2 - 4605-2022 ledenbrief VNG 006 - LOGA 22-03 - brief over salarissen en eenmalige uitkeringen
Tekst van het document
Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad
Datum
28 januari 2022 Kenmerk
TAZ/U202200061 LOGA : 22/03 Lbr nr : 22/006 Telefoon
070 373 83 93 Bijlage(n)
5
Onderwerp
Salarisbrief cao 2021-2022
Samenvatting De uitwerking van de afspraken in de Cao Gemeenten en Cao SGO 2021 en 2022 staan in twee LOGA-brieven: • •
Salarisbrief van de Cao Gemeenten en Cao SGO voor 2021 en 2022 Nieuwe artikelen in de Cao Gemeenten en Cao SGO voor 2021 en 2022
De brieven worden tegelijk verstuurd. Deze salarisbrief gaat over de uitwerking van het akkoord Cao Gemeenten en Cao SGO 20212022. Dit akkoord is op 27 januari 2022 definitief geworden. In deze brief staat hoe de volgende onderwerpen zijn verwerkt in de cao: 1. De salarismaatregelen met ingang van 1 december 2021: 1,5% en 1 april 2022: 2,4% en de minimum salarisbodem van € 14 per uur; 2. De eenmalige uitkering van € 1.200 bruto totaal, bestaande uit € 900 bruto en € 300 onkostenvergoeding bruto; 3. De invloed van de salarismaatregelen op bovenwettelijke uitkeringen; 4. De invloed van de salarismaatregelen op overige groepen; 5. De invloed van salarismaatregelen op pensioengevend inkomen; 6. De publicatie van nieuwe tekst Cao Gemeenten en Cao SGO. De uitwerkingen worden opgenomen in de Cao Gemeenten en Cao SGO die vanaf 1 januari 2021 gelden. De desbetreffende artikelen vindt u in de cao’s. Die worden gepubliceerd op vng.nl, wsgo.nl en caogemeenten.nl.
College van Arbeidszaken / VNG Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl
U202200061
PROD
Aan de leden
Datum
28 januari 2022 Kenmerk
TAZ/U202200061 LOGA : 22/03 Lbr nr : 22/006 Telefoon
070 373 83 93 Bijlage(n)
5
Onderwerp
Salarisbrief cao 2021-2022
Geacht college en gemeenteraad, Deze salarisbrief gaat over de uitwerking van de afspraken in het akkoord Cao Gemeenten 1 januari 2021 – 1 januari 2023 die worden opgenomen in de Cao Gemeenten en Cao SGO. Op 3 november 2021 hebben LOGA-partijen een principeakkoord afgesloten. Alle partijen hebben ingestemd met dit principeakkoord. Daarmee is het cao-akkoord op 27 januari 2022 definitief geworden en kunnen werkgevers uitvoering geven aan de afspraken. In deze brief staan : 1. De salarismaatregelen met ingang van 1 december 2021: 1,5% en 1 april 2022: 2,4% en de minimum salarisbodem van € 14 per uur; 2. De eenmalige uitkering van € 1.200 bruto totaal, € 900 bruto en € 300 onkostenvergoeding bruto; 3. De invloed van de salarismaatregelen op bovenwettelijke uitkeringen; 4. De invloed van de salarismaatregelen op overige groepen; 5. De invloed van salarismaatregelen op pensioengevend inkomen; 6. De publicatie van nieuwe tekst Cao Gemeenten en Cao SGO.
1. Salarismaatregelen met ingang van 1 december 2021 en 1 april 2022 Salarismutatie per 1 december 2021 De salarisverhoging voor de Cao Gemeenten en Cao SGO leidt ertoe dat de in bijlage 1 opgenomen salaristabel voor de gemeenteambtenaren per 1 december 2021 gaat gelden. De afspraak van de salarisverhoging wordt verwerkt in artikel 3.3 lid 1 cao. Salarismutatie per 1 april 2022 De salarisverhoging voor de Cao Gemeenten en Cao SGO leidt ertoe dat de in bijlage 2 opgenomen salaristabel voor de gemeenteambtenaren per 1 april 2022 gaat gelden. De afspraak van de salarisverhoging wordt verwerkt in artikel 3.3 lid 1 cao. Onderwijzend personeel in de kunsteducatie Voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie geldt een afwijkend salarisgebouw. Voor hen geldt de algemene salarisverhoging ook. Daarom zijn de gewijzigde salaristabellen toegevoegd met de salarissen voor het onderwijzend personeel in de kunsteducatie per 1 december 2021 met 1,5% verhoogd in bijlage 3, en per 1 april 2022 met 2,4% verhoogd in bijlage 4. De afspraak van de salarisverhoging wordt verwerkt in artikel 14.6 lid 2 cao. Minimaal salaris van € 14 per uur Voor de salaristabel in de reguliere salarisschalen en de salaristabel in schaal A voor de doelgroep Wet banenafspraak is vanaf 1 januari 2022 afgesproken dat er een minimale salarisbodem van € 14 per uur geldt.
Dit is omgerekend naar een salarisbedrag € 2.184,- per maand op basis van een voltijdsdienstverband. Voor zover het salarisbedrag in de salaristabel lager is dan € 14,- per uur omgerekend € 2.184 per maand op basis van een voltijdsdienstverband, dan wordt het salarisbedrag in de salaristabel opgehoogd. Voor deeltijd geldt een salarisbedrag naar rato. NB: De salarisbedragen in de tabel die onder het minimum van € 14 per uur vallen zijn weergegeven in rood. De afspraak van € 14 per uur is verwerkt in een nieuw artikel 3.3 lid 5 cao. 2. Eenmalige uitkering Het akkoord bevat een eenmalige uitkering per december 2021 van € 1.200 bruto op basis van een voltijdsdienstverband. De uitkering bestaat uit een eenmalige van € 900 bruto en een coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto. De eenmalige uitkering geldt voor medewerkers die op peildatum 3 november 2021 in dienst zijn. Alleen de coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto wordt verrekend als er (vooruitlopend op het cao-akkoord) lokaal eenmalige uitkeringen vanwege de coronacrisis in het kalenderjaar 2021 zijn uitgekeerd. Verrekening De verrekening van de € 300 bruto eenmalige coronaonkostenvergoeding is het uitgangspunt voor de verrekening en kan tot maximaal nihil worden verrekend. Gemeentelijke organisaties kunnen de coronaonkostenvergoeding fiscaal als eindheffingsloon in de werkkostenregeling (WKR) aanmerken.
Het betreft dan een niet gericht vrijgesteld bedrag en komt ten laste van de vrije ruimte. Gemeentelijke organisaties die de werkkostenregeling (WKR) niet gebruiken, moeten de coronaonkostenvergoeding als loon aanmerken. De eenmalige coronaonkostenvergoeding wordt dan belast volgens de tabel bijzondere beloningen 1. Hieronder volgen enkele voorbeelden: 1 De hoogte van het bijzonder tarief is afhankelijk van het fiscaal jaarloon en het verrekeningspercentage
loonheffingskorting. Zie voor meer informatie paragraaf 9.3.6 van het 'Handboek loonheffingen 2022.
3
Voorbeeld 1: eenmalige uitkering bruto verrekenen Een gemeentelijke organisatie heeft in 2021 lokaal een eenmalige uitkering van € 200 bruto belast bij de werknemer uitgekeerd aan medewerkers vanwege de coronacrisis. De gemeentelijke organisatie moet de € 300 bruto coronaonkostenvergoeding uitbetalen volgens de cao-afspraak. De gemeentelijke organisatie zal nog volgens de cao-afspraak € 300-/- € 200 = € 100 bruto eenmalige coronaonkostenvergoeding belast bij de werknemer als loon tegen de tabel bijzondere beloningen moeten uitkeren aan de medewerkers. Voorbeeld 2: eenmalige uitkering netto als eindheffingsloon in de werkkostenregeling (WKR) verrekenen Een gemeentelijke organisatie heeft in 2021 lokaal nog geen uitkering uitgekeerd aan medewerkers vanwege de coronacrisis. De coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto kan tegen de tabel bijzondere beloningen belast bij de werknemer uitgekeerd worden, maar kan onbelast voor de werknemer uitgekeerd worden als de gemeentelijke organisatie deze coronaonkostenvergoeding aanwijst als eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling 2022. De coronaonkostenvergoeding is niet gericht vrijgesteld. De werkgever betaalt 80% eindheffing als de vrije ruimte wordt overschreden.
Voorbeeld 3: eenmalige uitkering netto als loon tegen tabel bijzondere beloning verrekenen Een gemeentelijke organisatie heeft in 2021 lokaal vanwege de coronacrisis een eenmalige uitkering van € 125 (netto) uitgekeerd aan alle medewerkers. De eenmalige uitkering is onbelast voor de werknemer en deze coronaonkostenvergoeding is aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de werkkostenregeling (WKR) 2021. De coronaonkostenvergoeding is niet gericht vrijgesteld. De werkgever betaalt 80% eindheffing als de vrije ruimte wordt overschreden. De coronaonkostenvergoeding van € 300 is bruto, maar de gemeentelijke organisatie wil de onkostenvergoeding niet in de werkkostenregeling (WKR) 2022 als eindheffingsloon aanwijzen, bijvoorbeeld omdat de vrije ruimte vol is. De gemeentelijke organisatie zal het verschil als loon tegen de tabel bijzondere beloningen moeten belasten bij de werknemer. De gemeentelijke organisatie zal dan € 300-/- € 125 = € 175 bruto eenmalige coronaonkostenvergoeding als loon tegen de tabel bijzondere beloningen moeten uitkeren aan de medewerkers. De afspraak van de eenmalige uitkering en de coronaonkostenvergoeding wordt verwerkt in artikel 3.26 en artikel 3.27 cao. Hieronder volgt voor de verschillende groepen medewerkers de uitwerking van de eenmalige uitkering.
Doelgroep Alle medewerkers die op 3 november 2021 een arbeidsovereenkomst hebben op grond van de Cao Gemeenten of Cao SGO, hebben recht op de eenmalige uitkering. Peilmoment Het peilmoment voor de eenmalige uitkering is 3 november 2021. Een medewerker die op die datum in dienst was, heeft recht op de eenmalige uitkering. Een werknemer die na deze datum uit
4
dienst gaat, heeft recht op een (evenredige) nabetaling van de eenmalige uitkering. De datum 3 november 2021 dient ook als peildatum voor de omvang van de arbeidsduur (deeltijdfactor). Grondslag Voor deeltijders en voor medewerkers die een arbeidsduur hebben van minder dan 36 uur per week (gebruik van artikel 1.9 cao) geldt een bedrag van de eenmalige uitkering naar rato van het dienstverband op de peildatum. Medewerkers met een arbeidsduur van meer dan 36 uren per week, kunnen niet meer dan € 1.200 ontvangen. IKB De eenmalige uitkering telt niet mee in de opbouw van het IKB. Bovenwettelijke uitkeringen De eenmalige uitkering heeft geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met ontslag en werkloosheid. Dit zijn de uitkeringen op grond van hoofdstuk 10 van de cao Gemeenten (zie ook paragraaf 4). Zieke medewerkers en medewerkers met verlof Ook zieke medewerkers die in dienst zijn hebben recht op de eenmalige uitkering. Dit geldt ook voor medewerkers die met (gedeeltelijk) betaald of (gedeeltelijk) onbetaald verlof zijn. De eenmalige uitkering wordt niet gekort als sprake is van loondoorbetaling bij ziekte. Oproepkrachten De oproepkrachten krijgen de eenmalige uitkering.
Voor oproepkrachten is het aantal gewerkte uren in de maand november 2021, rekening houdend met een minimum-urengarantie van 15 uur per maand, leidend voor de maatstaf van de deeltijdfactor voor de betaling van de eenmalige uitkering. Dit betekent dat als een oproepkracht in november 2021 20 uur gewerkt heeft, de oproepkracht 20/156e gedeelte ontvangt van de eenmalige uitkering; en dat als een oproepkracht in november 2021 7 uur gewerkt heeft, de oproepkracht het minimum 15/156 e gedeelte van de eenmalige uitkering ontvangt. Flexkrachten De Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI) en de geldende bepaling van artikel 16 ABU-cao, schrijven voor uitzendkrachten voor wanneer zij recht hebben op eenmalige uitkeringen die bij de inlener (lees: de gemeente) gelden. De eenmalige uitkering valt op 3 november 2021 (peildatum) nog niet onder de ‘inlenersbeloning’, omdat eenmalige uitkeringen, in de nieuwe cao ABU, geldend vanaf 17 november 2021, pas per 3 januari 2022 tot de inlenersbeloning worden gerekend. Voor de payrollmedewerkers is in artikel 2.6 cao afgesproken dat zij een gelijke beloning ontvangen. De eenmalige uitkering valt daaronder. Onderwijzend personeel in de kunsteducatie Voor onderwijzend personeel in de kunsteducatie geldt de eenmalige uitkering wel.
Voor oproepkrachten in de kunsteducatie is het aantal gewerkte uren in november 2021, rekening houdend met de minimum-urengarantie van 15 uur per maand, de maatstaf voor de deeltijdfactor. Dit betekent dat als een oproepkracht in november 2021 20 uur gewerkt heeft, de oproepkracht 20/156e gedeelte ontvangt van de eenmalige uitkering; en dat als een oproepkracht in november 2021 7 uur gewerkt heeft, de oproepkracht het minimum 15/156 e gedeelte van de eenmalige uitkering ontvangt.
5
Wet banenafspraak Medewerkers die op 3 november 2021 een arbeidsovereenkomst hebben op grond van de Cao Gemeenten of Cao SGO en zijn ingeschaald in salarisschaal A hebben volgens het akkoord ook recht op de eenmalige uitkering. 3. Invloed van de salarismaatregelen op bovenwettelijke uitkeringen De structurele salarisstijgingen van 1,5% per 1 december 2021 en 2,4% per 1 april 2022 werken door naar de reeds ingegane uitkeringen in verband met ontslag, arbeidsongeschiktheid in en door de dienst en werkloosheid op grond van respectievelijk hoofdstuk 7, en hoofdstuk 10 Cao Gemeenten of Cao SGO volgens de in de desbetreffende hoofdstukken beschreven indexatiesystematiek. Hieronder wordt apart ingegaan op de indexeringssystematiek van bovenwettelijke uitkeringen. Indexering bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen-, arbeidsongeschiktheidsuitkering in en door de dienst in hoofdstuk 7 en bijzondere uitkering op grond van hoofdstuk 10 Cao gemeenten De bovenwettelijke uitkeringen (reparatie-uitkering, aanvullende uitkering en na-wettelijke uitkering) op grond van de Cao Gemeenten of Cao SGO worden geïndexeerd met de generieke (structurele) salarisverhoging in de gemeentelijke sector. Dit betekent dat de bovenwettelijke uitkeringen van de (oud) medewerkers per 1 december 2021 met 1,5% en per 1 april 2022 met 2,4% worden verhoogd. 4.
Invloed van de salarismaatregelen op overige groepen Politieke ambtsdragers De salarisontwikkelingen van politieke ambtsdragers in de Cao Gemeenten 2021-2023 volgen de afspraken die worden gemaakt voor de medewerkers in de Cao Rijk. De salarisontwikkelingen van ambtenaren in de Cao Gemeenten en Cao SGO zijn dus niet van invloed op de salarissen en onkostentoelagen van de gemeentelijke politieke ambtsdragers. Buitengewone ambtenaren burgerlijke stand (BABS) De afspraken in de Cao Gemeenten 2021-2023 hebben geen directe invloed op de buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand. De buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand vallen niet onder de reikwijdte van de Cao Gemeenten. Alleen als de gemeentelijke organisatie de modelarbeidsovereenkomst van de VNG voor de BABS integraal heeft overgenomen, werken de structurele salarismutaties op grond van artikel 3 van deze voorbeeldregeling wel door in de aan hen uitbetaalde vergoedingen. Flexkrachten (uitzendkrachten, payroll) De algemene, structurele salarismaatregelen in de cao gemeenten van 1,5% per 1 december 2021 en 2,4% per 1 april 2022 gelden ook voor uitzend- en payrollkrachten in gemeentelijke organisaties, omdat in de WAADI voor payrollmedewerkers alsmede artikel 16 (inlenersbeloning) cao ABU voor uitzendkrachten een initiële (structurele) loonsverhoging bij de inlener ook geldt voor ingeleende medewerkers.
Zzp Zelfstandigen (zonder personeel) zijn niet rechtstreeks in dienst bij een gemeentelijke organisatie en kunnen geen rechten ontlenen aan de salarisontwikkelingen in de Cao Gemeenten. Met zzp’ers worden individuele afspraken gemaakt over de beloning.
6
5. Invloed van de salarismaatregelen op pensioengevend inkomen De pensioengrondslag wordt jaarlijks per 1 januari vastgesteld volgens de ‘peildatumsystematiek’ geregeld in het ABP Pensioenreglement. Hierin staat dat een salarisverhoging met terugwerkende kracht tot op of over de jaargrens van enig jaar heen (1 januari of later) pensioengevend is in het daaropvolgende jaar volgens de Handleiding premie en gegevens van het ABP 2. Dit betekent dat de structurele salarisverhoging van 1,5% per 1 december 2021 per 1 januari 2023 tot het pensioengevend inkomen wordt gerekend, maar alleen voor wat betreft het deel vanaf 1 januari 2022. De structurele salarisverhoging van 2,4% per 1 april 2022 wordt per 1 januari 2023 tot het pensioengevend inkomen gerekend. De eenmalige uitkering van € 900 bruto per december 2021 wordt als variabele toelage in het volgende jaar 2023 tot het pensioengevend inkomen gerekend. De eenmalige coronaonkostenvergoeding van € 300 bruto wordt niet tot het pensioengevend inkomen gerekend. 6. Publicatie tekst Cao Gemeenten De uitwerkingen vermeld in deze LOGA-brief worden opgenomen in de tekst van de Cao Gemeenten die geldt vanaf 1 januari 2021. De definitieve tekst van de Cao Gemeenten die per 1 januari 2020 van kracht is, wordt gepubliceerd op vng.nl, wsgo.nl en caogemeenten.nl.
Deze ledenbrief staat ook op www.vng.nl onder brieven. Met vriendelijke groet, Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden
J. Jongepier Secretaris
Bijlage 1 Bij LOGA-brief TAZ/U202200061
2 Voorbeelden van het bepalen van het pensioengevend inkomen op de peildatum per 1 januari is geregeld in
artikel 8 en de rekenvoorbeelden 10a t/m 10f van de Handleiding premie en gegevens van het ABP.
7
Artikel 3.3 lid 3 Salaristabel per 1 december 2021, nieuwe structuur Schaal periodiek 1 2 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
1658 1696 1738 1779 1821 1862 1904 1945 1987 2028 2069 2111
Schaal periodiek 10A 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
3326 3470 3614 3758 3902 4046 4190 4334 4477 4621 4761 4903
3
4
5
6
7
8
9
10
1696 1753 1810 1867 1924 1981 2038 2095 2152 2209 2266 2322
1739 1811 1883 1955 2026 2098 2170 2242 2314 2385 2457 2529
1789 1869 1949 2028 2108 2188 2268 2348 2428 2507 2587 2667
1841 1929 2016 2104 2192 2280 2368 2455 2543 2631 2718 2806
1963 2052 2142 2231 2321 2411 2499 2589 2678 2768 2858 2947
2203 2295 2388 2481 2574 2667 2760 2852 2946 3038 3131 3224
2521 2623 2725 2827 2929 3031 3134 3236 3339 3441 3543 3645
2798 2917 3036 3155 3274 3393 3513 3632 3752 3871 3990 4109
11
11A
12
13
14
15
16
17
3615 3764 3914 4063 4213 4362 4512 4660 4806 4953 5100 5247
3979 4128 4278 4426 4576 4722 4869 5016 5162 5308 5455 5602
4343 4492 4640 4787 4934 5080 5226 5373 5520 5666 5813 5960
4849 4995 5142 5288 5435 5581 5728 5875 6021 6167 6314 6461
5151 5328 5505 5682 5859 6036 6213 6390 6568 6744 6921 7098
5539 5743 5948 6152 6357 6562 6767 6971 7176 7380 7585 7790
5931 6169 6407 6646 6884 7122 7361 7599 7837 8076 8314 8552
6563 6820 7077 7334 7591 7848 8105 8362 8619 8876 9133 9390
3017 3158 3298 3438 3579 3720 3860 4000 4141 4281 4421 4562
18 7274 7551 7827 8104 8380 8656 8932 9209 9485 9762 10038 10314
Bijlage 2 Bij LOGA-brief TAZ/U202200061 Artikel 3.3 lid 3
8
Salaristabel per 1 april 2022, nieuwe structuur Schaal periodiek 1 2 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
1698 1737 1780 1822 1864 1907 1949 1992 2034 2077 2119 2162
Schaal periodiek 10A 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
3406 3554 3701 3848 3995 4143 4290 4438 4585 4731 4876 5021
3
4
5
6
7
8
9
10
1737 1795 1854 1912 1971 2029 2086 2145 2203 2262 2320 2378
1781 1855 1928 2002 2075 2149 2222 2296 2369 2443 2516 2590
1832 1914 1996 2077 2158 2240 2322 2404 2486 2567 2649 2731
1885 1975 2065 2155 2245 2334 2424 2514 2604 2694 2784 2874
2010 2102 2193 2285 2377 2468 2559 2651 2743 2834 2926 3018
2255 2350 2446 2540 2636 2731 2826 2921 3016 3111 3207 3301
2581 2686 2790 2895 3000 3104 3210 3314 3419 3523 3628 3732
2865 2987 3109 3231 3353 3475 3598 3720 3842 3964 4086 4208
11
11A
12
13
14
15
16
17
3701 3854 4007 4161 4314 4467 4621 4772 4922 5072 5222 5372
4074 4227 4380 4533 4685 4836 4986 5136 5286 5436 5586 5736
4447 4600 4752 4902 5052 5202 5352 5502 5652 5802 5953 6103
4965 5115 5265 5415 5565 5715 5866 6016 6166 6315 6466 6616
5274 5456 5637 5818 5999 6181 6362 6544 6725 6906 7087 7269
5671 5881 6091 6300 6510 6719 6929 7139 7348 7557 7767 7977
6073 6317 6561 6806 7049 7293 7537 7781 8025 8270 8514 8758
6720 6983 7247 7510 7773 8036 8300 8563 8826 9089 9353 9616
3090 3234 3377 3521 3665 3809 3952 4096 4240 4384 4527 4671
18 7449 7732 8015 8298 8581 8864 9147 9430 9713 9996 10278 10562
9
Bijlage 3 Bij LOGA-brief TAZ/U202200061 Artikel 14.6 lid 2 Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 december 2021 ervaringsjaar/ periodiek 5 6 7
8
9
10
Aanloopbedrag 1
1993
2034
2077
2132
2415
2824
Aanloopbedrag 2
0
2132
2195
2271
2554
2956
Aanloopbedrag 3
0
0
0
2415
2689
3098
0
2077
2271
2344
2554
2824
3171
1
2132
2344
2415
2622
2892
3255
2
2195
2415
2486
2689
2956
3332
3
2271
2486
2554
2755
3027
3399
4
2344
2554
2622
2824
3098
3472
5
2415
2622
2689
2892
3171
3546
6
2486
2689
2755
2956
3255
3616
7
2554
2755
2824
3027
3332
3679
8
2622
2824
2892
3098
3399
3744
9
2689
2892
2956
3171
3472
3809
10
2755
2956
3027
3255
3546
3875
11
0
3027
3098
3332
3616
3948
12
0
0
3171
3399
3679
4020
13
0
0
3255
3472
3744
4086
14
0
0
3332
3546
3809
4148
15
0
0
3399
3616
3875
4210
Uitloopbedrag 1
2892
3171
3546
3809
4020
4341
Uitloopbedrag 2
0
3332
3679
4020
4148
4477
Uitloopbedrag 3
0
0
0
4148
4278
4621
Bijlage 4 Bij LOGA-brief TAZ/U202200061 Artikel 14.6 lid 2 Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 april 2022 ervaringsjaar/ periodiek 5 6 7
8
9
10
Aanloopbedrag 1
2041
2083
2127
2183
2473
2892
Aanloopbedrag 2
0
2183
2248
2325
2615
3027
Aanloopbedrag 3
0
0
0
2473
2753
3172
0
2127
2325
2401
2615
2892
3248
1
2183
2401
2473
2685
2961
3333
2
2248
2473
2546
2753
3027
3412
3
2325
2546
2615
2821
3099
3480
4
2401
2615
2685
2892
3172
3555
5
2473
2685
2753
2961
3248
3631
6
2546
2753
2821
3027
3333
3702
7
2615
2821
2892
3099
3412
3768
8
2685
2892
2961
3172
3480
3834
9
2753
2961
3027
3248
3555
3900
10
2821
3027
3099
3333
3631
3968
11
0
3099
3172
3412
3702
4043
12
0
0
3248
3480
3768
4116
13
0
0
3333
3555
3834
4184
14
0
0
3412
3631
3900
4248
15
0
0
3480
3702
3968
4311
Uitloopbedrag 1
2961
3248
3631
3900
4116
4445
Uitloopbedrag 2
0
3412
3768
4116
4248
4584
Uitloopbedrag 3
0
0
0
4248
4380
4732
11
Bijlage 5 Bij LOGA-brief TAZ/U202200061 Artikel 3.3 lid 5 cao Salarisschaal A per 1 januari 2022
Periodiek 0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Schaal A (100-120% WML) 1-1-2022 1.725,00 1.756,36 1.787,73 1.819,09 1.850,45 1.881,82 1.913,18 1.944,55 1.975,91 2.007,27 2.038,64 2.070,00
* Als salarisbedrag onder € 2.184 (€ 14 per uur) valt, dan is salarisbedrag in rood weergegeven, dan salarisbedrag ophogen naar € 2.184.
12