CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Notitie zienswijzen Sportlaan Flexwoningen

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Flexwoningen Sportlaan4.894 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Notitie zienswijzen

Omgevingsvergunning Sportlaan Flexwoningen

2162519

INHOUD:

I. Overzicht gevolgde procedure......................................................................................................... 3 II. Ingekomen zienswijze en gemeentelijke reactie ............................................................................ 4

2

I. Overzicht gevolgde procedure Terinzagelegging Het ontwerp van de omgevingsvergunning heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Deze termijn liep tot 4 december 2025. Bekendmaking De ter inzagelegging van het ontwerp en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen is bekendgemaakt in het huis-aan-huis-blad Ommer Nieuws van woensdag 22 oktober 2025 en het digitale gemeenteblad (www.officielebekendmakingen.nl) van 22 oktober 2025. Zienswijzen Er is op 2 december 2025 een pro forma zienswijze ingediend, waarop een termijn voor aanvulling is geboden tot uiterlijk 18 december 2025. Op 18 december 2025 is een aanvullende zienswijze ingediend. Deze is hiermee tijdig ingediend.

3

II. Ingekomen zienswijze en gemeentelijke reactie De ingekomen zienswijze wordt hieronder behandeld. Het daarbij opgenomen nummer verwijst naar het nummer, waaronder de zienswijze in de gemeentelijke administratie (Zaaksysteem) is opgenomen. Om te voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en omdat dit zienswijzenverslag op internet zal worden geplaatst, zijn hierin geen persoonsgegevens opgenomen. De zienswijze is ingediend namens de bewoners van 13 verschillende adressen en een stichting.

4

1. Zienswijze 1028574

Samenvatting zienswijze 1. Strijd met het gemeentelijk beleid a. De locatie heeft de bestemming groen, bedoeld voor waterberging en groenvoorziening. Woningbouw past daar niet in. Ook zijn de bouwmogelijkheden binnen de groenbestemming niet te vergelijken met die van de bouw van 50 woningen. b. De wijzigingsbevoegdheden naar “Sport” en “Groen-Houtsingel” zijn niet relevant, omdat deze wijziging ook uitgebreid onderbouwd zou moeten worden en omdat deze functies een minder vergaande inbreuk zouden maken op de openheid en het groene karakter van het gebied. c. De 50 flexwoningen wijken met hun platte daken en massale opstellen af van de boerenerven met boerderijwoningen rondom de projectlocatie. d. Omwonenden hebben aan strikte regels moeten voldoen. Dat deze opzij gezet worden leidt tot ongelijkheid en inbreuk op de landelijke omgeving. e. De projectlocatie heeft een waterbergende functie en was ook in 2013 zo bedoeld, zoals uit de toelichting bij het bestemmingsplan “Ommen Oost, Boerenerven” blijkt. f. De bebouwing van de flexwoningen zal veel intensiever zijn dan de bestaande omringende bebouwing. Dit brengt een aantasting van het open karakter met zich mee. g. Het groene en open karakter maakt plaats voor een gebied van 5.405 m2 verharding met 50 woningen.

De aanleg van beplanting en een grondwal om het de bebouwing (deels) aan het zicht te onttrekken, maken de impact van dit project op het gebied niet minder. Dit is door de rechtbank in de uitspraak van 27 februari 2025 bevestigd. h. Het bovenstaande staat haaks op de ter inzage gelegde ruimtelijke onderbouwing, waarin staat dat sprake is van bestaand stedelijk gebied, dat de ruimtelijke effecten door middel van een grondwal en beplanting worden weggenomen en dat het plan daarmee landschappelijk wordt ingepast en harmonieus aansluit bij de omgeving Het plangebied ligt echter buiten bestaand stedelijk gebied, in een open en landelijk gebied met de bestemming Groen, bedoeld als waterretentie locatie en voor een groene invulling. i. Dat sprake is van landelijk gebied c.q. buitengebied staat ook in gemeentelijke beleidsstukken vermeld, bijvoorbeeld naar pagina 17 en pagina 39 van het Verkeersplan voor Ommen-Oost: Door het afhechten van wijken boven een bepaalde grens voor autoverkeer wordt een duidelijke grens tussen stad en platteland gecreëerd, worden intern verkeer en verkeer dat in het buitengebied moet zijn gescheiden. De Boerenerven (en de rest van de Sportlaan) vallen telkens binnen hetgeen in het Verkeersplan als landelijk/agrarisch/buitengebied wordt gekwalificeerd. Dat het wordt betoogt dat er sprake is van een stedelijk gebied is dan ook onnavolgbaar. j.

Kortom, het realiseren van flexwoningen past niet binnen de bestemming 'Groen' en staat haaks op de gemeentelijke uitgangspunten voor dit gebied, die juist waren gericht op waterberging, groenvoorziening en het behoud van een open en landschappelijk karakter. De voorgenomen bebouwing doorkruist daarmee zowel de planologische als de functionele doelstellingen van het bestemmingsplan en ondermijnt de zorgvuldig vastgestelde ruimtelijke en klimaatbestendige inrichting van de locatie.

5

2. Strijd met de provinciale Omgevingsverordening Overijssel a. Het project is ook strijdig met de regelgeving van de provincie Overijssel. De projectlocatie is aangewezen als maten- en flierenlandschap in de Omgevingsverordening. b. In de ruimtelijke motivering wordt nergens ingegaan op de aanwijzingen van dit gebied. Er wordt voorts uitsluitend gesteld dat dit 'initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel' en dat tet plangebied ligt in de bebouwde kom van Ommen en behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. c. De landschappelijke typering en toetsing van een project aan de provinciale gebiedskenmerken - die op grond van de Omgevingsverordening Overijssel verplicht is ontbreekt volledig. d. Het voorgaande is opmerkelijk en laat tevens zien dat het ontwerpbesluit niet voldoende is gemotiveerd en niet vooraf is gegaan aan een zorgvuldige afweging en toets aan het provinciale beleid (waaronder de provinciale instructieregels). e. Binnen de aanwijzing van dit gebied als maten- en flierenlandschap worden de volgende kenmerken cruciaal geacht: onbebouwd karakter, open kamers en coulissen, beleefbaarheid en vasthouden van water.

Als norm voor het maten- en flierenlandschap is opgenomen dat de maten, flieren en beken een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op de instandhouding van het onbebouwde karakter, de continuïteit van de beekloop, voldoende ruimte voor water en het lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen. Als ambitie voor het maten- en flierenlandschap is in de Catalogus Gebiedskenmerken opgenomen om dit type landschap weer herkenbaar te maken, en de samenhang met de esdorpen en erven weer betekenis te geven. De nog gave delen verdienen een intensief op cultuurhistorische waarden gerichte inrichting en beheer. Voor de andere delen zijn het aanzetten van de randen, het beleefbaar maken van het waterrijke karakter en de continuïteit van het landschap het uitgangspunt. De opzet van het landschap ten aanzien van de open kamers en coulissen wordt juist sterk verminderd door de flexwoningen midden in het landschap, het onbebouwde karakter wordt teniet gedaan, en ook is er minder ruimte voor het vasthouden van water. Op grond van de Omgevingsverordening is het uitsluitend toegestaan om nieuwe ontwikkelingen toe te staan die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken (zie artikel 4.8 en 4.9 Omgevingsverordening). Er moet bijvoorbeeld worden uitgelegd hoe een initiatief past in de generieke en gebiedsspecifieke beleidskeuzes van de provincie.

Dat zijn in dit geval zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het beschermen van zeldzame of unieke landschapskwaliteiten. Ook moet worden onderbouwd hoe wordt aangesloten bij de provinciale ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken zoals in dit geval het anticiperen op klimaatverandering door ruimte voor groen, natuur en water en het voortbouwen op de kenmerkende structuren en agrarische cultuurlandschappen. Tevens aan de vierlagenbenadering die vereist is in een onderbouwing wordt niet juist. toegepast (zie verder alinea L8 t/m 34 van het bezwaarschrift). Met het bouwplan wordt in strijd gehandeld met de instructieregels uit de Omgevingsverordening hetgeen juridisch gezien ontoelaatbaar is. De instructieregels worden thans zelfs nagenoeg volledig terzijde geschoven.

6

f.

Verwezen wordt naar een beroepschrift - randnummers 10 t/m 20 en bezwaarschrift randnummers 18 ï/m 34 die eerder tegen dit project zijn ingediend.

3. Onjuiste en onvolledige m.e.r.-beoordeling a. Dat er geen sprake is van cumulatie met andere projecten is onjuist. Op ongeveer 250 meter afstand wordt De Vlierlanden met enkele honderden woningen gerealiseerd. Deze moet bij de beoordeling betrokken worden. b. Een voorbeeld van relevante cumulatie van beide projecten is dat de verkeersstromen beide via de Arriërveldsweg worden ontsloten. Dit geldt ook voor cumulatieve effecten op NNN-gebied en het Natura 2000 gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied en op leefgebieden van flora en fauna. Ook heeft de verharding een cumulatief negatief effect op waterberging. c. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat het project geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. De verkeerseffecten en de nadelige effecten op de natuur/flora en fauna/water in (de buurt van) het woon- en leefgebied van cliënten van indiener zijn voor hen direct van belang en hebben directe invloed op hun woon- en leefklimaat. 4. Onvoldoende beoordeling van afzonderlijke milieueffecten a. Water - De effecten van water zijn niet afdoende beoordeeld. Het gebied kampt al met wateroverlast.

Onderzoekers van Witteveen en Bos hebben bevestigd dat de waterberging tekortschiet en dit zal verergeren met de toename van verharding in dit project met 5400m2..Zij concluderen dat woningen te maken krijgen met natte kruipruimtes en het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de zienswijze zijn foto’s opgenomen die laten zien dat het gebied een waterbergende functie vervult die met de realisatie van flexwoningen verloren gaat. - In de ontwerp m.e.r.-beoordeling staat: “Het stedenbouwkundig ontwerp biedt genoeg ruimte om extra waterbergingen aan te leggen zoals een wadi. Ook kunnen gedeeltes onbebouwd blijven zodat water daar de kans krijgt om in de bodem te kunnen infiltreren”. Dit is onvoldoende om de conclusies uit het rapport van Witteveen en Bos te ontkrachten. - Het is onduidelijk welke gedeeltes die onbebouwd blijven worden bedoeld. Ook geldt dat wadi’s al onderdeel waren van het oorspronkelijke plan en door Witteveen en Bos is geconcludeerd dat deze niet afdoende zijn. - Door de waterexperts van Witteveen en Bos is geconcludeerd dat dit project wat betreft waterberging in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. ‘Het schuiven met bebouwing en verharding is niet toegestaan. De kruimelvergunning is verleend voor een afgebakend plan. Het plan kan daarom niet anders uitgevoerd worden dan aangevraagd.

Door het college had moeten worden onderbouwd waarom dit project niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening wat betreft waterberging. Dat heeft het college niet gedaan'.

7

b. Geluid -

-

-

-

-

Onder verwijzing naar een reactie op een akoestisch onderzoek in een eerder beroepschrift en een reactie van de commissie wordt gesteld dat het gecumuleerde geluid van 50 warmtepompen ten onrechte niet is meegenomen. Uit opgevraagde Woo-documenten blijkt dat de bestaande sportverenigingen het gebruik van het sportpark nog altijd wensen te intensiveren en sportvelden (waaronder padelbanen) wensen toe te voegen met extra geluidsgevolgen. Het geluid van verkeer afkomstig van De Vlierlanden is niet betrokken bij de beoordeling. Ook de gecumuleerde effecten hiervan kunnen inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Volgens het geluidsonderzoek kan de geluidssituatie uitsluitend aan een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de flexwoningen voldoen als er maatregelen worden getroffen ter plaatse van het sportpark. Het treffen van deze maatregelen is niet geborgd in de omgevingsvergunning. Het goede woon- en leefklimaat is daarmee niet publiekrechtelijk geborgd. Kortom, ook ten aanzien van geluid geldt dat de milieueffecten niet afdoende zijn beoordeeld. Bovendien zijn de maatregelen die voor een goed woon- en leefklimaat zouden moeten zorgen, niet geborgd in de vergunning.

c. Verkeer - De cumulatie met het project de Vlierlanden is niet beoordeeld. De Vlierlanden is een omvangrijk woningbouwproject in directe nabijheid en zal verkeersgeneratie én parkeerdruk veroorzaken. De ontsluiting van beide projecten vindt plaats via de Arriërveldsweg. - Op het ontwerpbesluit is het 'oude recht van toepassing. Dat betekent dat het recht van toepassing is op het besluit op de aanvraag die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Alle aspecten zijn aan de hand van het oude recht getoetst, behalve het aspect parkeren. - De reden voor het hanteren van de nieuwe CROW normen zou zijn omdat er ook een nieuwe stikstofberekening gemaakt moest worden. Het hanteren van de nieuwe normen omdat er een nieuwe stikstofberekening gemaakt moest worden is echter nergens op gebaseerd. - Voor de parkeernorm is aangesloten bij de parkeernorm die op dit moment geldt. Dit is niet juist gelet op de lnvoeringswet Omgevingswet. Er had aan de CROW normen uit 2018 getoetst moeten worden. Uit die normen volgt dat er 1,2 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd moeten worden. Dat zijn dus 60 in plaats van 50 parkeerplaatsen, waarmee er 10 parkeerplaatsen te weinig worden gerealiseerd. d. Natuur en stikstof - Gesteld wordt dat de inzet van schoon materieel (stage klassen IV en V) in de Aeriusberekening niet reëel is.

Ook wordt gesteld dat de inzet van dergelijk schoon materieel geen standaardonderdeel is van een bouwproject, maar een mitigerende maatregel. Het gebruik van ander materieel is ook niet uitgesloten.

8

-

Gesteld en nader gemotiveerd wordt dat het gebruik van STAGE V (en mogelijk ook het STAGE lV) materieel moet worden aangemerkt als een mitigerende maatregel die moet worden betrokken bij een passende beoordeling. Het gebruik van dit schone materieel kan niet worden betrokken bij een voortoets. Omdat een toename van stikstofdepositie niet op voorhand kan worden uitgesloten als (meer) gebruik wordt gemaakt van materieel dat wordt aangedreven met dieselolie en niet tot de STAGE V/lV klasse behoort is voor dit project een natuurvergunning nodig. Van de inzet van dit materieel kan niet worden uitgegaan. - Deze natuurvergunning ontbreekt. Gelet daarop is de ontwerp merbeoordeling niet afdoende. e. Belangenafweging: alternatieven onvoldoende onderzocht en schade - Spreiding van flexwoningen over meerdere locaties zou dezelfde bijdrage leveren aan de woningnood, maar zou leiden tot aanzienlijk minder bezwaren. Er is geen onderzoek gedaan naar alternatieven. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt niet welke alternatieve locaties zijn onderzocht. Diverse locaties worden genoemd in Q&A-documenten en in het locatieoverzicht van gemeentelijke eigendommen, maar waarom deze afvallen is onvoldoende onderbouwd. Er is geen inzicht in een gedegen vergelijking en de locatiekeuze is niet afdoende onderbouwd.

- Daarnaast zijn er nog meerdere reële alternatieven die niet (voldoende) zijn onderzocht, waaronder Fluitekruid (komt vrij voor woningbouw in 2026), Havengebied Oost (binnen dit gebied zijn nog kavels beschikbaar), ontwikkelveld Beerzerveld, diverse terreinen in en rondom de Vlierlanden 2" of 3" fase, locaties aan de Hardenbergerweg, de Meerkoet, voormalige terrein van de Koningin Julianaschool, de locatie Guido de Brès school en Kardoen. Ook een door particulieren aangeboden terrein (Stegeman) is zonder motivering buiten beschouwing gelaten. - De keuze van de gemeente voor de Sportlaan is onvoldoende onderbouwd, omdat locaties binnen bestaand stedelijk gebied - zoals voormalige schoollocaties, herontwikkelingsgebieden en gefaseerde uitbreidingswijken geschikter zijn voor flexwoningen. Deze locaties beschikken al over infrastructuur en nutsvoorzieningen of krijgen die in het kader van een gebiedsontwikkeling, waardoor het kostenargument bij spreiding niet overtuigt. Dat 'andere plannen' flexwonen op de andere locaties onmogelijk maken, klopt evenmin: flexwoningen zijn tijdelijk (maximaal 10 jaar) en kunnen juist worden ingezet als overbrugging tot definitieve invulling volledig gerealiseerd is.

Bovendien zullen binnenstedelijke locaties, anders dan de Sportlaan in of tegen sport- en groengebied, aanzienlijk minder ruimtelijke en maatschappelijke weerstand oproepen, omdat zij passen binnen bestaande stedelijke dynamiek en geen schaarse groenzones aantasten. - Voor sommige locaties gelden provinciale instructieregels, maar spreiding van flexwoningen kan juist beter aansluiten bij landschappelijke structuren dan concentratie op één plek. Deze afweging ontbreekt.

9

-

-

-

-

-

-

Het is onaannemelijk dat geen enkele alternatieve locatie geschikt zou zijn voor (een deel van) de flexwoningen. Bij een zorgvuldig participatietraject waren deze opties vooraf in beeld gebracht en meegewogen. Ook een combinatie van locaties - minder woningen aan de Sportlaan en plaatsing van andere woningen elders - had de ruimtelijke en milieubelasting aanzienlijk kunnen beperken en zou tot een evenwichtiger woon- en leefklimaat leiden. Spreiding dient zowel het landschap, de omgeving, natuurwaarden, voorzieningen, verkeersveiligheid als toekomstige ontwikkelruimte, terwijl hetzelfde doel (verlichten van de woningmarkt) wordt bereikt, zonder dat de aangetoonde wateroverlast zal optreden. In de belangenafweging is niet betrokken dat omwonenden bij de bouw van hun woningen aan strikte planregels en beeldkwaliteitseisen waren gebonden, terwijl het plan daarvan ingrijpend afwijkt. In de vergunning ontbreekt een kenbare afweging; het tijdelijke karakter ontslaat het college niet van een volledige toets aan het evenredigheidsbeginsel. Omwonende <GEANONIMISEERD> heeft op 14 december 2022 een taxatierapport laten opstellen door een onafhankelijk deskundige (bijlage 8 bij het beroepschrift - bij deze zienswijze opgenomen in bijlage 1). De marktwaarde van haar huis was toen €800.000,-. De plannen voor de flexwoningen waren destijds niet bekend.

Op 19 september 2023 heeft zij een nieuw taxatierapport laten opstellen (bijlage 9 bij het beroepschrift - bij deze zienswijze opgenomen in bijlage 1). De marktwaarde van het huis was toen €735.000,-. Het enige verschil tussen deze taxatierapporten betreft het plan voor de bouw van 50 flexwoningen op minder dan 15 meter van haar woning. Het waardeverschil is €65.000,-. Dit terwijl de gemiddelde waarde van huizen in 2O23juist is gestegen ten opzichte van 2022. Ervan uitgaande dat alle huizen van de omwonenden (in iedergevalL8 huishoudens)een vergelijkbare marktwaarde zouden hebben, komt dit uit op een totaal van €1.170.000,- (!) aan schade veroorzaakt door de bouw van de flexwoningen. Echter, indien wordt uitgegaan van de daadwerkelijke WOZ-waarden (bijlage 10 bij het beroepschrift, opgenomen bij deze zienswijze in bijlage 1) van de direct aanwonenden, zal deze schadeberekening op een (significant) hoger bedrag uitkomen aangezien het huis van <GEANONIMISEERD> één van de 'laagste' WOZ-waarden heeft van de direct aanwonenden. Ook dit zeer omvangrijke schadebedrag is onvoldoende/niet meegenomen bij de belangafweging van dit besluit.

Voorts geldt dat de waardedaling van de woningen van cliënten zodanig is, dat het college bij de afweging van de betrokken belangen (3:a Awb) daar gewicht aan had moeten toekennen en had moeten weigeren om mee te werken aan de afwijking van het bestemmingsplan. De belangenafweging moet, gelet op al het bovenstaande, in het voordeel van cliënten uitvallen.

10

Conclusie: Indiener van de zienswijze concludeert het volgende: Het ontwerpbesluit lijdt aan zodanige gebreken dat het college niet kan concluderen dat het project geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De voorbereiding en motivering schieten tekort, in strijd met de artikelen 3:2,3:4 en 3:46 Awb. De onderbouwing van het project voldoet niet aan de wettelijke en beleidsmatige vereisten en miskent en is in strijd met zowel de provinciale en gemeentelijke kaders als de gerechtelijke oordelen over de ruimtelijke impact. Essentiële milieueffecten zijn onvoldoende beoordeeld en reële, minder ingrijpende alternatieven zijn zonder onderbouwing daarvoor terzijde geschoven' De water-, verkeers-, parkeer-, geluids- en leefbaarheidsproblemen, evenals de aanzienlijke schade voor omwonenden, zijn niet op een zorgvuldige wijze meegewogen. Gelet hierop is het ontwerpbesluit ondeugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Het kan ontwerpbesluit zou gelet op al het bovenstaande niet moeten leiden tot vergunningverlening.

Gemeentelijke reactie 1. Gemeentelijk beleid Het college heeft bij de planontwikkeling rekening gehouden met de mogelijkheden binnen de bestemmingen Groen, Wonen, Wonen-1 en Wonen-2. Binnen de bestemming Groen waren al diverse voorzieningen en bebouwing toegestaan, evenals een wijzigingsbevoegdheid naar Sport. Daarmee willen we overigens niet zeggen dat de nieuwe tijdelijke invulling met woningen gelijk of gelijkwaardig is aan die bestaande mogelijkheden. Maar wij achten deze tijdelijk invulling wel ruimtelijk aanvaardbaar. De omstandigheid dat er voor de bouw van woningen in de directe omgeving (destijds) andere eisen werden gesteld, maakt niet dat het bouwplan niet ruimtelijk aanvaardbaar is. Ook de stelling dat de locatie voor de flexwoningen in een verkeersplan voor Ommen-Oost is gekwalificeerd als landelijk/agrarisch/buitengebied, brengt niet met zich dat het bouwplan niet aanvaardbaar is. Daarnaast is zorgvuldig gekeken naar de landschappelijke inpassing van de flexwoningen. Het bestaande groene raamwerk (houtwallen) wordt versterkt en uitgebreid, in lijn met het beeldkwaliteitsplan voor verscholen boerenerven. Uit zorgvuldigheid is een welstandsadvies gevraagd aan Het Oversticht, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan het beeldkwaliteitsplan “Boerenerven Ommen”.

In het kader van de toets aan een goede ruimtelijke ordening is ook een watertoets uitgevoerd en voorgelegd aan Waterschap Vechtstromen. Het waterschap adviseerde onder meer om voldoende waterberging te realiseren (minimaal 55 mm), bij voorkeur via wadi’s en halfverharding, en om rekening te houden met wateroverlast door een hoger bouwpeil. Deze adviezen zijn verwerkt in de ruimtelijke onderbouwing: er worden meerdere wadi’s en maaiveldverlagingen aangelegd met een totale bergingscapaciteit van ca. 440 m³, ruim voldoende om aan de bergingseis te voldoen. Het stedenbouwkundig plan houdt bovendien rekening met wateroverlast door het onbebouwd laten van kwetsbare delen en het verhogen van vloerpeilen.

11

Conclusie: Gelet op bovenstaande is het college van oordeel dat de afwijking niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zowel landschappelijke als waterhuishoudkundige inpassing voldoende is geborgd. 2. Provinciale Omgevingsverordening De vergunde activiteit is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De ruimtelijke onderbouwing bevat de vereiste motivering (artikel 2.1.5). Het plan ligt in het ontwikkelingsperspectief Woon- en werklocaties buiten stedelijke netwerken, waar bouwen voor lokale woonbehoefte is toegestaan. Dat het gebied volgens de catalogus gebiedskenmerken onderdeel is van het Maten en Flierenlandschap is voor deze beoordeling niet relevant. Toetsing aan de catalogus gebiedskenmerken is namelijk pas aan de orde wanneer wordt afgeweken van het ontwikkelingsperspectief voor de locatie. Daarnaast voldoet het plan aan het principe van concentratie (artikel 2.1.2): vijftig flexwoningen worden gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied, wat zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik waarborgt. De woningen voorzien in een urgente lokale behoefte en sluiten aan bij de regionale afspraken in de Woonagenda West-Overijssel 2021-2025, gericht op het vergroten van toegankelijkheid en doorstroming op de woningmarkt.

Dat het plan in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid is ook door de Provincie Overijssel bevestigd in vooroverleg. Conclusie: Gelet op het bovenstaande is het college van oordeel dat de vergunde activiteit in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Overijssel 2017. 3. Mer-beoordeling – Onderbouwing ontbreken cumulatieve effecten Voor het project is beoordeeld of sprake kan zijn van cumulatieve milieueffecten in samenhang met andere (deel)ontwikkelingen, waaronder de overige fasen van Vlierlanden. Uit deze beoordeling blijkt dat geen significante cumulatieve effecten te verwachten zijn. De belangrijkste overwegingen zijn: Beperkte omvang en aard van de ontwikkeling Het project betreft een kleinschalige inbreiding binnen het bestaand stedelijk gebied, met circa 5.405 m² extra verhard oppervlak. De huidige bestemming Groen blijft grotendeels gehandhaafd en wordt functioneel versterkt door landschappelijke inpassing en extra waterberging. De aard van de ingreep is daarmee lokaal en beperkt, zonder grootschalige verstorende emissies of langdurige bouwactiviteiten. Cumulatie met eerdere en geplande fasen van Vlierlanden Hoewel de ontwikkeling onderdeel uitmaakt van Vlierlanden fase 3, is het projectvolume zodanig beperkt dat het geen merkbare extra belasting toevoegt bovenop hetgeen reeds is onderzocht en verwerkt in de gebiedsbrede plannen.

12

De ontwikkeling sluit aan op reeds voorgenomen ruimtelijke structuur en past binnen de bovengemeentelijke kaders voor water, verkeer en natuur. Verkeer – geen overschrijding van wegcapaciteit De verkeersafwikkeling vindt plaats via de Arriërveldsweg, waarvan de capaciteit in eerdere verkeersonderzoeken reeds is beoordeeld. De beperkte toename door dit project valt ruim binnen de beschikbare capaciteit en leidt niet tot knelpunten of verslechtering van verkeersveiligheid. De verkeersgroei door andere fasen van Vlierlanden is al in de berekeningen meegenomen, waardoor geen additionele cumulatie optreedt. Natuur – geen cumulatieve effecten op NNN en Natura 2000 Voor zowel het project als de overige deelontwikkelingen zijn mitigerende maatregelen getroffen, waaronder: - aanleg van wadi’s, - infiltratievoorzieningen, - verhoogde bouwpeilen ter bescherming van het watersysteem, behoud en versterking van groenstructuren. Door deze maatregelen blijft er geen sprake van stikstof- of hydrologische effecten op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Ook voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vindt geen areaalverlies of kwaliteitsvermindering plaats, zodat cumulatie uitgesloten is. Water – robuust watersysteem en geen extra cumulatieve druk Conform het advies van het waterschap is voorzien in voldoende waterberging en infiltratie, passend binnen de gebiedssystematiek.

Doordat ook de overige fasen voorzien in klimaatadaptieve maatregelen, ontstaat geen cumulatieve belasting van het watersysteem; het geheel werkt eerder waterneutraal of waterpositief. Conclusie: Gelet op de beperkte omvang, de stedelijke context, de mitigerende maatregelen en het feit dat de relevante thema’s verkeer, natuur en water voor de gebiedsontwikkeling integraal zijn doorgerekend, kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van cumulatieve milieueffecten die aanleiding geven tot een m.e.r.-plicht of nadere beoordeling. De ruimtelijke onderbouwing voldoet aan artikel 2.12 Wabo, de Omgevingsverordening Overijssel en het principe van zuinig ruimtegebruik. Er is geen sprake van een activiteit die valt onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. of waarvoor op grond van artikel 7.2 Wm een MER verplicht is. 4. Milieueffecten Water Voor water geldt dat het advies van Waterschap Vechtstromen volledig is opgevolgd en voldoende waterberging wordt gerealiseerd. Dat het advies van het Waterschap Vechtstromen

13

wordt opgevolgd en dat meer dan voldoende waterberging wordt gerealiseerd, blijkt uit paragraaf 4.4.1 van de ruimtelijke onderbouwing: “Noordzijde van de Sportlaan Het hemelwater vanaf de gebouwen aan de noordzijde wordt middels een regenwaterriool, afgevoerd naar een te realiseren wadi. In de wadi kan, met een maximale waterdiepte van 30 cm, ca 110 m3 worden geborgen. Dit is ruim voldoende om aan de bergingseis te voldoen. Het hemelwater welke op de verhardingen valt stroomt via het maaiveld af naar te graven verlagingen in het maaiveld. Vanuit deze verlagingen infiltreert het regenwater naar het grondwater of stroomt vertraagd af naar de omliggende sloten. De te graven verlagingen in het maaiveld hebben een diepte van gemiddeld 20 cm en worden gegraven met flauwe (maaibare) taluds. In totaal kan in de terreinverlagingen ca 120 m3 worden geborgen. Zuidzijde van de Sportlaan. Aan de zuidzijde van de Sportlaan wordt ten behoeve van de berging van het hemelwater vanaf de gebouwen wadi gerealiseerd. In deze wadi kan, met een maximale waterdiepte van 30 cm, ca 40 m3 worden geborgen. Het hemelwater van de verhardingen stroomt via het maaiveld af naar te graven verlagingen in het maaiveld. Vanuit deze verlagingen infiltreert het regenwater naar het grondwater of stroomt vertraagd af naar de omliggende sloten.

De te graven verlagingen in het maaiveld hebben een diepte van gemiddeld 20 cm en worden gegraven met flauwe (maaibare) taluds. In totaal kan in de terreinverlagingen ca 170 m3 worden geborgen. Het deel van het plangebied waar bij hevige buien overlast ontstaat is in het stedenbouwkundig plan onbebouwd gelaten. Op deze plek worden parkeerplaatsen (grasbeton), een verharde rijbaan, groen en een wadi aangelegd. Daarbij zullen de vloerpeilen van de woningen en de bergingen ca 30 cm hoger komen te liggen dan het omliggende maaiveld. Het hoogte verschil wordt door flauwe (maaibare) taluds opgevangen.” Geluid Daarnaast wordt gevreesd voor geluidsoverlast afkomstig van het gebruik van de woningen. Naar aanleiding daarvan is eerder aanvullend onderzoek uitgevoerd door adviesbureau De Haan (rapport 14 mei 2024), waaruit blijkt dat bij de woningen van appellanten sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het geluid van het sportcomplex hoefde niet te worden meegenomen, omdat het besluit geen activiteiten op dat complex toestaat en cumulatie niet vereist is: volgens het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 hoeft cumulatie alleen bij overschrijding van voorkeursgrenswaarden, wat hier niet het geval is. Verkeersgeluid, inclusief vrachtwagens, is meegenomen en stemgeluid is maatschappelijk aanvaardbaar.

Verkeer De parkeernorm van 1,0 per flexwoning is conform de Parkeernormennota van Ommen en CROW-publicaties. De stelling dat 1,2 zou moeten gelden mist feitelijke grondslag. Eventuele bestaande parkeerproblemen zijn niet relevant; alleen de toename door het plan telt. De verkeersimpact van het project is verwaarloosbaar: de etmaalintensiteit blijft ruim onder de richtwaarde van 4.000–6.000 motorvoertuigen per dag voor erftoegangswegen. Op de Arriërveldsweg ligt het huidige aantal voertuigen rond 1.200 per dag (telling november 2022).

14

Voor de Sportlaan zijn geen tellingen beschikbaar, maar het verkeer is daar nu zeer beperkt door het ontbreken van bestemmingen. Stikstof Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de uitgangspunten in een onderzoek naar de gevolgen van een project reëel en aannemelijk moeten zijn. Tevens volgt uit de rechtspraak dat de inzet van STAGE IV mobiele werktuigen in ieder geval als een reëel uitgangspunt kan worden beschouwd. Ook de inzet van STAGE V mobiele werktuigen acht het college reëel en aannemelijk, nu dergelijke werktuigen voldoende beschikbaar zijn. De inzet van STAGE IV/V materiaal is geen mitigerende maatregel die in een passende beoordeling betrokken moet worden. Belangenafweging Het college bestrijdt dat geen alternatievenonderzoek is gedaan. Bij de keuze voor de locatie is gekeken naar de beschikbaarheid van gemeentelijke gronden. Een alternatieve locatie kan alleen worden overwogen als de gemeente daar een grondpositie heeft, zodat realisatie juridisch en praktisch mogelijk is. Zonder eigendom of zeggenschap over de grond kan het college geen uitvoering geven aan het project. Bovendien is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college heeft te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend.

Het bestaan van alternatieven kan slechts tot een weigering van de ingediende aanvraag leiden, indien op voorhand vaststaat dat een alternatief tot een gelijkwaardig resultaat leidt met minder bezwaren. Binnen de beschikbare gemeentelijke gronden is deze locatie het meest geschikt gebleken, mede vanwege bereikbaarheid, ruimtelijke inpassing en aansluiting op beleid. Het ontbreken van andere gemeentelijke grondposities maakt een alternatievenonderzoek buiten deze kaders niet zinvol. De woningnood in Ommen is groot en urgent: er is behoefte aan 650 woningen tot 2030, terwijl circa 1.200 mensen ingeschreven staan en de slagingskans voor sociale huur slechts 1,7% bedraagt. Jongeren zijn het meest getroffen. Om deze druk te verlichten zijn 50 flexwoningen noodzakelijk; hierover zijn prestatieafspraken gemaakt en een subsidie van €600.000 van het ministerie ontvangen. Het project draagt bij aan een basisbehoefte en sluit aan bij landelijke en regionale afspraken. Het bezwaar dat dit project niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening mist grond, temeer daar omwonenden eerder zelf flexwoningen wilden realiseren. Voor zover wordt gesteld dat de realisatie van de flexwoningen leidt tot waardevermindering van omliggende woningen, merkt het college op dat het eventueel benadeelden vrij staat om een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen.

Op dat moment zal het college beoordelen of deze verzoeken moeten worden toegewezen. Conclusie: Gelet op het bovenstaande is het college van oordeel dat de verschillende milieuaspecten voldoende bij het plan betrokken zijn en zorgvuldig zijn afgewogen.

15

Beoordeling van de zienswijze Samenvattend concludeert het college dat de ingediende zienswijze geen aanleiding geeft tot wijzigingen of om van medewerking af te zien.

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16570375/1