07. Zonneveldenbeleid NOT - Zonneveldenbeleid NOT-2023-207 (VERSIE NA PF 19062023)
Tekst van het document
Hoort bij raadsbesluitnr. ValidSigned door Hans Brokers op 05-07-2023 1285 van 26 juni 2023, de griffier,
Herziening 1.1 naar aanleiding van evaluatie najaar 2022
Zonneveldenbeleid in Noordoost-Twente 2023 tot en met 2027 Versie gemeente Oldenzaal
Gemeenten Losser, Dinkelland, Tubbergen en Oldenzaal December 2022 (Versie 1.0 april 2019)
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
Inhoud 1.
Inleiding ....................................................................................................................... 2 1.1
Opgave Klimaatakkoord, bijdrage NOT aan RES Twente ....................................................... 2
1.2
Warmte versus Elektriciteit ....................................................................................................... 5
1.3
Waar staan we nu met zon? .................................................................................................... 5
1.4
Provinciale Handreiking zonnevelden ...................................................................................... 5
1.5
Kleinschalige veldopstellingen (zonnepanelen) ....................................................................... 6
1.6
Maximale realisatieruimte zonnevelden per gemeente ........................................................... 7
1.7
Dynamisch kader ..................................................................................................................... 7
2.
Waar zijn zonnevelden mogelijk? .............................................................................. 8
3.
Hoe kunnen zonnevelden worden ingepast? .......................................................... 10 3.1 3.2
4.
Maatvoering ........................................................................................................................... 11 Elektromagnetische storing .................................................................................................... 11
Lokaal eigendom ....................................................................................................... 12 4.1
Lusten en Lasten lokaal ......................................................................................................... 12
4.2
Informatievoorziening/draagvlak omgeving ........................................................................... 12
4.3
Mogelijke vormen van participatie .......................................................................................... 12
4.4
5.
Kwaliteitsinvestering ............................................................................................................... 13
Proces aanpak ........................................................................................................... 14 5.1
Netaansluiting ........................................................................................................................ 14
5.2
Plan van aanpak .................................................................................................................... 14
5.3
Stappenplan ........................................................................................................................... 15
5.4
Planologisch regelen van een zonneveld .............................................................................. 16
6.
Legeskosten zonneparken ....................................................................................... 17
7.
Bijlage ........................................................................................................................ 17 7.1
Lokaal eigendom .................................................................................................................... 17 7.1.1 Lusten en Lasten lokaal ................................................................................................. 17
7.2
Informatievoorziening/draagvlak omgeving ........................................................................... 18
7.3
Maatschappelijke meerwaarde .............................................................................................. 19
1
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
Mogelijkheden voor zonnevelden in Noordoost Twente 1.
Inleiding
Het besef groeit dat de manier waarop wij op dit moment voorzien in onze energiebehoefte risico’s met zich meebrengt voor onze toekomst. Hierbij denken we aan het veranderende klimaat, schaarste aan fossiele brandstoffen en afhankelijkheid van andere landen. Dit maakt dat ook de Noordoost Twentse (NOT) gemeenten willen en moeten bijdragen aan de energietransitie. De energietransitie houdt in dat we geen gebruik meer maken van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, kolen en benzine, maar energie willen halen uit hernieuwbare bronnen zoals de zon, wind, biomassa en uit de ondergrond. De energietransitie biedt kansen voor de lokale economie en de leefbaarheid van onze kernen door, met investeringen vanuit lokale energie-initiatieven, de verdiensten van energieprojecten zo lokaal mogelijk te laten landen. De Noordoost Twentse gemeenten Dinkelland, Losser, Oldenzaal en Tubbergen werken samen aan de energietransitie. We hebben het doel om in 2030 225 GWh aan duurzame elektriciteit binnen Noordoost Twente op te wekken door middel van zonne-energie en windenergie. Hiervoor hebben de vier gemeenteraden in mei en juni 2021 de RES 1.0 vastgesteld, waarmee de bijdrage van de vier NOT gemeenten gezamenlijk is vastgesteld (hierover in 1.1 meer).
Evaluatie verwerkt in versie 1.1 De eerste versie van het zonneveldenbeleid is in het voorjaar van 2019 door de vier gemeenteraden vastgesteld, waarbij lokaal enkele afwijkende besluiten zijn genomen. De gemeenten Oldenzaal en Losser hebben het beleid conform vastgesteld. Gemeente Dinkelland heeft aangegeven te wachten met het toestaan van ontwikkelingen van zonnevelden op landbouwgronden in afwachting van de RES Twente 1.0. Gemeente Tubbergen heeft het beleid vastgesteld met uitzondering van het gebruik van landbouwgronden. Het bestaande beleid is in het najaar van 2022 op NOT-niveau geëvalueerd. De wijzigingen zijn verwerkt in het deze herziene versie 1.1. Deze herziening is geldig voor een periode van maximaal 5 jaar (2023 tot en met 2027) of eerder, wanneer er op basis van een evaluatie aanleiding toe is.
1.1 Opgave Klimaatakkoord, bijdrage NOT aan RES Twente De Nederlandse politiek heeft een doel vastgesteld: in 2030 stoten we in Nederland bijna de helft (49%) minder broeikasgassen uit dan we in 1990 deden. Het Klimaatakkoord gaat over de maatregelen die we de komende jaren nemen om dit doel te halen. Het Klimaatakkoord is een belangrijk deel van de Nederlandse invulling van het Klimaatverdrag van Parijs. Daarin hebben 195 landen, inclusief Nederland, afgesproken om in 2050 de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius, en zo mogelijk 1,5 graden Celsius. De huidige toezeggingen van landen over beperking van hun uitstoot zijn onvoldoende om de temperatuurstijging onder de 1,5 graden te houden. Zonder aanscherping van de huidige plannen stevent de wereld volgens het IPCC af op circa 3,2 graden opwarming in 2100. Het huidige klimaatbeleid is nog volstrekt onvoldoende en levert in 2030 hooguit een stabilisatie van de uitstoot op. Het is dus van groot belang om meer te doen, dan we nu doen. Zie de uitleg op de website Regionale Energiestrategie Twente | Kennissessie terugkijken: Wat…. In het landelijke coalitieakkoord 20212025 is opgenomen dat de 49% doelstelling wordt verhoogd naar 55% voor Nederland vanwege de toenemende klimaatextremen. Als lokale overheden kunnen wij bijdragen door duidelijke kaders te
2
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
schetsen waarbinnen projecten kunnen worden uitgevoerd die bijdragen aan het behalen van deze doelstelling.
In onderstaande figuur staan de bijdragen van de Twentse gemeenten omschreven aan de energietransitie voor 2030 in het kader van het Klimaatakkoord. In Twente dragen de samenwerkende gemeenten, Waterschappen en Provincie Overijssel 1,5 TWh bij aan de landelijke opgave van 35 TWh in 2035. Hiervoor worden alleen bewezen technieken toegepast die in 2030 realiseerbaar zijn. Dit zijn vooralsnog grootschalig zon op dak (vanaf > 40 panelen), zonnevelden en windturbines. De vergunningen voor de grotere projecten dienen 1 januari 2025 verleend te zijn door de gemeenten om de doelstellingen te behalen. Landelijk wordt al uitgegaan van het benutten van de daken van de huizen voor het opwekken van zonne-energie door en voor huishoudens van 7TWh.
3
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
De bijdrage van de Noordoost Twentse gemeenten gezamenlijk van 225 GWh kan volgens bovenstaande mix worden gerealiseerd, maar is niet als zodanig vastgesteld. Dit houdt in dat de verdeling van zonnevelden en windturbines niet vast staat, maar dat het indicatief is. Voor een goed werkend energienetwerk, tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, streven de samenwerkende partners binnen de RES Twente naar een verdeling van 60% windenergie en 40% zonne-energie op Twentse schaal. In de voorgestelde (bovenstaande) bijdrage ligt deze verhouding andersom. Daardoor ontstaan op Twentse schaal 365 miljoen euro meerkosten voor extra benodigde verzwaringen van het netwerk. Het verkrijgen van voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de benodigde verzwaring van het netwerk is niet haalbaar in de huidige markt.
4
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
1.2 Warmte versus Elektriciteit Het energievraagstuk is naast het elektriciteitsvraagstuk ook een groot warmte vraagstuk. NOT is net zoals andere delen van Nederland, sterk afhankelijk van aardgas. Met aardgas verwarmen wij onze woningen en maken bedrijven warmte voor hun processen. Gas heeft een hoge energie-inhoud. De energie-inhoud van een m3 gas is ongeveer 9 maal zo hoog als de energie-inhoud van een kWh elektriciteit. Er is enorm veel extra energie nodig om het aardgas gedeeltelijk te vervangen door elektrische vormen van opwekking door middel van (hybride) warmtepompen. Dit heeft grote gevolgen voor ons elektriciteitsnet, waarbij overbelasting en/of het niet meer kunnen aansluiten / terug leveren, steeds vaker voor gaan komen. Naast de oproep van de netbeheerders en provincie om te streven naar de mix van 60% windenergie en 40% zonne-energie, wordt ook gevraagd om het koppelen op locatie van opwek en verbruik en het gedeelde kabelgebruik door zonne- en windenergie. Hiernaast wordt er regionaal ingezet op de productie van biogas en groengas om in te voeren op het bestaande aardgasnetwerk.
1.3 Waar staan we nu met zon? Informatie beschikbaar via de monitor van de RES Twente (peildatum 1-6-2022) Regionale Energiestrategie Twente | Opwek elektriciteit. In de gemeente Losser is reeds 21 ha gerealiseerd door Kronos en in Oldenzaal is 1 ha aan zonneveld gerealiseerd naast de waterzuivering. In alle gemeenten wordt het realiseren van zonnedaken op het industriepanden flink gestimuleerd met het project “zon zoekt dak” en door voorlichting vanuit Energieke Regio. Eind 2021 was voor 39 GWh aan zonnedaken gerealiseerd terwijl nog voor 10 GWh in de pijplijn* zit op basis van SDE aanvragen bij de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) * omdat niet zeker is dat alle projecten gerealiseerd kunnen worden is een correctie van 33% toegepast op de verwachte opbrengst.
Stand van zaken bijdrage NOT 225 GWh aan de RES Twente voor 2030 (peildatum 11-10-22) Duurzame opwek
Streven volgens mix
Gerealiseerd
Percentage tov doel
Grootschalig zon op dak
55 GWh (63 ha)
39 GWh
71 %
Zonnevelden
80 GWh (100 ha)
26,4 GWh
33 %
De regionale verhouding tussen wind en zon dient volgens de uitgangspunten van de RES Twente uit te komen op 60% wind en 40% zon, om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van het ondergrondse netwerk.
1.4 Provinciale Handreiking zonnevelden Zonnevelden zijn nodig om ambities van provincie en gemeenten voor de opwekking van hernieuwbare energie te realiseren. In Regionale Energie Strategieën (RES) werken overheden de doelen van het Klimaatakkoord uit in concrete voorstellen. Daarin wordt op regionale schaal en lokale schaal overwogen welke verhouding tussen zon-op daken, zonnevelden en windenergie verantwoord is. Daartoe wordt een integrale afweging gemaakt op basis van vier criteria: energieproductie, ruimtelijke kwaliteit, maatschappelijke acceptatie en maatschappelijke kostenefficiency.
5
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
De Handreiking Zonnevelden van de provincie Overijssel gaat van de volgende vier principes uit: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; Inpassen in of bijdragen aan het landschap; Beperken en compenseren van de effecten op landschap en ecologie; Evenwichtige verdeling van lusten en lasten door realisatie van maatschappelijke meerwaarde. Met de zonneladder geeft de provincie haar voorkeursvolgorde voor locaties voor zonne-energie installaties. Alle typen locaties en opstellingen zijn nodig om de energieopgave te realiseren, waarbij zoveel mogelijk stedelijk gebied (waaronder daken), erven en stads- en dorpsranden worden benut om het beslag op agrarische grond zo beperkt mogelijk te houden. Zonnevelden in het landelijk gebied zijn bij voorkeur onderdeel van gebiedsontwikkelingen of krijgen een multifunctionele invulling met andere opgaven in de groene ruimte.
1.5 Kleinschalige veldopstellingen (zonnepanelen) Bij kleinschalige initiatieven, voor een veldopstelling, die alleen voorzien in de eigen energiebehoefte op het perceel van de initiatiefnemer, kan het college van Burgemeester en Wethouders besluiten medewerking te verlenen, wanneer er geen mogelijkheden zijn om de aanwezige daken te beleggen met zonnevelden. Daarvoor zijn de richtlijnen die in deze notitie staan beschreven niet direct van toepassing. In dat geval is het reguliere gemeentelijke ruimtelijke toetsingskader van toepassing.
6
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
1.6
Maximale realisatieruimte zonnevelden per gemeente
De vier Noordoost Twentse gemeenten werken samen aan het realiseren van de RES doelstelling van 225 GWh aan duurzame opwek in 2030. Per gemeente worden de volgende plafonds rondom de ontwikkeling van zonnevelden de komende 5 jaar (tot en met 2027) gehanteerd als bijdrage aan de RES Twente. Deze plafonds zijn nodig om de streefverhouding tussen wind (60%) en zon (40%) te kunnen bereiken in Noordoost Twente in 2030. Tevens is rekening gehouden met het gerealiseerde zonneveld in de gemeente Losser en wat er reeds in de pijplijn zit. Wanneer de doelstellingen rondom windenergie niet behaald gaan worden, dan zal heroverweging van de onderstaande doelstellingen kunnen plaatsvinden. Gemeente Gemeente Oldenzaal
Gemeente Dinkelland
Gemeente Tubbergen
Gemeente Losser
1.7
Doelstelling Ongeveer 20 hectare aan zonnevelden te realiseren. Oldenzaal wil zich inspannen om een goede bijdrage te leveren aan het RES doel binnen de mogelijkheden. De gemeente Dinkelland stelt het zonneveldenbeleid inclusief doelstelling later vast dan de gemeente Oldenzaal. Tot die tijd blijft het oude zonneveldenbeleid van kracht. De gemeente Tubbergen stelt het zonneveldenbeleid inclusief doelstelling later vast dan de gemeente Oldenzaal. Tot die tijd blijft het oude zonneveldenbeleid van kracht. Reeds 21 hectare gerealiseerd en nog eens 20 ha in de pijplijn. Daarom wordt er daarnaast nog voor maximaal 10 ha ruimte geboden tot 2027, waarbij de uitsluitend met lokaal eigenaarschap wordt gewerkt. Belangrijke voorwaarde is dat overconcentratie in een bepaald gebied wordt voorkomen, bij de invulling van deze 10ha.
Realisatie tot en met 2027 Ambitie 20 ha
Zie vaststelling zonneveldenbeleid desbetreffende gemeente.
Zie vaststelling zonneveldenbeleid desbetreffende gemeente.
Zie vaststelling zonneveldenbeleid desbetreffende gemeente.
Dynamisch kader
Met deze aanpak grootschalige zonnevelden willen we zo veel mogelijk duidelijkheid geven aan lokale initiatieven, energie coöperaties, agrariërs en ontwikkelaars waar en hoe ontwikkelingen voor zonnevelden kunnen en mogen plaatsvinden in Noordoost Twente. We beschouwen deze notitie als een dynamisch kader waarbij aanvullingen of wijzigingen op basis van opgedane ervaringen kunnen worden aangebracht. In deze notitie vindt u antwoorden op de vragen waar zonnevelden mogelijk zijn, hoe en op welke wijze deze kunnen worden ingepast in het landschap en omgeving en welke stappen u dient te doorlopen om tot realisatie van een zonneveld over te kunnen gaan.
7
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
2.
Waar zijn zonnevelden mogelijk?
De Noordoost Twentse gemeenten onderschrijven de uitgangspunten van de Overijsselse Zonneladder. De Overijsselse zonneladder en aanpak kent drie treden. Een multifunctionele invulling van een zonneveld in de groene ruimte is uitgangspunt (trede 1 'Stimuleren' en 2 'Combineren'). Pas als gemeente en initiatiefnemer hebben verkend en gemotiveerd dat trede 1 en 2 niet mogelijk zijn, dan komen monofunctionele zonnevelden (trede 3) aan de orde. Duidelijk is dat alle drie de categorieën nodig zijn om de energieambities waar te maken, waarbij een goede ruimtelijke ordening essentieel is. De zonneladder geeft een voorkeursvolgorde aan. De intentie van de zonneladder is om zowel op daken als in het vrije veld zonnepanelen mogelijk te maken. Waarbij de voorkeur en stimulans ligt op het zoveel mogelijk benutten van daken, bouwvlakken, bedrijfsterreinen, infrastructurele voorzieningen, erven en lokale initiatieven met kleine velden in stadsen dorpsranden. Ook met een stevige inzet op deze locaties worden de klimaatdoelen niet gehaald en zijn velden in het agrarisch gebied onvermijdelijk. Bij deze velden in het agrarisch gebied gaat de voorkeur en inzet uit naar projecten met meerwaarde.
Meerwaarde die ontstaat door het gelijktijdig realiseren van andere opgaven: met functiecombinaties (lees: meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld waterberging onder zonnepanelen) en met gebiedsontwikkeling. In laatste instantie zijn monofunctionele velden op agrarische grond acceptabel, als sluitstuk voor het realiseren van de energiedoelen en goede landbouwgrond wordt daarbij ontzien.
Trede 1. Stimuleren van: Productie van zonne-energie op daken in bebouwd gebied: woningen, bedrijven, agrarische gebouwen, etc. Gebruik van te bebouwen gebieden of bruikbare restruimte: ongebruikte gronden, bedrijventerreinen, boven parkeerterreinen en geluidswallen. • Kleine, goed ingepaste velden op agrarische erven (tot ca. 2 ha). Kleine, goed ingepaste zonnevelden van lokale initiatieven in stads- en dorpsranden (tot ca. 2 ha). Trede 2. Combineren met: • Gebiedsopgaven in stads- en dorpsranden en in de groene omgeving zoals klimaatmaatregelen (waterberging en tegengaan bodemdaling), extensivering van landbouw, herstel landschap en biodiversiteit, etc. Door verschillende opgaven onder, tussen en rond de panelen te realiseren wordt de ruimte multifunctioneel gebruikt. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. • Gebiedsontwikkeling in de groene omgeving, waarbij zonnevelden aansluiten op andere gebiedsontwikkelingen of een energielandschap vormen. Door opgaven met elkaar te verbinden wordt het mogelijk lokale maatschappelijke en sociale doelen te incorporeren in de gebiedsontwikkeling. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Trede 3.
Limiteren van: Monofunctionele zonnevelden op agrarische grond of op water, primair gericht op produceren van duurzame energie. Dit op basis van de 80-20 referentie: 80% ruimte voor het panelenveld en 20% ruimte voor groen en/of water. Omdat meervoudig ruimtegebruik ontbreekt, wordt dit gecompenseerd met investeringen in maatschappelijke opgaven buiten het project. Bij locatiekeuzes worden goede landbouwgronden ontzien. Limiteren van monofunctionele zonnevelden op agrarische grond, primair gericht op produceren van duurzame energie. Specifiek in Noordoost Twente. Ook gronden die deel uitmaken van Natuur Netwerk Nederland (NNN) en een agrarische hoofdfunctie hebben komen in aanmerking voor ontwikkeling van zonnevelden met een multi-
8
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
functionele invulling met andere opgaven in de groene ruimte. Dit moet blijken uit een zorgvuldig doorlopen gebiedsproces. Dit geldt eveneens voor gronden nabij Natura-2000 gebieden die worden beperkt vanwege vernattings en/of bemestingsmaatregelen.
Alleen tijdelijk Zonnevelden zijn alleen tijdelijk toegestaan, maximaal 25 jaar (in aansluiting op de provinciale regels). Opruim en herstelplicht Wanneer een zonneveld niet meer in gebruik is of na afloop van de vergunde termijn, dient het zonneveld inclusief alle ondergrondse voorzieningen te worden verwijderd door en op kosten van de initiatiefnemers. De vrijgekomen gronden dienen weer geschikt te worden gemaakt voor oorspronkelijk gebruik. De compenserende maatregelen (bijvoorbeeld nieuwe houtwallen, bosaanplant, groenvoorzieningen etc.) moeten gehandhaafd blijven. Om de opruimplicht te garanderen wordt er een bedrag ter hoogte van de geraamde opruimkosten als bankgarantie gevraagd bij de oprichting van het zonneveld. Daarnaast zal de opruimplicht als voorwaarde worden meegenomen in de vergunning. Zones met hoge archeologische waarden De gebieden met hoge archeologische verwachtingswaarde zijn terug te vinden op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten. Voor deze gebieden geldt dat minimaal een archeologisch bureauonderzoek als onderdeel van het maatwerk dient te worden aangeleverd. Bomenkap De kwaliteit van het landschap ter plaatse van het beoogde zonneveld is bepalend wat kan of niet kan op het gebied van bomenkap. Het rendement van het zonneveld is ondergeschikt aan de kwaliteit van het landschap en de daarbinnen aanwezige groenelementen.
Buiten de bebouwde kom is het kappen van een enkele boom vergunningsvrij, echter bij landschapsbepalende elementen is dit niet het geval.
9
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
3.
Hoe kunnen zonnevelden worden ingepast?
De Noordoost Twentse gemeenten onderschrijven de uitgangspunten voor de ruimtelijke inpassing die staan beschreven in de “Handreiking kwaliteitsimpuls zonnevelden” vastgesteld door GS op 21 april 2020 van de provincie Overijssel. Ons buitengebied is mooi en dat willen we ook graag zo houden. Een goede ruimtelijke inpassing is noodzakelijk, waarbij rekening wordt gehouden met de eigen identiteit en kenmerken van een gebied. Met name inzetten op het meekoppelen en meedoen zijn belangrijke uitgangspunten bij de inpassing van zonnevelden in Noordoost Twente. Zie onderstaande verbeelding van de mogelijkheden.
10
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
De Handreiking Kwaliteitsimpuls Zonnevelden is te vinden op de site van de provincie Overijssel, zie https://www.overijssel.nl/media/qp3ff5qw/handreiking_kwaliteitsimpuls_zonnevelden_vdt-1.pdf Naast de uitgangspunten uit de Handreiking Kwaliteitsimpuls Zonnevelden van de provincie Overijssel (zie H2) vinden we de volgende punten voor de ruimtelijke inpassing belangrijk in Noordoost Twente: 1. Vrije zone rondom woonbebouwing en andere verblijfsfuncties is maatwerk in overleg tussen de initiatiefnemer en de directe bewoners. 2. We beoordelen de plannen ook in relatie tot reeds gerealiseerde zonnevelden en in aanvraag zijnde plannen in de omgeving waar de aanvraag betrekking op heeft. De ontwikkeling dient aan te sluiten bij de maat en schaal van de nabijgelegen kern. 3. Clustering van meerdere zonnevelden in één geschikt gebied heeft de voorkeur ten opzichte van het verspreid aanleggen van meerdere zonnevelden rondom een dorpskern of wijk. 4. Overconcentratie rondom een dorp of kern moet worden voorkomen. 5. Waar mogelijk combineren van zonnevelden en windturbines. Hierbij gebruik maken van cable-pooling (zelfde kabel gebruiken voor het zonneveld en de windturbines voor de aansluiting op het elektriciteitsnet).
3.1
Maatvoering
Er gelden geen maximale oppervlaktematen voor zonneparken in Noordoost Twente. De beperking zit in het maximaal te realiseren hectares zonnevelden zoals opgenomen in 1.6 van dit beleidsstuk. Clustering en spreiding zijn en blijven mogelijk, mits in overeenstemming met de bovengenoemde Handreiking Kwaliteitsimpuls zonnevelden.
3.2
Elektromagnetische storing
Het Astron (met een locatie dichtbij Rossum) neemt met radiotelescopen de meest zwakke signalen uit het heelal waar. Daardoor zijn zij kwetsbaar voor elektromagnetische storing. Met het tijdig treffen van de juiste maatregelen kan storing worden voorkomen. Belangrijke bronnen van storing zijn omvormers in zonneparken, windturbines en kleine windmolens, maar ook LED-lampen en grootschalige airconditioning. Daarom heeft het Astron zones berekend waarin bepaalde plannen niet, of onder voorwaarden (maatregelen) of wel plaats kunnen vinden. Deze zones staan op kaarten waar kan worden ingezoomd tot een specifiek adres. Met de knoppen boven de kaart komt de gewenste kaart in beeld. Bij een plan voor zonnepark kan u op de betreffende kaart worden ingezien in welke zone de locatie valt. Bij de kaart staat de uitleg van de betreffende zones plus welke omvormer aan de norm voor de betreffende zone voldoet of met welke maatregelen aan de norm kan worden voldaan. Deze lijst zal worden aangevuld naar mate ASTRON over meer informatie beschikt. www.astron.nl/beschermingszones
11
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
4.
Lokaal eigendom
4.1
Lusten en Lasten lokaal
Balans tussen lokale lasten en lusten is een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkeling van zonnevelden in Noordoost Twente. De gemeenten werken bij voorkeur mee aan initiatieven uit de lokale samenleving. De voorkeur gaat uit naar initiatieven ‘van onderop’ omdat deze naar verwachting kleinschaliger zijn en daarmee ruimtelijk ook goed passen in de schaal van het Noordoost Twentse landschap. Professionele ontwikkelaars wordt gevraagd ruimte te bieden aan lokale initiatieven binnen grootschalige ontwikkelingen, waarbij minimaal 50% lokaal eigendom en zeggenschap wordt geëist, zoals omschreven in het Klimaatakkoord van Nederland.
4.2
Informatievoorziening/draagvlak omgeving
Een goede communicatie is essentieel voor de slagingskansen van een project. Een initiatiefnemer kan vooraf bij de gemeente informatie vragen over wat er speelt in een bepaalde kern, buurt of wijk. Actieve participatie van de omgeving, in een vroegtijdig stadium, draagt absoluut bij aan het draagvlak (zie paragraaf 4.3). De ontwikkelaar/initiatiefnemer van een zonneveld is verantwoordelijk voor het persoonlijk gesprek met de direct aanwonenden en het creëren van een zo optimaal mogelijke acceptatie. Voor de verdere omgeving wordt door de ontwikkelaar/initiatiefnemer een openbaar toegankelijke informatiebijeenkomst georganiseerd (in de Nederlandse taal) en er wordt optimaal gebruik gemaakt van de moderne mediakanalen. Ook de dorpsraden/wijkraden/energiecoöperatie worden geraadpleegd en waar mogelijk betrokken bij de ontwikkelingen. Een contactpersoon van de gemeente is bij bovenstaande contactmomenten aanwezig als onafhankelijk toehoorder. Over het proces en de uitkomsten daarvan wordt door de aanvrager een verslag bij de aanvraag ingediend. Om draagvlak te creëren bij de omgeving wordt door initiatiefnemer afspraken gemaakt die bijdragen aan het woon- en leefklimaat van de omgeving. Deze investeringen worden bekostigd uit de financiële middelen vanuit paragraaf 4.4 Kwaliteitsinvestering.
4.3
Mogelijke vormen van participatie
Volgens de Klimaatwet moet worden gestreefd naar 50% lokaal eigendom bij duurzame opwek projecten, waarbij dient te worden ingezet op een mix van diverse vormen van participatie. De NOT gemeenten vinden 50% lokale participatie een basisvoorwaarde voor de ontwikkeling van een zonneveld. Daarom vragen de gemeenten de initiatiefnemers in de voorbereidende fase een participatieplan, dat invulling geeft aan deze basisvoorwaarde. Zonder een dergelijk plan kan een principeverzoek niet in behandeling worden genomen. Er zijn verschillende vormen van participatie denkbaar en wenselijk. Het pakket aan participatiemaatregelen is maatwerk en afhankelijk van de behoefte en kansen in de omgeving:
Deelname is mogelijk in de vorm van vroegtijdig (mee-)investeren en daardoor uiteindelijk ook meedelen in de opbrengsten. Ontwikkelaars/initiatiefnemers bieden de energie coöperatie, bewoners en lokale bedrijven de mogelijkheid om financieel te participeren bijvoorbeeld in de vorm van aandelen. Lokaal zeggenschap in het project is onderdeel van de participatie die verkend moet worden en een plek moet krijgen in het participatieplan. Wanneer er geen lokale Energiecoöperatie aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om hiervoor de Energiecoöperatie Noordoost Twente te benaderen.
12
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
De toepassing van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE) is een wijze waarop participatie kan worden vormgegeven al dan niet in combinatie met een lokale energie coöperatie of dorpsraad. Coöperaties kunnen vaak lastig de plankosten voorfinancieren. Hiervoor kan een coöperatie ook hulp vragen aan de Energie coöperatie Noordoost Twente of de LEI-Finance. Deelname in een groter project is dan ook een mogelijkheid waarmee de lokale betrokkenheid en dus ook draagvlak kan worden vergroot. Dit kan door de grotere ontwikkelaars worden gefaciliteerd door een deel van het zonneveld te reserveren voor een lokale energie coöperatie.
In algemene zin wordt belang gehecht aan het inzetten van mensen “met afstand tot de arbeidsmarkt” en het betrekken van lokale ondernemers bij de realisatie en het beheer van het zonneveld.
4.4
Kwaliteitsinvestering
Binnen NOT vragen we voor zonnevelden met een omvang groter dan 1 ha van de initiatiefnemers jaarlijks een “kwaliteitsinvestering” in het kader van het ruimtelijke kwaliteitsverlies. Dit betreft jaarbedragen voor de termijn van de vrijstelling op het bestemmingsplan (25 jaar) en geldt voor zowel lokale initiatiefnemers als professionele ontwikkelaars. Deze bijdrage is als volgt gestaffeld: a. b. c.
€ 0,- voor zonnevelden < 1 ha. € 400 per hectare/per jaar, voor zonnevelden vanaf 1 ha tot maximaal 3 ha. € 800 per hectare/per jaar voor zonnevelden vanaf 3 hectare omvang en meer.
Rekenvoorbeeld: Bij een initiatief voor een zonneveld met een omvang van 5 hectare wordt om een kwaliteitsbijdrage gevraagd van € 4000,- per jaar (5 ha x €800,-). Op dit bedrag mogen de uitgevoerde ruimtelijke compensatiemaatregelen buiten het plangebied in mindering worden gebracht (aan te tonen op basis van facturen). De landschappelijke inpassing van de randen van het zonnepark vallen hier niet onder. Deze financiële middelen worden besteed volgens de vastgestelde gemeentelijke structuurvisie en/of toekomstige omgevingsvisie, waarin omschreven wordt aan welke fysiek/ruimtelijke of duurzame projecten de kwaliteitsinvestering in het gebied besteed kan worden. Het te kiezen projectdoel of doelen worden in overleg met de aanvrager en in samenspraak met gemeente en de omgeving van het zonneveld bepaald. Bij voorkeur wordt de organisatie van het uit te voeren projectdoel rechtstreeks door of namens de initiatiefnemer(s) van het zonneveld verzorgd. Wanneer er een gebiedsfonds in de betreffende gemeente actief is, mogen de financiële middelen ook in één keer bij start van de uitvoering van de aanleg van het zonneveld worden gestort in het betreffende gebiedsfonds. Voor zover het gaat om een beperkte extra bijdrage wordt deze als onderdeel van de exploitatiebijdrage verhaald. Indexering bij jaarlijkse betaling in het gebiedsfonds: volgens de CBS Bouwkosten index.
13
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
5.
Proces aanpak
Nadat er ideeën zijn voor een concrete invulling op een bepaalde locatie neemt de initiatiefnemer contact op met de gemeente (afdeling Ruimtelijke Ordening) en maakt zijn voornemen kenbaar, met daarbij de locatieaanduiding en omvang van het beoogde zonnepark. Na het eerste contact vindt er op korte termijn een gesprek plaats met de gemeente over de planbeoordeling, de ruimtelijke inpassing, de netaansluiting en het concept participatieplan. Daarna kan het indienen van een principeverzoek worden opgestart, zie ook het stappenplan in paragraaf 5.3.
5.1
Netaansluiting
Initiatiefnemer neemt vooraf contact op met de lokale netbeheerder (Coteq of Enexis) om de aansluitmogelijkheden en kosten in beeld te brengen. Initiatiefnemer dient vooraf aan een principeverzoek inzage te geven in de aansluitbaarheid en de transportcapaciteit van het netwerk. Dit onderdeel komt bij het eerste verkennende gesprek tussen initiatiefnemer en gemeente aan de orde. De kosten van de netaansluiting bepalen sterk de haalbaarheid en slagingskansen van een initiatief. De initiatiefnemer toont aan dat, er voldoende netcapaciteit beschikbaar en gereserveerd is voor het initiatief op de geplande ingebruiknamedatum, voorafgaand aan het indienen van een principeverzoek. Wanneer hier onvoldoende duidelijkheid over kan worden gegeven, zal een principeverzoek niet in behandeling worden genomen.
5.2
Plan van aanpak
Zowel een principeverzoek als een formele vergunningaanvraag gaan, naast de vereiste inrichtingstekeningen en eventueel (bij aanvraag) onderzoeksrapporten, vergezeld van de volgende documenten: - Landschappelijk inpassingsplan (indien mogelijk een 3D visualisatie vanaf maaiveld) - Verslagen van de inspanningen om draagvlak te creëren in de omgeving - Participatieplan uitgewerkt voor minimaal 50% lokaal eigendom en zeggenschap - De financiële bijdrage voor de kwaliteitsinvestering. Daarna zal de ruimtelijke procedure worden opgestart voor de vaststelling van een tijdelijke afwijking op het bestemmingsplan. B&W (vergunning) en gemeenteraad (bindend adviesrecht) zijn beide deelbevoegd tot het nemen van de noodzakelijke besluiten op het bestemmingsplan/Omgevingsplan (na inwerkingtreding Omgevingswet).
14
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
5.3
Stappenplan
1.Principeverzoek ontwikkeling zonneveld (inclusief 3D visualisatie, participatieplan, gedane aanpassingen in overleg met omgeving en verslagen van gevoerde overleggen met belanghebbenden, bedrag voor kwaliteitsinvestering), samenwerkingsoverkomst met cooperatie tbv ten minste 50% lokaal eigendom, verklaring van beschikbare netcapaciteit op moment van ingebruikname
2. Eerste toets haalbaarheid plan Kwaliteitsteam of Werkgroep principeverzoeken (afhankelijk in welke gemeente u de aanvraag indiend) bespreekt het voorstel en koppelt de haalbaarheid terug aan de initiatiefnemers Afstemmingsoverleg Provincie Overijssel in het kader van de Wet Natuur Bescherming
3. CONCEPT overeenkomst en inrichtingplan Indienen Concept inrichtingsplan en voorstel voor de kwaliteitsinvestering in de vorm van een anterieure overeenkomst.
4. Bindend advies van gemeenteraad (optioneel) Bindend advies van de gemeenteraad, Voor verkrijgen van een omgevingsvergunning strijdig gebruik, inclusief alle eerder genoemde bijlagen in te dienen.
5. Overeenstemming privaatrechtelijke overeenkomst Definitieve overeenstemming over privaatrechtelijke overeenkomst en inrichtingplan.
6. Aanvraag omgevingsvergunning, incl. bindend adviesrecht gemeentenraad.
College besluit tot verlenen vergunning Aanvraag omgevingsvergunning in het kader van de bouwactiviteiten.
15
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
5.4
Planologisch regelen van een zonneveld
Naar verwachting zijn veldopstellingen van zonnepanelen in de groene omgeving op lange termijn niet meer nodig, omdat innovatie ertoe zal leiden dat energie op een andere, voordeligere wijze kan worden opgewekt. Daarom moeten gronden onder de zonnevelden niet blijvend worden onttrokken aan de oorspronkelijke (vaak agrarische) bestemming. Zonnevelden in de groene omgeving worden alleen toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik. De maximale termijn is op 25 jaar gesteld (conform het Kwaliteitshandboek Zonnevelden van de Provincie Overijssel). De eis van tijdelijk medegebruik moet ervoor zorgen dat het zonneveld weer wordt opgeruimd wanneer er geen behoefte meer is of na afloop van de vergunde termijn. Dit wordt tevens als voorwaarde in de anterieure overeenkomst, die gesloten wordt met de ontwikkelende partij, geborgd. Zonnevelden worden mogelijk gemaakt met een (project-) omgevingsvergunning, waarmee voor een bepaalde termijn toestemming wordt gegeven voor zelfstandige veldopstellingen aan zonnepanelen, in afwijking van de geldende bestemming.
16
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
6.
Legeskosten zonneparken
Elke gemeente zal afzonderlijk via de eigen legesverordening de legeskosten voor een zonnepark hanteren. Zie voor de leges de legesverordening.
7.
Bijlage
7.1
Lokaal eigendom
In de Klimaatwet is Lokaal Eigendom specifiek benoemd als belangrijke randvoorwaarde voor het slagen van de energietransitie. In de RES Twente is dit onderwerp nader uitgewerkt. De gemeente Oldenzaal hanteert de Handreiking Lokaal Eigendom RES Twente om te definiëren wat lokaal eigendom is, zie www.energiestrategietwente.nl/assets/media/220126_Handreiking-Lokaal-Eigendom-RESTwente_DEF.pdf. 7.1.1 Lusten en Lasten lokaal Balans tussen lokale lasten en lusten is een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkeling van zonnevelden in Noordoost Twente. De gemeente Oldenzaal werkt het liefst mee aan initiatieven uit de lokale samenleving. 100% lokaal eigendom heeft de absolute voorkeur. Indien professionele ontwikkelaars of grondeigenaren de initiatiefnemer zijn, is de minimale eis 50% lokaal eigendom zoals omschreven in de Handreiking Lokaal Eigendom RES Twente. De gemeente Oldenzaal vindt lokaal eigendom belangrijk. Daarbij gelden de volgende kaders:
100% lokaal eigendom is daarbij de meest wenselijke situatie. Ontwikkeling, realisatie en exploitatie van zonneparken op initiatief van een lokaal gewortelde coöperatie heeft daarbij de voorkeur. Het minimale percentage lokaal eigendom is 50%. Lokaal eigendom gaat over zeggenschap en financiële participatie. Alle inwoners van de gemeente Oldenzaal moeten de gelegenheid krijgen om mee te doen in een zo vroeg mogelijk stadium mee te ontwikkelen, zodat maximale zeggenschap is gewaarborgd. Alle inwoners uit de gemeente Oldenzaal moeten voldoende de gelegenheid krijgen om financieel te participeren (individueel of in coöperatief verband). Omwonenden en grondeigenaren moeten tijdig en transparant betrokken worden bij de planvorming. Zij moeten voldoende de gelegenheid krijgen mee te denken bij de landschappelijke inpassing en het creëren van maatschappelijke meerwaarde. De grens van de gemeente of zoekgebied zijn daarbij niet leidend. Hiertoe dient een participatie-, en communicatieplan te worden opgesteld. De omwonden en grondeigenaren moeten voldoende gecompenseerd worden voor derving van inkomsten en woongenot. Diverse landelijke richtlijnen kunnen daarbij worden toegepast maar lokale afspraken zijn ook toegestaan. De grens van de gemeente of zoekgebied zijn daarbij niet leidend.
Wanneer een initiatief niet afkomstig is van een lokaal gewortelde coöperatie, maar van bijvoorbeeld een projectontwikkelaar of een grondeigenaar, dan moeten initiatiefnemers een samenwerking aan gaan met het lokale initiatief en de samenwerking vastleggen in een samenwerkingsovereenkomst. In deze overeenkomst worden onder andere het percentage juridische eigendom vastgelegd. In de samenwerking komen ook onderwerpen aan bod ten aanzien van compensatie naar eigenaren en omwonenden en hoe inwoners kunnen meedoen via bijvoorbeeld aandelen.
17
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
Deze samenwerkingsoverkomst dient onderdeel te zijn van het principeverzoek voor het project. Zonder deze samenwerking zal een princiepverzoek niet in behandeling worden genomen en zal de gemeente geen medewerking verlenen aan een vergunning traject. (zie 5.3 stappenplan) Indien een initiatiefnemer van mening is dat 100% lokaal eigendom niet mogelijk is, moet men dit aantonen door middel van bijvoorbeeld een marktconforme businesscase, offertes en gespreksverslagen. De gemeente kan in dat geval voorrang verlenen aan een project waar dit wel georganiseerd kan worden.
7.2
Informatievoorziening/draagvlak omgeving
Een goede communicatie is essentieel voor de slagingskansen van een project. Een initiatiefnemer kan vooraf bij de gemeente informatie vragen over wat er speelt in een bepaalde kern, buurt of wijk. Actieve participatie van de omgeving, in een vroegtijdig stadium, draagt absoluut bij aan het draagvlak (zie paragraaf 4.3). De ontwikkelaar/initiatiefnemer van een zonneveld is verantwoordelijk voor het persoonlijk gesprek met de direct aanwonenden en het creëren van een zo optimaal mogelijke acceptatie. Voor de verdere omgeving wordt door de ontwikkelaar/initiatiefnemer een openbaar toegankelijke informatiebijeenkomst georganiseerd (in de Nederlandse taal) en er wordt optimaal gebruik gemaakt van de moderne mediakanalen. Ook de dorpsraden/wijkraden/energiecoöperatie worden geraadpleegd en waar mogelijk betrokken bij de ontwikkelingen. Een contactpersoon van de gemeente is bij bovenstaande contactmomenten aanwezig als onafhankelijk toehoorder. Over het proces en de uitkomsten daarvan wordt door de aanvrager een verslag bij de aanvraag ingediend. Afhankelijk van de evaluatie en de reacties op de eerste informatieavond volgen mogelijk meerdere informatieavonden. Hier kan bijvoorbeeld ingezoomd worden op één specifiek onderwerp van de projectontwikkeling waar veel informatiebehoefte is bij omwonenden.
Ten behoeve van de van de informatieavonden wordt een communicatie werkgroep ingericht waarin tenminste de initiatiefnemer, grondeigenaar en de gemeente zitting nemen. Daarnaast wordt er een projectwebsite opgericht door de initiatiefnemer. De inhoud en het onderhoud van deze website vinden plaats in afstemming met de communicatiewerkgroep. Verder wordt er een participatieplan opgesteld, waarin uitgebreid wordt beschreven en vastgelegd hoe de omgeving betrokken wordt bij het project. Om draagvlak te creëren bij de omgeving wordt door initiatiefnemer afspraken gemaakt die bijdragen aan het woon- en leefklimaat van de omgeving. Deze investeringen worden bekostigd uit de financiële middelen vanuit paragraaf 4.4 Kwaliteitsinvestering.
18
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
7.3
Maatschappelijke meerwaarde
Een voorwaarde van de gemeente Oldenzaal is dat elke zonnepark een maatschappelijke meerwaarde heeft, zoals in de provinciale richtlijnen staat verwoord. Voorbeelden hiervan zijn: Aansluiten bij gebiedsopgaven Elk gebied heeft zijn eigen kenmerken maar ook eigen opgaven of wensen. De uitdaging is om met de ontwikkeling van grootschalige energie-opwek zoals zonneparken juist deze kenmerken te versterken, opgaven te realiseren en wensen mogelijk te maken. Hierdoor wordt meerwaarde gecreëerd en wordt de omgeving ‘gecompenseerd’ voor mogelijke ‘lasten’ die het zonnepark met zich meebrengt. Voorbeelden: Verduurzaming agrarische bedrijfsvoering; Herverkaveling/ruimte voor versterking landschap en agrarische bedrijfsvoering; Wateropgaven, zoals waterberging, natuurvriendelijke oevers, vernatting, klimaatopgave; Extra versterken landschappelijke en cultuurhistorische structuren in het gebied); Ecologische kwaliteiten verbeteren (doelsoorten e.d.) en verbeteren biodiversiteit; Versterken recreatieve routes: waar liggen kansen voor (recreatie)ondernemers, nieuwe verbindingen; Natuurontwikkeling: verbindingszones, natuurontwikkeling, bijenbehoud (bijvoorbeeld bloemen stroken en bijenkasten van de lokale imkervereniging).
Extra inzet op duurzaamheidsdoelen Naast ruimtelijk relevante ideeën zijn ook andere vormen van meerwaarde denkbaar, zoals: Inzet op ontwikkeling innovatieve technieken (bijvoorbeeld opslagmogelijkheden van energie); Educatiemogelijkheden, samenwerking met kennisinstellingen/scholen; Sloop en/of hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en/of erven; Bijdragen aan zonnestroominstallaties voor daken in omgeving (particulieren en (agrarische) ondernemers en/of delen van aansluitkosten); Aanbieden van zonne-energieinstallaties (met korting) aan particulieren/bedrijven in de gemeente; Realiseren zonne-energieinstallaties op dak(en) maatschappelijk gebouw(en); Creëren lokale werkgelegenheid (invulling geven Social Return On Investment); Inzet op sociale opgaven (bereikbaarheid openbaar vervoer, langer zelfstandig wonen e.d.); In algemene zin wordt belang gehecht aan het inzetten van mensen “met afstand tot de arbeidsmarkt” en het betrekken van lokale ondernemers bij de realisatie en het beheer van het zonneveld. Toetsing maatschappelijke meerwaarde Bij de toetsing of er voldoende sprake is van maatschappelijke meerwaarde wordt gekeken naar impact en schaal van de voorziening voor energie-opwek en of er sprake is van eigenbelang of maatschappelijk belang.
Dit bepaalt bij welke inspanning er sprake is van voldoende balans tussen de aanleg van de voorziening en de maatschappelijke meerwaarde. Er kan daarmee ook sprake zijn van een samenhang met het aandeel lokaal eigendom, de mate waarop de opbrengsten door de lokale eigenaren in het gebied worden besteed en de mate waarin bijvoorbeeld door meervoudig ruimte gebruik ook andere maatschappelijke gebiedsdoelen worden gerealiseerd.
19
Samenwerking Noordoost Twentse gemeenten
Bij de uiteindelijke vergunningaanvraag moet in ieder geval aangegeven worden: Welke punten zijn onderzocht en besproken met de omgeving; Waar bij het betreffende energieproject de maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd; Waarom dit in balans is met impact en schaal van het energieproject.
20