijk opgenomen om een grondslag te hebben voor feitcode F151a uit het Feitenboekje van het OM. Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen (artikel 4:5d) In het model van de VNG wordt facultatief voorgesteld een artikel op te nemen voor geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen.
Dit nieuwe artikel in de APV verbiedt het zich "geluidhinderlijk" gedragen met een motorvoertuig of een voertuig. "Gedragen" betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Kampeermiddelen en andere voertuigen (artikel 5:6) Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens en dergelijke op de weg. In de huidige APV staat het verbod een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeerdoeleinden wordt gebruikt langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Voorgesteld wordt dit te wijzigen in: “het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben”. Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (artikel 5:10) Dit betreft een verbod op het zogenaamde ‘berm parkeren’.
Op grond van Europese regelgeving en jurisprudentie geldt het parkeerverbodsbord (bord E1, E2 en E3 uit bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)) alleen voor de rijbaan en niet het parkeren (of laten stil staan) in de berm of een braakliggend terrein. Als de gemeente (ook) een parkeer- of stopverbod wil instellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan, zoals voor
bermen, is dus een aanvullende grondslag bij gemeentelijke verordening nodig. Artikel 5:10 voorziet in de grondslag voor een verkeersbesluit met die strekking. Overlast van fietsen of bromfietsen (artikel 5:12) Een tweede lid is ingevoegd. In het tweede lid wordt de periode dat fietsen en bromfietsen op een aangewezen plaats mogen staan beperkt. 4. Specifieke artikelen /bepalingen In deze categorie worden de specifieke artikelen/ bepalingen benoemd, waarvan gebleken is dat deze nodig zijn gezien onder andere de huidige ontwikkelingen. Objecten onder hoogspanningslijn (artikel 2:22) Dit artikel wordt nieuw toegevoegd en regelt een verbod om voorwerpen of gewassen onder hoogspanningslijnen te plaatsen of te hebben. Verbod oplaten ballonnen (artikel 4:9a) Dit artikel wordt nieuw toegevoegd in navolging van andere gemeenten ter bescherming van het milieu en het reduceren van brandgevaar van wensballonnen met daarin een brandende substantie. Afdeling 10 Gebruik gemeentewapen (artikel 5:39 tot en met artikel 5:40) Deze artikelen worden nieuw toegevoegd ter bescherming van het gebruik van het gemeentewapen, omdat gebleken is dat sprake was van een onterecht gebruik van het gemeentewapen.
Regionale tradities (artikel 2:73a en artikel 5:34) In Ommen is sprake van minstens twee bekende regionale tradities, namelijk de traditie van de paasvuren en een andere bekende traditie is die van het carbidschieten. De regionale traditie van het carbidschieten hoort voor veel inwoners bij het vieren van oudjaarsdag. Voor carbidschieten heb je nodig een oude (giet)ijzeren melkbus, carbid en water. In plaats van een melkbus wordt voor het carbidschieten ook wel gebruik gemaakt van een verfblik, een oude lpg-tank of een compressor. Door carbid in contact te brengen met water ontstaat er een chemische reactie waarbij acetyleengas vrijkomt. Dit gas is zeer explosief wat ervoor zorgt dat bij het schieten keiharde ontploffingen tot stand komen. Aanvankelijk werd dit gedaan om boze geesten te verjagen. Later werd carbid gebruikt door boeren om hun land te ontdoen van mollen maar vandaag de dag draait het allemaal om de gezellige sfeer en de hardste knallen tijdens de jaarwisseling. Het carbidschieten is geregeld in artikel 2:73a APV. Aan dit artikel wordt een extra lid toegevoegd zodat in de toekomst beleidsregels kunnen worden vastgesteld, waarin de voorwaarden waaronder het carbidschieten plaats kan vinden duidelijk omschreven kunnen worden.
Het derde lid van artikel 2:73a luidt na wijziging als volgt: “De burgemeester kan nadere regels stellen, waarin de voorwaarden worden omschreven waaronder het carbidschieten tijdens de jaarwisseling mag plaatsvinden.” Het derde en vierde lid worden vernummerd, naar vierde en vijfde lid van artikel 2:73a. Een andere traditie in Ommen is die van de paasvuren. Op eerste en tweede Paasdag zijn voornamelijk in Overijssel en in de Achterhoek veel paasvuren te
zien. Over het ontstaan van het paasvuur is niet veel bekend. Het hout voor de paasvuren wordt weken van tevoren verzameld. Sommige bulten zijn tientallen meters hoog. Het jaarlijkse ritueel trekt altijd veel toeschouwers. Paasvuren buiten de bebouwde kom zijn alleen toegestaan als er sprake is van traditie. Er moet op die plek al vele jaren een paasvuur zijn aangestoken. Voor paasvuren en het verbranden van snoeihout kan een speciale stookontheffing worden aangevraagd, hetgeen geregeld is in artikel 5:34 APV. Het college verleent tijdens de paasdagen maximaal één ontheffing van het stookverbod per kern/buurtschap om een paasvuur te organiseren. De ontheffingen voor een paasvuur worden alleen verleend aan een maatschappelijke organisatie zoals een plaatselijk belangenvereniging of een buurtvereniging. Een particulier persoon kan dus geen ontheffing voor een paasvuur aanvragen. Hierdoor worden dus capaciteitsproblemen bij de brandweer zoveel mogelijk voorkomen, zodat de brandweer voor andere calamiteiten kan worden gegarandeerd. Het derde lid van artikel 5:34 APV luidt na wijziging als volgt: “Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld”. Zodoende kunnen nadere regels worden opgesteld, zodat de voorwaarden voor de aanvrager al van te voren duidelijk zijn. 5.
Wet- en regelgeving/begripsomschrijvingen/technische en redactionele wijzigingen -
-
-
-
-
-
Ledenbrieven met aanpassingen van de Model Algemene Plaatselijke Verordening zomer 2019 en 2020 zijn verwerkt voor zover als wijziging/opname gewenst is in de APV van de gemeente Ommen. Enkele opschriften van artikelen zijn ingekort en afkortingen daarin zijn geschrapt (zoals enz. en e.d.) , ter bevordering van de leesbaarheid. Waar in artikelen bijvoorbeeld stond: “Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing…..” is de tekst vervangen door “Het verbod is niet van toepassing op…” als het eerste lid het enige verbod van het artikel bevatte. Waar in artikelen stond vermeld ‘Op de ontheffing…’ is aangepast naar op de aanvraag om een ontheffing (artikel 2:6, 2:9, 2:2, 2:67, 5:2, 5:7, 5:8) Waar in artikelen stond vermeld ‘Op de vergunning….’ is dit aangepast naar ‘op de aanvraag om een vergunning’ (2:11, 2:25, 2:28,5:13 5:18). Wijziging aanhef en titels. De titel van sommige hoofstukken of afdelingen is gewijzigd, omdat de plaatsing van een artikel in een hoofdstuk of afdeling mede bepaalt hoe het gelezen moet worden. Enkele technische aanpassingen: afdelingen zijn vervallen waardoor een andere vernummering is ontstaan. Zinsopbouw wordt gewijzigd, maar strekking blijft hetzelfde. Zinnen worden beter leesbaar.
(artikelen 1:1, onderdeel n, 2:9, 2:14,2:16, 2:18, 2:24, 2:32, 2:42, 2:43, 2:44, 2:45, 2:46, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:51, 2:52, 2:58, 2:60, 2:62, 2:64, 2:66, 2:67, 2:68, 2:73, 2:74, 2:75, 2:76, 2:77, 2:78, 3:5, 4:2, 4:5, 4:6, 4:12c; 4:13,4:15, 5:2, 5:3, 5:4, 5:7, 5:8, 5:9, 5:15, 5:18, 5:20, 5:23, 5:24, 5:30, 5:33, 5:34,5:35, 5:36). De provinciale wegenverordening, het provinciaal wegenreglement, de provinciale verordening, de verkeersverordening, Verordening voor de Fysieke
Leefomgeving Overijssel, Provinciale milieuverordening zijn vervangen door de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening Overijssel 2017 heeft de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening, Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet milieubeheer, Waterverordening in de zin van de Waterwet, Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2A van de Wegenverkeerswet. Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen Artikelleden waarmee de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’, (paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht) ten overvloede van toepassing werd verklaard of uitgezonderd, zijn vervallen. Daar waar toepasselijkheid van de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’, reeds uit de wet voortvloeit, wordt deze in de APV niet meer herhaald. Dit geldt voor artikel 2:10 en artikel 5:23. Ook in gevallen waarin de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ niet reeds op grond van de wet van toepassing is en er evenmin redenen zijn om deze van toepassing te verklaren in de APV, is over de toepasselijkheid van de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ niets bepaald. Dit geldt voor de artikelen 2:1, 2:45, 2:60, 4:6, 4:18, 5:11, 5:33 en 5:34.
Op grond van artikel 4:20a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, geldt de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ alleen als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. De ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ wordt in de APV nog wel uitdrukkelijk van toepassing verklaard in gevallen waarin dit niet reeds uit de wet voortvloeit, maar het toch wenselijk is te voorzien in een ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’. Dit geldt voor de artikelen 2:6, 2:9, 2:10 en 2:11 voor zover het gaat om activiteiten die niet onder de Wabo vallen (voor activiteiten die wel onder de Wabo vallen, verklaart die wet de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ immers al van toepassing), 2:64(bijen), 2:67, 5:7, 5:8, 5:13 en 5:36. In gevallen waarin de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ op grond van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet van toepassing zou zijn, maar er dwingende redenen van algemeen belang zijn om daar een uitzondering op te maken, wordt de toepasselijkheid van de ‘positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen’ uitdrukkelijk uitgezonderd. Dit geldt voor de artikelen 2:25, 2:28, 2:29 en 5:2 voor zover het gaat om activiteiten die onder de Dienstenrichtlijn vallen, 5:2, 5:3, 5:15 en 5:18.
Begripsomschrijvingen (artikel 1:1) Een aantal nieuwe begripsomschrijvingen zijn opgenomen in artikel 1:1 namelijk: bromfiets, motorvoertuig, parkeren en voertuig. Indiening aanvraag (artikel 1:3) Artikel is vervallen.
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen (artikel 2:3) De woorden ‘plaats van beëindiging’ zijn verwijderd conform de model-APVverordening. De route geeft de plaats van beëindiging impliciet ook aan. Begripsbepaling (artikel 2:34a) De begripsbepalingen zijn gewijzigd conform de model-APV-verordening. Hierin wordt verwezen naar dat wat daaronder verstaan wordt in de Drank- en Horecawet. Regulering para-commerciële rechtspersonen (artikel 2:34b) Aan het 6de lid is toegevoegd “dan wel in bijzondere gevallen”. Slaapplaats op of aan een openbare plaats (Artikel 2:50a vernummerd naar 2:50b) In verband met invoeging van het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 2:50a, is het artikel 2:50a vernummerd naar artikel 2:50b (zie onder categorie ondermijning). Begripsbepaling snuffelmarkt (artikelen 5:14 lid 2 sub b, 5:17 lid 2 sub a en 5:22 lid 2 sub a) Een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet is gewijzigd in onder g. Er heeft een verlettering plaats gevonden in artikel 160, lid 1, van de Gemeentewet, als gevolg van de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra). Als gevolg van de Wnra is per 1 januari 2020. artikel 160, lid 1, onder d. van de Gemeentewet vervallen. Daardoor is artikel 160, lid 1, onder e., f., g. en h. verletterd tot artikel 160, lid 1, onder d., e., f. en g.
Artikel 160, lid 1, onder g. van de Gemeentewet laat zich daardoor als volgt lezen: Het college is in ieder geval bevoegd jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen. Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (artikel 5:18) Aan dit artikel 5:18 wordt een vierde lid toegevoegd, zodat in de toekomst beleidsregels kunnen worden vastgesteld over dagen en tijden waarop een standplaats mag worden ingenomen alsook over het aantal standplaatsen per locatie. Aan het vaststellen van een standplaatsenbeleid zijn meerdere voordelen verbonden, zo voorkomt het willekeur en bij het weigeren van een verzoek om een standplaatsvergunning kan verwezen worden naar het standplaatsenbeleid zonder dat in het afwijzende besluit een uitgebreidere motivering noodzakelijk is en er minder of geen ongewenste situaties ontstaan. Het schept tevens duidelijkheid voor de aanvrager zodat dit ook invloed kan hebben op het mogelijke aantal bezwaarschriften. Voorwerpen op, in of boven openbaar water (artikel 5:24) De woorden “In verband met de veiligheid” is uit het lid gehaald. Dit omdat artikel 5:24 een aanvullend karakter heeft op de andere in het vierde lid genoemde wet- en regelgeving. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht.
Ligplaatsen (artikel 5:25 tot en met artikel 5:27) De tekst en de toelichting zijn aangepast in verband met de Wet verduidelijking voorschriften woonboten. Voor het aanleggen van woonboten geldt een omgevingsvergunningsplicht. Artikel 5:25 is gewijzigd conform de modelverordening van de VNG en de artikelen 5:26 en 5:27 zijn vervallen omdat de inhoud daarvan goeddeels ondergebracht is in het gewijzigde artikel 5:25. 6. Aanpassing termijnen Bij onderstaande artikelen is een termijn aangepast, dan wel als nieuw lid ingevoegd. Daarnaast zijn een aantal termijnen zodanig aangepast dat deze ook duidelijker zijn voor de aanvrager/ belanghebbende/burger. Weigeringsgronden (artikel 1:8) Lid 2 is ingevoegd op advies van de model-APV-verordening, met een termijn van drie weken waarbij opgemerkt wordt dat altijd gekeken wordt naar de aard van de aanvraag en er altijd een besluit genomen wordt op de aanvraag voor een ontheffing of een vergunning. Bij lid 3 is voor een redelijke termijn van acht weken is gekozen, conform de termijn uit de Algemene wet bestuursrecht. Evenementenvergunning (artikel 2:25) In het derde lid wordt gesproken over 15 werkdagen, zodat duidelijk is met welke termijn rekening moet worden gehouden om tijdig een melding te doen.
Melding incidentele festiviteiten (artikel 4:3) Zowel in de titel als in de tekst van het artikel is het woord kennisgeving vervangen door het woord ‘melding’. Daarnaast is sprake van nog enige redactionele verbeteringen in het artikel, zoals ‘12 incidentele festiviteiten’ is aangepast in ‘12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden.’ Categorieën
Artikelen
1. Inhoudelijke wijzigingen
2:10, 2:41, 2:66, 2:67, 2:68, 2:71, 2:74a, 3:5, 4:1, 5:13, 5:15, 5:32, 6:1, 6:5 1:6, 2:26, 2:27, 2:28b, 2:31b, 2:31c, 2:50a, 2:79, 2:80, 2:81
2. Aanpak ondermijning 3. Aanpak overlast en openbare orde 4. Specifieke bepalingen
2:19, 2:24, 2:25, 2:28, 2:28a, 2:31, 2:44, 2:48a, 2:57, 2:58, 2:59, 2:59a, 2:64, 2:65, 2:74b, 2:76a, 2:78, 4:5b, 4:5c, 4:5d, 5:6, 5:10, 5:12 2:22, 2:73a 4:9a, 5:34, 5:38, 5:39, 5:40
5. Wet- en regelgeving/begripsbepaling en en technische aanpassingen
Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, en artikel 1:1, 1:3, 2:3, 2:34a, 2:34b, 2:50b, 5:14 lid 2 sub b, 5:17 lid 2 sub a en 5:22 lid 2 sub a, 5:18, 5:24, 5:27
6. Aanpassing termijnen
1:8, 2:25 lid 3 en 4:3