08 Nota bodembeheer regio Twente versie 2.1 - Bijlage 1 - Nota Bodembeheer regio Twente Twents beleid veur oale groond-2.1
Tekst van het document
Hoort bij raadsbesluit nr. 1485 van 22 september 2025
C.H.
Nota bodembeheer regio Twente Twents beleid veur oale groond 2.1
Colofon Dit document kwam tot stand in opdracht van Regio Twente mede namens: - gemeente Almelo - gemeente Borne - gemeente Dinkelland (Noaberkracht) - gemeente Enschede - gemeente Haaksbergen - gemeente Hellendoorn - gemeente Hengelo - gemeente Hof van Twente - gemeente Losser - gemeente Oldenzaal - gemeente Rijssen-Holten - gemeente Tubbergen (Noaberkracht) - gemeente Twenterand - gemeente Wierden - waterschap Vechtstromen
Auteur: 2.0 Mark Klutman (LineaRekta) 2.1 wijzigingen onder redactie van Gert Tiekstra (Omgevingsdienst Twente)
Met dank aan de leden van het Kennisnetwerk Bodembeheer Twente .
Regio Twente (2019) Versie 2.0 januari 2019 Versie 2.1 juni 2023 2
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave ...................................................................................................................... 3 Samenvatting ........................................................................................................................ 5 1 Inleiding .............................................................................................................................. 7 1.1 Doel en reikwijdte ........................................................................................................................... 7 1.2 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 7
2 Achtergrond ........................................................................................................................ 9 2.1 Betrokken organisaties ................................................................................................................... 9 2.2 Uniformiteit en duurzaamheid ........................................................................................................ 9 2.3 Monitoring bestaand beleid ............................................................................................................ 9
3 Wettelijk kader ...................................................................................................................11 3.1 Generiek beleid ............................................................................................................................ 11 3.2 Gebiedsspecifiek beleid ............................................................................................................... 11 3.3 Grootschalige toepassingen ......................................................................................................... 12 3.4 Wet bodembescherming .............................................................................................................. 12 3.5 Omgevingswet .............................................................................................................................. 12 3.6 Overige regelgeving ..................................................................................................................... 13
4 Gebiedsspecifiek beleid .....................................................................................................14 4.1 Behoud goede bodemkwaliteit binnen Twente ............................................................................ 14 4.1.1 Voorkomen normopvulling .................................................................................................... 14 4.1.2 Bepalen bestaande bodemkwaliteit ...................................................................................... 14 4.2 Stimuleren hergebruik van grond tegen minder kosten ............................................................... 15
5 De bodemkwaliteitskaart ...................................................................................................16 5.1 Beschrijving bodemkwaliteit ......................................................................................................... 16 5.2 De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel ................................................................................... 16 5.3 Opstellen bodemkwaliteitskaart ................................................................................................... 16 5.4 Bodemkwaliteitskaart en (on)verdachte locaties .......................................................................... 17 5.5 Reikwijdte bodemkwaliteitskaart .................................................................................................. 17 5.6 Bodemkwaliteitskaart en bodembeheergebied in Twente ........................................................... 18 5.7 Bodemkwaliteitskaart PFAS ......................................................................................................... 18 5.8 Uitbreiden mogelijkheden toepassen grond afkomstig van buiten beheersgebied ..................... 19 5.9 Ontgraven en toepassen van grond zonder bodemkwaliteitskaart ..............................................
19 5.10 Overige gebruiksmogelijkheden bodemkwaliteitskaart .............................................................. 19 5.11 Actualisatie bodemkwaliteitskaart .............................................................................................. 19
6 Bodemkwaliteitsklassen ....................................................................................................20 6.1 Uniforme klassen in de regio ........................................................................................................ 20 6.2 Drie bodemkwaliteitsklassen ........................................................................................................ 20
3
6.2.1 AW2000 ................................................................................................................................ 20 6.2.2 Wonen .................................................................................................................................. 21 6.2.3 Gebiedsgericht ..................................................................................................................... 21 6.2.4 Niet-gezoneerde gebieden ................................................................................................... 22 6.2.5 Bijzondere gebieden en locaties binnen ons bodembeheergebied ..................................... 23 6.3 De risicotoolbox ............................................................................................................................ 24 6.4 Bodemfunctieklassenkaart ........................................................................................................... 24 6.5 Aanvullende voorwaarden en specifieke situaties ....................................................................... 25
7 Handhaving, bevoegdheden en monitoring .......................................................................28 7.1 Afhandeling melding ..................................................................................................................... 28 7.2 Toezicht en handhaving door Omgevingsdienst Twente ............................................................. 28 7.3 Monitoring en evaluatie ................................................................................................................ 28
Bijlage 1 Begrippenlijst .........................................................................................................29 Bijlage 2 Bodemvreemde materialen ....................................................................................31 Bijlage 3 Checklist mogelijk verdachte locatie ......................................................................32 Bijlage 4 Verslagen overleg andere organisaties ..................................................................34 Bijlage 5 Rapportage Regionale bodemkwaliteitskaart Twente.............................................35 Bijlage 6 Gebruik bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel .....................................................36 Bijlage 7 Beoordeling en advies GGD ..................................................................................38
4
Samenvatting Op 1 juli 2008 is het hoofdstuk Grond en baggerspecie voor landbodem van het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Dit was in Twente aanleiding om samen te werken bij het opstellen van nieuw beleid voor ontgraven en toepassen van grond. Resultaat van deze samenwerking was in 2010 een uniforme bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer Twents beleid veur oale groond.. De deelnemende gemeenten zijn in 2017 een stap verder gegaan door één bodemkwaliteitskaart met een bijbehorende nota bodembeheer voor het gehele Twentse grondgebied op te stellen(versie 2.0). Hiermee is uitvoering gegeven aan de wens te komen tot een verdere uniformering en vereenvoudiging van het beleid voor ontgraven en toepassen van grond. In 2020 zijn aanvullend op de bestaande kaart en nota een bodemkwaliteitskaart PFAS en beleidsregels PFAS opgesteld. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is besloten een versie 2.1 van de nota te maken om de nota aan te laten sluiten bij de Omgevingswet. Daarnaast heeft in 2022 een evaluatie van de nota plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn verwerkt in deze versie. De resultaten van de evaluatie hebben vooral geleid tot een aantal redactionele aanpassingen, zodat teksten eenduidiger en meer duidelijk zouden zijn. De versie 2.1 is grotendeels beleidsneutraal ten opzichte van de versie 2.0.
Onderstaand zijn de punten aangegeven waar wel een beleidsaanpassing voor geldt. • Toepassen grond klasse wonen (incl. PFAS) in niet gezoneerde gebieden (binnenstad Oldenzaal, Delden, Ootmarsum); • Aangeven hergebruiksmogelijkheden ondergrond > 2,0 m-mv; • Verwijderen verplichte actualisatietermijn bodemkwaliteitskaart. De PFAS beleidsregels die in 2020 zijn opgesteld zijn in deze nota verwerkt. Met de vaststelling van onderhavige nota vervalt daarmee de notitie Beleidsregels PFAS regiogemeenten Twente, Tauw, N001-1272743ODR-V03-srb-NL, d.d. 28 mei 2020 Met de vaststelling van versie 2.1 van de nota vervalt de geldigheid van de nota bodembeheer versie 2.0. Uniforme bodemkwaliteitsklassen De deelnemende gemeenten hebben net als het bestaande beleid weer gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. Dit maakt het mogelijk om voor het gehele grondgebied (uniforme) bodemkwaliteitsklassen en gebiedsgerichte normen (lokale maximale waarden) vast te stellen. Omdat de deelnemende gemeenten dezelfde bodemkwaliteitskaart met bijbehorende nota bodembeheer vaststellen ontstaat één beleid voor het gehele grondgebied. Deze verdere uniformering en vereenvoudiging gaat niet ten koste van het oorspronkelijke uitgangspunt: behoud van de goede bodemkwaliteit in Twente.
Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel De regionale bodemkwaliteitskaart is een bewijsmiddel om binnen het grondgebied van Twente grond te mogen ontgraven en toe te passen. Als sprake is van een verdachte locatie mag de bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt als bewijsmiddel. Dan moet een ander bewijsmiddel worden aangeleverd waaruit de bodemkwaliteit van de grond blijkt. Bijvoorbeeld een partijkeuring. Voor grootschalige toepassingen zoals een geluidwal zijn algemene regels opgenomen in artikel 4.1274 en 4.1275 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). De nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn hier niet op van toepassing.
5
De regionale bodemkwaliteitskaart is geldig voor het aangewezen bodembeheergebied. Dit betreft bijna het totale gemeentelijk grondgebied in Twente. Ook enkele zandvangen en waterlopen van de Regge en de Dinkel maken hiervan onderdeel uit. Door dit grote toepassingsgebied zijn er veel afzetmogelijkheden voor partijen grond zonder dat extra kosten hoeven te worden gemaakt voor bodemonderzoek en partijkeuringen. Wel moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in de nota bodembeheer. Regionale bodemkwaliteitsklassen De bodemkwaliteit van het grondgebied in Twente is in de volgende klassen ingedeeld: 1. AW2000 2. Wonen 3. Gebiedsgericht. Grond uit de gebieden met klasse AW2000 is vrij toepasbaar binnen het hele bodembeheergebied. Voor de klasse Wonen geldt dat de kwaliteit van de bodem uit deze klasse minder is dan die uit de klasse AW2000, maar wel geschikt voor wonen en/of recreëren. Grond uit de klasse Wonen mag niet worden toegepast in een gebied met de klasse AW2000. Zo wordt de goede bodemkwaliteit in deze AW2000-gebieden behouden. De klasse Gebiedsgericht geeft de deelnemende gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden eigen bodemkwaliteitsnormen vast te stellen.
Vaak is dit een gevolg van intensief gebruik van een gebied (bijvoorbeeld het centrumgebied) of de aanwezigheid van specifieke bodem verontreinigende stoffen (als gevolg van industrie in het verleden) in een gebied. Uitwisseling van partijen grond uit deze gebieden is aan strikte voorwaarden verbonden. Op de ontgravingskaarten staan twee gebieden ‘gebiedsgericht’ aangegeven met de kwaliteitsklasse ‘industrie’. Bevoegdheden De gemeenteraad is bevoegd tot het vaststellen van lokale maximale waarden voor het grondgebied van zijn gemeente. Voor een goede en adequate uitvoering van het beleid hebben de gemeenteraden een aantal bevoegdheden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Voorbeelden hiervan zijn: - het (fysiek) aanpassen van de bodemkwaliteitskaart nadat de gemeenteraad voor een gebied van de gemeente gewijzigde lokale maximale waarden heeft vastgesteld en - het vaststellen van checklisten. Monitoren en evalueren Om te waarborgen dat het beleid voldoet aan de praktijk en aan nieuwe ontwikkelingen monitoren de gemeenten het beleid periodiek. De nota bodembeheer geeft aan hoe dit gebeurt en welke onderwerpen worden gemonitord. Resultaten van deze monitoring kunnen eventueel leiden tot aanpassingen van het beleid.
6
1 Inleiding In 2009 startten we binnen Twente met de opstelling van regionaal beleid voor het ontgraven en toepassen van grond. Resultaat hiervan was de nota bodembeheer 'Twents beleid veur oale groond'. In de jaren erna hebben diverse gemeenten binnen onze regio dit beleid vastgesteld. In 2017 is het beleid geactualiseerd hetgeen heeft geleid tot de nota bodembeheer versie 2.0. Hierin staat hoe wij omgaan met het ontgraven en toepassen van grond in Twente. In 2022 heeft een evaluatie van de nota bodembeheer plaatsgevonden. Dit heeft geleid tot versie 2.1 van de nota bodembeheer. De versie 2.1 is grotendeels beleidsneutraal ten opzichte van de versie 2.0. Onderstaand zijn de punten aangegeven waar wel een beleidsaanpassing voor geldt. • • •
Toepassen grond klasse wonen in niet gezoneerde gebieden (binnenstad Oldenzaal, Delden, Ootmarsum); Aangeven hergebruiksmogelijkheden ondergrond > 2,0 m-mv; Verwijderen verplichte actualisatietermijn bodemkwaliteitskaart.
De PFAS beleidsregels die in 2020 zijn opgesteld zijn in deze nota verwerkt. Met de vaststelling van onderhavige nota vervalt daarmee de notitie Beleidsregels PFAS regiogemeenten Twente, Tauw, N001-1272743ODR-V03-srb-NL, d.d. 28 mei 2020 Met de vaststelling van versie 2.1 van de nota vervalt de geldigheid van de nota bodembeheer versie 2.0. In versie 2.1 is de nota ook aangepast zodat deze aansluit bij de Omgevingswet. Het regionaal bodembeleid kan hierdoor (vrijwel) ongewijzigd doorgang vinden. Een deel van de regelgeving uit versie 2.0 is via het overgangsrecht gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit geldt voor het gebiedsspecifiek beleid (artikel 44 Bbk) en de bodemfunctiekaart (artikel 55 Bbk). De overige delen van de nota bodembeheer gaan niet automatisch over en zullen als aparte beleidsregel opnieuw vastgesteld moeten worden. In deze nota bodembeheer zijn de paragrafen die dit betreffen voorzien van de toevoeging: (beleidsregel). Uiteindelijk zal de bodemregelgeving, voor zover dit geen landelijk beleid is, per gemeente worden opgenomen in het omgevingsplan en zal daarmee de werkingskracht van deze nota bodembeheer komen te vervallen. 1.1 Doel en reikwijdte Deze nota bodembeheer bevat de voorwaarden die gelden voor het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie binnen het grondgebied van de deelnemende gemeenten.
Deze nota bodembeheer heeft geen betrekking op het toepassen van bouwstoffen. Hiervoor gelden de voorwaarden zoals opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) Ook thema's zoals archeologie, ontplofbare oorlogsresten, flora en fauna vallen buiten het bereik van deze nota bodembeheer. Hiervoor verwijzen wij naar de daarvoor opgestelde weten regelgeving. 1.2 Leeswijzer Het eerstvolgende hoofdstuk gaat in op de achtergronden van deze nota bodembeheer. Aansluitend komt het wettelijk kader aan de orde.
7
In hoofdstuk 4 leest u over de beleidsmatige keuze die wij hebben gemaakt. Het daaropvolgende hoofdstuk richt zich op het instrument bodemkwaliteitskaart. Ook komt in dit hoofdstuk de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de bodemkwaliteitsklassen. Tenslotte besteden we in hoofdstuk 7 aandacht aan handhaving, de bevoegdheden van de gemeenteraad en het college, en gaan we in op monitoring en evaluatie van het beleid.
8
2 Achtergrond Dit hoofdstuk gaat kort in op de samenwerking tussen de gemeenten. Ook komen de uitgangspunten van deze nota bodembeheer aan de orde. 2.1 Betrokken organisaties Alle Twentse gemeenten werkten samen aan de totstandkoming van deze nota bodembeheer. Ten opzichte van 2010 is het aantal deelnemende gemeenten toegenomen. Het gaat om de volgende organisaties: - gemeente Almelo - gemeente Borne - gemeente Dinkelland (Noaberkracht) - gemeente Enschede - gemeente Haaksbergen - gemeente Hellendoorn - gemeente Hengelo - gemeente Hof van Twente - gemeente Losser - gemeente Oldenzaal - gemeente Rijssen-Holten - gemeente Tubbergen (Noaberkracht) - gemeente Twenterand - gemeente Wierden Ook het waterschap Vechtstromen was betrokken bij het opstellen van deze nota bodembeheer.
2.2 Uniformiteit en duurzaamheid In 2010 golden de volgende beleidsuitgangspunten: - de regels en voorwaarden voor bodembeheer in Twente moeten zo uniform mogelijk zijn; - de kosten voor het ontgraven en toepassen van grond tussen de gemeenten moeten zo laag mogelijk zijn en - er moet duurzaam worden omgegaan met de bodem en vrijkomende grond in Twente. Deze uitgangspunten zijn bij het opstellen van de nota bodembeheer versies 2.0 en 2.1 onveranderd gebleven. Wel zijn we in 2018 een stap verder gegaan. In 2010 spraken we de intentie uit om met elkaar te komen tot één nota bodembeheer in de toekomst. Dit draagt namelijk niet alleen bij aan een verdere uniformering, maar leidt ook tot kostenbesparing voor de deelnemende gemeenten en de organisaties die in de praktijk werken met partijen grond. Met deze nota bodembeheer lossen wij onze intentie in: één nota bodembeheer en één bodemkwaliteitskaart voor alle gemeenten in Twente.
2.3 Monitoring bestaand beleid De bodemkwaliteitskaart, de nota bodembeheer 2010 en versie 2.0 (januari 2019) van deze nota bodembeheer hebben wij tussentijds gemonitord. Dit hebben we op diverse manieren gedaan. Enerzijds door partijen grond te registreren en anderzijds door signalen uit de praktijk op te pikken en vast te leggen. Deze resultaten en ervaringen hebben wij betrokken bij het opstellen van de nu voorliggende versie 2.1 van de nota bodembeheer. Al in versie 2.0 (januari 2019) hebben we een verdere vereenvoudiging van het beleid door kunnen voeren (terugbrengen van het aantal bodemkwaliteitsklassen) en geconstateerd dat het 9
bestaande niveau van bescherming van de bodem voortgezet moet worden. Deze uitgangspunten vormen een rode draad binnen het geactualiseerde beleid.
10
3 Wettelijk kader Het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) bevat regels voor het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie (bodembeheer). De kwaliteitseisen voor bedrijven die grond ontgraven en toepassen zijn beschreven in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Deze kwaliteitseisen komen verder niet meer aan de orde in deze nota bodembeheer. Het beleid in onderhavige nota is vastgesteld onder het Besluit bodemkwaliteit zoals dat van kracht was voor inwerkingtreding van de Omgevingswet1 en via overgangsrecht gelijk gesteld aan het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Daar waar het overgangsrecht in deze nota niet van toepassing is, is dit tekstueel aangegeven middels de toevoeging: (beleidsregel). Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten twee mogelijkheden voor het vaststellen van beleid: 1. generiek beleid of 2. gebiedsspecifiek beleid. 3.1 Generiek beleid Als een gemeente kiest voor generiek beleid dan gelden de landelijk vastgestelde bodemkwaliteitsnormen voor deze gemeente. De gemeente heeft dan niet de mogelijkheid om eigen normen vast te stellen. Wij kiezen hier wel voor. Daarom is het generiek beleid niet van toepassing. Een verdere bespreking van dit beleid laten wij hier dan ook achterwege. 3.2 Gebiedsspecifiek beleid Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeenten mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van bodembeheer.
Door rekening te houden met gebiedsspecifieke kenmerken kan een gemeente per gebied eigen bodemkwaliteitsnormen vaststellen. Het Besluit bodemkwaliteit noemt deze normen 'lokale maximale waarden'. Gebiedsspecifiek beleid verplicht de gemeente haar beleidskeuzes vast te leggen in een nota bodembeheer. In 2010 deden de deelnemende gemeente dat in hun eigen (in gezamenlijkheid opgestelde) nota bodembeheer. Ondanks de gezamenlijke opstelling van het beleid waren er toch nog verschillen tussen de gemeenten. Met de nota bodembeheer 2.0 stelden wij als deelnemende gemeenten niet meer apart een nota bodembeheer vast, maar stellen we allemaal dezelfde nota bodembeheer vast. Ten opzichte van 2010 zijn hierdoor de verschillen verkleind en is de uniformiteit vergroot. Het Besluit bodemkwaliteit geeft een aantal voorwaarden2 waaraan het beleid moet voldoen: - er sprake is van standstill (geen achteruitgang) op gebiedsniveau; - er is een bodemfunctieklassenkaart opgesteld; - het risiconiveau van de gekozen lokale maximale waarden wordt berekend met behulp van de risicotoolbox; - de lokale maximale waarden mogen het saneringscriterium van de Wet bodembescherming niet overschrijden.
1
Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet is een groot deel van de inhoud van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). In dit hoofdstuk wordt (uitgezonderd in de eerste alinea) het Besluit bodemkwaliteit bedoeld zoals dat voor inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht was.
2
Het Besluit bodemkwaliteit geeft meer voorwaarden aan dan in deze bodembeheernota zijn genoemd. Deze nota bodembeheer geeft alleen de voorwaarden aan die gelden voor de deelnemende gemeenten in Twente.
11
Het besluit bevat ook nog procedurele voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: - een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze over de nota bodembeheer te geven; - de gemeenteraad van de gemeente stelt het gebiedsspecifieke beleid vast. In hoofdstuk 4 gaan we hier nader op in. 3.3 Grootschalige toepassingen Het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) maakt het mogelijk grootschalige toepassingen (grond of baggerspecie) uit te voeren- zie de artikelen 4.1274 en 4.1275 uit het BAL. Voor deze toepassingen bevat het BAL eigen regels en voorwaarden. Onze nota bodembeheer is dan niet van toepassing. Wel kan onze bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor grootschalige toepassingen. Bij een grootschalige toepassing treedt namens de gemeente waar dit plaatsvindt, de Omgevingsdienst Twente altijd in overleg met degene die deze grootschalige toepassing uitvoert. 3.4 Wet bodembescherming Het Besluit bodemkwaliteit heeft ook gevolgen voor het saneren van een bodemverontreiniging op grond van de Wet bodembescherming (Wbb). De Circulaire bodemsanering 2013 bevat regels die ervoor zorgen dat saneren en het toepassen van grond op een saneringslocatie op elkaar is afgestemd. Zo geldt dat bij het ontgraven van grond uitgegaan wordt van functiegericht en kosteneffectief saneren.
Als grond van elders wordt aangevoerd op de saneringslocatie (bijvoorbeeld om een leeflaag van grond aan te brengen), dan is het uitgangspunt dat dit moet voldoen aan de bodemkwaliteitskaart. Onder de Omgevingswet vallen alleen nog de zogenaamde ‘overgangsrechtlocaties’ onder het regime van de Wet bodembescherming. Dit betreffen voornamelijk locaties waarvoor een spoedige sanering vereist is, locaties waar tijdens de overgang naar de Omgevingswet een sanering gestart is en locaties waar na sanering onder de Wbb een restverontreiniging is achtergebleven. 3.5 Omgevingswet Onder de Omgevingswet neemt bodem naast een aantal andere milieuthema's (zoals geluid) een wat aparte plek in. In plaats van opname van deze thema's in de Omgevingswet zijn ze verwerkt in zogenaamde Aanvullingswetten en -besluiten. Voor bodem zijn dat de Aanvullingswet bodem en het Aanvullingsbesluit bodem. Uitgangspunten van deze Aanvullingswet bodem zijn: 1. bodembescherming; 2. bodemkwaliteit als onderdeel van de leefomgevingskwaliteit; 3. duurzaam en doelmatig bodembeheer.
Wij hebben de uitgangspunten van de nieuwe wetgeving vergeleken met de inhoud van het in de nota bodembeheer versie 2.0 uitgeschreven beleid. Op basis van deze vergelijking concluderen wij dat dit beleid aansluit bij de uitgangspunten van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet is de status van deze nota bodembeheer als tijdelijk te zien. De nota bodembeheer is (grotendeels) te zien als onderdeel van het tijdelijk Omgevingsplan (van rechtswege). Op den duur zullen de regels per gemeente opgenomen moeten worden in het Omgevingsplan.
12
3.6 Overige regelgeving Op het ontgraven en toepassen van grond kunnen nog meer wetten en regels van toepassing zijn. Hierbij kan gedacht worden aan flora en fauna, archeologie, ruimtelijke regelgeving, arbo, etc. De initiatiefnemer zal hier rekening mee moeten houden.
13
4 Gebiedsspecifiek beleid In dit hoofdstuk geven we aan waarom wij als regio hebben gekozen voor gebiedsspecifiek beleid. 4.1 Behoud goede bodemkwaliteit binnen Twente Net als in 2010 is het behoud van de goede bodemkwaliteit een belangrijke voorwaarde geweest bij het opstellen van deze geactualiseerde nota bodembeheer. Dit sluit aan bij het bijzondere karakter van Twente en zijn omgeving: groen en rust. Uit een in 2010 uitgevoerde inventarisatie bleek al dat het generiek beleid niet voldeed aan deze voorwaarde. De landelijke werkwijze waarborgt naar onze mening onvoldoende de gebiedsspecifieke kenmerken van onze regio. Voor de actualisatie van deze nota bodembeheer is opnieuw gekeken naar het generieke beleid. Op basis hiervan trekken wij dezelfde conclusie als in 2010: het generiek beleid waarborgt onvoldoende het belang van een goede bodemkwaliteit in Twente. De argumenten uit 2010 zijn ook nu weer bepalend voor deze conclusie. Voor de volledigheid herhalen wij in de volgende paragrafen onze argumenten uit 2010. 4.1.1 Voorkomen normopvulling Het generiek beleid van het Besluit bodemkwaliteit3 houdt geen rekening met gebiedsspecifieke kenmerken. Het houdt alleen rekening met een bepaalde functie van een gebied en de bodemkwaliteitsklasse van een gebied.
Valt een gebied in een bepaalde klasse? Dan mag in dat gebied grond worden toegepast met een kwaliteit die overeenkomt binnen de bandbreedte van die klasse. De bestaande bodemkwaliteit van dat gebied kan veel beter zijn dan de klasse aangeeft. Het generieke beleid houdt hier geen rekening mee. De klasse is leidend voor het toepassen van grond. Het gevolg is een ongewenste normopvulling (lees: verslechtering van de bodemkwaliteit) van de bestaande bodemkwaliteit in dat gebied. Toelichting: Het generiek beleid deelt een zone met een bodemkwaliteit die gering de klasse Wonen overschrijdt in als klasse Industrie. Terwijl de bodemkwaliteit in de praktijk veel beter is dan klasse Industrie. Door deze wettelijke indeling wordt het mogelijk om partijen met grond toe te passen in dat gebied met de kwaliteit Industrie. Hierdoor kan de bestaande bodemkwaliteit (die net iets de klasse Wonen overschrijdt) ongewenst worden verslechterd: de bodemkwaliteit mag namelijk achteruitgaan tot de bovenkant van de normgrens klasse Industrie. Dit willen wij niet en daarom spreken wij van een ongewenste normopvulling.
Uit de beschikbare bodemgegevens binnen de deelnemende gemeenten en een analyse hiervan bleek dat zich een ongewenste normopvulling zou kunnen voordoen. Daarom kiezen wij niet voor het vaststellen van het generiek beleid in Twente. 4.1.2 Bepalen bestaande bodemkwaliteit Het bepalen van de bestaande bodemkwaliteit (de wijze waarop) hangt samen met het behoud van de goede bodemkwaliteit. Dit is voor ons nog een reden geweest om gebiedsspecifiek beleid op te stellen en niet te kiezen voor generiek beleid. De bodemkwaliteit van een gebied wordt namelijk bepaald door een zogenaamde percentielwaarde. Deze percentielwaarde is een statistische waarde. En wordt gebruikt om van alle beschikbare bodemgegevens de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied vast te stellen. Het generiek beleid maakt gebruik van het gemiddelde om de bodemkwaliteit van een gebied te bepalen. Dit gemiddelde bevat de nodige onzekerheden, want ruwweg de helft van de gebruikte bodemgegevens hoeft niet overeen te komen met deze gemiddelde
3
Besluit bodemkwaliteit voor inwerkingtreding van Omgevingswet
14
bodemkwaliteit. Vervolgens wordt wel op basis van het dit gemiddelde de bodemkwaliteit in een gebied bepaald en uiteindelijk vastgesteld. Om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het landelijk (generieke) beleid hebben wij geïnventariseerd wat het gebruik van het gemiddelde zou betekenen voor onze regio. Hieruit blijkt dat het gebruik van het gemiddelde leidt tot een bodemkwaliteit die geen goed beeld geeft van ons grondgebied. Hierdoor zou een ongewenste vermenging van grond van verschillende kwaliteit kunnen optreden. Het gevolg is een verslechtering van gebieden die beschikken over een bestaande goede bodemkwaliteit. Gelet op ons uitgangspunt om de goede bodemkwaliteit in Twente te willen behouden, vinden wij het voorgaande niet wenselijk. Een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit leidt minder snel tot ongewenste vermenging van schone en viezere grond. De bestaande (goede) bodemkwaliteit blijft hierdoor behouden. Daarom hebben wij met elkaar gekozen voor het gebruik van een percentielwaarde, de P80. Bij de P80 komt namelijk 80% van de bodemkwaliteit, zoals blijkt uit de beschikbare bodemgegevens, met elkaar overeen. De marges zijn hierdoor een stuk minder dan bij het gemiddelde waardoor een betrouwbaarder beeld ontstaat van de bodemkwaliteit in een gebied. Dit borgt optimaal de bestaande goede bodemkwaliteit.
4.2 Stimuleren hergebruik van grond tegen minder kosten Een andere belangrijke voorwaarde voor ons is het stimuleren van hergebruik van grond tussen gemeenten. Minder administratieve lasten en lagere kosten dragen hier in belangrijke mate aan bij. Op basis van gebiedsspecifiek beleid is het mogelijk om te werken met een groot bodembeheergebied en één bodemkwaliteitskaart waarvoor uniforme regels en voorwaarden gelden. Kosten voor het ontgraven en toepassen van grond kunnen laag worden gehouden omdat aanvullende onderzoeken en/of partijkeuringen niet nodig zijn. Uiteraard moet dan wel voldaan worden aan de voorwaarden uit deze nota bodembeheer. Dit lichten we toe in het volgende hoofdstuk.
15
5 De bodemkwaliteitskaart Dit hoofdstuk beschrijft wat een bodemkwaliteitskaart is, waarvoor deze wordt gebruikt en hoe deze moet worden gebruikt. 5.1 Beschrijving bodemkwaliteit De bodem is nooit helemaal schoon. Het menselijk gebruik van de bodem door de vele eeuwen heen is van invloed op de kwaliteit van deze bodem. Daarnaast zijn ook van nature al stoffen aanwezig in de bodem. Uiteindelijk zijn de intensiteit en vorm van het gebruik en de mate van aanwezigheid van natuurlijke stoffen bepalend voor de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart geeft aan wat de bestaande, gebiedseigen bodemkwaliteit is van een gebied. Deze bodemkwaliteitskaart bestaat uit een ontgravingskaart en een toepassingskaart4. Per kaart wordt onderscheidt gemaakt tussen boven- (0 - 0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-2,0 m-mv). De ontgravingskaart beschrijft de bestaande bodemkwaliteit van: 1. de grond op een ontgravingslocatie en 2. de grond van de ontvangende bodem op een toepassingslocatie. De toepassingskaart geeft de gewenste kwaliteit van de grond aan op de locatie waar de partij grond wordt toegepast. Deze kaart wordt niet gebruikt om de kwaliteit van de partij grond vast te stellen. Daarvoor geldt de ontgravingskaart. De beide kaarten met de bijbehorende toelichting zijn opgenomen in het rapport Regionale bodemkwaliteitskaart Twente, Witteveen+Bos, ES349-1, 23-3 2018.
Zie bijlage 5 van deze nota bodembeheer. Op basis van gebruikservaring en aanvullende inzichten kunnen de kaarten op detailniveau gewijzigd zijn ten opzichte van de pdf-versie van 2018. De meest actuele kaarten zijn inzichtelijk via de websites van de gemeenten en/of de Omgevingsdienst Twente. 5.2 De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel Het -Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) bepaalt dat voor het ontgraven en toepassen van grond een milieuverklaring bodemkwaliteit (hierna: bewijsmiddel) nodig is. De bodemkwaliteitskaart is een dergelijk geldig bewijsmiddel. In het besluit Bodemkwaliteit zijn naast de bodemkwaliteitskaart ook andere bewijsmiddelen aangegeven. In het Besluit bodemkwaliteit is echter geen voorkeursvolgorde voor de verschillende bewijsmiddelen aangegeven. In bijlage 6 is dit toegelicht. Voor het grondverzet in Twente geldt de regel: Voor toe te passen grond gaat een (in situ)partijkeuring altijd voor als bewijsmiddel ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart. 5.3 Opstellen bodemkwaliteitskaart Onze bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de landelijke Richtlijn bodemkwaliteitskaarten5. Het bovengenoemde rapport van Witteveen+Bos gaat nader in op de gevolgde werkwijze bij het opstellen van onze bodemkwaliteitskaart.
Hierdoor voldoen wij aan de voorwaarde uit het Besluit bodemkwaliteit en kan onze bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als wettig bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van grond.
4
In deze nota bodembeheer wordt met bodemkwaliteitskaart zowel de ontgravings- als de toepassingskaart bedoeld. Als niet beide kaarten worden bedoeld dan is dit aangegeven door alleen de desbetreffende (ontgravings- of toepassings)kaart te noemen.
5
Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM en Ministerie van VenW, 3 september 2007. Gebruik van de richtlijn is onder de Omgevingswet niet meer verplicht.
16
5.4 Bodemkwaliteitskaart en (on)verdachte locaties Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteitskaart niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor een locatie die mogelijk verontreinigd is (een verdachte locatie). Wij gebruiken de volgende criteria om een mogelijk verdachte locatie vast te stellen: locaties die in het Landsdekkend beeld (LDB) zijn opgenomen. Bij het samenstellen van het LDB is o.a. gebruik gemaakt van het tankbestand, milieusystemen en het bodeminformatiesysteem. Het gaat daarbij om klasse 3 t/m 8. Het LDB is als geheel in het bodeminformatiesysteem opgenomen; locaties die op minder dan 25 meter liggen van een onvoldoende onderzochte klasse 5 t/m 8 LDB-locatie, tenzij onderbouwd kan worden dat de locatie niet verdacht is; locaties die asbestverdacht zijn; locaties die op minder dan 25 meter van een bekende grondverontreiniging liggen (>interventiewaarde), tenzij onderbouwd kan worden dat de locatie niet verdacht is (bv door beschikbaar afperkend onderzoek); locaties waar uit de milieucontroles overtredingen blijken van de bodembeschermende voorschriften; locaties waar op basis van zintuiglijke waarneming (onder andere sterke bijmenging met bodemvreemd materiaal, zichtbaar asbest, kleur of geur) sprake is van mogelijke verontreiniging; locaties die bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn afgevallen (zogenaamde uitbijters zoals verdachte locaties);
locaties die gesaneerd zijn en waar restverontreiniging is achtergebleven; grond behorend tot een weglichaam. Voor de toepasser van de grond hebben wij een checklist opgesteld. Zie bijlage 3 van deze nota bodembeheer. Deze checklist moet door de toepasser worden ingevuld en tegelijk met de melding worden ingediend. Op basis van de ingevulde gegevens ontstaat al snel een indicatie of er sprake is van een mogelijk verdachte locatie. De toepasser kan er ook voor kiezen om een vooronderzoek volgens de NEN5725 uit te voeren op een locatie. Als dit aan de orde is, dan kan hij voor de onverdachte delen van deze locatie, de bodemkwaliteitskaart wel als bewijsmiddel gebruiken. De toepasser moet dit afstemmen met het bevoegd gezag. Is sprake van een (asbest)verdachte locatie? Dan kan de toepasser van de grond een verkennend bodemonderzoek NEN 5740, of in geval van asbest NEN 5707, laten uitvoeren. Hiermee kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een verontreinigde locatie. Als dit het geval is (boven de kwaliteitsklasse op de ontgravingskaart), dan mag de bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Er moet dan alsnog een partijkeuring worden uitgevoerd om de kwaliteit van de grond vast te stellen.
Blijkt uit het verkennend onderzoek daarentegen dat de locatie niet verontreinigd is (boven de kwaliteitsklasse op de ontgravingskaart), dan kan de grond alsnog worden toegepast met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Een aanvullende partijkeuring is dan niet nodig. Als een verdachte locatie wordt aangetroffen tijdens graafwerkzaamheden moet contact worden opgenomen met de gemeente waarin deze graafwerkzaamheden plaatsvinden dan wel de Omgevingsdienst. Met de initiatiefnemer maakt de gemeente, dan wel de Omgevingsdienst, vervolgens afspraken over het wel of niet kunnen gebruiken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Gaat de grond naar een andere gemeente dan maakt de toepasser met die gemeente, dan wel de Omgevingsdienst, nadere afspraken over het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. 5.5 Reikwijdte bodemkwaliteitskaart In de volgende situaties is de bodemkwaliteitskaart niet van toepassing:
17
− − − − −
het ontgraven en toepassen vindt plaats op meer dan twee meter diepte (let op beleidsregel in paragraaf 6.2.5 Bijzondere gebieden en locaties binnen ons bodembeheergebiedpunt 7); de grond wordt tijdelijk uitgenomen (het Besluit Activiteiten Leefomgeving bevat hiervoor zelf regels en voorwaarden) en op of nabij dezelfde plaats zonder bewerking (met uitzondering van zeven) teruggeplaatst; de grond wordt toegepast op een waterbodem of in oppervlaktewater op locaties die zijn uitgezonderd van de bodemkwaliteitskaart; vrijkomende baggerspecie wordt verspreid op een aangrenzend perceel overeenkomstig de hiervoor geldende regels; het toepassen van de grond vindt plaats in de vorm van een grootschalige toepassing.
In al deze situaties wordt teruggevallen op de regels en voorwaarden zoals opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Hiervoor kan contact worden opgenomen met de desbetreffende gemeente dan wel de Omgevingsdienst waarin de activiteiten plaatsvinden. 5.6 Bodemkwaliteitskaart en bodembeheergebied in Twente Het bodembeheergebied is het totale grondgebied in Twente waarvoor onze bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Het Besluit bodemkwaliteit geeft de volgende beschrijving van een bodembeheergebied: ‘aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in …, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer beheerders’6. Tot versie 2.0 stelden we per gemeente een eigen nota bodembeheer en een bodemkwaliteitskaart vast. Vervolgens accepteerde iedere deelnemende gemeente de nota bodembeheer en de kaart van de andere deelnemende gemeente als bewijsmiddel. Zo werd het bodembeheergebied stapsgewijs uitgebreid en vergroot. Met de vaststelling van deze nota bodembeheer versie 2.0 en bodemkwaliteitskaart gaat het anders. Eigenlijk een stuk eenvoudiger. Iedere deelnemende gemeente stelt deze nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart vast. Na vaststelling maakt de desbetreffende gemeente deel uit van het bodembeheergebied. Voordeel is dat er nu één bodemkwaliteitskaart geldt voor heel Twente.
Bedrijven en organisaties die grond ontgraven en toepassen binnen het bodembeheergebied in Twente zien in één oogopslag waar deze grond in Twente kan worden toegepast. 5.7 Bodemkwaliteitskaart PFAS In 2020 is de ‘Twentse bodemkwaliteitskaart PFAS’ opgesteld (Tauw, R002-1272743EVFV03-mfv-NL, d.d. 20 mei 2020). De bodemkwaliteitskaart PFAS is opgesteld conform de Richtlijn voor het opstellen bodemkwaliteitskaarten3 en de eisen uit bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit. In de kaart is voor de zones zoals bepaald in de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente, en besproken in hoofdstuk 6 van onderhavige nota, de regionale achtergrondwaarde bepaald. Op basis van deze kwaliteitsbepaling blijkt dat PFAS in de regio Twente, uitgezonderd de niet gezoneerde gebieden op de reguliere bodemkwaliteitskaart, niet maatgevend is voor de kwaliteitsklasse van de grond*. Voor grondverzet zijn daardoor de ontgravingskaarten en toepassingskaarten uit de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente ook voor PFAS van toepassing, uitgezonderd de zandvangers.
* Op basis van voortschrijdend inzicht kan dit (plaatselijk) veranderen. Derhalve blijft controle van beide kaarten noodzakelijk voorafgaand aan grondverzet. 6
Zie artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.
18
5.8 Uitbreiden mogelijkheden toepassen grond afkomstig van buiten beheersgebied Het gebiedsspecifiek beleid maakt het mogelijk om grond uit gebieden buiten het beheersgebied van de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente te accepteren. Voor het toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart afkomstig van buiten ons bodembeheergebied gebruiken wij in ieder geval de volgende voorwaarden: 1. de kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie is gebaseerd op minimaal de 80-percentielwaarde7; 2. de kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie is hetzelfde of beter dan de bodemkwaliteitsklasse van de locatie waar dit binnen ons bodembeheergebied wordt toegepast en 3. de bodemkwaliteitskaart is op vergelijkbare wijze op- en vastgesteld als de bodemkwaliteitskaart van de deelnemende gemeenten. Een bodemkwaliteitskaart van een andere regio kan gebruikt worden nadat de gemeenten in de regio Twente hierover ambtelijk (momenteel bijeenkomend in het Kennisnetwerk Bodembeheer Twente) een positief advies hebben gegeven en de bodemkwaliteitskaart van die regio in de gemeente van toepassen van grond is vastgesteld.
5.9 Ontgraven en toepassen van grond zonder bodemkwaliteitskaart Vindt het ontgraven van grond plaats buiten het bodembeheergebied en is de bodemkwaliteitskaart voor de gemeente (of regio) van herkomst niet vastgesteld door de gemeente van toepassing, dan bepaalt het Besluit bodemkwaliteit dat de kwaliteit van de grond vastgesteld moet zijn middels een (in situ)partijkeuring of moet een productcertificaat bij de grond geleverd zijn. Voor het toepassen van deze grond binnen ons bodembeheergebied geldt deze (in situ)partijkeuring of dit productcertificaat als bewijsmiddel. 5.10 Overige gebruiksmogelijkheden bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart gebruiken wij naast het ontgraven en toepassen van grond ook voor: - de strategiebepaling (afperking) van een uit te voeren bodemonderzoek; - het voorbereiden van ruimtelijke ontwikkelingsprojecten zoals woningbouw, bedrijventerreinen of natuurontwikkeling; - acceptatie op een gronddepot.
5.11 Actualisatie bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart wordt geactualiseerd als uit monitoring of beleidswijziging blijkt dat daartoe aanleiding is. Tussentijds monitoren we het beleid op diverse onderdelen. Hoofdstuk 7 gaat hier verder op in.
7
Hier moet wel een correctie op lutum en humus hebben plaatsgevonden zodat de bodemkwaliteit met elkaar kan worden vergeleken.
19
6 Bodemkwaliteitsklassen De vorige twee hoofdstukken beschreven waarom wij gebiedsspecifiek beleid hebben opgesteld. Ook is het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel beschreven. Dit hoofdstuk gaat in op de bodemkwaliteitsklassen. 6.1 Uniforme klassen in de regio De regionale bodemkwaliteitskaart is in verschillende deelgebieden (zones) ingedeeld. Deze indeling is in overeenstemming met de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten tot stand gekomen. Criteria voor het indelen van een zone zijn onder andere het voormalig gebruik (bijvoorbeeld druk stedelijk of buitengebied) en de ontstaansgeschiedenis (vooroorlogs versus nieuwbouw) van een gebied. Na indeling van het bodembeheergebied in verschillende zones is overgegaan tot het bepalen van de bodemkwaliteitsklassen voor deze gebieden. Onze wens was om zoveel mogelijk aan te sluiten bij het generieke beleid omdat dit de herkenbaarheid van ons eigen beleid bevordert. Dit wel onder de voorwaarde dat de bestaande goede bodemkwaliteit in de omgeving zou worden behouden. 6.2 Drie bodemkwaliteitsklassen Vanaf nu onderscheiden we in de regio nog maar drie bodemkwaliteitsklassen. De bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer uit 2010 gingen nog uit van vier klassen. Door het goed en actief monitoren van het bestaande beleid kwamen we met elkaar tot de conclusie dat een verdere vereenvoudiging van het beleid mogelijk was.
Een aparte bodemkwaliteitsklasse binnen het gebied Wonen (voorheen: Stedelijk wonen) was daarom niet meer nodig. Wij onderscheiden nu de volgende klassen: 1. AW2000 2. Wonen 3. Gebiedsgericht De klasse AW2000 (achtergrondwaarde) bestrijkt samen met de klasse Wonen ongeveer 90% van ons totale bodembeheergebied. Hierdoor ontstaan veel uitwisselingsmogelijkheden van partijen grond binnen onze regio. Daarnaast sluiten we met deze klassen goed aan bij het landelijk generieke beleid dat ook uitgaat van de klassen AW2000 en Wonen. Dit vereenvoudigt de eventuele uitwisseling van partijen grond met buiten de regio gelegen gemeenten maar ook bij de reguliere toetsing van een bodemonderzoek of partijkeuring. Uit de ontgravingskaarten blijkt dat de ondergrond (>0,5 m-mv) over het algemeen minder verontreinigd is dan de bovengrond (0,0-0,5 m-mv). Opgemerkt wordt dat dit voor gebieden die al lang bewoond worden (zoals stadscentra), door een lange historie van grondverzet, niet het geval kan zijn. Voor PFAS worden, tot wettelijke verankering van de normen voor generiek beleid, de gehalten aangehouden welke zijn genoemd in het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie8. Daarna worden de normen uit het generiek beleid gehanteerd. 6.2.1 AW2000 Gebieden met deze klasse hebben een goede bodemkwaliteit.
Meestal bevinden deze klassen zich in het landelijk gebied of in nieuwbouwwijken. Als grond met klasse AW2000 vrijkomt uit ons bodembeheergebied, dan kan dit overal binnen ons bodembeheergebied worden toegepast. Dus zowel in gebieden met dezelfde goede bodemkwaliteit als gebieden 8
Op moment van schrijven versie van december 2021
20
met een bestaande slechtere bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart geldt dan als voldoende bewijsmiddel. 6.2.2 Wonen Hier gaat het om gebieden waar wordt gewoond en gewerkt. Als gevolg van deze activiteiten, heeft de bodem in deze gebieden een minder goede kwaliteit dan AW2000. Maar is het wel zeer geschikt om zonder risico’s te kunnen wonen en eventueel te gebruiken als tuin. Grond uit gebieden met deze klasse mag niet worden toegepast in gebieden met de klasse AW2000. Hierdoor wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van deze AW2000-gebieden verslechtert. Verder mag de grond uit de klasse Wonen overal worden toegepast binnen het geldende bodembeheergebied. De bodemkwaliteitskaart geldt dan als voldoende bewijsmiddel. Uitzondering bij moes- en volkstuinen Op het voorgaande geldt een belangrijke uitzondering voor moes- en/of volkstuincomplexen en woonlocaties met een individuele moestuin groter dan 100 m2, die zich bevinden in gebieden met de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Voor deze locaties geldt de voorwaarde dat alleen schone grond (AW2000) mag worden toegepast. Dit geldt zowel voor bestaande als nieuwe locaties met moes- of volkstuinen. Zo bereiken we op termijn een kwaliteitsverbetering van de grond op deze locaties. 6.2.3 Gebiedsgericht Naast de klassen AW2000 en Wonen onderscheiden we nog een derde klasse: Gebiedsgericht.
De bodemkwaliteit in deze gebieden kan niet in één van de voorgaande twee bodemkwaliteitsklassen worden ingedeeld. Redenen hiervoor kunnen zijn: - in een gemeente is een specifieke probleemstof in de bodem aanwezig die elders binnen het bodembeheergebied niet voorkomt; - een gemeente wenst op termijn een betere bodemkwaliteit dan de bestaande bodemkwaliteit te bereiken in een bepaald gebied of - een (toekomstig) ruimtelijke ontwikkeling binnen een gemeente leidt tot een nieuwe functie die een andere bodemkwaliteit vereist (bijvoorbeeld een bedrijventerrein wordt een woongebied). Uitwisseling van partijen grond uit de zones Gebiedsgericht in de regio vinden wij niet wenselijk. Dit vanwege de doorgaans afwijkende bodemkwaliteit in die zones. Aan de andere kant is het wel wenselijk om uitwisseling van grond onder voorwaarden toe te staan binnen de eigen zone. Bij uitwisseling van en naar de zones Gebiedsgericht moet met het volgende rekening worden gehouden: 1. Voor het toepassen van grond afkomstig van binnen de eigen zone geldt een lokale maximale waarde (LMW) die gelijk is aan de 80-percentielwaarde van de eigen zone. Hiermee wordt ruimte gecreëerd om vrijkomende grond her te gebruiken binnen de eigen zone. De 80-percentielwaarden zijn te vinden in de tabellen van bijlage V van de Regionale bodemkwaliteitskaart Twente. 2.
Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten de eigen zone geldt de lokale maximale waarde (LMW) die afgestemd is op de functie, in geval van wonen, of de 80percentielwaarde in geval van de functie industrie. Hiermee wordt voldaan aan het behoud van een goede bodemkwaliteit en een gestage verbetering op termijn. 3. Voorafgaand aan het ontgraven van een partij grond gelegen binnen de zone Gebiedsgericht moet minimaal een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) worden uitgevoerd. Dit vanwege de grote verschillen in concentraties verontreinigende stoffen die binnen deze zone aanwezig kunnen zijn.
21
4. Voor gesaneerde terreindelen bepaalt de bij de sanering gehanteerde terugsaneerwaarde de bodemklasse, als deze schoner is dan de LMW. De locatie mag niet meer worden aangevuld op basis van de 80-percentielwaarde voor dat gebied.
Onderstaande tabel 6.1 geeft aan welke eisen per zone Gebiedsgericht van toepassing zijn. Tabel 6.1: Overzicht voorwaarden klasse Gebiedsgericht per gemeente
Zone
1. LMW bij toepassing van grond binnen eigen zone
2. LMW bij toepassing grond van buiten eigen zone
3. Bodemonderzoek noodzakelijk
Oldenzaal historische ring
80-percentiel
Wonen
Ja
Hengelo Hart van Zuid
80-percentiel
Wonen
Ja
Hengelo Tuindorp
80-percentiel
Wonen
Ja
Enschede Centrum voor 1900
80-percentiel
Wonen
Ja
6.2.4 Niet-gezoneerde gebieden Als laatste onderscheiden we gebieden die niet binnen de bodemkwaliteitskaart zijn gezoneerd. Daarmee is de bodemkwaliteit in deze gebieden niet ingedeeld in één van de drie klassen van deze bodemkwaliteitskaart want: 1. Voor het deelgebied is al een bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer opgesteld in een ander kader: • Combiplan Hellendoorn (deelgebied nr 314, zie Rapportage bodemkwaliteitskaart, Witteveen+Bos, 23 maart 2018, ES349-1/18-004.422) • Vliegveld Twente (deelgebied nr 417, Bodembeheernota voormalige vliegbasis Twenthe 2022, registratienummer 221013-1, 13 oktober 2022); Voor de deelgebieden Combiplan Hellendoorn en Vliegveld Twente gelden voor het ontgraven en toepassen van grond de eisen uit het voor deze gebieden vastgestelde beleid. 2. Voor het deelgebied zijn onvoldoende waarnemingen beschikbaar om de huidige bodemkwaliteit te kunnen vastleggen. Van de oude stadscentra is wel bekend dat de bodem verontreinigd is. Dit geldt voor de deelgebieden: • Delden voor 1900 (deelgebied nr 82) • Ootmarsum voor 1900 (deelgebied nr 164) • Oldenzaal voor 1900 (deelgebied nr 181) • Oldenzaal historische industrie (deelgebieden nr 184, 186, 190) Het toepassen van grond die voldoet aan de maximale waarde kwaliteitsklasse Wonen, uitgezonderd in gebied 186, is toegestaan in deze gebieden (beleidsregel). Deze regel geldt ook voor PFAS.
Voor gebied 186 is het generieke kader van toepassing voor het bepalen van de toepassingseis. Bij uitwisseling van grond van en naar niet-gezoneerde gebieden binnen het bodembeheersgebied moet met het volgende rekening worden gehouden: 1. Voor het toepassen van grond afkomstig van binnen de eigen zone geldt dat de toe te passen partij voorzien moet zijn van een erkend bewijsmiddel, doorgaans een partijkeuring. De kwaliteit van de ontvangende bodem moet inzichtelijk zijn met behulp van een erkend bewijsmiddel (doorgaans een verkennend bodemonderzoek NEN5740) als een slechtere 22
kwaliteit dan wonen (of AW2000 in gebied 186) wordt toegepast. Voor de toepassingseis zie tabel 6.2. 2. Voor het toepassen van grond afkomstig van buiten de eigen zone, maar afkomstig uit de regionale bodemkwaliteitskaart geldt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem inzichtelijk moet zijn met behulp van een erkend bewijsmiddel (doorgaans een verkennend bodemonderzoek NEN5740) als een slechtere kwaliteit dan wonen (of AW2000 in gebied 186) wordt toegepast. Voor de definitieve toepassingseis zie tabel 6.2. 3. Voor het toepassen van grond buiten de eigen zone maar binnen de regionale bodemkwaliteitskaart geldt dat de toe te passen partij grond voorzien moet zijn van een erkend bewijsmiddel, doorgaans een partijkeuring. Op basis van de resultaten kan de kwaliteit getoetst worden aan de toepassingseis. Tabel 6.2: Toetsingskader niet gezoneerde gebieden (overeenkomstig generiek toetsingskader)
functie Wonen Industrie
Kwaliteit ontvangende bodem AW2000 AW2000
Wonen Industrie Wonen Industrie
Wonen Wonen Industrie Industrie
Toepassingseis Wonen Wonen (uitgezonderd gebied 186) Wonen Wonen Wonen Industrie
6.2.5 Bijzondere gebieden en locaties binnen ons bodembeheergebied Dit zijn gebieden en/of locaties binnen ons bodembeheergebied waarvoor aparte regels gelden. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende gebieden en/of locaties: 1. grondwaterbeschermingsgebieden; 2. afvalstortplaatsen en defensieterreinen; 3. spoorwegen en rijkswegbermen; 4. provinciale wegbermen; 5. gemeentelijke wegbermen; 6. zandvangers; 7. ondergrond > 2,0 m-mv.
1 Grondwaterbeschermingsgebieden: In de Omgevingsverordening Overijssel 2017 geeft de provincie Overijssel aan welke bodemkwaliteit geldt voor gebieden met gevoelige functies zoals waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden. Bij het ontgraven en toepassen van grond binnen ons bodembeheergebied nemen wij deze provinciale regels in acht. Deze regels kunnen strenger zijn dan de regels voor ontgraven en toepassen van grond zoals opgenomen in onze nota bodembeheer. 2 Afvalstortplaatsen en defensieterreinen: Uitgangspunt is dat voormalige afvalstortplaatsen worden aangemerkt als een van bodemverontreiniging verdachte locatie. De bodemkwaliteitskaart is dan niet van toepassing. In 2010 zijn afspraken gemaakt met beheerders van stortplaatsen. Dit geldt ook voor defensieterreinen binnen ons bodembeheergebied. Bijlage 4 bevat deze afspraken. Deze afspraken zijn nog steeds van kracht. 3 Spoorwegen en rijkswegbermen (beleidsregel): Voor het ontgraven en toepassen van grond binnen zones van spoorwegen en emplacementen zijn in 2009 afspraken gemaakt met de spoorwegbeheerder. Dit geldt ook voor partijen grond van en naar rijkswegen. De gemaakte afspraken staan in bijlage 4. Deze afspraken zijn nog steeds van kracht. 4 Provinciale wegbermen (beleidsregel): De provincie Overijssel heeft een wegbermenkaart voor provinciale wegen vastgesteld.
Zo kan grond in de wegberm worden ontgraven en 23
toegepast zonder extra onderzoek of een partijkeuring. De gemeenten accepteren de provinciale wegbermenkaart voor de provinciale wegen binnen hun beheersgebied. Wel geldt de voorwaarde dat vrijkomende grond uit provinciale wegbermen alleen binnen deze provinciale wegbermen mag worden toegepast. Het uitwisselen van grond afkomstig uit provinciale wegbermen met andere zones binnen de gemeente is niet toegestaan. 5 Gemeentelijke wegbermen (beleidsregel): Een aantal Twentse gemeenten heeft gezamenlijk een wegbermenkaart vastgesteld. Niet alle gemeenten namen deel aan dit traject omdat niet alle gemeenten behoefte hadden aan een wegbermenkaart. Het ging om de volgende gemeenten: Almelo, Borne, Dinkelland, Hof van Twente, Oldenzaal, Tubbergen, Twenterand en Wierden. Grond die vrijkomt uit langs asfalt- of puin verharde wegen kan binnen de wegbermen van deze gemeenten op basis van de wegbermenkaart worden toegepast. Voor meer informatie hierover en de geldende regels verwijzen wij naar het geldende gemeentelijk beleid. 6. Zandvangers waterschap Vechtstromen: Omdat de bodemkwaliteitskaart geen geschikt middel is om het materiaal in zandvangers (waterbodem) te kwalificeren voor PFAS dient aanvullend onderzoek naar PFAS te worden uitgevoerd indien dit materiaal wordt toegepast conform het Besluit bodemkwaliteit.
Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van een indicatieve strategie (afhankelijk van de grootte van de zandvanger) van 5 tot 10 steken en analyse van PFAS op één mengmonster. Het veldwerk en de analyse dient te geschieden conform de daarvoor geldende richtlijnen en protocollen. Dit aanvullend onderzoek dient in ieder geval te worden uitgevoerd tot vaststelling van de definitieve normen. Aan de hand daarvan wordt bepaald of, en zo ja hoe, aanvullend onderzoek nodig blijft. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat zandvangers van de andere waterschappen in de regio Twente en de zandvangers van waterschap Vechtstromen buiten de regio Twente conform de NEN5720 dienen te worden onderzocht. 7. Ondergrond > 2,0 m-mv. (beleidsregel) Deze bodemlaag is niet meegenomen met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Uit bodemonderzoeken bekend bij de gemeenten en de Omgevingsdienst blijkt dat deze bodemlaag op onverdachte locaties in de regel voldoet aan de bodemkwaliteit ‘AW’ (met uitzondering van enkele binnenstedelijke gebieden). Voor toepassen van deze bodemlaag volstaat voor onverdachte locaties een vooronderzoek (zie bijlage 3 of NEN5725) en is een partijkeuring - als milieuhygiënische verklaring- niet noodzakelijk. Deze (beleids)regel geldt niet voor zandwinningen.
6.3 De risicotoolbox De lokale maximale waarden mogen niet leiden tot risico’s voor de volksgezondheid of ecologie bij bestaand of toekomstig gebruik van een gebied. Daarom schrijft het Besluit bodemkwaliteit voor dat een risicobeoordeling moet worden uitgevoerd. Deze risicobeoordeling wordt gedaan met de door het RIVM ontwikkelde 'risicotoolbox'. Uit de risicobeoordeling, zie rapportage bodemkwaliteitskaart, blijkt dat onze lokale maximale waarden geen risico's opleveren voor mens, plant of dier.
In 2009 en 2018 hebben wij ons beleid ter toetsing voorgelegd aan de GGD. Gezien er bij versie 2.1 geen wijzigingen aan gehalten zijn opgetreden en het toegevoegde PFAS-beleid aansluit bij landelijk geldende toepassingswaarden is in 2023 het beleid niet opnieuw getoetst door de GGD. Voor het volledige advies van de GGD uit 2018 verwijzen wij naar bijlage 7 van deze nota bodembeheer. 6.4 Bodemfunctieklassenkaart Het Besluit bodemkwaliteit verplicht gemeenten een bodemfunctieklassenkaart vast te stellen. Deze kaart geeft de bodemfuncties binnen de gemeente aan. 24
Wij stellen de eigen gemeentelijke plattegrond vast als bodemfunctieklassenkaart. Deze plattegrond geeft namelijk een goed en recent overzicht van de bestaande functies binnen een gemeente. Ook nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen in de plattegrond eenvoudig worden opgenomen. Zo is altijd sprake van een actuele kaart. De bodemfunctiekaart zoals is opgenomen in de Regionale Bodemkwaliteitskaart Twente betreft een indicatieve kaart.