1. Motivering bij wijzigingsbesluit OP Ommen - verordeningsregels
Tekst van het document
MOTIVERING BIJ WIJZIGINGSBESLUIT OMGEVINGSPLAN OMMEN Omzetten verordeningsregels 31 maart 2025
1/25
DATUM KENMERK
20 maart 2024 20210488/105180/SWJD
PROJECT PROJECTLEIDER
Bouwsteen verordening fysieke leefomgeving Ommen mr. J. Poelstra
OPDRACHTGEVER Gemeente Ommen PROJECTNUMMER 20210488 AUTEUR STATUS
2/25
mr. S.W.J. Drost & mr. N.M. van ’t Noordende Definitief
INHOUD 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Planvorm Leeswijzer
5 5 6
Inventarisatie
7
2.1 2.2
7 7 7 8 9
Regelanalyse
11
3.1 3.2
Inleiding Rijksniveau 3.2.1 Omgevingswet 3.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving 3.2.3 Besluit kwaliteit leefomgeving 3.2.4 Besluit bouwwerken leefomgeving
11 11 11 11 12 13
3.3
Provinciaal niveau 3.3.1 Provinciale omgevingsverordening
14 14
3.4
Bruidsschat
15
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
16
4.1 4.2 4.3
16 17 17
Geluid Geur Cultureel erfgoed
Gemaakte keuzes
19
5.1 5.2
Algemeen Opzet van het omgevingsplan 5.2.1 Basisstructuur 5.2.2 Tekstelementen 5.2.3 Locaties 5.2.4 Annoteren
19 19 19 20 20 21
5.3
Inhoud van het omgevingsplan 5.3.1 Technische wijzigingen 5.3.2 Gewijzigde regelkwalificaties
22 22 22
Conclusie
Bijlage 1
3/25
Inleiding Inventarisatie gemeentelijke verordeningen 2.2.1 Toetsingskader 2.2.2 Beoordeling op hoofdlijnen 2.2.3 Beoordeling op regelniveau
Inventarisatie gemeentelijke verordeningen op hoofdlijnen
23 24
Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10 Bijlage 11 Bijlage 12 Bijlage 13 Bijlage 14 Bijlage 15 Bijlage 16 Bijlage 17 Bijlage 18 Bijlage 19 Bijlage 20 Bijlage 21 Bijlage 22 Bijlage 23 Bijlage 24
4/25
Beoordeling APV op regelniveau Beoordeling AVOI op regelniveau Beoordeling Bouwverordening op regelniveau Beoordeling Erfgoedverordening op regelniveau Beoordeling Verordening geurhinder en veehouderij Vilsteren op regelniveau Beoordeling Verordening geurhinder en veehouderij Witharen op regelniveau Beoordeling Verordening geurhinder en veehouderij Witharen fase 2 op regelniveau Beoordeling Verordening winkeltijden op regelniveau Beoordeling Wijziging Bouwverordening op regelniveau Overzicht artikelen die meegaan naar het omgevingsplan Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Vilsteren Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Witharen Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Witharen fase 2 Was/wordt-schema APV Was/wordt-schema AVOI Was/wordt-schema Erfgoedverordening Overzicht Algemene plaatselijke verordening Overzicht Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Overzicht Erfgoedverordening Analyse Besluit activiteiten leefomgeving Analyse Besluit kwaliteit leefomgeving Analyse provinciale omgevingsverordening Overijssel Overzicht ontheffingen en instemmingsbesluiten
24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 24 25 25 25 25 25 25
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Op het moment van inwerkingtreden van de Omgevingswet (1 januari 2024) heeft elke gemeente van rechtswege het tijdelijke omgevingsplan, bestaande uit de geldende bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen, exploitatieplannen, inpassingsplannen, bodemkwaliteitskaarten, de geurverordening, de hemelwaterverordening, het deel met betrekking tot archeologie uit de erfgoedverordening en de bruidsschat van het Rijk. Het tijdelijke omgevingsplan voldoet nog niet aan de vereisten die gelden voor het omgevingsplan zoals bedoeld in de Omgevingswet. Gemeente Ommen heeft tot 1 januari 2032 om het tijdelijk omgevingsplan om te bouwen naar een volwaardig omgevingsplan voor het gehele ambtsgebied, dat volledig voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en de provincie Overijssel en aan de digitale standaarden. De gemeente Ommen heeft ervoor gekozen om een thematische wijziging door te voeren voor de gemeentelijke verordeningsregels. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de gemeentelijke verordeningsregels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving gebundeld en gaan deze regels gelden voor het hele ambtsgebied van de gemeente Ommen. Als gevolg van deze integratie in het omgevingsplan kunnen (delen van) de huidige gemeentelijke verordeningen worden ingetrokken.
Deze wijziging van het omgevingsplan is overwegend conserverend van aard. Hiermee wordt bedoeld dat de bestaande juridische mogelijkheden uit de gemeentelijke verordeningen zo goed als mogelijk worden overgenomen, maar wel vertaald naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet. Dit document voorziet in de motivering van het wijzigingsbesluit en gaat in op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.
1.2
Planvorm
Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan Ommen. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt de gemeentelijke verordeningsregels die gevolgen hebben voor/van invloed zijn op de fysieke leefomgeving binnen het gehele ambtsgebied van de gemeente Ommen. Er is geen afgebakende definitie van wat de fysieke leefomgeving is. In de Omgevingswet is aangegeven dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Ook de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en voor de mens kunnen deel uitmaken van een omgevingsplan. Hierbij wordt gedacht aan emissies, hinder of risico, maar ook aan gezondheid en duurzaamheid. In een omgevingsplan moet sprake zijn van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dit wordt bereikt door regels voor activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het ambtsgebied en regels met de toegelaten activiteiten te koppelen aan locaties. Bij de evenwichtige toedeling dient de gemeente rekening te houden met alle betrokken belangen. De Omgevingswet gaat voor wat betreft het omgevingsplan in het algemeen uit van een andere filosofie dan het bestemmingsplan.
In het kort: minder regels, meer loslaten en deregulering: vertrouwen als uitgangspunt, integratie van aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één plan, meer ruimte voor afwegingen op gemeentelijk niveau, meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen en het waarborgen van omgevingskwaliteit.
5/25
De gemeenteraad heeft hierbij, met inachtneming van de hierna te benoemen algemene rijksregels en regels van de provincie, een zekere beoordelingsruimte. De regels van het omgevingsplan zijn voor iedereen juridisch bindend. Wanneer iemand een activiteit wil verrichten die invloed heeft op de fysieke leefomgeving, wordt de aanvraag voor die activiteit getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Het omgevingsplan heeft een ruime reikwijdte. Het beslaat alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan legt het in de omgevingsvisie, een programma of ander document vastgesteld gemeentelijk beleid ten aanzien van de fysieke leefomgeving vast in juridische regels. Activiteiten die getoetst worden aan het omgevingsplan zijn bijvoorbeeld: bouwen, slopen, kappen, aanleggen, houden van evenementen, maken van in-/uitritten en de gemeentelijke monumentenactiviteit. Burgemeester en wethouders houden op basis van de regels van het omgevingsplan toezicht en kunnen handhavend optreden. In het omgevingsplan wordt bepaald of een omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde activiteiten. De gemeente kan voor die activiteiten ook een melding verlangen of informatie vragen over de activiteit. Activiteiten kunnen ook worden verboden in het omgevingsplan.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 geeft een uiteenzetting van het proces dat is doorlopen om te bepalen welke verordeningsregels in het omgevingsplan (deels) zijn opgenomen en welke regels niet naar het omgevingsplan zijn overgeheveld. Hoofdstuk 3 bevat een toetsing aan de kaders die de Omgevingswet stelt om tot semi-definitieve omgevingsplanregels te komen. Hoofdstuk 4 brengt in kaart welke milieuaspecten relevant zijn en op welke manier deze aspecten in het omgevingsplan zijn verwerkt. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de keuzes die gemaakt zijn om te komen tot de regels van het omgevingsplan. Hoofdstuk 6 geeft een conclusie.
6/25
2. INVENTARISATIE 2.1
Inleiding
Veel gemeentelijke verordeningen bevatten regels over de fysieke leefomgeving of reguleren activiteiten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Omdat een deel van de regels moet worden opgenomen in het omgevingsplan, is een stappenplan doorlopen om te komen tot de regels die deze wijziging van het omgevingsplan bevatten. In dit geval is het stappenplan van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) gebruikt, wat te vinden is in de handreiking ‘Verordeningen en het omgevingsplan’1. Deze handreiking is een publicatie van de VNG en te raadplegen via hun website. Door dit stappenplan te doorlopen, wordt duidelijk welke artikelen uit de gemeentelijke verordeningen in het omgevingsplan zouden moeten worden opgenomen. Dit hoofdstuk bevat de inventarisatie zoals is beschreven in de handreiking ‘Verordeningen en het omgevingsplan’.
2.2
Inventarisatie gemeentelijke verordeningen
2.2.1 Toetsingskader Voor een drietal gemeentelijke verordeningen geldt dat zij (deels) deel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan. Hierbij gaat het om de regels over archeologie uit de erfgoedverordening, de regels over geurbelasting door veehouderijen op een geurgevoelig object uit een gemeentelijke geurverordening en de regels over afvloeiend hemelwater of grondwater in de riolering die zijn opgenomen in een gemeentelijke verordening ‘afvoer regen- en grondwater’.
Figuur 2.1: Weergave overgangsfase van tijdelijk deel omgevingsplan naar nieuw deel omgevingsplan (bron: Rho Adviseurs)
Voor de regels uit de overige gemeentelijke verordeningen die zien op de fysieke leefomgeving, geldt dat gemeenten tot 1 januari 2032 de tijd hebben om deze over te brengen naar het omgevingsplan. Om te bepalen welke regels een plek moeten krijgen in het omgevingsplan, worden de regels onderverdeeld in drie categorieën.
1
A. Zebel-Vaudo & R. Nakken, Verordeningen en het omgevingsplan, 2020, vng.nl.
7/25
‘Mag niet’-categorie Regels die vallen in de ‘mag niet’-categorie mogen niet worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in drie soorten gevallen: 1. Regels die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen De reikwijdte van de Omgevingswet is geregeld in artikel 1.2 en 1.3 Omgevingswet. Regels met een ander onderwerp of motief dan de fysieke leefomgeving of regels die niet gaan over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving mogen niet in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een verordening die is vastgesteld op grond van artikel 8 van de Participatiewet. 2. Regels op grond van bijzondere wetten Artikel 1.4 Omgevingswet bepaalt dat de Omgevingswet niet van toepassing is op onderwerpen die wel zien op de fysieke leefomgeving, maar die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld. Deze regels mogen dus niet worden opgenomen in het omgevingsplan. 3. Regels genoemd in artikel 2.1 lid 2 Omgevingsbesluit In dit artikel is een aantal regels expliciet genoemd dat niet mag worden meegenomen naar het omgevingsplan. Hierbij gaat het ten eerste om regels die (deels) wel betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, maar die hoofzakelijk worden gesteld met het oog op de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
Ten tweede gaat deze bepaling over regels met strafbaarstellingen en over financiële regels. ‘Moet’-categorie Regels die in deze categorie vallen, moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor zijn verschillende grondslagen te vinden in de Omgevingswet. 1. Afdeling 2.5 Omgevingswet Wanneer regels over verplicht op te nemen onderwerpen (op grond van afdeling 2.5 Omgevingswet) zijn opgenomen in een gemeentelijke verordening moeten deze regels verplaatst worden naar het omgevingsplan. Hierbij gaat het om instructieregels van het Rijk en provincie. 2. Artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet Op grond van artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet moeten regels uit de lokale verordeningen worden opgenomen in het omgevingsplan indien het gaat om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan regels over geur, geluid en parkeren. 3. Artikel 2.7 Omgevingswet jo. artikel 2.1 lid 1 Omgevingsbesluit Regels die de fysieke leefomgeving wijzigen moeten eveneens worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarvan is sprake als het gaat om een directe fysieke ingreep door de mens in de tastbare leefomgeving, zowel boven- als ondergronds. ‘Mag’-categorie Tot slot zijn er nog artikelen uit de lokale verordeningen die vallen in de ‘mag’-categorie.
Hierbij gaat het over gevolgen voor de fysieke leefomgeving die voortvloeien uit het gebruik van onderdelen van de fysieke leefomgeving, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt en het nalaten van activiteiten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om regels die gesteld zijn op grond van artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij deze categorie moet de gemeente een keuze maken waar de desbetreffende regel wordt opgenomen: in het omgevingsplan of in de verordening. 2.2.2 Beoordeling op hoofdlijnen Voor de toepassing van dit toetsingskader zijn alle gemeentelijke verordeningen betrokken in de beoordeling. In de eerste plaats is dit gedaan op hoofdlijnen, omdat een aantal verordeningen bij voorbaat in de ‘mag niet’-categorie vallen. De eerste inventarisatie is dus een scan van welke verordeningen mogelijk regels kunnen bevatten die gaan over de fysieke leefomgeving. Zodra duidelijk is om welke verordeningen het gaat, worden de regels van deze verordeningen nader geïnventariseerd.
8/25
Voor de eerste beoordeling zijn in totaal 68 gemeentelijke verordeningen beoordeeld om na te gaan of sprake is van verordeningen die mogelijk regels bevatten die gaan over de fysieke leefomgeving. Voor het grootste gedeelte zijn dit echter verordeningen die buiten de reikwijdte van de Omgevingswet vallen. In bijlage 1 is een overzicht opgenomen met de eerste beoordeling. 2.2.3 Beoordeling op regelniveau Voor de verordeningen waarvan op basis van de eerste beoordeling op hoofdlijnen is besloten dat zij niet naar het omgevingsplan mogen worden overgeheveld, is geen nadere analyse gemaakt. Deze verordeningen worden ook niet betrokken bij de beoordeling op regelniveau. Voor de overige verordeningen is wel per artikel bekeken in welke van de categorieën de specifieke regels vallen .
De verordeningen die aan een nadere beoordeling zijn onderworpen zijn: ● Algemene plaatselijke verordening gemeente Ommen 2021, beoordeling in bijlage 2; ● Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Ommen 2017 (AVOI 2017), beoordeling in bijlage 3; ● Bouwverordening gemeente Ommen 2013, beoordeling in bijlage 4; ● Erfgoedverordening 2011 gemeente Ommen, beoordeling in bijlage 5; ● Verordening geurhinder en veehouderij Vilsteren gemeente Ommen, beoordeling in bijlage 6; ● Verordening geurhinder en veehouderij Witharen, beoordeling in bijlage 7; ● Verordening geurhinder en veehouderij Witharen, fase 2, beoordeling in bijlage 8; ● Verordening Winkeltijden Ommen 2019, beoordeling in bijlage 9; ● Wijziging Bouwverordening gemeente Ommen 2016, beoordeling in bijlage 10. Op basis van deze beoordeling is, na overleg met de gemeente, een definitieve lijst samengesteld. In de basis zijn er vier verordeningen die in zijn geheel worden omgezet naar het omgevingsplan. Het gaat om de geurverordeningen die automatisch per 1 januari 2024 deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de Erfgoedverordening: ● Verordening geurhinder en veehouderij Vilsteren gemeente Ommen; ● Verordening geurhinder en veehouderij Witharen; ● Verordening geurhinder en veehouderij Witharen, fase 2; en ● Erfgoedverordening 2011 gemeente Ommen.
Ook is er een tweetal verordeningen die deels worden omgezet naar het omgevingsplan. Het gaat om de volgende verordeningen: ● Algemene plaatselijke verordening gemeente Ommen 2021; en ● Algemene verordening ondergrondse infrastructuur gemeente Ommen 2017 (AVOI 2017). Voor de overige verordeningen die in eerste instantie betrokken zijn in de beoordeling, is bij de nadere analyse gebleken dat: ● er geen bepalingen in staan opgenomen die naar het omgevingsplan moeten of mogen; ● er enkel bepalingen in staan opgenomen die naar het omgevingsplan mogen en die gelet op de samenhang met de overige regels in de verordening blijven staan; of ● er bepalingen in staan opgenomen die naar het omgevingsplan moeten of mogen en die op termijn als aparte wijziging in het omgevingsplan worden geïntegreerd. Uiteindelijk heeft de analyse geleid tot de lijst met artikelen die opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan. Een overzicht van deze artikelen is opgenomen in bijlage 11.
Dit is vervolgens doorvertaald naar een was/wordt-schema per verordening, waarmee inzichtelijk is gemaakt op welke plek de artikelen in de wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen: ● Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Vilsteren, zie bijlage 12; ● Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Witharen, zie bijlage 13; ● Was/wordt-schema Verordening geurhinder en veehouderij Witharen fase 2, zie bijlage 14; ● Was/wordt-schema Algemene plaatselijke verordening, zie bijlage 15; ● Was/wordt-schema Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, zie bijlage 16; en ● Was/wordt-schema Erfgoedverordening, zie bijlage 17.
9/25
De artikelen die vanuit de verordeningen worden omgezet naar het omgevingsplan komen in de bestaande verordeningen te vervallen. De drie geurverordeningen en de Erfgoedverordening worden in zijn geheel ingetrokken, omdat deze verordeningen volledig geïntegreerd worden in het omgevingsplan. Voor een drietal verordeningen is inzichtelijk gemaakt welke artikelen in de verordeningen blijven staan en welke artikelen komen te vervallen: ● Overzicht Algemene plaatselijke verordening, zie bijlage 18; ● Overzicht Algemene verordening ondergrondse infrastructuur, zie bijlage 19; en ● Overzicht Erfgoedverordening, zie bijlage 20.
10/25
3. REGELANALYSE 3.1
Inleiding
Voordat de artikelen uit bijlage 11 in het omgevingsplan opgenomen kunnen worden, is het van belang te weten wat er wel en niet geregeld moet en mag worden. De gemeente kan regels stellen, mits dit passend is binnen de kaders die zijn gesteld op rijks- en provinciaal niveau. Ook zijn er regels in de bruidsschat opgenomen die standaard deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bruidsschat moet daarom worden betrokken bij de analyse om eventuele strijdigheden met de te integreren artikelen op te heffen. Dit kan betekenen dat bepaalde regels uit de verordeningen geschrapt, aangevuld of gewijzigd moeten worden. Voorliggend hoofdstuk bevat de analyse van de regels van hogere overheden en de bruidsschat.
3.2
Rijksniveau
3.2.1 Omgevingswet De Omgevingswet is de grondslag voor het opstellen van het omgevingsplan. De Omgevingswet bundelt de wetten voor de leefomgeving. Het gaat daarbij onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: ● Omgevingsbesluit (Ob): dit besluit bevat regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, procedures, handhaving en uitvoering en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). ● Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): in dit besluit stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Algemene rijksregels die gelden voor diverse activiteiten zijn in dit besluit opgenomen. Het Bal is direct gericht op burgers en bedrijven. ● Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl): dit besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor gemeenten, provincies en waterschappen voor het vaststellen van onder meer omgevingsplannen en verordeningen. ● Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl): dit besluit bevat met name regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken.
Daarnaast bevat het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk en over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Het Bbl is vooral gericht op burgers of bedrijven. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Nagegaan wordt welke omgevingswaarden en instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor de integratie van de verordeningsregels in deze wijziging van het omgevingsplan en hoe deze worden verwerkt. Omdat het Omgevingsbesluit (Ob) geen instructieregels bevat en met name procedurele aspecten regelt, wordt niet nader ingegaan op deze AMvB. 3.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving Toetsingskader De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AMvB’s en wetten die golden onder de oude systematiek van de Wabo.
In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor de volgende activiteiten: ● Milieubelastende activiteiten; ● Activiteiten in of bij waterstaatswerken in beheer bij het Rijk; ● Activiteiten rond rijkswegen, spoorwegen en luchthavens; ● Activiteiten die de natuur raken; ● Activiteiten die cultureel erfgoed of werelderfgoed raken; ● Landinrichtingsactiviteiten; ● Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden in een badwaterbassin; ● Wateronttrekking voor industriële toepassingen en voor de drinkwatervoorziening; ● Ontgrondingsactiviteit op land en regionale wateren; ● Lozingsactiviteit van schepen.
11/25
In het Bal wordt in hoofdstuk 2 voor de bovengenoemde activiteiten het bevoegd gezag aangewezen. Verder biedt dit hoofdstuk verschillende mogelijkheden tot het opstellen van lokaal maatwerk, in de vorm van maatwerkregels, maatwerkvoorschriften en het toestaan van de gelijkwaardige maatregel. Indien het Bal een onderwerp uitputtend regelt, mag daarover in het omgevingsplan niets worden opgenomen. In hoofdstuk 3 worden de hoofdcategorieën van de milieubelastende activiteiten benoemd én worden de procedureregels vastgesteld. In hoofdstuk 4 worden voor deze hoofdcategorieën en daarbij behorende nevengeschikte milieubelastende activiteiten de gedragsregels vastgesteld. Daarnaast zijn in het Bal regels opgenomen over thematische onderwerpen zoals bodem, luchtkwaliteit en industrielawaai, activiteiten bij rijkswaterstaatswerken en -infrastructuur, activiteiten die de natuur beïnvloeden en overige activiteiten van nationaal belang. Het is onder voorwaarden toegestaan aanvullend op de regels uit het Bal regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder beperkingen af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden.
In het Bal wordt wel aangegeven aan welke regels met name de zwaardere milieubelastende activiteiten moeten voldoen. Ook bevat het regels voor locatiespecifieke en onderwerpspecifieke activiteiten. Onder voorwaarden is het toegestaan aanvullend regels (decentraal) in het omgevingsplan te regelen. Het Bal bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel). Beoordeling en conclusie Met deze wijziging van het omgevingsplan worden bestaande gemeentelijke verordeningsregels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving geïntegreerd in het omgevingsplan. Om na te gaan of met deze verordeningsregels activiteiten worden geregeld die ook in het Bal worden gereguleerd, is geanalyseerd in hoeverre het Bal van invloed is op de regels die in de wijziging van het omgevingsplan worden opgenomen en welke milieubelastende activiteiten voorkomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Deze analyse is bijgevoegd in bijlage 21. Uit deze analyse is gebleken dat met deze wijziging van het omgevingsplan wel milieubelastende activiteiten worden geregeld, maar dat het niet gaat om milieubelastende activiteiten in de zin van het Bal.
Het Bal heeft namelijk betrekking op activiteiten of gebieden die niet worden geregeld in deze wijziging van het omgevingsplan, omdat het Bal voornamelijk regels stelt over specifieke milieubelastende activiteiten en geen regels stelt over de milieuaspecten van activiteiten in zijn algemeen. De regels uit het Bal zijn daarom niet van toepassing op deze wijziging van het omgevingsplan. 3.2.3 Besluit kwaliteit leefomgeving Toetsingskader Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij zich moeten houden bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. Deze instructieregels richten zich op de volgende thema's: Paragraafnr.
Inhoud
Onderwerp
§5.1.1
Algemene bepalingen
Dienstenrichtlijn
§5.1.2
Waarborgen van de veiligheid
(Externe) veiligheid
§5.1.3
Beschermen van de waterbelangen
Waterkwaliteit en veiligheid
§5.1.4
Beschermen van de gezondheid en van het milieu
Lucht, geluid, trillingen, windturbines, bodem, geur
12/25
§5.1.5
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Ladder duurzame verstedelijking, cultureel erfgoed, werelderfgoed
§5.1.6
Behoud van ruimte voor toekomstige functies
Autowegen, buisleidingen
§5.1.7
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
Landsverdediging en nationale veiligheid, radar, vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen, woningbouwcategorieën
§5.1.8
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Voor personen met een functiebeperking
§5.2
De uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving
-
-
-
§5.3
Ontheffingsmogelijkheden omgevingsplan
van
Voorkomen belemmeringen voor gebruik en beheer hoofdspoorwegen en rijkswegen Lokale spoorwegen binnen vervoerregio’s Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool onder voorwaarden (voldoen aan gestelde eisen) Bebouwingscontour jacht, bebouwingscontour houtkap
instructieregels
Beoordeling en conclusie In de wijziging van dit omgevingsplan zijn regels opgenomen die passen binnen de kaders van deze instructieregels. Voor deze wijziging zijn de thema’s geluid, geur en cultureel erfgoed relevant. Dit is gebleken na een analyse van het Bkl, die is bijgevoegd in bijlage 22. Deze thema’s worden verder uitgewerkt in hoofdstuk 5 van deze motivering. 3.2.4 Besluit bouwwerken leefomgeving Toetsingskader De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het voorheen geldende Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, maar ook over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijk deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat als er over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen. Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dit is de zogenoemde knip. Hierdoor bestaat de activiteit bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.
De technische bouwactiviteit Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl. Denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.
13/25
De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de beperking van de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl, maar staan ook in de bruidsschat. Van de regels in de bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan, maar dat wordt in deze wijziging van het omgevingsplan niet gedaan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt. Beoordeling en conclusie Voor deze wijziging van het omgevingsplan is het Besluit bouwwerken leefomgeving in mindere mate relevant. De verordeningsregels die met deze wijziging worden geïntegreerd hebben namelijk, op één onderwerp na, geen betrekking op bouwactiviteiten. Er worden alleen regels opgenomen over het plaatsen van meerpalen en steigers.
3.3
Provinciaal niveau
3.3.1 Provinciale omgevingsverordening Toetsingskader Per 1 januari 2024 heeft de provincie Overijssel een nieuwe omgevingsverordening in werking laten treden; de Omgevingsverordening Overijssel 2024. De omgevingsverordening is het juridisch instrument op provinciaal niveau dat wordt ingezet om de belangrijke onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie juridisch te borgen. Uit hoofdstuk 4 van de verordening volgen instructieregels waar gemeenten zich bij het stellen van regels voor omgevingsplannen aan moeten houden. Deze instructieregels worden gesteld voor de doorwerking van provinciale belangen in gemeentelijke omgevingsplannen. Beoordeling en conclusie Uit een analyse van de provinciale omgevingsverordening, zie bijlage 23, volgt dat het merendeel van de instructieregels vooralsnog niet van toepassing is op het omgevingsplan omdat het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Artikel 4.10 lid 1 is wel van toepassing, wat inhoudt dat in het omgevingsplan de normerende uitspraken en de richtinggevende uitspraken in acht worden genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over gebieden die in dat omgevingsplan zijn opgenomen. Hier is al in voorzien door het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Ingevolge artikel 4.12 lid 1 en lid 2 wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn.
Ook hierin wordt voorzien, deels door de wijziging van het omgevingsplan en deels door de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In de wijziging van het omgevingsplan zijn bijvoorbeeld regels opgenomen ten aanzien van gemeentelijke monumenten. Voorts dienen op grond van artikel 4.33 in het omgevingsplan regels te worden opgenomen die permanente bewoning van recreatiewoningen en - verblijven uitsluiten. Een dergelijke regel is opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Ook dient op grond van artikel 4.44 lid 1 de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen te worden uitgesloten. In dit geval geldt weer dat daarin wordt voorzien door het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Tot slot wordt in artikel 4.65 lid 1 en 3 geregeld dat landschappelijke waarden en bestaande bos- en natuurgebieden beschermd moeten worden door regels te stellen in het omgevingsplan die zich richten op behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Hierin wordt voorzien door het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In aanvulling daarop worden regels gesteld over het vellen van houtopstanden die voldoen aan deze instructieregel. Op basis van de analyse van de provinciale verordening kan geconcludeerd worden dat het merendeel van de instructieregels niet van toepassing is.
Voor de overige instructieregels geldt dat hier al vaak aan wordt voldaan door het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Alleen voor het uitsluiten van permanente bewoning van recreatiewoningen en -verblijven is een regel opgenomen in de wijziging van het omgevingsplan. Voor bossen en natuurterreinen is geregeld dat in deze gebieden houtopstanden niet zonder meer gekapt mogen worden. Hier moet in ieder geval een omgevingsvergunning voor worden aangevraagd. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt voldaan aan de instructieregels van de provinciale omgevingsverordening.
14/25
3.4
Bruidsschat
Algemeen Onder de Omgevingswet verhuizen veel regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. De wetten en uitvoeringsbesluiten waarin deze regels zijn opgenomen, zijn ingetrokken. De bedoeling is dat gemeenten deze regels in het omgevingsplan opnemen. Om deze verhuizing sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 goed te laten verlopen, heeft het Rijk de bruidsschat onderdeel gemaakt van het omgevingsplan van rechtswege. De bruidsschat bevat voormalige Rijksregels. Door opname van de bruidsschat in het omgevingsplan van rechtswege wordt voorkomen dat deze, veelal noodzakelijke regels, vervallen. De regels uit de bruidsschat hebben betrekking op verschillende onderwerpen zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De bruidsschat bevat ook regels over bouwen en gebruiken, welstand, cultureel erfgoed en aanvraagvereisten. De bruidsschatregels komen vooral uit het voormalige Activiteitenbesluit, het Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht. De regels zijn beleidsneutraal of beleidsarm overgenomen, wat betekent dat de essentie van de regels niet is gewijzigd. Wel zijn de regels aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Het Invoeringsbesluit Omgevingswet bevat de bruidsschatregels.
De bruidsschat maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bepaalt de Omgevingswet. Elke gemeente krijgt van het Rijk in haar omgevingsplan een hoofdstuk 22 waarin de regels uit de bruidsschat staan. Ook bevat elk omgevingsplan in hoofdstuk 1 regels uit de bruidsschat (begripsbepalingen). Schrappen, overnemen of wijzigen De gemeente weegt bij het maken van een omgevingsplan af of deze regels geschrapt, overgenomen of gewijzigd worden en geeft daarmee invulling aan de decentrale afwegingsruimte. Na de transitieperiode vervallen de regels uit de bruidsschat niet van rechtswege. Dit houdt in dat de bruidsschat onderdeel blijft uitmaken van het omgevingsplan van rechtswege. Voorrangsregel In de bruidsschat is een voorrangsregel opgenomen die bepaalt welke regel voorgaat bij strijdigheid met andere regels uit het tijdelijke omgevingsplan, zoals het bestemmingsplan, een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte of een beheersverordening (zie de opsomming in artikel 4.6 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). Bij strijdigheid gaat de regel uit het tijdelijke omgevingsplan voor op de regel uit de bruidsschat.
Milieubelastende activiteiten en de bruidsschat De bruidsschat bevat milieuregels voor activiteiten die lokaal geregeld kunnen worden, zoals geluids- of geurhinder bij een horecagelegenheid, sportinrichting of een winkel. Ook bevat de bruidsschat regels over immissies van geluid, geur en trillingen. Beoordeling en conclusie Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan voor de verordeningsregels zijn de regels uit de bruidsschat geanalyseerd. Het uitgangspunt is dat de regels uit de bruidsschat ongewijzigd in de bruidsschat blijven staan en dat deze regels met een latere wijziging van het omgevingsplan geïntegreerd worden. Concreet betekent dit dat een voorrangsbepaling opgenomen is waar nodig. Voor deze wijziging is alleen een voorrangsbepaling opgenomen die ziet op de aspecten geluid en geur. Er zijn met de wijziging van het omgevingsplan namelijk regels over geluid opgenomen die mogelijk strijdig zijn met de regels uit de bruidsschat. Vanuit de geurverordeningen zijn er ook andere normen opgenomen ten aanzien van geur, waarmee een strijdigheid met de bruidsschat ontstaat. Met het opnemen van de voorrangsbepalingen zijn deze strijdigheden opgeheven.
15/25
4. GEVOLGEN VOOR DE FYSIEKE LEEFOMGEVING In de AMvB’s van de Omgevingswet en de bruidsschat zijn verschillende milieugerelateerde aspecten geregeld. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 instructieregels. In de bruidsschat zijn regels gesteld over zowel milieuaspecten als milieubelastende activiteiten. Bij de wijziging van het omgevingsplan moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, waarbij de bruidsschat in beginsel ongewijzigd in het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijft staan. Omdat in de verordeningsregels wel milieuthema’s worden geregeld, moet met beide aspecten rekening worden gehouden in het omgevingsplan. Specifiek wordt ingegaan op de thema’s geluid, geur en cultureel erfgoed.
4.1
Geluid
Op grond van het Bkl moet bij het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met het geluid dat door activiteiten, anders dan wonen, op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele milieubelastende activiteiten, milieubelastende activiteiten op een industrieterrein, de geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. Met de eerder genoemde individuele activiteiten wordt gewaarborgd dat de geluidbelasting door milieubelastende activiteiten geen aanleiding tot geluidhinder geven. In het navolgende wordt ingegaan op de wijze waarop in dit omgevingsplan, voor verschillende soorten van activiteiten die daarmee worden toegelaten, waarborgen tegen geluidhinder worden geboden. Wegverkeerslawaai Als met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, moet bij de voorbereiding daarvan het geluidaandachtsgebied rond omliggende wegen inzichtelijk worden gemaakt. Deze geluidaandachtsgebieden zijn opgenomen in het geluidregister dat door het Rijk wordt beheerd. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het onderdeel wegverkeerslawaai is niet relevant.
Industrielawaai Als met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, moet bij de voorbereiding daarvan het geluidaandachtsgebied rond gezoneerde industrieterreinen inzichtelijk worden gemaakt. Deze geluidaandachtsgebieden zijn opgenomen in het geluidregister dat door het Rijk wordt beheerd. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het onderdeel industrielawaai is niet relevant. Spoorweglawaai Als met de wijziging van het omgevingsplan nieuwe geluidgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, moet bij de voorbereiding daarvan ook het geluidaandachtsgebied rond de spoorbaan inzichtelijk worden gemaakt. Dit geluidaandachtsgebied is opgenomen in het geluidregister dat door het Rijk wordt beheerd. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het onderdeel spoorweglawaai is niet relevant. Overige milieubelastende activiteiten Op grond van artikel 5.59 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met de aanvaardbaarheid van het geluid door activiteiten dat ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen op zal treden. In de instructieregel van het Bkl is aangegeven dat hiertoe regels aan het omgevingsplan moeten worden verbonden.
In de basis worden in de bruidsschat, specifiek in paragraaf 22.3.4, regels gesteld ten aanzien van geluid. Omdat de bruidsschat standaard deel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan en deze regels niet worden aangepast, zijn er regels gesteld omtrent dit thema.
16/25
Aanvullend op de regels uit de bruidsschat worden in de gemeentelijke verordeningsregels ook regels gesteld ten aanzien van geluid. Met de integratie van deze regels in het omgevingsplan worden in aanvulling op de bruidsschat specifieke regels opgenomen voor: • geluidhinder door onversterkte muziek; • geluidhinder in de open lucht; • geluidhinder door dieren; • geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen; • overige geluidhinder. Deze onderdelen zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van het omgevingsplan, onder de paragraaf ‘Geluidhinder’. Een deel van de regels wijkt inhoudelijk af van de normen die de bruidsschat aan het aspect geluid stelt. Voor deze specifieke gevallen gaan de regels uit hoofdstuk 10 dus voor op de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
4.2
Geur
Op grond van artikel 5.92 van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de aanvaardbaarheid van de geurbelasting die optreedt door milieubelastende activiteiten ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen het plangebied. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de geurbelasting door zuiveringstechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren en overige geurbelastende activiteiten. Ook moet op grond van artikel 5.97 van het Bkl een bebouwingscontour geur worden aangewezen. Deze bebouwingscontour geur is in het omgevingsplan aangewezen in hoofdstuk 4. Het gebied binnen deze bebouwingscontour bestaat uit het stedelijk gebied waar de standaardwaarden uit het Bkl in de basis gelden. Echter, zodra van de standaardwaarden wordt afgeweken, zal dat gebied buiten de bebouwingscontour geur komen te liggen omdat voor deze locatie afwijkende waarden moeten worden opgenomen. Het Bkl biedt namelijk ruimte om af te wijken van de standaardwaarden, mits de grenswaarden niet overschreden worden. In deze wijziging van het omgevingsplan is afgeweken van de standaardwaarde op grond van artikel 5.109 lid 2 van het Bkl en artikel 5.112 lid 2 van het Bkl. Deze onderdelen zijn opgenomen in hoofdstuk 10 van het omgevingsplan, onder de paragraaf ‘Geurhinder’ en vormen dus een specifieke regeling.
Een deel van de regels wijkt dan ook inhoudelijk af van de normen die de bruidsschat aan het aspect geur stelt. Voor deze specifieke gevallen gaan de regels uit hoofdstuk 10 dus voor op de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Met de regels uit hoofdstuk 10 en hoofdstuk 22, waarin beide het aspect geur wordt geregeld, wordt het beschermingsniveau geboden dat artikel 5.92 van het Bkl afdwingt.
4.3
Cultureel erfgoed
Omgevingswet Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is op grond van artikel 1.2 Omgevingswet onderdeel van de fysieke leefomgeving. De instrumenten van de Omgevingswet hebben dus ook betrekking op het behoud van het cultureel erfgoed, waaronder het omgevingsplan. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet”. Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als ‘cultuurgoederen’), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht.
17/25
Instructieregels Rijk De instructieregels van het Rijk ten aanzien van cultureel erfgoed en werelderfgoed staan in artikel 5.130 van het Bkl. Artikel 5.130 bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog hierop worden in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende beginselen: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; b. het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; c. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; d. het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2.
het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en e. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. De manier waarop de instructies in artikel 5.130 van het Bkl zijn geformuleerd, namelijk ‘rekening houden met’, is (althans voor gebouwd en aangelegd cultureel erfgoed) een verbreding ten opzichte van de eerdere instructie tot het opnemen van cultureel erfgoed in (in ieder geval de toelichting van) het voormalige bestemmingsplan. Voor bekende en aantoonbare te verwachten archeologische monumenten is het een voortzetting van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (oud). Met de Omgevingswet moet een gemeente cultureel erfgoed dat daar, na inventarisatie en analyse naar haar oordeel voor in aanmerking komt, beschermen via de regels van het omgevingsplan. Het belang van cultureel erfgoed moet, naast andere belangen, uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van het omgevingsplan. Hiermee biedt de Omgevingswet meer garanties voor een zorgvuldige benadering van cultureel erfgoed dan de oude wetgeving. Dit vloeit voort uit een herimplementatie van de internationale verdragen, waaronder in dit geval het verdrag van Granada.
Voor deze wijziging van het omgevingsplan gemeente Ommen wordt alleen een regeling opgenomen voor de gemeentelijke monumenten. Onder de oude wetgeving gold de Erfgoedverordening. Deze gaat gedeeltelijk op in het omgevingsplan. De andere aspecten van cultureel erfgoed worden met de gebiedsgewijze wijzigingen van het omgevingsplan opgenomen in het plan. Gemeentelijke monumenten De gemeente Ommen kent 54 gemeentelijke monumenten. Onder een gemeentelijk monument wordt op grond van de begripsbepalingen in het Bbl verstaan: ‘een monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven’. In het omgevingsplan zijn de gemeentelijke monumenten voorzien van de locatie ‘gemeentelijk monument’. Op grond van artikel 2.30 Bbl is het vergunningvrij bouwen voor gemeentelijke monumenten ingeperkt. In de Bruidsschat is het vergunningvrij bouwen van bepaalde bouwwerken ook ingeperkt voor omgevingsplanactiviteiten (artikel 22.30 Omgevingsplan gemeente Ommen). In het omgevingsplan zijn in hoofdstuk 11 regels opgenomen omtrent gemeentelijke monumentenactiviteiten. Bij de regels is aangesloten op de regeling voor rijksmonumenten. De redengevende beschrijvingen van de gemeentelijke monumenten (hierin wordt beschreven wat de monumentale waarden van het betreffende monument zijn) zijn opgenomen als bijlage bij de regels van het omgevingsplan.
18/25
5. GEMAAKTE KEUZES 5.1
Algemeen
Thematische wijziging van het omgevingsplan in plaats van bouwsteen of verordening fysieke leefomgeving Als duidelijk is welke onderdelen van de gemeentelijke verordeningen overgaan naar het omgevingsplan, waarbij ook een dereguleringsslag kan worden gemaakt, kunnen de artikelen worden herschreven in de stijl van het omgevingsplan. Deze regels kunnen als tussenstap in een ‘Verordening fysieke leefomgeving’ (hierna: VFL) worden gebundeld. Ook is het mogelijk deze regels gebiedsgewijs toe te voegen aan het omgevingsplan, middels een zogenoemde bouwsteen. Een derde variant is het opnemen van een laag met verordeningsregels: een thematische wijziging van het omgevingsplan. De gemeente Ommen heeft gekozen voor deze laatste variant. Met een thematische wijziging worden de regels als een thematische laag over het gemeentelijke gebied uitgestreken. Het invoegen van de regels is een wijziging van het omgevingsplan, de regels zijn daarmee onderdeel van het nieuwe deel. Per onderwerp uit de verordening moet goed bekeken worden of hiervoor al regels in de bestemmingsplannen zijn opgenomen. Als deze onderling strijdig zijn, kunnen die regels indien nodig worden vervangen door de regels uit de verordeningen. Hiervoor moeten voorrangsbepalingen worden opgenomen. Het voordeel van deze benadering is dat de regels uit de verordeningen gelijk onderdeel zijn van het omgevingsplan.
Daarbij zijn zij ook digitaal raadpleegbaar in het DSO. Deze benadering sluit goed aan bij de één-document-gedachte van de Omgevingswet. De regels kunnen ook geannoteerd worden en er kunnen toepasbare regels voor geschreven worden. Gelet op de voordelen en de geringe nadelen heeft de gemeente Ommen voor deze werkwijze gekozen.
5.2
Opzet van het omgevingsplan
5.2.1 Basisstructuur Bij het opstellen van het omgevingsplan is de structuur zoals uiteengezet in de eerste staalkaart ‘het Casco voor het omgevingsplan’ van de VNG grotendeels aangehouden. Het casco omgevingsplan is een voorbeeldstructuur voor de juridische regels in het omgevingsplan. Deze structuur laat zien op welke wijze een omgevingsplan kan worden opgebouwd. Daarbinnen kunnen de regels over activiteiten op verschillende manieren worden gegroepeerd. Voor de gemeente Ommen is een verdere uitwerking van de hoofdstukkenstructuur uit het casco van de VNG opgenomen. In tabel 5.1 is de hoofdstukkenstructuur uit het casco en de hoofdstukkenstructuur die wordt gehanteerd voor het omgevingsplan weergegeven. Tabel 5.1: Vergelijking hoofdstukkenstructuren VNG en gemeente Ommen
Hoofdstukkenstructuur casco VNG Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 2 Doelen Hoofdstuk 3 Programma’s Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Hoofdstuk 5 Activiteiten Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen Hoofdstuk 8 Procesregels Hoofdstuk 9 Handhaving Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Hoofdstuk 12 Slotbepalingen Hoofdstuk 13 t/m 21 Gereserveerd Hoofdstuk 22 Bruidsschat
19/25
Hoofdstukkenstructuur omgevingsplan gemeente Ommen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 2 Doelen Hoofdstuk 3 Programma’s Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Hoofdstuk 5 Activiteiten algemeen Hoofdstuk 6 Gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 7 Periodieke gebruiksactiviteiten Hoofdstuk 8 Bouwactiviteiten Hoofdstuk 9 Aanlegactiviteiten Hoofdstuk 10 Omgevingsaspecten van activiteiten Hoofdstuk 11 Monumentenactiviteiten Hoofdstuk 12 t/m 21 Gereserveerd Hoofdstuk 22 Bruidsschat Hoofdstuk 23 Slotbepalingen
De gemeente Ommen kiest voor een activiteitgerichte opzet van het omgevingsplan. Net als in de Omgevingswet gaat de gemeente uit van de verschillende activiteiten, zoals gebruiken, bouwen, aanleggen, slopen, etc. De regels zijn dan ook conform deze activiteiten ingedeeld. De structuur van het omgevingsplan Ommen volgt op hoofdlijnen het casco omgevingsplan. Bij wijzigingen van het omgevingsplan voor nieuwe initiatieven moeten de regels conform deze structuur worden opgesteld. 5.2.2 Tekstelementen Om het omgevingsplan verder in te vullen moeten in de hoofdstukken regels opgenomen worden. Om dit te kunnen structureren zijn er tekstelementen die gebruikt kunnen worden voor het omgevingsplan, wat volgt uit de standaarden voor het omgevingsplan. Het gaat om de volgende tekstelementen: • Regeling (overkoepelende element) • Hoofdstuk (verplicht element) • Titel • Afdeling • Paragraaf • Subparagraaf • Subsubparagraaf • Artikel (verplicht element) • Lid De daadwerkelijke inhoud, ‘de regeltekst’, kan alleen voorkomen onder een artikel of een lid. Alle andere tekstelementen zijn structuurelementen. Hieronder is een overzicht van de basisafspraken met betrekking tot het toepassen van de tekstelementen: • Een hoofdstuk en een artikel komen altijd voor in een omgevingsplan. • Als er behoefte is om in een hoofdstuk artikelen te groeperen, wordt het tekstelement ‘afdeling’ gebruikt.
• In hoofdstukken waarin een onderverdeling in afdelingen niet volstaat wordt een paragraaf gebruikt; dit tekstonderdeel komt tussen afdeling en artikel. • Een volgende onderverdeling ontstaat door subparagraaf te gebruiken; dit tekstelement komt tussen paragraaf en artikel. • Bij behoefte aan nog verdergaande onderverdeling wordt subsubparagraaf gebruikt; dit tekstelement komt tussen subparagraaf en artikel, maar wordt in deze wijziging van het omgevingsplan niet gebruikt. • Artikelen kunnen worden onderverdeeld in leden. • Leden kunnen niet worden onderverdeeld in subleden, in de standaard komt sublid namelijk niet voor. • Een lid heeft geen opschrift. • Tekst kan alleen voorkomen onder artikel of lid: de inhoud. • Inhoud bestaat uit onder andere alinea, figuur, lijst en tabel; deze kunnen alleen voorkomen onder artikel of lid. • Lijsten kunnen in meerdere niveaus gebruikt worden, zogenaamde geneste lijsten. • Voet- en eindnoten zijn niet toegestaan. 5.2.3 Locaties Uit het juridisch systeem volgt dat van iedere regeltekst (artikel of lid) duidelijk moet zijn waar deze geldt. Iedere regeltekst wordt daarom gekoppeld aan één of meer locaties die gezamenlijk het werkingsgebied van de regeltekst vormt.
Figuur 5.1: Voorbeeld locaties en werkingsgebied regeltekst
20/25
Het werkingsgebied van een regel kan maximaal het gehele grondgebied van de gemeente omvatten, het kunnen meerdere gebieden gezamenlijk zijn of zo klein zijn als 1 cm2. Een locatie heeft een naam ‘de noemer’. Vanuit de regeltekst wordt minimaal eenmaal verwezen naar de ‘noemer’ van de locatie. Hiervoor onderscheiden we verschillende typen locaties: 1. Locaties t.b.v. de gebiedsaanwijzing, bijvoorbeeld: a. verwijzing naar gebiedstypen b. aanwijzen van gebieden die voorkomen uit instructieregels van het Rijk, de provincie en het waterschap, zoals zoneringen en aandachtsgebieden 2. Locaties voor regels over activiteiten, bijvoorbeeld: a. vergunningplicht voor het aanleggen van een uitrit b. verbod voor het parkeren van voertuigwrakken In de volgende paragrafen worden deze typen verder uitgewerkt. De noemer van de locatie heeft vaak een directe relatie met de gebruikte annotatie. Het gebruik van annotaties wordt in de volgende paragraaf beschreven. Naamgeving van locaties die behoren bij een gebiedsaanwijzing Verwijzing naar gebiedstypen In dit geval is de noemer van de locatie een voor de gemeente herkenbare naam, bijvoorbeeld een specifieke wijk of een (deel)gebied. Voor deze wijziging van het omgevingsplan wordt geen gebruik gemaakt van gebiedstypen.
Aanwijzen van gebieden die voortkomen uit instructieregels Voor het aanwijzen van gebieden die voorkomen uit instructieregels van het Rijk, de provincie en het waterschap sluiten we aan bij de naamgeving vanuit de instructieregel zelf. Voorbeelden: • Gemeentelijk monument • Bebouwingscontour geur Naamgeving van locaties die horen bij activiteiten Wanneer specifieke locaties worden aangemaakt voor een activiteit, is van belang om te bedenken dat deze activiteit met verschillende regelkwalificaties voor kan komen. Bijvoorbeeld bij de activiteit ‘maken of veranderen van een uitweg’ kan in bepaalde situaties een meldingsplicht gelden, terwijl in een andere situatie een verbod of vergunningplicht van toepassing is. Voor de tekstuele verwijzing naar de locatie van een activiteit zal de ‘noemer’ van de locatie dus moeten verschillen per kwalificatie (vergunningplicht, melding e.d.). Hiervoor legt de gemeente Ommen het volgende systeem vast voor de naamgeving van de locatie: <activiteit> <eventuele specificatie> – <regelkwalificatie> Voorbeeld: Maken of veranderen van een uitweg – meldingsplicht Parkeren van voertuigen van autobedrijven – toegestaan Deze opzet in het omgevingsplan verklaart waarom één artikel uit een verordening in het omgevingsplan in verschillende artikelen kan terugkomen.
Zo komt artikel 2:12 uit de APV Ommen 2021 betreffende het maken of veranderen van een uitweg in de artikelen 9.11 en 9.14 van het omgevingsplan, omdat hier zowel een meldingsplicht als een verbod geldt. 5.2.4 Annoteren Wie in een webwinkel op zoek is naar een boek, toetst een zoekwoord in en filtert bijvoorbeeld op prijs, taal en beschikbaarheid en krijgt vervolgens een overzichtelijk lijstje van opties, binnen een totaal van misschien wel tienduizenden titels. Het zijn annotaties, voor de gebruiker niet-zichtbare labels, die zorgen voor deze selectiekracht. Onder de Omgevingswet wordt een groot aantal regels bij elkaar gebracht.
21/25
Via het omgevingsloket (functie oriënteren op de kaart) zijn straks alle geldende regels voor een locatie te zien. Wie gebruik maakt van deze functie is gericht op zoeken en wil alle relevante informatie zien, toegesneden op een vraag. Hiervoor is het nodig dat regels geannoteerd zijn. Gemeente Ommen doet dit door per artikel of lid bepaalde kenmerken aan te brengen. Hierdoor kan de gebruiker, bijvoorbeeld in het omgevingsloket, deze regels op hun kenmerken bevragen via zoektermen. Er zijn veel verschillende annotaties mogelijk. Vooralsnog kiest de gemeente voor het gebruik van de volgende annotaties: • de locatie: verplichte annotatie; • gebiedsaanwijzingen: alleen t.b.v. de instructieregels en de gebiedstypen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van het casco omgevingsplan; • activiteit en activiteitregelkwalificatie. De gemeente brengt deze annotaties aan met behulp van een softwarepakket. De voorbeeldregels in dit document worden bij de verdere uitwerking gedigitaliseerd en geannoteerd, zodat deze in het gemeentelijk softwarepakket kunnen worden ingelezen.
5.3
Inhoud van het omgevingsplan
5.3.1 Technische wijzigingen Om de gemeentelijke verordeningsregels te kunnen integreren in het omgevingsplan zijn er technische wijzigingen doorgevoerd in de regelteksten. Dit komt doordat bepaalde wet- en regelgeving is vervallen en daarmee bepaalde begrippen verloren zijn gegaan, omdat ze niet meer worden gebruikt in de Omgevingswet of daaruit voortvloeiende regelgeving. Dit geldt bijvoorbeeld voor het begrip ‘inrichting’, waar veelvuldig gebruik van wordt gemaakt in de oude regelteksten. In het omgevingsplan spreken we niet van een ‘inrichting’, maar een ‘bedrijfsmatige activiteit’. Verder zijn onder meer het ‘uitvoeren van een werk of werkzaamheden’, het ‘strijdig met het bestemmingsplan gebruiken van gronden of bouwwerken’ en het ‘slopen van een bouwwerk op grond van regels in het bestemmingsplan’ omgevingsplanactiviteiten geworden. 5.3.2 Gewijzigde regelkwalificaties Naast technische wijzigingen zijn ook wijzigingen aangebracht in regelkwalificaties. Het uitgangspunt was om beleidsneutraal over te gaan, wat betekent dat een vergunningplicht altijd een vergunningplicht zal blijven. Echter, in de verordeningen worden instrumenten aangehaald die niet bestaan onder de Omgevingswet, waardoor ze niet één op één overgenomen kunnen worden. Dit geldt onder andere voor de ontheffing en het instemmingsbesluit.
In bijlage 24 is een overzicht opgenomen voor de ontheffingen en instemmingsbesluiten uit de oorspronkelijke regelteksten, waarbij is aangegeven welke nieuwe regelkwalificatie is toebedeeld.
22/25
6. CONCLUSIE Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat deze wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.