CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing Koloniedijk 1 Vinkenbuurt

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen vergunningaanvraag Koloniedijk 18.415 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. Omgevingsvergunning buitenplanse afwijking

Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. Koloniedijk 1 7739 PA VINKENBUURT

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

Initiatiefnemer:

Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. Koloniedijk 1 7739 PA VINKENBUURT

Initiatieflocatie:

Koloniedijk 1 7739 PA VINKENBUURT

Opdrachtnemer:

VanWestreenen B.V. Varsseveldseweg 65-d 7131 JA LICHTENVOORDE T: 0544-379737 E: info@vanwestreenen.nl

Rapportage:

Definitief, versie 3 (29-07-2025)

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

2

INHOUD 1.

2.

INLEIDING ................................................................................................................................................ 4 1.1

AANLEIDING EN DOEL ................................................................................................................................... 4

1.2

PLANGEBIED ............................................................................................................................................... 5

1.3

PLANOLOGISCHE SITUATIE ............................................................................................................................. 6

1.4

LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 8

PLANBESCHRIJVING.................................................................................................................................. 9 2.1

3.

4.

5.

TOEKOMSTIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 9

BELEIDSKADER ....................................................................................................................................... 12 3.1

RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12

3.2

PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 12

3.3

GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................ 17

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ........................................................................................................ 18 4.1

GEUR ...................................................................................................................................................... 18

4.2

GELUID.................................................................................................................................................... 18

4.3

LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 19

4.4

BODEM ................................................................................................................................................... 19

4.5

NATUUR .................................................................................................................................................. 19

4.6

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE ............................................................................................................. 20

4.7

WATER.................................................................................................................................................... 21

4.8

VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 22

4.9

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ................................................................................................................... 22

4.10

EXTERNE VEILIGHEID .................................................................................................................................. 24

4.11

KABELS EN LEIDINGEN................................................................................................................................. 24

4.12

MER ....................................................................................................................................................... 25

UITVOERBAARHEID ................................................................................................................................ 27 5.1

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................................................................................ 27

5.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ......................................................................................................... 27

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

3

1.

INLEIDING

1.1 AANLEIDING EN DOEL Initiatiefnemer, Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V., exploiteert een loon- en grondverzetbedrijf op het perceel Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt. De initiatiefnemer is voornemens een extra activiteit toe te voegen aan de huidige bedrijfsvoering. De activiteit betreft het persen en verwerken van groenloof. Hoewel deze activiteit plaats zal vinden binnen het huidige bestemmingsvlak, heeft de gemeente Ommen aangegeven dat het persen van groenloof niet worden beschouwd als reguliere activiteit die behoort bij een loon- en grondverzetbedrijf. Daarnaast is de initiatiefnemer van plan twee sleufsilo’s, een weegbrug en nieuwe inrit te realiseren buiten het bouwvlak. De sleufsilo’s zijn bedoeld voor de opslag van het groenloof en de uitgeperste groenvezels (het eindproduct). Het ‘sap’ dat vrijkomt bij dit proces zal worden opgevangen in het bestaande bassin. Het is daarbij wenselijk om een nieuwe inrit inclusief weegbrug te realiseren om efficiënt bij de sleufsilo’s te komen en niet het gehele terrein over te hoeven rijden. De sleufsilo’s zullen direct aansluitend aan het bestaande bestemmingsvlak worden gesitueerd. Het vigerend planologisch regime voorziet niet in een binnenplanse bevoegdheid om de beoogde sleufsilo’s op te richten. Middels het aanvragen van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art.

2.12 lid 1, sub a onder 30 Wabo) kan de geconstateerde strijdigheid worden opgeheven. Het is aan initiatiefnemers om te motiveren dat de beoogde ontwikkeling (realiseren van twee sleufsilo’s buiten het bestemmingsvlak en het toevoegen van een activiteit, niet behorend tot een regulier loon- en grondverzetbedrijf) voldoet aan een ‘goede ruimtelijke ordening’, waarbij de haalbaarheid van het initiatief wordt getoetst aan relevante beoordelingskaders en de geldende wetgeving. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing (ROB) voorziet hierin.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

4

1.2 PLANGEBIED Het plangebied is gelegen aan de Koloniedijk 1, in het buitengebied van Vinkenbuurt, gemeente Ommen. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Ommen (OMN01), sectie I, nummers 1326 en 1327. In onderstaande afbeeldingen is een luchtfoto van het bedrijf opgenomen; het specifieke besluit- c.q. plangebied van de erfuitbreiding, activiteit, de beoogde inrit en de sleufsilo’s welke deels buiten het bestemmingsvlak zijn gesitueerd zijn rood omlijnd aangeduid.

Afbeelding 1 Plangebied Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt (bron: Streetsmart luchtfoto 2023)

Afbeelding 2 Plangebied Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt (bron: Streetsmart luchtfoto jul 2024)

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

5

1.3 PLANOLOGISCHE SITUATIE Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2013-2’ (vastgesteld 30-10-2014) heeft het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijf’, welke tevens vigeert als bouwvlak. In onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de plankaart behorend bij het bestemmingsplan waarbij het bestemmingsvlak is gearceerd met oranje. Verder heeft het bestemmingsvlak de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Tevens heeft het bestemmingsvlak de functieaanduiding ‘agrarisch loonbedrijf;’ en de maatvoering ‘Maximum bebouwingspercentage (%): 40’. Daarnaast hebben de gronden de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied’.

Afbeelding 3 Uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening 2013-2’ (bron: omgevingswet.overheid.nl)

In artikel 36 van het vigerende bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor overschrijding van de maatvoering en bouwgrenzen. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels van het plan voor (sub b) een overschrijding van de bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, van maximaal 3 meter toegestaan. Deze afwijkingsmogelijkheid heeft betrekking op de gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden”. Als binnen de bestemming “Agrarische doeleinden” de bouwgrens van het bouwvlak wordt overschreden, kan artikel 36 onder voorwaarden worden toegepast. Het bedrijf ligt echter binnen de bestemming “Bedrijf”. De beoogde sleufsilo’s zijn voorzien op onbebouwde agrarische grond. Nu niet buiten het agrarisch bouwvlak, maar de bestemmingsgrens wordt gebouw kan artikel 36 in onderhavige situatie niet worden toegepast. Bovendien, de gronden waarop de erfuitbreiding t.b.v. sleufsilo’s zijn beoogd vallen onder het regime van een ander bestemmingsplan, namelijk het bestemmingsplan ‘Ommen bestemmingsplan buitengebied, 2010’. De gronden waarop de beoogde erfuitbreiding plaatsvindt zijn op basis van dit bestemmingsplan bestemd met ‘Agrarische doeleinde (A)’ in de gebiedsbestemming ‘landbouwontwikkelingsgebied. Deze gronden hebben geen archeologische aanduiding/dubbelbestemming.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

6

Een kaartuitsnede van dit bestemmingsplan is bijgevoegd op de volgende pagina.

Afbeelding 4 Uitsnede ‘Ommen bestemmingsplan Buitengebied, 2010’ (bron: Ommen.nl)

Op grond van artikel 3.2.1 sub e van het bestemmingsplan ‘Ommen bestemmingsplan Buitengebied 2010’, is in afwijking van het bepaalde onder a, buiten het bouwvlak – behalve bij bouwvlakken met de sub-bestemming Av, maar binnen een zone van 50 meter vanaf de grens van het bouwvlak, een complex van aaneengesloten voorzieningen zoals sleufsilo’s, kuilvoerplaten, pot- en containerteelt, buitenrijbanen, foliebassins en mestzakken toegestaan, met dien verstande dat voldoende afstand tot omliggende hindergevoelige objecten in acht wordt genomen. Echter, het plangebied heeft met de herziening 2013-2 een bedrijfsbestemming gekregen. Artikel 3.2.1 sub e is derhalve niet toepasbaar in onderhavige situatie. Op dit punt ontstaat dan ook strijdigheid met in feite beide bestemmingsplannen (2010 en 2013-2). Voorliggende onderbouwing dient enerzijds voor het opheffen van deze strijdigheid. Op grond van artikel 32, tabel 6 is voor het aanbrengen van overige verharding een aanlegvergunning vereist. Zoals eerder aangegeven, heeft de gemeente Ommen vastgesteld dat het verwerken en persen van groenloof niet valt onder de reguliere activiteiten van een loon- en grondverzetbedrijf. Om die reden is verzocht om aan te tonen dat de voorgestelde nieuwe activiteiten passen binnen de categorieën 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, of gelijkwaardig zijn qua aard en omvang.

Bedrijven of activiteiten die binnen de categorieën 1 of 2 vallen, worden namelijk geacht passend te zijn binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan. Resumé, middels voorliggende omgevingsvergunning wenst initiatiefnemer de strijdigheid m.b.t. het aanleggen van de sleufsilo’s (buiten bestemmingsvlak) op te heffen. Eveneens bevat deze ruimtelijke onderbouwing ten een toelichting waaruit blijkt dat het verwerken van groenloof valt onder een categorie 2 bedrijfsactiviteit. Dit wordt nader onderbouwd in hoofdstuk 4, waarin de milieu- en omgevingsaspecten worden getoetst.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

7

1.4

LEESWIJZER

In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader met bijbehorende randvoorwaarden uiteengezet. Hoofstuk 4 bevat een beschrijving van de relevantie omgevings- en milieuaspecten en de toetsing (haalbaarheid) van de beoogde bedrijfsopzet hieraan. In het laatste hoofdstuk wordt ingegaan op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

8

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1 TOEKOMSTIGE SITUATIE Het verwerken van groenloof Initiatiefnemer is voornemens een nieuwe activiteit toe te voegen aan de huidige bedrijfsvoering. Eind 2021 is een melding op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer geaccepteerd voor het opslaan en persen van groenloof (Z2021-0009079). Onderhavige aanvraag ziet toe op het planologisch vastleggen van deze activiteit. Het proces van het opslaan en verwerken van groenloof verloopt als volgt:

Afbeelding 5 proces verwerken groenloof

Het proces begint met de aanvoer van groenloof door vrachtwagens. Omdat het ongewenst is dat vrachtwagens het gehele terrein overrijden, wat mogelijke veiligheidsrisico's met zich mee kan brengen, is het wenselijk om een nieuwe inrit inclusief weegbrug aan te leggen. Daarnaast zou het oversteken van het gehele terrein ten koste gaan van de efficiëntie van zowel de bestaande bedrijfsactiviteiten als de nieuwe activiteiten. Het groenloof wordt via de nieuwe inrit het terrein op gereden en direct gelost in de nieuw te realiseren sleufsilo’s. Vervolgens wordt het gezeefd, gefilterd, versneden en tot slot geperst. Uit dit proces ontstaan twee stromen: groenvezel, dat wordt opgeslagen in een sleufsilo, en sap dat vrijkomt tijdens het persen van het groenloof. De uiteindelijke bestemming van het sap is afhankelijk van de waarde die het blijkt te hebben. Indien het sap voldoet aan de juiste kwaliteitseisen, kan het worden uitgereden op het land als vervanger van kunstmest. Deze “kunstmest-vervanger” wordt louter uitgereden op landbouwgrond van derden. Wanneer het sap hier niet aan voldoet aan de kwaliteitseisen, zal het worden afgevoerd. In beide gevallen zal het eerst worden opgeslagen in het bestaande bassin. De groenvezel wordt eveneens afgevoerd en kan worden gebruikt als grondstof door derden. Op de locatie zelf wordt verder niets gedaan met deze twee stromen.

De activiteit past binnen de context van een rustig buitengebied, waar agrarische/mechanische bedrijven al aanwezig zijn. De ruimtelijke impact ten opzichte van het reeds bestaande bedrijf is beperkt: de sleufsilo’s, weegbrug en nieuwe activiteiten worden direct aansluitend aan het bestaande bestemmingsvlak gesitueerd, aan de zijde waar bovendien geen gevoelige gebouwen of functies van derden aanwezig zijn. De verkeersbewegingen blijven beheersbaar dankzij de efficiënte terreinindeling en de nieuwe inrit, waardoor vrachtwagens niet het gehele terrein hoeven over te rijden. Het verwerken van groenloof is een activiteit die niet specifiek is opgenomen binnen de lijst van activiteiten van de VNG-brochure en kan sec op grond daarvan ook niet worden ingedeeld als activiteit van een bepaalde milieuactiviteit. In onderhavige ROB zal voor milieuaspecten worden onderbouwd dat er sprake is van (gelijkwaardigheid aan) activiteiten van milieucategorie 1 of 2. Hierbij worden de milieuaspecten zoals geur, geluid, stof en gevaar in combinatie met de feitelijke milieubelasting beschouwd. ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

9

Ten aanzien van het aspect geur kan worden vermeld dat bij het verwerkingsproces geen significante geuremissie en i.c.m. de relatief grote afstand tot woningen van derden ook geen negatieve gevolgen voor derden zijn te verwachten (zie ook paragraaf 4.1). Dit milieuaspect wordt niet als belemmerend geacht voor het beoogde initiatief. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de verwerking geen significante geluidshinder veroorzaakt (zie paragraaf 4.2) Het zeven, filteren, versnijden en persen van groenloof zijn mechanische processen die geen significante emissies of geurhinder genereren en daarmee in overeenstemming zijn met dienstverlening ten behoeve van de landbouw. Daarnaast wordt het vrijkomende sap gecontroleerd opgevangen en opgeslagen in een bestaand bassin, wat eventuele risico’s op bodem- of milieubelasting minimaliseert. De gevolgen van alle bedrijfsactiviteiten (reguliere bedrijfsactiviteiten met grondverzet en groonloofverwerkingsactiviteiten) zijn redelijkerwijs aan te merken als een ‘niet in betekenende mate’ verslechtering van de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan de grenswaarden voor de luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer (zie ook paragraaf 4.3). Grote interne bronnen voor emissie van luchtverontreinigende stoffen zijn namelijk niet aanwezig op onderhavige locatie.

Daarbij is ook geen sprake van nabijgelegen grote externe bronnen voor de emissie van luchtverontreinigende stoffen. De luchtkwaliteit (stof) is daarmee niet belemmerend voor de verwerking van het groenloof. Ten aanzien van het milieuaspect gevaar kan worden vermeld dat het initiatief geen betrekking heeft op een (beperkt) kwetsbaar object. Ook heeft het initiatief geen betrekking op een eigen gevaar bron. Externe veiligheid is daartoe geen belemmerende factor voor het planvoornemen. Zie ook paragraaf 4.10. Uit toetsing uit de milieuaspecten kan worden geconcludeerd dat, uit praktisch oogpunt bezien, het verwerken van groenloof gelijkwaardig te stellen is aan een milieucategorie 1 of 2 activiteit, daar waar op deze aspecten op voorhand geen bezwaren zijn te verwachten. Hiermee is de beoogde activiteit niet strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Bedrijven of activiteiten die binnen de categorieën 1 of 2 vallen, worden namelijk geacht passend te zijn binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan.

Erfuitbreiding – Sleufsilo’s, weegbrug en inrit De initiatiefnemer is voornemens om twee sleufsilo’s te realiseren voor de opslag van groenloof en groenvezel (eindproduct), evenals een weegbrug en een nieuwe inrit, deels buiten het bestaande bestemmingsvlak. De sleufsilo’s zullen elk een maximale inhoud hebben van 5.000 m³ en worden voorzien van keerwanden met een hoogte van 1,90 meter (maximale bouwhoogte sleufsilo’s bedraagt 2 meter, artikel 3.2.2 lid i). Deze silo’s worden aangelegd volgens de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer: vloeistofkerend en met een afschot. Bij de sleufsilo’s wordt een afvoergoot geïnstalleerd die vloeistoffen via een percolator afvoert naar het bestaande bassin. Hiermee wordt voorkomen dat vloeistoffen in de bodem infiltreren of ongecontroleerd worden geloosd. De aanleg van een nieuwe inrit, inclusief een weegbrug, maakt het mogelijk de rijroute langs de bedrijfswoning en over het erf te verleggen. Dit verbetert zowel de verkeersveiligheid als de erfveiligheid.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

10

2.2 LANDSCHAPPELIJKE INPASSING In de beoogde situatie worden geen sloten of andere oppervlaktewateren gedempt. Hieronder is een situatieschets opgenomen van de geplande voorzieningen. Daarnaast is een schets op A3-formaat, waarin de voorzieningen en landschappelijke inpassing worden weergegeven, opgenomen in bijlage 1. De uitbreiding van het erf wordt, net als in de huidige situatie, omringd en landschappelijk ingepast met opgaand groen waarbij de navolgende uitgangspunten worden gehanteerd (n.a.v. advies Oversticht, d.d. 29 augustus 2024 + d.d. 24 juni 2025): -

-

Aan de noordzijde worden parallel aan de Koloniedijk enkele vrijstaande eiken geplant (nr. I). Hierbij worden de aanwezige bomen (o.a. kastanjes bij hoofdingang) behouden; Langs de watergang aan de oostgrens tot aan de sloot aan de zuidgrens wordt opgaande beplanting (elzen of essen, plantafstand 5 m h.o.h) aangeplant (nr. II); Tegen de buitenwanden van de sleufsilo’s zal een grondwal worden aangelegd (om het zicht op het beton te ontbreken). Deze grondwal zal worden beplant met streekeigen struiken (nr. III: kardinaalsmuts, Gelderse roos, veldesdoorn, haagbeuk en lijsterbes); In de zuidhoek van de beoogde sleufsilo’s/ grondwal loopt wordt een houtsingel aangeplant (nr. IV). Deze singel sluit in een 90-hoek aan op de elementen nr. II en III. In westelijke richting sluit deze inrichtingsmaatregel (nr. IV) aan op de bestaande houtwal. Op deze wijze is het perceel dus ook aan de zuidzijde groen omzoomd.

Afbeelding 6 situatieschets beoogde situatie

Vanuit het Oversticht is het advies gegeven om ook de grondwal aan de noordzijde van het mestbassin te beplanten met streekeigen struiken. Het is niet mogelijk om dit advies te verwerken in het ontwerp om navolgende redenen. Ten eerste staat er om veiligheidsredenen een hekwerk rondom de wal. Bovendien, als de wal beplant wordt is deze door begroeiing vervolgens slecht te onderhouden. Tevens ontstaat er door beplanting het risico dat wortels door het onderkleed van het bassin groeien met een mogelijke lekkage tot gevolg. ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

11

3.

BELEIDSKADER

3.1 RIJKSBELEID Het rijksbeleid dat van toepassing is voor een minimale erfuitbreiding is door provincie en gemeente verder uitgewerkt in provinciaal en gemeentelijk beleid. Dit initiatief is van een dermate kleinschalige schaal dat er geen nationale belangen in het geding zijn. Het rijksbeleid en regels zijn daarom niet verder uitgewerkt 3.2 PROVINCIAAL BELEID Op 8 november 2023 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie en de nieuwe Omgevingsverordening Overijssel aangepast. De geldende Omgevingsverordening is destijds niet meer aangepast, omdat deze verviel op het moment dat de Omgevingswet in werking trad. Per 1 januari ’24 geldt de nieuw Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie uit 2023 valt onder het overgangsrecht van de Omgevingswet en blijft gelden. Goed om te benoemen is dat in de Omgevingsvisie uit 2023 een beperkt aantal tekstuele aanpassingen zitten. In veel gevallen dient daarom ook de ‘Geconsolideerde Omgevingsvisie 2017’geraadpleegd te worden. 3.2.1

Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (de Omgevingswet). In de omgevingsvisie bekijkt de provincie onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. De dynamiek van de Overijsselse samenleving vraagt om een interactieve en participatieve rol van de provincie, waarbij maatschappelijke opgaven leidend zijn. Of, met andere woorden: om meer invloed van bewoners op de eigen leefomgeving, waarbij de provincie niet precies voorschrijft wat er moet gebeuren, maar de speelruimte creëert waarbinnen lokale initiatieven tot bloei kunnen komen. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie, wordt gebruik gemaakt van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen ‘of’, ‘waar’ en ‘hoe’ centraal. Aan de hand van deze drie stappen wordt bepaald of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

Generieke beleidskeuzes (Of) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. De generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van de EU, het Rijk of de provincie.

Het onderhavige plangebied is niet gelegen binnen één van de zones waarbinnen normstellende regels gelden. Wel gelden er algemene generieke beleidsregels, waarbij de aspecten ‘zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’, ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘Kwaliteit Groene Omgeving’ relevant zijn tot de geconstateerde strijdigheid (oprichten sleufsilo’s buiten bestemmingsvlak). In paragraaf 3.2.3 van voorliggende ROB zal hier uitgebreid op worden ingegaan.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

12

Ontwikkelingsperspectieven (Waar) Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel gelden zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. Het onderhavige plangebied ligt in een gebied met ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in grootschalig landbouwgebied’.

Afbeelding 7 Ligging plangebied in ontwikkelingsperspectief (bron: planviewer provincie Overijssel)

Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap Ruimtelijke kwaliteitsambities: van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Dit ontwikkelingsperspectief omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Die ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Onder verduurzaming verstaan we hier: realisatie van de waterkwaliteitsdoelen, gezondheid en welzijn van mens en dier, bijdrage aan de energietransitie, klimaatbestendigheid en ketenoptimalisatie, en ontwikkelen met aandacht voor – en waar mogelijk in dialoog met – omwonenden. Agrarische ondernemers staan voor de uitdaging om hun – vaak grote – gebouwen en erven zo vorm te geven dat ze passen bij maat en schaal van het landschap en de ruimtelijke en milieukwaliteit versterken. Het verwerken van groenloof is een activiteit met een positieve bijdrage aan het aspect ‘verduurzaming’. Zo kunnen de groenvezels als boxvulling t.b.v. de melkveehouderij, of grondstof voor houtplaten worden gebruikt. En kan het sap, indien van voldoende kwaliteit, worden gebruikt als kunstmestvervanger. Middels de erf- en landschappelijke inpassing (zie ook paragraaf 2.2) wordt een impuls aan het landschap c.q.

ruimtelijke kwaliteit.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

13

Gebiedskenmerken (Hoe) Het uitvoeringsmodel onderscheidt de gebiedskenmerken in vier lagen, deze lagen worden navolgend beoordeeld voor onderhavige planlocatie. Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is ‘Dekzandvlakte en ruggen’. In onderstaande afbeelding is het plangebied indicatief rood omcirkeld weergegeven.

Afbeelding 8 Ligging plangebied in natuurlijke laag (bron: planviewer provincie Overijssel)

In de catalogus is de navolgende sturing geformuleerd (pg. 53):  

Norm: Dekzandvlakten en ruggen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen het huidige reliëf; Richting (1): Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting; Richting (2): Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

De Omgevingsvisie bevat uitgebreide omschrijvingen van de specifieke kenmerken van deze gebieden. In de inpassing van het plangebied is rekening gehouden met deze kwaliteit, enerzijds door de ontwikkeling in de strekkingsrichting van het landschap te positioneren. Anderzijds, door langs de watergang aan de oostzijde tot aan de sloot aan de zuidgrens opgaande beplanting te realiseren. Deze beplanting markeert (deels) het watersysteem en speelt daartoe in op de zichtbaarheid van het watersysteem.

3.2.2

Conclusie toetsing Omgevingsvisie

Het realiseren van de erfuitbreiding heeft geen negatieve invloed op de gebiedskenmerken welke ter plaatse gelden. Deze conclusie vloeit voort uit het feit dat de beoogde erfuitbreiding aansluit bij het huidige bestemmingsvlak en bouwperceel.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

14

3.2.3

Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen welke het mogelijk maken het omgevingsbeleid uit te voeren. De beoogde ontwikkeling betreft een erfuitbreiding bij een bestaand agrarisch gerelateerd bedrijf in het buitengebied van gemeente Ommen. In onderhavige ROB wordt ingegaan op de aspecten ‘zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’ (artikel 4.5) en ‘ruimtelijke kwaliteit’ (artikel 4.9) en ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (artikel 4.11). Al de artikelen zijn opgenomen in afdeling respectievelijk 4.2 en 4.3 van de verordening. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Het artikel is opgenomen in navolgend kader.

De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag te voorkomen. De provincie wil het onderscheid tussen het bestaande bebouwde gebied en de onbebouwde groene omgeving scherp houden. Ook voor ontwikkelingen in de Groene Omgeving gelden de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Bij nieuwvestigingen en uitbreidingswensen waarvoor binnen het bestaand bebouwde gebied in redelijkheid geen ruimte te vinden is, moet zoveel mogelijk eerst de ruimte benut worden binnen bestaande erven, voordat beslag mag worden gelegd op de onbebouwde Groene Omgeving. Dit geldt niet alleen voor agrarische bedrijven, maar voor alle functies in de Groene Omgeving. Ook voor de realisatie van de sleufsilo’s, de verharding en de inrit geldt dat deze moeten bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. In onderhavige situatie is de beoogde erfuitbreiding zorgvuldig afgewogen. De uitbreiding sluit direct aan op het bestaande bestemmingsvlak, waardoor het ruimtebeslag wordt geminimaliseerd. Binnen het huidige bestemmingsvlak is onvoldoende ruimte beschikbaar voor het realiseren van de twee sleufsilo’s. Wellicht ten overvloede benoemen we dat het onwenselijk is bestaande bedrijfsbebouwing te slopen om de beoogde te realiseren. Het erf is reeds hoog functioneel ingedeeld, met de beoogde erfuitbreiding wenst initiatiefnemer op dit adagium aan te sluiten.

In het onderhavige plan wordt uitsluitend het noodzakelijke oppervlak voor de uitbreiding gebruikt. De beoogde opzet is gericht op efficiënt gebruik van het erf, zonder onnodige verstening. Bovendien worden de sleufsilo’s, de erfverharding en de inrit direct aansluitend op het bestaande erf gerealiseerd en voorzien van een erf- en landschappelijke inpassing. De uitbreiding is beoogd aan de oostzijde van het perceel, terwijl de dichtstbijzijnde woning van derden aan de westzijde ligt. Hierdoor vinden de ontwikkelingen plaats op ruime afstand van derden.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

15

Artikel 4.9 Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit Planologische ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform geldende gebiedskenmerken. Dit dient te gebeuren aan de hand van het Uitvoeringsmodel. Gemeenteraden mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief dat voor het betreffende gebied geldt, wanneer: • •

Er sprake is van sociaal economische en/of maatschappelijke redenen; en voldoende verzekerd is dat er sprake is van versterking van ruimtelijke kwaliteit conform de gebiedskenmerken.

Tevens moet op grond van het vijfde lid inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Ten aanzien van de regel dat de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken kan worden opgemerkt dat de erfuitbreiding zal worden ingepast, rekening houdend met de sturingsrichting van de Catalogus. Zie hiervoor ook de onderbouwing in paragraaf 3.2.1.

Artikel 4.11 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Het onderhavige artikel betreft een generieke regeling voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) bij nieuwvestiging of grootschalige uitbreidingen van bestaande functies. Lid 2 bepaalt dat deze regeling van toepassing is op onder meer “grootschalige uitbreiding van bestaande locaties voor niet-agrarische bedrijvigheid die niet aan de Groene Omgeving is gebonden.” In dit geval betreft het een bestaand bedrijf waarbij het bestemmingsvlak via een omgevingsvergunning (afwijken RO) wordt vergroot t.b.v. het oprichten van enkel twee sleufsilo’s. Daar waar in verhouding (procentueel bezien) slechts sprake is van een kleine vergroting ten opzichte van het bestaande bestemmingsvlak is onderhavig KGOartikel niet van toepassing. Er is geen sprake van nieuwvestiging of grootschalige uitbreiding.

3.2.4

Conclusie toetsing Omgevingsverordening

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten en de randvoorwaarden voortkomend uit de Omgevingsverordening.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

16

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

De gronden waarop de uitbreiding van het erf annex voorzieningen zijn beoogd vallen onder het regime van een ander plan te weten ‘Ommen bestemmingsplan Buitengebied, 2010’. Uit de verbeelding (plankaart 1) volgt dat de gronden ter hoogte van de beoogde voorziening zijn bestemd voor ‘Agrarische doeleinden (A)’ in de gebiedsbestemming ‘landbouwontwikkelingsgebied’. De gronden hebben geen “archeologische aanduiding”. Een uitsnede van de plankaart met daarop het plangebied (rood gearceerd) aangegeven, is opgenomen in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 9 Uitsnede ‘Ommen bestemmingsplan Buitengebied, 2010’ (bron: Ommen.nl)

Op grond van artikel 3.2.1 sub e van het bestemmingsplan ‘Ommen bestemmingsplan Buitengebied 2010’, is in afwijking van het bepaalde onder a, buiten het bouwvlak – behalve bij bouwvlakken met de sub-bestemming Av, maar binnen een zone van 50 meter vanaf de grens van het bouwvlak, een complex van aaneengesloten voorzieningen zoals sleufsilo’s, kuilvoerplaten, pot- en containerteelt, buitenrijbanen, foliebassins en mestzakken toegestaan, met dien verstande dat voldoende afstand tot omliggende hindergevoelige objecten in acht wordt genomen. Echter, het plangebied heeft met de herziening 2013-2 een bedrijfsbestemming gekregen. Artikel 3.2.1 sub e is derhalve niet toepasbaar in onderhavige situatie. Op dit punt ontstaat dan ook strijdigheid met in feite beide bestemmingsplannen (2010 en 2013-2). Voorliggende onderbouwing dient enerzijds voor het opheffen van deze strijdigheid. Op grond van artikel 32, tabel 6 is voor het aanbrengen van overige verharding een aanlegvergunning vereist. Zoals eerder aangegeven, heeft de gemeente Ommen vastgesteld dat het verwerken en persen van groenloof niet valt onder de reguliere activiteiten van een loon- en grondverzetbedrijf.

Uit toetsing uit de milieuaspecten kan worden geconcludeerd dat, uit praktisch oogpunt bezien, het verwerken van groenloof gelijkwaardig te stellen is aan een milieucategorie 1 of 2 activiteit, daar waar op deze aspecten op voorhand geen bezwaren zijn te verwachten. Hiermee is de beoogde activiteit niet strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Bedrijven of activiteiten die binnen de categorieën 1 of 2 vallen, worden namelijk geacht passend te zijn binnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’, zoals vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan. Resumé, middels voorliggende omgevingsvergunning wenst initiatiefnemer de strijdigheid m.b.t. het aanleggen van de sleufsilo’s (buiten bestemmingsvlak) op te heffen.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

17

4.

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

4.1 GEUR Het initiatief voorziet in een erfuitbreiding ten behoeve van de opslag en verwerking van groenloof. De opslag van groenloof zal geen geuremissie veroorzaken, aangezien het afgedekt wordt opgeslagen, wat mogelijke emissies volledig beperkt. Het proces van het verwerken van groenloof veroorzaakt evenmin significante geuremissies. Het groenloof in de sleufsilo’s is een afgedekt product. Het product is luchtdicht afgedekt met uitzondering aan de zijde waar het product zal worden uitgehaald (om naar de pers te transporteren). Na een werkdag zal ook dit deel van de sleufsilo weer worden afgedekt. De luchtdichte afsluiting van de sleufsilo’s is voornamelijk om het product in een zo goed mogelijke staat te bewaren. Door de afdichting en de kwalitatief goede staat van het product zal er geen sprake zijn van geurhinder. Bovenstaand, in combinatie met de afstand tot het dichtstbijzijnde gevoelige object, gelegen aan de Koloniedijk 3 op meer dan 150 meter van het plangebied, kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve gevolgen zal hebben met betrekking tot geuremissie. Hiermee wordt voldaan aan de relevante regelgeving en wordt aangetoond dat de ontwikkeling geen nadelige impact heeft op de omgeving.

4.2 GELUID Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Het initiatief ziet toe op het toevoegen van een nieuwe activiteit welke niet past binnen de normale bedrijfsvoering van een loon- en grondverzet bedrijf. Derhalve is er In opdracht van VanWestreenen Adviseurs is door Geurts Technisch Adviseurs BV een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsemissie van loon-en grondverzetbedrijf Koonstra BV aan de Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt (gemeente Ommen). Hieronder zijn de belangrijkste punten uit dit akoestisch onderzoek opgenomen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 2. •

•

•

De akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten op het bedrijf betreffen aan- en afvoerbewegingen met mobiele werktuigen (landbouwvoertuigen, kranen, tractoren etc.) en vrachtwagens voor aan- en afvoer van diverse hulpstoffen en afvalstoffen, aanvoerbewegingen voor groenloof en het gebruik van een trommelzeef en pers op het buitenterrein, het gebruik van een shovel en tractor voor intern transport en op- en overslagactiviteiten, de afvoer van perswater en het gebruik van de werkplaats voor onderhoud en reparatie. Daarnaast vinden verkeersbewegingen met personenwagens plaats door personeel en bezoekers. Uit toetsing van het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax op de ontvangerpunten, gelegen op de gevel van woningen in de directe omgeving van de inrichting, blijkt dat in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) voldaan wordt aan de richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde. Aan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde (LAmax) wordt eveneens voldaan. Ten aanzien van de norm voor vergunningverlening (Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening) van 40 dB(A) in de dagperiode vindt een lichte overschrijding plaats door activiteiten die in de vergunde situatie ook reeds plaatsvonden. Het toevoegen van de beoogde activiteit heeft hierop dus geen significante invloed.

Indirecte hinder ten gevolge van aan- en afrijdend verkeer is niet te verwachten.

Op basis van de rapportage kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid niet belemmerend wordt geacht voor het beoogd ruimtelijk initiatief. ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

18

4.3 LUCHTKWALITEIT Op basis van de Wet luchtkwaliteit gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze eisen zijn doormiddel van grenswaarden voor diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIMB) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIMB bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verder toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde toeneemt, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient er een onderzoek te worden uitgevoerd om de effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Toetsing Het opslaan van groenloof in de beoogde sleufsilo’s is geen activiteit welke de emissie van fijn stof teweeg brengt. Derhalve zijn de kwaliteitseisen opgenomen in de Wet luchtkwaliteit niet relevant in relatie tot onderhavig voornemen waarvoor de ROB wordt geschreven.

4.4 BODEM In het toetsingskader voor de bodem wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient inzicht te worden gegeven in de bodemkwaliteit, waarbij dient:   

Beoordeelt te worden of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming; Te worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen; In de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen te worden meegenomen.

Toetsing Op grond van de beschikbare informatie wordt ter plaatse van het plangebied geen ernstige bodemverontreiniging verwacht. Daarnaast zal het initiatief niet toezien op een verblijfsfunctie langer dan twee uur. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet nodig.

4.5 NATUUR Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

19

Toetsing Het project kent in relatie tot de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming) een aanleg- en gebruiksfase. In de aanlegfase wordt de beoogde erfuitbreiding gerealiseerd. De activiteiten in deze fase zijn van tijdelijke aard en omvatten bijvoorbeeld de stikstofemissie door mobiele werktuigen en voertuigen voor de aanen afvoer van mensen en materieel. In de beoogde situatie zullen er wijzigingen plaatsvinden met betrekking tot vervoersbewegingen, zoals de afen aanvoer van groenloof. Derhalve is bij de provincie Overijssel, afzonderlijk van de onderhavige aanvraag, een natuurvergunning aangevraagd om aan te tonen dat de aanleg- en gebruiksfase geen significante negatieve effecten zullen hebben op Natura 2000-gebieden. De betreffende Aerius-berekeningen zijn toegevoegd als bijlage 3. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing is ook gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor flora en fauna. Het initiatief zal plaatsvinden op gronden die momenteel in gebruik zijn als landbouwgrond. Het bestaande bosschage wordt verplant en versterkt, en het perceel wordt verder ingepast met gebiedseigen beplanting. Daarnaast kan worden gesteld dat de voorgenomen planactiviteiten geen wettelijke consequenties hebben in het kader van soort- of gebiedsbescherming.

De bestaande beplanting wordt verplaatst, en de initiatiefgronden zijn in de huidige situatie in gebruik als landbouwgrond. Conclusie Het initiatief voldoet aan de vereisten op het gebied van natuur, zowel wat betreft gebieds- als soortenbescherming, en draagt bij aan de instandhouding van flora en fauna.

4.6 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Toetsing Op grond van het vigerende bestemmingsplan ligt het plangebied van de erfuitbreiding, in een gebied zonder archeologische verwachtingswaardes. Eveneens kent het gebied/locatie geen andere bestemmingen dan wel nadere aanduidingen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de archeologie dan wel cultuurhistorie.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

20

4.7

WATER

Bij de watertoets gaat het om het van meet af aan meenemen van water in de ruimtelijke plan- en besluitvorming. Daarvoor is overleg nodig met de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium. Het gaat bij de watertoets niet zozeer om een toets achteraf maar om vroegtijdige en actieve inbreng van de waterbeheerder. Met de Watertoets wordt er naar gestreefd om het reeds bestaande waterhuishoudkundig en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het project dient te voldoen aan het beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta. Waterschap Drents Overijsselse Delta: In het kader van het vroegtijdig betrekken van het waterschap is op d.d. 25 november 2022 er een advies aangevraagd bij het Drents Overijsselse Delta. D.d. 17 maart 2023 is er een advies uitgebracht door de voorgenoemde partij. Destijds was het nog het voornemen om het verontreinigd water afkomend van de sleufsilo’s en het verwerken van groenloof te lozen op het oppervlaktewater. In de nieuwe bedrijfsopzet is er n.a.v. het ontvangen advies voor gekozen om het water van de sleufsilo’s op te vangen in het bassin. Het sap wat afkomt van het verwerken van groenloof zal, afhankelijk van de waarden, worden opgevangen in het bassin of uit worden gereden als vervanger van kunstmest. Watertoets De initiatiefnemer heeft het waterschap geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De samenvatting van de online watertoets is als bijlage 4 opgenomen. De hierop volgende reactie d.d. 28 februari 2025 van het waterschap Drents Overijsselse Delta is toegevoegd als bijlage 5. Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen sloten. Buiten het plangebied loopt langs het plangebied een watergang die in het beheer is bij het waterschap. Deze sloot blijft intact. Daarnaast geldt een beschermingszone van 5 meter langs beiden zijden van de sloot. Het plangebied valt buiten deze beschermingszone. Wateroverlast Het verharden van grond door bebouwing of bestrating versnelt de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Wanneer het verharde oppervlak toeneemt als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling, moeten compenserende maatregelen worden genomen om piekafvoeren op te vangen. Dit voorkomt afwenteling op omliggende gebieden en zorgt ervoor dat de bergingscapaciteit van het watersysteem behouden blijft. In deze ontwikkeling neemt het verharde oppervlak met meer dan 1.500 m² toe, wat compenserende maatregelen vereist. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta hanteert hierbij de regel dat de toename van het verharde oppervlak vermenigvuldigd met 0,08 m de benodigde bergingscapaciteit in kubieke meters oplevert. Voor een toename van circa 3.000 m² betekent dit dat 240 m³ aan bergingscapaciteit gerealiseerd moet worden.

Om hieraan te voldoen, wordt in het huidige initiatief de capaciteit van de bestaande infiltratiewadi’s vergroot door deze te verdiepen en te verbreden. Daarnaast worden nieuwe wadi’s rondom het perceel aangelegd om voldoende infiltratiecapaciteit te waarborgen. Grondwater Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

21

Conclusie Indien de compenserende maatregelingen worden getroffen vormt het aspect water geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. Hetzelfde volgt uit het reeds aangehaalde advies van het waterschap (zie bijlage 5).

4.8

VERKEER EN PARKEREN

De aanvraag heeft betrekking op een bestaand loon- en grondverzetbedrijf met de bijbehorende verkeersbewegingen. De beoogde bedrijfsopzet zal leiden tot een toename van het aantal (zware) vervoersbewegingen. Voor de aanvoer van groenloof is uitgegaan van 10 vrachtwagenbewegingen in de dagperiode en 2 in de avondperiode (zie ook akoestisch rapport pagina 6, bijlage 2). Om deze (zware) vervoerbewegingen niet over het gehele erf te laten verlopen waardoor er mogelijk veiligheidsproblemen kunnen ontstaan, is er een nieuwe inrit beoogd welke direct leidt naar de sleufsilo’s. Via onder andere de Koloniedijk en diverse breed opgezette landwegen is het bedrijf goed bereikbaar, het gebied is ontsloten via diverse (provinciale) wegen zoals de N377 en de N48. Toetsing Het perceel is gelegen aan breed opgezette landwegen die geschikt zijn voor zware vervoersbewegingen. Hoewel het initiatief voorziet in een toename van zware vervoersbewegingen, zal deze toename geen overbelasting van de verkeerssituatie veroorzaken, gezien de kleinschaligheid van het project. De bestaande infrastructuur biedt voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen op te vangen zonder negatieve gevolgen voor de verkeersveiligheid of doorstroming.

Wellicht ten overvloede wordt vermeld dat bezoekers op eigen terrein kunnen parkeren en het initiatief niet zal leiden tot een significante toename aan lichte vervoersbewegingen. De zware vervoersbewegingen zijn van tijdelijke aard en zullen dus maar kort op het terrein geparkeerd staan.

4.9 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Een handvat hierbij is door gebruik te maken van de systematiek die de milieuzonering kent. Milieuzonering is het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 

Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

22

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. In eerdere toetsingen aan het milieuaspect geluid is reeds aangetoond dat dit geen belemmering vormt voor de omgeving en de aanwezige milieugevoelige objecten.

Toetsing Op de locatie wordt momenteel een loon- en grondverzetbedrijf geëxploiteerd. Volgens het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2013-2 heeft de locatie de functieaanduiding Agrarisch loonbedrijf. Deze aanduiding komt overeen met een categorie 2-bedrijf volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten, of met bedrijven die daarmee naar aard en omvang gelijkgesteld kunnen worden. Zoals eerder onderbouwd, valt de nieuwe activiteit, namelijk het verwerken van groenloof, gelijkwaardig te stellen aan een milieucategorie 1 of 2 activiteit. Volgens de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor categorie 2-bedrijven een richtafstand van 30 meter. Deze 30-meterzonering is derhalve maatgevend voor aspecten als gevaar, stof en geur met betrekking tot de nieuwe activiteit. Het dichtstbijzijnde gevoelige object, de woning aan de Koloniedijk 3, ligt op een ruime afstand van 150 meter van zowel de nieuwe activiteit als de uitbreiding van het erf. Gezien deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen met betrekking tot relevante milieuaspecten zoals gevaar, stof of geur.

Afbeelding 10 Afstand tussen gevoelig object en plangebied (bron: Streetsmart.nl)

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

23

4.10 EXTERNE VEILIGHEID Externe veiligheid betreft de beheersing van risico’s en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor inrichtingen is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van toepassing. Bij externe veiligheid wordt onderscheidt gemaakt tussen plaastgebonden risico en groepsrisico. Toeting In of in de directe omgeving van het plangebied zijn twee risicopunten aanwezig (zie onderstaande afbeelding). Het betreft de gasleidingen ten oosten van de locatie en de windturbine ten westen ervan. Beide risicopunten bevinden zich op ruime afstand van de locatie. De windturbine ligt op een afstand van 650 meter en valt daarmee ruim buiten de risicocontour. De gasleidingen hebben een zogenaamd ‘brandaandachtsgebied’, maar zowel de locatie als het plangebied liggen buiten dit gebied. Het brandaandachtsgebied bevindt zich op een afstand van 200 meter van de locatie.

Afbeelding 11 Kaartuitsnede risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

4.11 KABELS EN LEIDINGEN Op grond van het vigerende bestemmingplan zijn geen grote kabels dan wel leidingen aanwezig in het plangebied, deze krijgen namelijk veelal een dubbelbestemming toegewezen. Ook op geraadpleegde kaarten van Gasunie, Tennet en Vitens blijkt dat er ter plaatse geen sprake is van de aanwezigheid van (ondergrondse) leidingen ter hoogte van het plangebied.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

24

4.12

MER

In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) is geregeld voor welke plannen en besluiten het maken van een milieueffectrapport verplicht is en in welke gevallen de procedure van de m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden, staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het op voorhand niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Deze zijn beschreven in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1 'activiteiten' van onderdeel D en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen', dan geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Centraal in de m.e.r.-beoordelingsprocedure staat de notitie waarin beschreven staat of er (mogelijk) sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, de 'aanmeldingsnotitie'. Een m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd aan de hand van een aantal vaste criteria. Deze zijn vastgelegd in Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. Wanneer de aanmeldingsnotitie hierop aanhaakt, ziet deze er als volgt uit: 1. 2. 3. 4.

Inleiding; Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van de potentiële effecten.

In de Wet milieubeheer is bepaald dat alleen voor besluiten een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Als activiteiten uit onderdeel D mogelijk worden gemaakt in een plan (een zogenaamd 'kaderstellend plan voor m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten) dan geldt direct een (plan)m.e.r.-plicht. Een plan is namelijk direct m.e.r.plichtig als het kaderstellend is voor m.e.r.- beoordelingsplichtige activiteiten. De drempelwaarden in kolom 2 'gevallen' zijn echter indicatief. Dit betekent dat ook onder de drempelwaarden moet worden nagegaan of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. In bepaalde gevallen kan een activiteit van kleinere omvang namelijk wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Dat kan bijvoorbeeld doordat die activiteit in of bij een kwetsbaar gebied is gepland. Dit moet worden beoordeeld via de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt zowel voor kaderstellende plannen als voor besluiten. Hiervoor is het Besluit m.e.r. op 6 juli 2017 gewijzigd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is nu geregeld in artikel 2, lid 5, onder b, van het Besluit m.e.r. Op grond van artikel 2, lid 5 onder b van het Besluit m.e.r. moet voor activiteiten die voorkomen in onderdeel D en die beneden de drempelwaarde vallen een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Toetsing D 18.1 De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

25

In de huidige aanvraag is er sprake van het uitbreiden en wijzigen van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Echter voor de beoogde activiteit zijn onder C geen maximale waarden opgenomen. Hierdoor geldt voor het bedrijf geen directe MER-plicht. Tevens wordt de capaciteit in onderdeel D niet overschreden. De capaciteit betreft 49 ton per dag, (< 50 ton). Er is reeds een bestaande verwerking capaciteit, dit maakt dat de feitelijke uitbreiding en of wijziging nog verder onder de 50 ton per dag ligt. Op grond van de aanpassing van het Besluit MER d.d. 7 juli 2017 is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de Dlijst en die onder de drempelwaarden liggen. Nu de categorie D 18.1 is vermeld op de D-lijst is in onderhavige situatie een vormvrije MER-beoordeling benodigd. Deze beoordeling loopt op het moment van schrijven van onderhavige ROB.

ROB - Loon- en Grondverzetbedrijf Koonstra B.V. – Koloniedijk 1 te Vinkenbuurt

26

5.

UITVOERBAARHEID

5.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID De kosten voor het realiseren van de erfuitbreiding en de activiteit zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van het bedrijf en niet belast met beperkt zakelijk recht van derden. Het betreft geen bouwplan in de zin van de grondexploitatiewet, een anterieure overeenkomst kan daartoe achterwegen worden gelaten.

5.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID In een vroeg stadium zijn de direct omwonenden reeds geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkelingen middels een ‘keukentafelgesprek’. Tijdens dit gesprek zijn de beoogde activiteiten besproken, afgezet tegen het bestaande bedrijf. De bewoners van onderhavige percelen heeft initiatiefnemer gesproken:       

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16600568/1