15. Verordening bijdragefonds en individuele inkomenstoeslag 2026 - Raadsvoorstel en -besluit inclusief verordeningen
Tekst van het document
Bijlagen 2025 9 december 2025 Nr. 42/7 Reg.nr. INTB-25-06985 Bijlagen: 2
Agendapunt: 15
Voorstel tot het - ambtshalve toekennen van het Bijdragefonds en de Individuele Inkomenstoeslag met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 - in werking treden van de Verordening Bijdragefonds 2026 en de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2026 met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 - intrekken van de Verordening Bijdragefonds 2013 en de Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2015 met terugwerkende kracht per 1 januari 2026.
Aan de gemeenteraad § 1 Inleiding In 2025 is het Bijdragefonds verhoogd naar € 160 als een eerste stap in het proces om te kijken hoe regelingen beter afgestemd kunnen worden op de behoeften van de doelgroep. Dit is in lijn met het in 2023 vastgestelde armoedebeleid (actielijn 2 en 4). In 2026 is verder gekeken naar regelingen en procedures: hoe kan het eenvoudiger en hoe kunnen meer inwoners bereikt worden. Daarbij is wederom gekeken naar het Bijdragefonds, o.a. omdat uit het onderzoek ‘Herijking Minimabeleid gemeente Oldenzaal’ van onderzoeksbureau Kwiz (2023) blijkt dat inwoners behoefte hebben aan meer ondersteuning bij maatschappelijke participatie. Bovendien maakt nog niet elke inwoner die recht heeft op het Bijdragefonds hier gebruik van: het bereik was ten tijde van het onderzoek 41%. Daarnaast is gekeken naar de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Door een wijziging in de Participatiewet met ingang van 1 januari 2026 mogen gemeenten de IIT ambtshalve toekennen aan uitkeringsgerechtigden. Vanaf 2027 moet dit. Daarnaast blijkt dat ook bij deze regeling sprake is van niet-gebruik: het bereik was ten tijde van het onderzoek 56%. § 2 Doel Het doel is om het bereik van de IIT en het Bijdragefonds te vergroten, zodat voor nog meer inwoners de bestaanszekerheid zo optimaal mogelijk is en zij meer financiële ruimte ervaren voor maatschappelijke participatie.
Daarnaast willen we voldoen aan de wettelijke taak die is vastgelegd in de gewijzigde Participatiewet rondom het toekennen van de IIT. § 3 Argumenten 1.1 Ambtshalve toekenning sluit aan bij het armoedebeleid Door ambtshalve toekenning van beide regelingen, krijgen inwoners waarvan de gemeente weet dat zij voldoen aan de voorwaarden (inwoners met een bijstandsuitkering), de regelingen automatisch toegekend. Dit maakt het voor hen eenvoudiger gebruik te maken van beide regelingen. Inwoners met
een andere, lage, bron van inkomsten hoeven maar één keer een aanvraag in te dienen. Zij krijgen het daaropvolgende jaar de regelingen ambtshalve toegekend, waardoor het ook voor deze groep inwoners eenvoudiger wordt gebruik te maken van deze regelingen. Dit is in lijn met actielijn 2 en 4 van het armoedebeleid (raadsbesluit INTB-23-05945). 1.2 Ambtshalve toekenning sluit aan bij de adviezen van Kwiz Uit het onderzoek ‘Herijking Minimabeleid gemeente Oldenzaal’ (2023) door Kwiz blijkt dat inwoners behoefte hebben aan meer ondersteuning bij maatschappelijke participatie. Om dit mogelijk te maken schrijven we niet meer voor, voor welke doeleinden het Bijdragefonds ingezet moet worden. Inwoners mogen zelf bepalen wat voor hen maatschappelijke participatie is en daarmee waar zij de bijdrage voor in willen zetten. 1.3 Ambtshalve toekenning sluit beter aan bij de financiële situatie van inwoners Het ambtshalve toekennen van het Bijdragefonds en de IIT, zorgt ervoor dat de financiële situatie van meer inwoners verbetert, met als doel dat zij meer bestaanszekerheid ervaren en de maatschappelijke participatie wordt vergroot. 1.4 Gemeente Oldenzaal wil werken vanuit vertrouwen Wanneer inwoners geen bijstandsuitkering ontvangen, maar wel het voorafgaande jaar gebruik hebben gemaakt van het Bijdragefonds en/of de IIT krijgen zij deze ambtshalve toegekend.
Daarbij vertrouwen we erop dat deze inwoners tijdig een wijziging in inkomen, gezinssamenstelling of woonsituatie doorgeven, zodat een regeling stop gezet kan worden wanneer een inwoner niet meer aan de voorwaarden voldoet. § 4 Kanttekeningen 1.1 Het Bijdragefonds en de IIT kunnen onrechtmatig uitgekeerd worden De gemeente krijgt niet automatisch bericht wanneer het inkomen, de gezinssamenstelling of woonsituatie van inwoners met een andere bron van inkomsten dan een bijstandsuitkering wijzigt. Wanneer een inwoner dit zelf niet doorgeeft, kan het voorkomen dat de regelingen onrechtmatig worden toegekend. Dit proberen we te voorkomen door inwoners tijdig te informeren over het toekennen van beide regelingen en hen te vragen wijzigingen in inkomen, gezinssamenstelling of woonsituatie door te geven. Achteraf wordt door middel van een steekproef gecontroleerd of inwoners recht hadden op het Bijdragefonds. Voor de IIT wordt vooraf een controle op de hoogte van het inkomen uitgevoerd. Wanneer blijkt dat een inwoner geen recht meer heeft wordt het bedrag niet teruggevorderd. Wel wordt de ambtshalve toekenning stopgezet. 1.2 De eerste aanvragen voor het Bijdragefonds komen in januari 2026 al binnen De meeste inwoners vragen direct in januari het Bijdragefonds aan. Het besluit over de ambtshalve toekenning is dan nog niet genomen.
We kunnen de afhandeling van de aanvragen tijdelijk ter zijde leggen in afwachting van dit voorstel, omdat dit past binnen de juridische termijn waarop de gemeente op een aanvraag moet beslissen. Direct na het besluit betreffende dit voorstel vindt de afhandeling van de aanvragen plaats. § 5 Resultaten van overleg en inspraak (inclusief burgerinitiatief) Zowel de verordeningen als de beleidsregels zijn voorgelegd aan de Participatiecommissie. Zij hebben positief geadviseerd en geen wijzigingen voorgesteld. § 6 Financiën Een eerste inschatting is dat door de ambtshalve toekenning voor 2026 de lasten van het Bijdragefonds met zo’n € 20.000 en de IIT (Individuele Inkomenstoeslag) met zo’n € 12.000 stijgen. In totaal € 32.000. 2
Wij stellen voor om een deel van het beschikbaar gestelde budget van €100.000 per jaar t/m 2028 (motie “Preventief Armoedebeleid”) in te zetten om deze kosten te dekken, welke zijn toegevoegd aan het minimabeleid (661411928/438019). Jaarlijks volgt een terugkoppeling van de besteding van de middelen. Bij de bespreking van de kadernota in 2028 wordt bekeken of extra financiële middelen nodig zijn. § 7 Globale Goals 1. Geen armoede
10. Ongelijkheid verminderen
§ 8 Uitvoering De uitkeringsadministratie bereidt een hernieuwde werkwijze voor. Na de jaarlijkse steekproef vindt een evaluatie plaats. En aan het einde van 2026 om het eerste jaar te evalueren. Wanneer de bevindingen aanleiding geven tot het aanpassen van de verordeningen wordt de raad daarover geïnformeerd. We onderzoeken de mogelijkheid om via het jaarlijkse Cliëntervaringsonderzoek uit te vragen wat onze inwoners vinden van de ambtshalve toekenning van het Bijdragefonds en de IIT. § 9 Communicatie De communicatie richt zich op het helder informeren van inwoners over de vereenvoudiging van het Bijdragefonds en de Individuele Inkomenstoeslag (IIT), en de overstap naar ambtshalve toekenning. Ook voor de eigen medewerkers wordt een communicatietraject opgestart. Doel is om inwoners tijdig en begrijpelijk te informeren over wat deze wijziging voor hen betekent, en hen bewust te maken van hun eigen verantwoordelijkheid bij het doorgeven van wijzigingen in inkomen, gezinssamenstelling of woonsituatie. De communicatie verloopt via meerdere kanalen: de gemeentelijke website, de website van het Sociaal plein Oldenzaal, sociale media, lokale pers en via directe communicatie (brieven) richting uitkeringsgerechtigden.
Daarbij wordt nadruk gelegd op de voordelen van de nieuwe werkwijze – eenvoudiger, toegankelijker en meer op vertrouwen gebaseerd – en op het gezamenlijke doel om bestaanszekerheid en maatschappelijke participatie voor meer inwoners te versterken. Bij vaststelling van dit advies door college wordt het toegelicht in de wekelijkse persconferentie van burgemeester en wethouders. Overige communicatie start na vaststelling door de gemeenteraad. In de vergadering van het presidium van 26 januari 2026 is besloten uw raad te adviseren tot behandeling en besluitvorming over te gaan.
Oldenzaal, 16 januari 2026 Het college van burgemeester en wethouders, de secretaris,
de burgemeester,
G.A. Tiebot
P.G. Welman
Bijlagen 1. Verordening Bijdragefonds 2026 2. Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2026
3
Nr. 1529
De raad van de gemeente Oldenzaal;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025, nr. 42/7, reg.nr. INTB-25-06985; gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
besluit:
1. De “Verordening Bijdragefonds 2026” met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 vast te stellen. 2. De “Verordening Bijdragefonds 2013” met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 in te trekken.
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bijstandsnorm: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 5 van de Participatiewet; met uitzondering van de kostendelersnorm. Er wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm. De normen alleenstaande of gehuwden gelden als uitgangspunt. b. bijdragefonds: een door de raad ingesteld fonds ten laste waarvan bijdrages kunnen worden verstrekt ten behoeve van maatschappelijke participatie; Artikel 2 Doelgroep 1. Het college kan eenmaal per kalenderjaar aan een inwoner van de gemeente Oldenzaal van 18 jaar of ouder (niet zijnde student) een bijdrage verstrekken ten behoeve van maatschappelijke participatie. 2. Een bijdrage kan worden verstrekt als het netto inkomen van de aanvrager niet meer bedraagt dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (m.u.v. de kostendelersnorm). Artikel 3 Aanvraag 1. Een bijdrage wordt aangevraagd in het kalenderjaar of uiterlijk vóór 1 maart van het volgende kalenderjaar met een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 2. Bij de aanvraag moeten gegevens gevoegd worden waarmee het inkomen vastgesteld kan worden. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college de bijdrage ambtshalve verstrekken. Het college kan hiervoor nadere regels vaststellen. Artikel 4 Hoogte bijdrage 1.
De hoogte van de bijdrage bedraagt € 160,0 per persoon per kalenderjaar en is vrij besteedbaar. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan het bedrag genoemd in lid 1 jaarlijks aanpassen.
Artikel 5 Terugvordering Het college kan een bijdrage terugvorderen indien de aanvrager onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de bijdrage daardoor ten onrechte is toegekend. Artikel 6 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten voordele van een aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 7 Intrekken bestaande verordening De Verordening Bijdragefonds 2013 wordt met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 januari 2026. Artikel 8 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Bijdragefonds 2026. 2. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2026.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 26 januari 2026 De griffier,
de voorzitter,
{
C.H. Hartendorp
P.G. Welman
2
Nr. 1530 De raad van de gemeente Oldenzaal; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 december 2025, nr.42/7, reg.nr. INTB-25-06985; gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en tweede van de Participatiewet; en artikel 36 van de Participatiewet;
besluit:
1. de “Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2026” met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 vast te stellen. 2. De “Verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2015” per 1 januari 2026 in te trekken.
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Algemene bepalingen
Begrippen
3. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. 4. In deze verordening wordt verstaan onder: a. bijstandsnorm: de in de referteperiode van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 van de Participatiewet; b. inkomen: bij de hoogte van het inkomen wordt aansluiting gezocht bij de regels van algemene bijstand met in achtneming van paragraaf 3.4 van de Participatiewet; c. peildatum: de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen; d. referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Artikel 2
Aanvraag
1. Een aanvraag wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken. Het college stelt hier nadere regels voor vast.
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Recht op individuele inkomenstoeslag
Doelgroep
1. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig van een laag inkomen hebben, geen vermogen hebben, en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering.
2
Artikel 4
Langdurig laag inkomen
Er is sprake van een langdurig laag inkomen als het inkomen gedurende de referteperiode niet meer bedraagt dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel 5
Hoogte individuele inkomenstoeslag
1. De individuele inkomenstoeslag is gelijk aan 40% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag, geldende op 1 januari van het betreffende jaar, naar boven afgerond op hele tientallen. 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor de toepassing van lid 1 en lid 2 is de situatie op de peildatum bepalend. Artikel 6
Beleidsregels
Het college stelt beleidsregels vast ter uitvoering van deze verordening.
Hoofdstuk 3 Artikel 7
Slotbepalingen
Hardheidsclausule
Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8
Intrekken oude verordening
De verordening Individuele Inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2015 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken. Artikel 9
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026. Artikel 10
Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Oldenzaal 2026. Vastgesteld in de openbare vergadering van 26 januari 2026 De griffier,
de voorzitter,
{
C.H. Hartendorp
P.G. Welman
3
Toelichting behorende bij de Verordening individuele Inkomenstoeslag 2026 (vastgesteld bij raadsbesluit van 26 januari 2026) _________________________________________________________________________________ Algemene toelichting De individuele inkomenstoeslag is een ondersteunende maatregel voor mensen met langdurig een laag inkomen en geen uitzicht op verbetering (artikel 36, lid 1, Participatiewet). Op grond van artikel 8 lid 1 aanhef en onderdeel b en lid 2 Participatiewet dient de gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot het verlenen van een individuele inkomenstoeslag. Hierin moeten ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’ worden gedefinieerd. Ook moet de hoogte van de toeslag in de verordening worden vastgelegd. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer er ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ is; dit hoeft niet in de verordening (artikel 8, lid 2, Participatiewet). Bij de beoordeling hiervan weegt het college de persoonlijke omstandigheden, zoals: • de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende, en • de inspanningen die de belanghebbende heeft verricht om het inkomen te verbeteren (artikel 36, lid 2, Participatiewet).
Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip langdurig en laag inkomen, zoals die in artikel 36 lid 1 Participatiewet worden gebruikt. Artikelsgewijze toelichting Alleen bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel 1
Begrippen
Begrippen die in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet voorkomen hebben in deze verordening dezelfde betekenis als in de genoemde wetten. Ten aanzien van een aantal begrippen, die als zodanig niet in de genoemde wetten zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening. Bijstandsnorm Voor de definitie van het begrip bijstandsnorm wordt aansluiting gezocht bij artikel 5, onderdeel c Pw: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in paragraaf 3.2 Pw verminderd met de op de grond van paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verlaging. In dat geval moet onder ‘bijstandsnorm’ ook de kostendelersnorm worden geschaard. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand telt niet mee niet als inkomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand (fiscaal onbelast) is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen.
Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Vermogen Met vermogen wordt bedoeld het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet. Peildatum De peildatum is de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de datum waarop de belanghebbende de individuele inkomenstoeslag heeft aangevraagd (artikel 1 van deze verordening). De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in ieder geval niet vóór de dag liggen waarop belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hiermee is door de gemeenteraad aansluiting gezocht bij artikel 44, eerste lid, Pw. Referteperiode Onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaande aan de peildatum. Nadat belanghebbenden 3 jaar op een minimuminkomen zijn aangewezen is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Artikel 2
Aanvraag
In artikel 2 van de verordening staat dat je een formulier moet gebruiken dat het college heeft vastgesteld. Dat formulier telt dan als een officiële aanvraag volgens artikel 4.1.1 van de Awb. Een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 Awb) moet ondertekend zijn en bevat minimaal je naam, adres, de datum en wat je precies vraagt (artikel 4:2, eerste lid, Awb). Ook moet je de gegevens en documenten geven die nodig zijn voor de beslissing en die je zelf kunt regelen (artikel 4:2, tweede lid, Awb). Een mondeling verzoek telt niet als een officiële aanvraag voor de individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. De mogelijkheid om ambtshalve een toeslag te verstrekken wordt in de beleidsregels vastgesteld. Artikel 3
Doelgroep
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioensgerechtigde leeftijd, die langdurig van een laag inkomen hebben, geen vermogen hebben, en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hieronder wordt toegelicht hoe we in Oldenzaal invulling geven aan de begrippen “langdurig” “laag” inkomen. Artikel 4
Langdurig laag inkomen
Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder 'langdurig en onder 'laag' wordt verstaan. Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen Iemand heeft recht op individuele inkomenstoeslag als hij gedurende een periode van 3 jaar een inkomen heeft gehad, dat niet hoger is dan 101% van de voor hem geldende bijstandsnorm. In die situatie wordt men geacht geen uitzicht (meer) te hebben op inkomensverbetering. Dit inkomen hoeft niet te
2
zijn een inkomen uit een bijstandsuitkering. Ook personen die een inkomen hebben uit of in verband met arbeid, dat gelijk of lager is dan 101% van de voor hem geldende bijstandsnorm, komen voor de inkomenstoeslag in aanmerking. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen van 101% van de toepasselijke bijstandsnorm, mag niet al te rigide worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd (CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB 1502-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532). Gaat het inkomen van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5,00 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten (CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB 31-07-2012, nr. 12/1825 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178). Artikel 5
Hoogte individuele inkomenstoeslag
Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de toepasselijke bijstandsnormen van paragraaf 3.2 van de Participatiewet. De hoogte van de inkomenstoeslag bedraagt altijd 40% van de toepasselijke bijstandnorm (excl. VT). Gehuwden Bij gehuwden komt het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toe. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag (zie CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB¸ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529). Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13 lid 1 Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand.
Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het lid 2. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) kan tijdens de referteperiode veranderen. Bijvoorbeeld: gehuwden die inkomenstoeslag aanvragen, maar een deel van de periode als alleenstaande gelden. Over dat deel moeten zij ook aan de voorwaarden voldoen. Gehuwden moeten zowel samen als apart aan de eisen voldoen. Artikel 6
Beleidsregels
In de beleidsregels wordt nader beschreven hoe we uitvoering geven aan deze verordening en op welke wijze ambtshalve een toeslag verleend wordt.
3
Artikel 7
Hardheidsclausule
In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de belanghebbende kan afwijken van de bepalingen in deze verordening. Afwijken van de wet is niet mogelijk. Afwijken kan alleen maar ten gunste, nooit ten nadele. Met nadruk is vermeld: in bijzondere gevallen. Afwijken is eerder uitzondering dan regel. In verband met precedentwerking dient door het college duidelijk aangegeven te worden waarom in een bepaalde situatie wordt afgeweken. Het van toepassing zijn van de hardheidsclausule dient voldoende kenbaar te zijn, dat wil zeggen in zowel de rapportage als de beschikking.
4