4 - 54818-2020 Email van SEVON - zienswijze concept windbeleid NOT
Tekst van het document
Aan: Gemeenteraad van Losser, Postbus 90, 7580 AB Losser Aan: gemeenteraad van Dinkelland, Postbus 11, 7590 AA Denekamp Aan: gemeenteraad Tubbergen, Postbus 30, 7650 AA Tubbergen Aan: gemeenteraad Oldenzaal, Ganzenmarkt 1, 7571 CD Oldenzaal Aan: Provincie Overijssel,t.a.v. team Juridische Zaken,Postbus 10078,8000 GB Zwolle. Aan: energiestrategie@regiotwente.nl
Afzender: Stichting Ecologisch Vleermuis Onderzoek Nederland (SEVON), Goorweg 8, 7596 MS Rossum
Betreft “zienswijze windbeleid”. Ook wel: Zienswijze Concept-Windenergiebeleid Noordoost-Twente
Rossum, 17 december 2020
Geachte heer/ mevrouw,
Met dit schrijven wil SEVON (Stichting Ecologisch Vleermuis Onderzoek Nederland) een zienswijze indienen omtrent het Concept-Windenergiebeleid Noordoost-Twente, gepubliceerd op 11 november 2020. Dit gezamenlijk windenergiebeleid is opgesteld door de colleges van gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen, onder de vlag van Energie van Noordoost Twente (EvNOT). Sevon maakt zich met name zorgen over de gevolgen van dit windbeleid op vleermuizen. Vanuit onze stichting zijn wij belanghebbende om een zienswijze in te dienen, omdat in onze statuten (zie bijlage) is vastgelegd dat wij de belangen van vleermuizen in de breedste zin behartigen. Wij doen zelf onderzoek naar vleermuizen, leveren kennis ten behoeve van beleid, beheer en bescherming van vleermuizen. Wij zijn op de hoogte van de laatste kennis wat betreft vleermuizen en de relatie tussen vleermuizen en windturbines. In deze zienswijze zullen wij ook naar diverse wetenschappelijke publicaties refereren. De volledige referenties staan in de bijbehorende paragraaf genoemd. Indien u deze kennis zelf wilt na lezen, het merendeel is op te vragen via o.a. https://scholar.google.com/ of https://www.researchgate.net/. Mocht u desondanks artikelen toch niet kunnen vinden, dan kunnen wij deze toesturen.
Algemeen Sevon onderstreept het belang van om hernieuwbare duurzame energie op te wekken en hiermee bij te dragen aan de landelijke doelstelling uit het klimaatakkoord om de CO2 uitstoot te verminderen. Het tegengaan van de klimaatverandering is goed voor de mens en voor dieren (waaronder vleermuizen). Deze wens moet niet ten koste gaan van de natuur. De impact van
windturbines op vleermuizen is in potentie enorm. Daarom vinden wij locaties voor plaatsing uiterst zorgvuldig moeten worden gekozen. Deze keuze moet landelijk gebeuren, niet regionaal. Want in regio’s met relatief veel vleermuizen, zoals Noordoorst Twente, zal plaatsing van turbines vrijwel altijd voor negatieve effecten op vleermuizen zorgen. Er bestaan momenteel diverse mogelijkheden om turbines uit te rusten met een stilstand voorziening (cut-in speed). Omdat draaiende rotorbladen sterfte veroorzaken, kunnen windturbines op specifieke momenten (met een hoog risico op slachtoffers) worden stilgezet. Echter momenteel gebruikte startmoment (6 m/s) levert nog veel te veel slachtoffers op. Vleermuisactiviteit neemt pas duidelijk af vanaf 7.5 m/s en is pas verwaarloosbaar vanaf 10 m/s. Naar mening van SEVON is toepassing van een startmoment lager dan 10 m/s in strijd met nationale en internationale wetgeving. We raden aan een ecologisch correcte stilstandvoorziening in overweging te nemen, indien nodig wil SEVON hier over meedenken. Naast windturbines zijn er nog vele andere mogelijkheden om de klimaatverandering tegen te gaan. Een aantal van deze opties zijn ook verwerkt in het concept windbeleid (oa daken met zonneenergie, zonnevelden, lokale energie projecten). SEVON is goed op de hoogte van de mogelijke opties en is bereid om mee te denken.
In u plan wordt gesproken over middelgrote (tiphoogte >25 en < 100 m) en grote windturbines (tiphoogte > 100 m). Ondanks het verschil in hoogte, zal de afstand van het onderste rotorblad tot de grond vergelijkbaar zijn (tussen de 60-90 meter). Van beide type windturbines zijn overigens negatieve effecten op vleermuizen bekend. In onze zienswijze zullen we hier daarom niet verder op in gaan. Als we over windturbines spreken, bedoelen we zowel middelgrote als grote turbines.
Tekortkomingen Het windbeleid heeft naar onze mening een aantal fundamentele tekortkomingen. 1- Plaatsen van windturbines in het essentieel leefgebied van vleermuizen zal leiden tot negatieve effecten tijdens de gebruiksfase 2- Effect naar vleermuizen is niet onderzoekbaar met de reguliere methodes. 3- onterecht toepassen van de ORNIS norm 4- effecten niet mitigeerbaar
1- Plaatsen van windturbines in het essentieel leefgebied van vleermuizen zal leiden tot negatieve effecten tijdens de gebruiksfase Vleermuizen reageren op een andere manier op windturbines dan vogels. Vleermuizen vliegen doelbewust naar de turbine toe (Cryan et al 2014, Rydell et al 2016; Foo et al, 2017), dit komt omdat ze worden aangetrokken door de grote aantallen insecten die zich rondom een turbine rotor clusteren (Long et al 2011). De insecten worden op hun beurt weer aangetrokken door de warmte die een rotor produceert, ook zijn hebben veel insectensoorten zo en zo al de neiging om zich te clusteren bij toppen van hoge elementen, zoals bomen. Dit gedrag hebben insecten voor in het najaar van augustus tot oktober (Rydell et al 2010). Deze aantrekking verklaard voor een deel waarom vleermuizen meer kans hebben om slachtoffer te worden van een turbine, dan vogels van vergelijkbare omvang. De andere reden is de anatomie van de vleermuis. Als vliegend zoogdier hebben vleermuizen andere longen dan vogels. Een rotorblad wordt omgeven door een gebied met hoge en met lage druk. Ter hoogte van de tip van elk rotorblad bevindt zich een kleine draaikolk (vortex). Een vleermuis die in de buurt van deze draaikolk vliegt ondergaat een snelle daling van
luchtdruk waardoor de longen van een vleermuis snel uitzetten. Als gevolg hiervan knappen kleine bloedvaatjes in de longen van een vleermuis. Het dier verdrinkt daarna in zijn/haar eigen bloed. Dit wordt barotrauma genoemd. Onderzoekers hebben aangetoond dat 50-80% van de vleermuizen is overleden als gevolg van barotrauma (Baerwald et al 2008), slechts een paar procent van de vleermuizen is in direct contact gekomen met de rotorbladen (te herkennen aan externe verwondingen zoals gebroken vleugels en hoofdwonden). Windturbines zijn relatief hoog en staan of worden vooral geplaatst op locaties waar ook wind geoogst kan worden, in het open gebied of in ieder geval met vrije ruimte voor de wieken. Daarom lijkt het logisch dat soorten die hoger in het open luchtruim jagen eerder risico te lopen dan soorten die laag jagen en/of dicht bij boomkronen, struiken of vegetatie. Vleermuizen jagen in dat open luchtruim vooral op het moment dat daar ook iets te vangen valt. Die insecten zullen daar juist niet zijn als het (hard) waait. Helaas is er een groot grijs gebied tussen hard waaien en periodes met lage windsnelheden. De windsnelheid relevant voor een turbine wordt gemeten op rotorhoogte, als hier meer dan 5 m/s (sommige turbines is de startsnelheid 6 m/s) wordt gemeten zal de turbine gaan draaien.
Op grondniveau betekent dit nog vrijwel geen wind, de blaadjes aan de bomen beginnen net een beetje te bewegen. Bij dit soort weersomstandigheden zullen vleermuizen zeker gaan jagen, en heel vaak ook op rotorhoogte. De meest voorkomende slachtoffers van windturbines in Nederland zijn rosse vleermuis, bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Omdat vleermuizen in het donker vliegen is nog steeds weinig bekend over vlieghoogtes waarbij dieren jagen. ‘Dankzij’ windturbines komen steeds meer te weten over vlieghoogtes, vamwege de stelling dat een slachtoffer onder een turbine op zijn minst op de hoogte van de wieken heeft gevlogen. Hierbij worden opmerkelijke vondsten gedaan. Zo blijken diverse boombewonende soorten (o.a. gewone grootoor, baardvleermuis) te worden aangetrokken door turbines, omdat ze de turbines beschouwen als reusachtige bomen, en langzaam via de stam omhoog cirkelen (Cryan et al, 2014, Jameson & Willis 2014). Bij andere soorten wordt (nog steeds sporadisch) gericht onderzoek gedaan. Zo vliegen rosse vleermuizen graag rondom de boomkronen op 40 meter, en maken regelmatig uitstapjes naar vlieghoogtes van 100 tot 300 meter (Roeleke et al 2016; O’ Mara et al 2019).
Dergelijke hoge jachtvluchten worden vooral in het najaar waargenomen, vleermuizen volgens de insecten die in deze periode ook vaak op grote hoogtes vertoeven (Rydell et al 2010). De jaarlijkse piek in het aantal slachtoffers onder windturbines valt samen met de insecten migratie, maar ook met het migratie seizoen van de vleermuizen zelf. De plaatsing van een turbine ten opzichte van het leef habitat van vleermuizen kan bepalend zijn voor het aantal slachtoffers dat hier jaarlijks valt. Vleermuizen volgen tijdens de vlucht vaak allerlei lijnvormige elementen, zoals een bosrand, dijktalud, langs kust van meer of zee. Diverse onderzoekers (o.a. Rodrigues et al., 2008) adviseren om die reden om windturbines op meer dan 500 m afstand te plaatsen van plekken waar veel vleermuis activiteit te verwachten is. Gebeurt dat niet, dan zullen lokale populaties vleermuizen negatieve effecten ondervinden (Roeleke et al, 2016; Lehnert et al, 2014). SEVON concludeert dat negatieve effecten zowel aan een lokale als aan een tijdelijke (migrerende) populatie zullen optreden, en dat deze beide in overweging moeten worden meegenomen. Ook adviseren we de turbines ver genoeg van voor vleermuizen relevante elementen weg te plaatsen (> 500 m). 2- Effect naar vleermuizen is niet onderzoekbaar met de reguliere methodes.
Vleermuizen en hun essentiële leefgebied zijn beschermd door nationale en internationale wetten. Omdat vleermuizen en hun leefgebieden beschermd zijn, dienen voor de realisatie van een
windturbine of een turbine park de effecten op vleermuizen beoordeeld te worden. Uiteindelijk zal er in voorkomende gevallen voor de realisatie van windturbines of windparken ook een ontheffing van de Wet natuurbescherming (en een passende beoordeling in het kader van het beheer van een nabijgelegen Natura2000 gebied) moete worden aangevraagd. Voor een dergelijke vergunning/ ontheffingsaanvraag is vooronderzoek naar vleermuizen nodig. Omdat turbines vleermuizen aantrekken, levert een onderzoek naar het voorkomen en verspreiding van vleermuizen op de planlocatie niet de gewenste resultaten. Grond-gebonden soorten zullen zonder turbine geen nut en noodzaak hebben om omhoog te cirkelen, wat zij bij turbines wel doen (Cryan et al, 2014, Jameson & Willis 2014). Ook van aantrekking van insecten (gevolgd door de vleermuizen) door de warme rotor is nog geen sprake (Cryan et al 2014, Rydell et al 2016; Foo et al, 2017). Grootschalig onderzoek in het buitenland heeft aangetoond dat er inderdaad geen verband bestaat tussen de onderzoeksresultaten voor de plaatsing van de turbines en na de plaatsing van turbines (Conkling et al. 2020). Dit betekent dat het vooronderzoek niet gebruikt kan worden om het effect op een populatie te beoordelen, iets wat eigenlijk wel nodig is.
SEVON raad aan om in plaats van veldwerk als vooronderzoek (met welke methode dan ook), modelmatig een risico analyse uit te voeren. Hierbij kunnen parameters gebruikt worden ook genoemd in deze zienswijze, zoals aanwezigheid van voor vleermuizen belangrijke elementen in de nabijheid (straal 500 m) van een potentiële turbine plek.
3- Onterecht toepassen van de ORNIS norm De Nederlandse rechter hanteert bij de soortenbescherming steeds vaker de 1%-mortaliteitsnorm. Deze 1%-norm is ook wel bekend als het ORNIS criterium. De 1%-norm werd aanvankelijk door het EU Hof van Justitie gehanteerd bij invulling van de ontheffingsgrond ‘kleine hoeveelheden’ (d.w.z. negatieve effecten op kleine hoeveelheden van een populatie zijn accepteerbaar). Aanvankelijk werd dit criteria vooral toegepast voor vogels, tegenwoordig ook voor vleermuizen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het enorme verschil in reproduktiesnelheid tussen vogels (meerdere jongen per jaar, soms ook meerdere nestjes) en vleermuizen (1 maximaal 2 jongen per jaar). Onderzoekers hebben uitgerekend dat met slechts 1% slachtoffers er zowel bij vogels als bij vleermuizen nog steeds negatieve effecten op de populatie optreden (Schippers et al 2020). SEVON raad daarom met klem af deze norm toe te passen.
4- Effecten niet mitigeerbaar Bij een vergunning/ ontheffingsaanvraag horen ook mitigerende, of indien deze onmogelijk zijn, compenserende maatregelen om schade aan vleermuizen te beperken. Een veel toegepaste maatregel is een stilstand voorziening, waarbij turbines bij lagere windsnelheden worden stilgezet. Omdat de gebruikte windsnelheden (startsnelheid van 6 m/s) vaak wordt gemeten op rotor hoogte, bestaat nog steeds voor vleermuizen een groot risico om slachtoffer te worden. Dit risico is echter gereduceerd met 60%. Echter, een 40% risico is nog steeds niet aanvaardbaar. Bovendien laat veel onderzoek zien dat vleermuizen ook (juist) bij draaiende turbines jagen. Divers onderzoek heeft laten zien dat vleermuisactiviteit nog tot 7.5 m/s aanwezig is, en dat pas na 10 m/s deze activiteit start afneemt. Het instellen van de startsnelheid bij nog hogere windsnelheden (bv > 10 m/s) zou een werkbare oplossing zijn, helaas winden energie leveranciers dat er dan te weinig energie wordt opgewekt. Ook zijn vleermuizen van eind oktober tot eind maart in winterslaap, zodat in deze
periode ook voor deze soortgroep geen negatieve effecten te verwachten zijn. SEVON raad aan toch ook juist de strengere mitigatie (startsnelheid boven de 10 m/s) te onderzoeken en mee te nemen in de afweging. Wij zijn bereid hierover mee te denken.
Concluderend Concluderend, SEVON raad af om in het plangebied Noordoost Twente windturbines (zowel middelgrote als grote turbines) te plaatsen, omdat negatieve effecten op vleermuizen enorm zullen zijn. We verzoeken u het windenergiebeleid Noordoost Twente te herzien. We gaan er vanuit dat wij op de hoogte worden gehouden van uw acties aangaande onze zienswijze.
Met vriendelijke groet,
Anne-Jifke Haarsma Secretaris SEVON
Bijlage: Statuten van SEVON
Referenties
Conkling, T. J., Loss, S. R., Diffendorfer, J. E., Duerr, A. E., & Katzner, T. E. (2020). Limitations, lack of standardization, and recommended best practices in studies of renewable energy effects on birds and bats. Conservation Biology. Cryan, P. M., Gorresen, P. M., Hein, C. D., Schirmacher, M. R., Diehl, R. H., Huso, M. M., ... & Heist, K. (2014). Behavior of bats at wind turbines. Proceedings of the National Academy of Sciences, 111(42), 15126-15131. Foo, C. F., Bennett, V. J., Hale, A. M., Korstian, J. M., Schildt, A. J., & Williams, D. A. (2017). Increasing evidence that bats actively forage at wind turbines. PeerJ, 5, e3985. Jameson, J. W., & Willis, C. K. (2014). Activity of tree bats at anthropogenic tall structures: implications for mortality of bats at wind turbines. Animal Behaviour, 97, 145-152. Lehnert, L. S., Kramer-Schadt, S., Schönborn, S., Lindecke, O., Niermann, I., & Voigt, C. C. (2014). Wind farm facilities in Germany kill noctule bats from near and far. PloS one, 9(8), e103106 Long, C. V., Flint, J. A., & Lepper, P. A. (2011). Insect attraction to wind turbines: does colour play a role?. European Journal of Wildlife Research, 57(2), 323-331. O'Mara, M. T., Wikelski, M., Kranstauber, B., & Dechmann, D. K. (2019). Common noctules exploit low levels of the aerosphere. Royal Society open science, 6(2), 181942. Rodrigues, L., Bach, L., Dubourg-Savage, M.
J., Goodwin, J., & Harbusch, C. (2008). Guidelines for consideration of bats in wind farm projects (p. 51). UNEP/EUROBATS. Roeleke, M., Blohm, T., Kramer-Schadt, S., Yovel, Y., & Voigt, C. C. (2016). Habitat use of bats in relation to wind turbines revealed by GPS tracking. Scientific reports, 6(1), 1-9. Rydell, J., Bach, L., Dubourg-Savage, M. J., Green, M., Rodrigues, L., & Hedenström, A. (2010). Mortality of bats at wind turbines links to nocturnal insect migration?. European Journal of Wildlife Research, 56(6), 823-827. Rydell, J., Bogdanowicz, W., Boonman, A., Pettersson, S., Suchecka, E., & Pomorski, J. J. (2016). Bats may eat diurnal flies that rest on wind turbines. Mammalian Biology-Zeitschrift für Säugetierkunde, 81(3), 331-339. Schippers, P., Buij, R., Schotman, A., Verboom, J., van der Jeugd, H., & Jongejans, E. Mortality limits used in wind energy impact assessment underestimate impacts of wind farms on bird populations. Ecology and Evolution. Voigt, C. C., Popa-Lisseanu, A. G., Niermann, I., & Kramer-Schadt, S. (2012). The catchment area of wind farms for European bats: a plea for international regulations. Biological conservation, 153, 8086.