CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

13. Beerzerweg 26, bijlage bij regels 2

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Beerzerweg4.583 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

C-i

H C

Kenmerk

H AUG. 1992

Rijswijk

157850

De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

EN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER OVERWEGENDE dat de h i s t o r i s c h - r u i m t e l i j k e s t r u c t u u r v a n V i l s t e r e n w o r d t b e p a a l d door de c o n s t e l l a t i e v a n h e t o o r s p r o n k e l i j k e esdorp met de kenmerken v a n h e t l a t e r e landgoed en de d o o r s n i j d i n g v a n h e t g e h e e l door de V i l s t e r s e w e g . dat h e t b e s c h e r m i n g s b e l a n g dan ook i s g e l e g e n i n h e t bewaren v a n deze zeldzame en gaaf bewaarde h i s t o r i s c h - r u i m t e l i j k e s t r u c t u u r i n samenhang met de h i s t o r i s c h w a a r d e v o l l e bebouwing en h e t b e p l a n t i n g s p a t r o o n . dat de s t r u c t u u r v a n h e t d o r p bewaard i s g e b l e v e n i n h e t p a t r o o n v a n wegen en paden t u s s e n de o o r s p r o n k e l i j k e oude bouwlandcomplexen. dat de d r i e h o e k i g e onbebouwde r u i m t e t u s s e n de V i l s t e r s e w e g , de V i l s t e r s e A l l e e en de B o r r i n g d i j k , i n de n a b i j h e i d waarvan h e t l a n d h u i s , de k e r k en de p a s t o r i e i s g e l e g e n een r u i m t e l i j k zwaartepunt vormt i n h e t d o r p .

d a t deze b e e l d b e p a l e n d e bebouwing, tezamen met de n e g e n t i e n d e eeuwse b o e r d e r i j e n h e t d o r p s b e e l d a l s g e h e e l een s t e r k 19de en v r o e g 2 0 s t e eeuws a c c e n t geven. d a t h e t g e b i e d m i t s d i e n een b e e l d o p l e v e r t d a t van algemeen b e l a n g i s vanwege z i j n s c h o o n h e i d en z i j n r u i m t e l i j k e s t r u c t u r e l e samenhang; V o o r t s overwegende d a t h e t g e l d e n d e bestemmingsplan op V i l s t e r e n v a s t g e s t e l d op 28 a p r i l 1977, goedgekeurd op 16 m e i 1978 i n b e l a n g r i j k e mate r e c h t doet aan de omschreven h i s t o r i s c h e k a r a k t e r i s t i e k ; G e l e t op a r t i k e l

35 en a r t i k e l

36 v a n de Monumentenwet 1988;

Gehoord de r a a d v a n de gemeente Ommen, Gedeputeerde S t a t e n v a n O v e r i j s s e l , de Raad v o o r h e t c u l t u u r b e h e e r en de R i j k s p l a n o l o g i s c h e Commissie;

U >

BESLUITEN Het g e b i e d i n de gemeente Ommen z o a l s i s aangegeven op de b i j d i t b e s l u i t behorende t e k e n i n g n r 332 en z o a l s i s omschreven i n de t o e l i c h t i n g b i j d i t b e s l u i t , aan t e w i j z e n a l s beschermd d o r p s g e z i c h t i n de z i n v a n a r t i k e l 1, onder g v a n de Monumentenwet 1988. h e t navolgende bestemmingsplan aan t e merken a l s beschermend bestemmingsplan i n de z i n v a n a r t i k e l 36, tweede l i d , v a n de wet: V i l s t e r e n , v a s t g e s t e l d op 28 a p r i l 1977 en goedgekeurd op 16 m e i 1978 i n z o v e r r e d a t na de a a n w i j z i n g met de n o d i g e a a n v u l l i n g e n ( z i e b r i e f RdMZ d.d. 15 September 1988) kan worden v o l s t a a n . de t e r m i j n v o o r h e t v a s t s t e l l e n v a n een t e r bescherming s t r e k k e n d bestemmingsplan a l s b e d o e l d i n a r t i k e l 36, e e r s t e l i d , v a s t t e s t e l l e n op twee j a a r , t e r e k e n e n v a n a f de datum van d i t b e s l u i t . Van d i t b e s l u i t , waarvan m e d e d e l i n g z a l worden gedaan i n de S t a a t s c o u r a n t , z a l a f s c h r i f t worden gezonden aan de Raad v o o r h e t c u l t u u r b e h e e r de raad v a n de gemeente Ommen, Gedeputeerde S t a t e n v a n O v e r i j s s e l , en de R i j k s p l a n o l o g i s c h e Commissie.

VILSTEREN gemeente Ommen

BESCHERMDE S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN

B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 20 V A N DE M O N U M E N T E N W E T

VILSTEREN gemeente Ommen Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Vilsteren als beschermd dorpsgezicht.

Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 332) door een stippellijn omgrensde gebied. Publikatie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. November 1987.

Inleiding Vilsteren (gemeente Ommen) is een klein dorp in Salland, gelegen in de nabijheid van de Overijsselse Vecht. Aan het eind van de 18de eeuw is de nederzetting in zijn geheel opgenomen in het landgoed Vilsteren. Door het functioneren als deel van het landgoed zijn zowel de ruimtelijke structuur als de individuele bebouwing van het dorp in hoge mate beinvloed. Er is een karakteristiek geheel ontstaan waarin enerzijds de grondtrekken van het oorspronkelijke esdorpje nog zichtbaar zijn, terwiji anderzijds de latere landgoed-ontwikkelingen duidelijk hun sporen hebben nagelaten. Tot op heden is het eigen historisch bepaalde karakter van Vilsteren bewaard gebleven. De aanwijzing als beschermd dorpsgezicht is erop gericht de kenmerkende ruimtelijke structuur in samenhang met de bebouwing ook in de toekomst te bewaren. Ontstaan en ontwikkeling Vilsteren wordt voor het eerst in de bronnen genoemd in 1244, mogelijk bestond de nederzetting al in de Karolingische Tijd. Elders in het omringende gebied was in die periode eveneens bewoning. De nederzetting is waarschijnlijk ontstaan met de ontginning van stukken bos op de zuidelijke Vechtoever. De boerderijen werden zo gunstig mogelijk gesitueerd ten opzichte van de lage grond vlak langs de rivier, die als wei- en hooiland benut kon worden, en de hogere grond wat verder af, die als bouwland kon functioneren.

Uit dergelijke ontginningen ontstonden tal van nederzettingen aan de Vecht, behalve Vilsteren onder andere ook Beerze, Rheeze en Junne. Mogelijk heeft de ontginning plaatsgevonden vanuit een hof van de bisschop van Utrecht. Deze hof, waar in 1381 sprake van is, was aanvankelijk een centrum van waaruit de omliggende boerderijen van horigen werden beheerd en later een meer administratief centrum voor de ontvangst van verplichte leveringen van landbouwproducten en betalingen. In de late Middeleeuwen kwam een systeem van permanente akkerbouw in zwang, waarbij voornamelijk rogge werd verbouwd. Het vee werd gehouden om in de mestbehoefte van de op zandgrond gelegen akkers te voorzien en daarnaast voor de levering van melk en vlees. De schapen werden geweid op de heide en het rundvee op de groengronden langs de rivier. De stalmest werd, vermengd met heideplaggen, van tijd tot tijd op de akkers gebracht die aldus langzaam opgehoogd werden.

2

In de loop der eeuwen ontstond een zogenaamd esdek. Ook de drie akkercomplexen (essen) waaraan de Vilsterse boerderijen liggen, zijn van een dergelijk esdek voorzien. Vermoedelijk is de middelste es, later Molenesch genoemd, de oudste van de drie. In 1328 wordt het erf (boerderij) Ten Grotenhuys genoemd, en rond 1380 de erven Engelbertinch, Grote Luttike Meijerinch, Vilstermansgoet en Santhuys of Luttyckhof. Op de hof woonde Herman van Vilsteren, een leenman van de Utrechtse bisschop. In 1457 bestond Vilsteren uit zes erven: Nyenhues, ten Groten Hove, ten Lutken Hove, Meyering, Gherner en Berchem, met 45 bewoners. De hof stond bij ten Lutken Hove, vermoedelijk de latere boerderij Op de Hof. De boerderijen lagen in meerderheid tussen de essen en de heide, die voor het oorspronkelijke bos in de plaats was gekomen. Het wei- en hooiland lag tussen de essen en de Vecht. De ruimtelijke opbouw van Vilsteren in de Middeleeuwen is globaal weergegeven in afb. I. Van cruciaal belang voor de akkerbouw was het houden van voldoende vee en daarmee de oppervlakte woeste grond. In de 13de eeuw nam de bevolking echter sterk toe met als gevolg nieuwe heide-ontginningen. Om het areaal woeste grond in stand te houden, werden vervolgens in de tweede helft van de 13de eeuw markegenootschappen opgericht waarin grondeigenaren en -gebruikers zich verenigden. Binnen bepaalde territoria

stelde men regels op die vooral betrekking hadden op de instandhouding van de woeste grond. Ook in Vilsteren werd een markegenootschap opgericht met een territorium van meer dan honderd hectare, waarbij veertig hectare bouwland. Tevens nam Vilsteren, met zes omliggende buurtschappen, deel in de woeste-grondmarke Dalmsholt. Hierdoor had men de beschikking over relatief veel woeste grond en kon er in Vilsteren nog plaats gemaakt worden voor nieuwe ontginners. In de 16de eeuw werden er dan ook twee boerderijen bijgebouwd, Bustink en Seyger. Ook hadden keuters, niet in de marke gerechtigde kleine boeren, meer rechten dan elders. Het is niet bekend of bij aanvang van de marke de deelnemende erven zelfstandig waren of dat er concentratie van bezit was. Later is dat wel het geval: voor het midden van de 17de eeuw waren er vier erven in handen van een eigenaar gekomen. In 1664 telde de marke elf huizen met zestig inwoners. In 1675 werd een rooms-katholieke kerk gebouwd op het erf Gherner, aanvankelijk een huis met schuurkerk. Tegen de helft van de 18de eeuw stonden er in het dorpsgebied 21 huizen met 141 inwoners. Inmiddels had een verdere concentratie van bezit plaatsgevonden waarmee de basis voor het latere grote landgoed gelegd werd. De nederzetting groeide omdat op initiatief van de landgoedeigenaren stukken van de heide en van het resterende bos ontgonnen en daarna

o o CM CJl Ol

in o

verpacht werden. Aan het eind van de 18de eeuw was de marke Vilsteren deel van het landgoed geworden. Alle boeren waren voortaan pachters. Het landgoed besloeg meer dan duizend hectare en omvatte het markegebied met negen erven en tien keuterboerderijen, het oude landhuis bij Luttikhof, en een in het laatste kwart van de 18de eeuw gebouwd nieuw landhuis. Volgens een beschrijving uit 1 7 3 0 was het oude landhuis 'een vraej rondsom opgemetseld en met blauw gesmoorde pannen gedect spijcker'. Een spijker is oorspronkelijk een voorraadschuur (in dit geval waarschijnlijk oorspronkelijk behorend bij de bisschoppelijke hof) die via uitbreiding gaandeweg uitgroeit tot een adellijk woonhuis. Het nieuwe landhuis werd rond 1820 weer afgebroken. De kadastrale minuut geeft de situatie van 1821 weer (fotobijlage, afb. 1). De boerderijen liggen aan de zuidelijke randen van de drie essen, met enige concentratie bij de middelste es. In de namen van de erven is een aantal overeenkomsten met de opsomming van 1 4 5 7 : Gherner-Gerdener, Berchem-Borrink, terwiji Nieuwmeyer een afsplitsing of voortzetting van Meyering zal zijn. De naam Nyenhuis komt niet op de minuut voor, maar het erf bestond nog wel in 1821 en is nu erve Nienis. De in de 16de eeuw gestichte erven Bustink en Seyger komen in 1821 voor als Bustink en Ziegers. Het in 1457 genoemde Ten Groten Hove bestond eveneens nog in 1 8 2 1 .

Een aantal van deze boerderijen is ook nu nog aanwezig. Ook de boerderij Den Hof en het Huis Vilsteren, het landhuis dat vermoedelijk in de plaats van de 'spijker' is gebouwd, zijn bij de middelste es gesitueerd. Erachter ligt een 18de-eeuwse plantage-aanleg, waarvan op de kaart slechts het omgrachte eiland en enkele paden zichtbaar zijn. Opvallend op de kaart zijn de hooibergen op de erven en enkele (in plattegrond) achthoekige schaapskooien. De meeste boerderijplattegronden laten in de achtergevel inspringende deeldeuren zien. Aan de noordkant van de essen ontbreekt bebouwing, het wei- en hooiland strekt zich uit tot aan de Vecht. De ruimtelijke geleding van de nederzetting verschilt niet van die in de Middeleeuwen. Globaal ten zuiden van de erven loopt de w e g die op enige afstand de Vecht volgt en Vilsteren verbindt met in het oosten Ommen en in het westen Dalfsen. Tussen de essen liggen enkele erven aan paden. Ook de in 1816 vernieuwde kerk ligt aan een pad, tussen de (latere) Molenesch en de Groote Esch. Aan het eind van de jaren dertig van de 19de eeuw werd een weg

aangelegd van Zwolle, over Vilsteren, naar O m m e n . Voor het landgoed was de weg van groot belang voor het vervoer van hout. In verband met de toegenomen vraag naar mijn- en scheepshout was het bosareaal op het landgoed aanzienlijk uitgebreid. In Vilsteren werd de weg (nu de Vilsterseweg) over de meest oostelijke es gelegd (fotobijlage, afb. 2 en 3). Eveneens in de jaren dertig werd het park rond het landhuis vernieuwd. In het dorp werd een keuterboerderij afgebroken. Grotere veranderingen kwamen na 1850 op gang toen de eigenaar van het landgoed aanzienlijke bedragen investeerde in de bouw van nieuwe en de verbouw van bestaande boerderijen. Een boerderij werd afgebroken en op een andere plaats weer opgebouwd, twee andere werden opnieuw opgetrokken. Diverse boerderijen werden verbouwd, terwiji op de erven tal van nieuwe potstallen en varkenshokken verrezen. Bovendien werden een molen (1858), een bakkerij en een (boekweit) grutterij gebouwd. Met de bouwinspanning in de jaren 1 8 5 0 - 1 8 7 5 kreeg Vilsteren gedeeltelijk het huidige, sterk 19de-eeuwse en door het landgoed bepaalde aanzien. Na de invoering van de Markenwet in 1886 werden de gemeenschappelijke woeste gronden onder de gerechtigden verdeeld en naderhand veelal ontgonnen. In Vilsteren, waar de gehele marke in handen van een persoon was, bleef de situatie als voorheen.

De landgoedeigenaar beschikte over de woeste grond en liet soms een stuk tot bos of bouwland ontginnen. De bosexploitatie nam echter aan het eind van de 19de eeuw af toen de vraag naar hout daalde. Al eerder had zich een verandering voltrokken in het landbouwsysteem, waarbij de veeteelt op de eerste plaats was gekomen. De akkerbouw was ondergeschikt geworden en niet langer was rogge het eindproduct van het boerenbedrijf. Vlees, melk en boter waren de nieuwe producten die op de markt verhandeld werden. Rond de eeuwwisseling traden enkele wijzigingen op in de bebouwing van het dorp, die echter niet van invloed waren op de structuur van de nederzetting. Nadat de oude kerk was ingestort werd in 1897 op kosten van de landgoedeigenaar een nieuwe gebouwd naar ontwerp van de Arnhemse architect Boerbooms. Bij het neo-gotische gebouw verrees in 1900/1901 een pastorie op de plaats van de ingestorte kerk. Een nieuw landhuis werd in 1908 gebouwd na afbraak van het oude huis. Het ontwerp was van Ed. Cuypers. Bij het huis werden een

tuin, een doolhof en een pinetum aangelegd. Door aansluiting op de spoorlijn Z w o l l e - O m m e n kreeg Vilsteren een betere verbinding met de buitenwereld. In 1906 werd een station gebouwd bij de kruising van de spoorlijn met de weg van het dorp naar het Achterveld. In het dorp werd in deze periode nog een enkel huis gebouwd. Hoewel tussen 1880 en 1940 het inwonertal van Vilsteren rond de 160 bleef schommelen, kreeg de nederzetting qua beroepssamenstelling een meer gedifferentieerd karakter. Dit weerspiegelde zich in de bebouwing die in de bestaande structuur werd ingepast. Er kwamen woningen voor de smid, de onderwijzer, de stationschef en enkele anderen. Na 1945 kwam een herverkaveling van het bouwland op de essen op gang, waardoor een meer rationele bedrijfsvoering mogelijk werd. Ook werden bedrijfsgebouwen verbeterd en uitgebreid. In de jaren zestig deden grote varkensschuren en ligboxenstallen hun intrede. De boerenbedrijven werden groter, het aantal pachters verminderde. In toenemende mate werd bouwland omgezet in grasland. Binnen het dorp werd het aantal woningen verder uitgebreid. In 1970 telde Vilsteren zo'n vijftig huizen. Het landgoed was inmiddels na een erfdeling in 1949 tot ongeveer honderd hectare ingekrompen. Naderhand werd het een naamloze vennootschap die in 1973 werd omgezet in Het Landgoed Vilsteren BV. Het beheer kwam in handen van de Heidemij.

Het landhuis werd onderkomen van een kostschool. De boerderijen werden op enkele na verkocht aan de pachters. Het landgoed hield echter op een aantal punten zeggenschap over de gebouwen: schilderwerk dient nog altijd te gebeuren in de kleuren van het landgoed, voor verbouwingen moet toestemming verleend worden en de bestemming van de panden mag niet gewijzigd worden. Huidig ruimtelijk karakter en typering te beschermen waarden De historisch-ruimtelijke structuur van Vilsteren wordt bepaald door de constellatie van het oorspronkelijke esdorp met de kenmerken van het latere landgoed, en de doorsnijding van het geheel door de Vilsterseweg. Het beschermingsbelang van het dorp is dan ook gelegen in het bewaren van deze zeldzame en gaaf bewaarde historisch-ruimtelijke structuur in samenhang met de historisch waardevolle bebouwing en het beplantingspatroon. De structuur van het oorspronkelijke esdorp is bewaard gebleven in het patroon van wegen en paden 3

(Vilsterse Allee, Siegersteeg, Stuwepad) tussen de oorspronkelijke oude bouwlandcomplexen, met daaraan de boerderijen gesitueerd in schijnbaar willekeurig verband. Met name aan de Siegersteeg is deze situatie door de aanwezige agrarische bedrijven duidelijk. De ligging van de boerderijen aan het begin van de steeg staat in verband met de middelste dorpses, de M o l e n e s c h ; erve Siegers aan het eind van de Siegersteeg is gericht op de Groote Esch. Het erf en het bouwland gaan hier, door het vrijwel ontbreken van opgaande erfbeplanting, in elkaar over. De Molenesch is aan de zuidzijde niet door bebouwing van de Vilsterseweg gescheiden. Zowel het agrarisch karakter van het dorp wordt hierdoor geaccentueerd, alsook de voor een esnederzetting kenmerkende situatie waarin de dorpsbebouwing en het bouwland aan elkaar grenzen. Aan de noordkant van de es sluit een strook geaccidenteerd terrein, De Bergjes, voorzien van bossages, het akkerland af. De achterliggende Vecht is hierdoor onzichtbaar, zodat er tussen de rivier en het dorp geen visuele relatie bestaat. De Vilsterseweg is in visueel opzicht als later aangelegd structuurelement herkenbaar door de exclusieve orientatie van de jongere bebouwing op de w e g . Dit in tegenstelling tot de boerderijen aan de oudere wegen en paden met hun wisselende orientatie.

De kenmerkende open ruimtes tussen de boerderijen zijn vrijwel overal in het dorp verdwenen ten gevolge van het bouwen van losstaande huizen, vooral in de periode tussen de eeuwwisseling en circa 1970. De boerderijen van het dorp dateren merendeels uit de tweede helft van de 19de eeuw, en zijn van het in de streek gangbare hallehuistype. De hoofdgebouwen zijn opgetrokken in schoon metselwerk, het wolfsdak is met pannen of riet gedekt. De luiken, geschilderd in de kleuren groen en creme, geven de band met het landgoed aan. Op de meeste erven staan agrarische bedrijfsgebouwen, zowel oude schuren als moderne ligboxenstallen. Overheerst ten noorden van de Vilsterseweg globaal het esdorpaandeel binnen het huidig ruimtelijk karakter, ten zuiden van de weg en van de Vilsterse Allee is het landgoed structuur- en beeldbepalend. Het grote landhuis is centraal gesitueerd op een ruim en als park aangelegd terrein, dat in het oosten en het zuiden overgaat in bos. Hierdoor wordt met name het karakter van de zuidzijde van het dorpsgezicht bepaald door open ruimtes, begrensd door bosranden, met overwegend losse bebouwing en doorsneden met rechte wegen en paden. Hoewel in mindere mate is ook

4

westelijk een overgang van park naar bos aanwezig, waarin de nieuwbouw aan de Gravendijk zowel in structureel als in visueel opzicht een nieuw element vormt dat zich goed in de ruimtelijke opbouw voegt. Oostelijk wordt aan de overgang tussen bos en bouwland een opmerkelijk accent verleend door de ligging van het erve Gerner in de bosrand. Aan deze zijde vormt het sterke contrast tussen de omvangrijke open ruimte van de Groote Esch en het besloten, door beplanting bepaalde dorp een waardevol element in de karakteristiek. De meest aanzienlijke bebouwing van het dorp: het landhuis, de kerk en de pastorie, is gesitueerd in de nabijheid van de driehoekige ruimte tussen de Vilsterseweg, de Vilsterse Allee en de Borrinkdijk. Deze onbebouwde ruimte, ontstaan bij aanleg van de Vilsterseweg, heeft door de beplanting, gras met aan drie zijden een haag, een enigszins brinkachtig karakter gekregen. Hierdoor is in het dorp, hoewel er in het bebouwingspatroon geen duidelijk centrum is, een ruimtelijk zwaartepunt ontstaan. De genoemde aanzienlijke bebouwing dateert uit de periode rond 1900. De opvallende hoge stellingmolen ten noorden van de Vilsterseweg is tegen het eind van de 19de eeuw herbouwd. Te zamen met de 19de-eeuwse boerderijen, geeft deze beeldbepalende bebouwing het dorpsbeeld als geheel een sterk 19de- en vroeg20ste-eeuws accent.

Dit geldt zowel voor het gedeelte waar agrarische kenmerken overheersen, als voor het gedeelte waar het landhuis dominant is. Daarnaast wordt de ruimtelijke samenhang tussen de beide dorpsdelen versterkt door de laanbeplanting aan het merendeel van de wegen. Omgrenzing De grens van het beschermd dorpsgezicht Vilsteren is zodanig gekozen dat een gedeelte van het historisch bouwland van het dorp, alsook een deel van het dorpsgebied dat qua aanzien sterk door het aanwezige landgoed bepaald is, in het beschermd gebied zijn opgenomen. De historisch-ruimtelijke structuur van de eigenlijke nederzetting valt in zijn geheel binnen de omgrenzing. Op de bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 332) is de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht weergegeven. Rechtsgevolg aanwijzing Ter effectuering van de bescherming van het aangewezen dorpsgezicht moet ingevolge artikel 3 7 , lid 8 van de W e t op de Ruimtelijke

Ordening een bestemmingsplan worden ontwikkeld. De toelichting op de aanwijzing als beschermd dorpsgezicht kan daarbij wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is, de karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te geven voor een ruimtelijke ontwikkeling, die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt.

Geraadpleegde literatuur: Steen, G. en Veldsink, W. De geschiedenis van O m m e n . Ommen, 1948. Verrips-Roukens, K. Over heren en boeren. Een Sallands landgoed. 1 8 0 0 - 1 8 7 7 . 's-Gravenhage, 1 9 8 2 . Wonink, H. Langs de Overijsselse Vecht. Zwolle, 1983.

CQ

o o

CM 01

o CD

o

Colofon: Uitgave van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Historisch-geografisch en stedebouwkundig onderzoek: Drs. M . Kooiman, Utrecht. Foto's: Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers, Apeldoorn (afb. 1); Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist (afb. 2, 3); Topografische Dienst, Emmen (omslag). Kaart en illustratie in de tekst: Studio Ineke van der Burg, Bilthoven. Verkoopprijs f 10,-. Deze publikatie is schriftelijk of telefonisch te bestellen bij het Distributiecentrum D O P Postbus 2 0 0 1 4 2 5 0 0 EA 's-Gravenhage. Telefoon: 0 7 0 - 7 8 98 8 0 . Onder vermelding van bestelnummer of ISBN 9 0 3 4 6 1221 X. Druk: Staatsdrukkerij, 's-Gravenhage. 5

Fotobijlage

T V

U

. O'*

V.

.V

5

*,

;.\\-

I v '• *•

A:-

•-•v,

X.-

Life

///'

if

in

mmy,........

... .„

ll.-

1

:'

//

.4

A f b . 2. Topographische en Militaire Kaart van het Koningrijk der Nederlanden, 1973 (facsimile herdruk van 1851), bladen 21 en 2 2 , fragment.

7

IMtOVIMIK

OVKIU.ISSKI,

O K .M I ". K N T K, AM NT

/Il'l7l>

/Inm/ris. Jtiji) Im—met*

Afb. 3. J . Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, 1867, provincie Overijssel, gemeente O m m e n .

8

OAfMKX.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16910720/1