Verslag 13 februari 2025
Tekst van het document
Notulen commissievergadering Samenleving en Bestuur Datum vergadering: 13 februari 2025, 19.30 uur
Aanwezig Commissieleden: G.J. André, M.P. Deen, J. Deij, D.E. Doornwaard, A. Hardonk, J. Jansen-Hofman, H.G.P. Kemp, H.J. Klein, L.M. van Oene, D.J.P. Post, G. Scholten, M. Sloots-Kieviet en B. van der Velde Voorzitter:
P.H. Graansma
Commissiegriffier: A. Stokreef Notulist:
H. Geertsma
College:
B. Engbers, B. Flier en E.G. Vos-van de Weg (wethouders)
Ambt. onderst.:
P, van Grootheest en H. Grootkarzijn
Tevens aanwezig: P. Lensselink (gemeentesecretaris) en H. Leusink Insprekers:
-
Publiek:
7
Pers:
-
Afwezig Leden:
F. van ’t Ende en J.T. de Nooijer
01. Opening De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. De heren Van ’t Ende en De Nooijer zijn met kennisgeving afwezig.
02. Vaststelling van de agenda De agenda wordt vastgesteld overeenkomstig het concept.
03. Voorstel: 20.000 euro beschikbaar stellen voor het NK Straatmaker 2025 De heer Scholten memoreert dat het CDA het initiatief heeft genomen tot de motie om het NK Straatmaker naar de gemeente Oldebroek te halen. De fractie vindt het prachtig dat dit evenement hier georganiseerd kan worden. Ze is er trots op dat Wezep een stratenmakersdorp is. Het beroep van stratenmaker blijft een specialistisch vak. De data voor het NK staan bij het CDA al in de agenda. Het evenement is een goede promotie voor deze gemeente en in het bijzonder voor Wezep. De heer Scholten merkt aan de vele positieve reacties dat de inwoners van Wezep er enthousiast over zijn. Het CDA kan volledig instemmen met de twee voorliggende voorstellen. De heer Post vindt het NK een mooi evenement, dat bijdraagt aan de cultuur van deze gemeente. Tegelijk wijst Duurzaam Oldebroek erop dat het behoorlijk wat geld kost. Dat geeft wel wat frictie wat deze fractie betreft. Hij is benieuwd of een NK Wielrennen voor raadsleden hier ook ondersteund zou worden. De heer Van der Velde weet nog dat het NK Straatmaker een keer eerder in deze gemeente is gehouden. Dat was in 2007 op IJsselvliedt. Het was een groot succes. De stratenmakers die hij er toen over sprak, waren laaiend enthousiast en vooral ook trots op hun vakmanschap. Volgens het CVO is het achttien jaar later de hoogste tijd voor een herhaling.
De stratenmakers in deze gemeente zijn in het hele land en daarbuiten beroemd vanwege hun uitstekende prestaties. Daar mag de gemeente trots op zijn. In feite is het NK Straatmaker een ‘ambacht-ontmoet-techniek’-evenement. Het gaat om al die ambachtsmensen waar deze gemeente er zoveel van heeft. Wat de bijdrage van 20.000 euro betreft: de betrokken ambachtsbedrijven delen een veelvoud van dat bedrag uit aan de gemeenschap en de inwoners. Door sponsoring etc. is al bijna 4/5 deel van het benodigde bedrag van 93.000 euro gedekt. Het CVO is een warm 1
voorstander van het doen van deze kleine gemeentelijke bijdrage, als waardering voor het vakmanschap van deze bedrijven en voor alles wat zij voor de gemeente betekenen. Mevrouw Deen laat weten dat haar fractie akkoord gaat met het voorstel. ABO is vanaf het begin voor dit evenement geweest en heeft de motie van het CDA mee ingediend. Deze gemeente heeft maar weinig evenementen. Dan is het geweldig om dit evenement hier te kunnen laten plaatsvinden. Het past de gemeente als een jas. Oldebroek wordt ermee op de kaart gezet. Dat is goed voor de recreatie, het toerisme, de ondernemers en zeker voor het beroep van stratenmaker. Over het geld hoeft het niet te gaan, dat is er wel. ABO wil graag horen wat de wethouder en de andere fracties ervan vinden om het NK te combineren met het opzetten van een stratenmakersmuseum. Wethouder Flier hoort dit idee voor het eerst. Hij vindt het interessant. Het TPO is hier aanwezig en ook anderen luisteren mee. Wellicht levert dat een leuk initiatief op. Mevrouw Deen merkt op dat de voorganger van deze wethouder al veel tijd aan het idee heeft besteed. Heel nieuw is het dus niet. Er was toen echter geen belangstelling voor en ook geen geld. Het zou prachtig zijn als het NK nu kan worden aangegrepen om het idee weer op te pakken. Wethouder Flier neemt het mee. De heer Hardonk voelt zich wat overvallen door de suggestie van ABO.
Hij denkt dat er misschien een combinatie valt te maken met het Boerderijmuseum. Mevrouw Deen vindt een combinatie met het Boerderijmuseum niet zo’n goed idee. Oldebroek heeft weinig musea. Voor de recreatie en het toerisme is het erg belangrijk dat het er meer worden. Een stratenmakersmuseum zou iets heel unieks zijn. De heer Hardonk neemt het mee naar zijn fractie en belooft dat hij erop terugkomt. Ook hij memoreert de motie van 9 november 2023. Dit NK past volledig bij het karakter van deze gemeente. Het zal Oldebroek nog beter op de kaart zetten als een gemeente waarin het stratenmaken leeft. De gevraagde subsidie is bedoeld als ondersteuning om het evenement naar deze gemeente te halen. Dat de ChristenUnie er nu mee instemt betekent niet dat de fractie ervoor is om het elke keer zo te doen. Het evenement past bij uitstek bij de bedrijvigheid in de gemeente. Een volgende keer moeten de bedrijven dan ook zelf de broek ophouden. In de beantwoording van de technische vragen van de SGP staat ook dat de bijdrage die nu wordt voorgesteld geen verplichting betekent voor een volgende keer. De ChristenUnie wil graag dat de wethouder dat nog eens bevestigt. Voor deze keer kan de fractie van harte met het voorstel instemmen.
Het maakt dat het evenement aantrekkelijker wordt voor het publiek, dat het bij een groter publiek bekend kan worden en dat het grote aantal bezoekers goed kan worden gefaciliteerd. De fractie heeft nog wel een vraag over de begroting: wie draagt het financiële risico wanneer de financiële resultaten tegenvallen? Wethouder Flier laat weten dat het college in een aanvraag van een willekeurige brancheorganisatie voor een NK niet direct een aanleiding ziet om daar als gemeente een financiële bijdrage voor te geven. Het NK Straatmaker is echter een bijzonder geval: het wordt verbreed tot een evenement waarin het ambacht centraal staat en het kan een belangrijke attractie worden voor recreanten en toeristen. In principe gaat het dus om een eenmalige bijdrage. Het college gaat bekijken hoe zo’n evenement de eerste keer bevalt en hoe dan een eventuele volgende aanvraag moet worden aangevlogen. Misschien wordt het wel zo’n groot succes dat het veel potentiële investeerders trekt voor een volgende keer. Wat het risico betreft: de gemeente heeft duidelijk gezegd dat het blijft bij de 20.000 euro die zij beschikbaar stelt. Het college ziet bij de andere bijdragende instanties nog genoeg financiële ruimte om eventuele tegenvallers te kunnen opvangen. De heer Doornwaard laat na alle positieve reacties enigszins een tegengeluid horen.
Hij wil wel vooropstellen dat de SGP veel waardering heeft voor de inzet van alle stratenmakers. Deze beroepsgroep heeft ook altijd veel voor de gemeente betekend. Het is goed om dit ambacht onder de aandacht te brengen en mensen er enthousiast voor te maken. De vraag is echter of het organiseren van het NK een zaak is voor de gemeente. Het is een evenement dat vooral gericht is op een specifieke beroepsgroep. Volgens de SGP zou het dan ook vanuit die beroepsgroep georganiseerd moeten worden. Daarom heeft de fractie op 9 november 2023 tegen de motie gestemd. Ze zag voor de gemeente alleen een faciliterende rol weggelegd. De meerderheid van de raad zag het echter als een mooie uitdaging dat de gemeente het NK hiernaartoe zou halen. Daarbij was het de bedoeling dat het om een structureel evenement zou gaan. Dat las de SGP in de motie en het blijkt nu ook uit de beantwoording van de technische vragen. De leden van Straatwerk Nederland denken daar anders over: het NK van 2027 komt niet naar deze gemeente en dat van 2029 2
misschien. Wat het bedrag van 20.000 euro betreft: het gaat wel om gemeenschapsgeld. Daarbij moet een goede afweging worden gemaakt. Het NK Straatmaker kan ook zonder een gemeentelijke bijdrage doorgang vinden. Ook dat blijkt uit de beantwoording van de technische vragen. Naar verwachting levert het evenement een positief neveneffect op, maar van welke orde dat is, valt nog niet te zeggen. Men kan zich afvragen of het effect voor recreatie en toerisme ook nihil zou kunnen zijn, omdat het vooral een zaak van ondernemers is. Terwijl de structurele financiële effecten nog niet duidelijk zijn, worden die al wel aangegrepen als reden om het NK eventueel over vier jaar weer te organiseren. De SGP constateert ook dat de subsidie niet is opgenomen in de uitvoeringsparagraaf van de reserve Recreatie en Toerisme. Met haar technische vraag daarover bedoelde de fractie duidelijkheid te krijgen over de huidige stand van zaken met betrekking tot die paragraaf. Uit de structuurvisie blijkt dat voor veel projecten een beroep op de reserve kan worden gedaan, veel meer dan waar geld voor beschikbaar is. De SGP mist daarom een integrale afweging. Volgens de fractie is het te gemakkelijk om het bedrag te schuiven onder ‘overige ontwikkeling’.
In hoeverre wordt de reserve dan een pot met geld zonder duidelijke kaders? Welke evenementen kunnen op deze manier nog meer uit deze reserve gesubsidieerd worden? Of gaat het om een eenmalige subsidie en wordt dat onderbouwd in de uitvoeringsparagraaf voor 2025? Wat dat laatste betreft wil de SGP graag een toezegging hebben van het college. Het TPO zal de noodzaak van deze subsidie ongetwijfeld goed onderbouwen, maar het is de raad die afspraken heeft gemaakt over de besteding van de reserve. In de beantwoording van de vragen wordt verwezen naar een afspraak van 22 april 2021, om duidelijk te maken waarom de subsidie uit deze reserve kan worden betaald. De heer Doornwaard citeert echter wat toen gezegd is over de uitvoeringsparagraaf die elk jaar zou worden opgesteld, met een bijbehorende raming van de kosten en een verantwoording van de gedane uitgaven. Die uitvoeringsparagraaf was bedoeld om de gelden op een goede manier te kunnen inzetten en de uitgaven goed te kunnen monitoren. Daarom vraagt de SGP of het niet beter was geweest om de subsidie voor het NK deel te laten uitmaken van die uitvoeringsparagraaf, zodat de raad een integrale afweging zou kunnen maken. Met betrekking tot het financiële risico heeft de fractie inmiddels begrepen dat dat volledig bij de organisatoren ligt.
Wat de suggestie van ABO betreft: het is de vraag of het de verantwoordelijkheid van de gemeente is om een museum te beginnen. Zo’n initiatief zal moeten ontstaan vanuit de samenleving. Wethouder Flier legt uit dat in de uitvoeringsparagraaf dingen zijn opgenomen die al een aantal jaren aan de orde zijn en een zekere continuïteit hebben. In dit geval gaat het echter om een eenmalige uitgave. De heer Doornwaard erkent dat wat de wethouder zegt, klopt met de visie die in 2021 is vastgesteld. Hij wijst er echter op dat toen meteen de afspraak is gemaakt om de raad elk jaar een uitvoeringsparagraaf te sturen. De uitvoeringsparagraaf voor 2024 is aan het eind van 2023 verschenen. Als de raad op dit moment al de paragraaf voor 2025 had gehad, had die subsidie daar gewoon in opgenomen kunnen zijn. Dan had de raad dus een integrale afweging kunnen maken. Als van tijd tot tijd eenmalige subsidies uit de reserve kunnen worden gehaald zonder dat daar kaders voor zijn, dan wil de heer Doornwaard graag weten hoe belangrijk de wethouder die integrale afweging vindt. Wethouder Flier vindt een integrale afweging heel belangrijk. Hij geeft aan waarom de uitvoeringsparagraaf voor 2025 nog niet verschenen is: er loopt een aantal initiatieven waarvan de kosten nog niet volledig duidelijk zijn.
De wethouder deelt niet de zorg van de SGP dat er zomaar geld uit de reserve kan worden gehaald om activiteiten te financieren. Aan het instellen van deze reserve zijn destijds duidelijke voorwaarden verbonden. Volgens het college voldoet de subsidie voor het NK aan die voorwaarden. Het is echter aan de raad om er een besluit over te nemen. De heer Doornwaard merkt op dat het jaarlijkse vaststellen van een uitvoeringsparagraaf een van die voorwaarden was. Wethouder Flier bevestigt dat. Die uitvoeringsparagraaf komt ook zo gauw mogelijk. De heer Kemp constateert dat het om een eenmalige uitname uit de reserve gaat en dat die reserve zelf ook eenmalig is. Het is niet de bedoeling dat er structureel iets uit kan worden gehaald. Voor de VVD is het belangrijk dat de sector – als initiatiefnemer – het hele gebeuren moet dragen. Dat gebeurt ook wat het grootste deel van de kosten en de lasten betreft. Als de gemeente dan wordt gevraagd om ondersteunend en facilitair te zijn voor een bedrag van 20.000 euro, dan vindt de fractie dat niet verkeerd. Het is niet de bedoeling dat de gemeente aan het stuur gaat zitten en dingen gaat regelen. De heer Kemp kan zich de tijd herinneren dat de raad nauwelijks een idee had wat hij met al dat geld uit de reserve moest doen. Op een gegeven moment is er zelfs 80.000 euro in een fietspad gestoken waar nog geen egel overheen gaat.
Dan is de subsidie voor dit NK in ieder geval goed besteed. Hij vraagt wat ABO zich 3
voorstelt bij een stratenmakersmuseum. Wat moet daar te zien zijn, wie gaat dat regelen en waar moet het komen? Als er veel belangstelling voor is, zal de sector zelf waarschijnlijk de eerste zijn die erover gaat beginnen. In ieder geval zal er een initiatiefnemer moeten zijn die met een goed onderbouwd verhaal komt. Er ligt hier geen taak voor de gemeente. Bovendien moet worden bedacht dat voor een museum een structurele ondersteuning nodig zal zijn. Het past niet om daarover te spreken op een moment waarop het om een eenmalige bijdrage gaat. Tweede termijn De heer Scholten vraagt zich af of de stratenmakers en/of het TPO behoefte hebben aan een museum. Ook hij vindt dat het initiatief uit de samenleving moet komen en niet van de kant van de gemeente. De heer Post vindt het idee van ABO sympathiek. Hij wil er graag in de fractie over spreken, maar is het er wel mee eens dat het initiatief uit de samenleving hoort te komen. Een vraag is ook hoeveel musea een gemeente als Oldebroek in stand moet willen houden. De heer Van der Velde denkt aan Hengelo, waar een heel leuk techniekmuseum te vinden is. Dat geeft hem het idee dat er wel mogelijkheden moeten zijn voor een stratenmakersmuseum. Hij neemt het idee mee naar zijn fractie. Ook hij ziet hierin echter geen taak voor de gemeente. Het is eerder iets voor het TPO of misschien voor Straatwerk Nederland.
De hamvraag zal zijn of zo’n museum commercieel haalbaar is. In de richting van Duurzaam Oldebroek merkt de heer Van der Velde op dat een NK Wielrennen voor raadsleden iets heel anders is dan een NK Straatmaker. Elk eventueel initiatief zal beoordeeld moeten worden op het moment waarop het wordt ingebracht. De heer Post merkt op dat de organisatie van wielrennen ook iets van deze omgeving is en ook bij de cultuur van deze gemeente hoort. Hij vraagt zich af wat dan het verschil uitmaakt. De heer Van der Velde wijst op het educatieve en het sterk presenterende karakter van het NK Straatmaker. Er hoort meer bij dan het NK als zodanig. Verder sluit hij zich aan bij de opmerking van de ChristenUnie dat de sector een volgende keer zelf de financiële broek zal moeten ophouden. Hij denkt ook dat dit wel goed zal komen. Als het NK in 2025 een succes wordt, zullen er voor 2029 voldoende ondernemers bereid zijn om het evenement te sponsoren. Ze hebben dan bovendien nog vier jaar om te sparen. Mevrouw Deen sluit zich bij dat laatste aan. Vervolgens gaat ze in op de vraag waarom er in Oldebroek een stratenmakersmuseum zou moeten komen. Ze stelt dat in feite niets zoveel invloed heeft gehad op deze gemeente als de stratenmakers. Ook ABO vindt niet dat de gemeente het zou moeten opzetten, maar hoopt wel mensen te enthousiast te maken die het initiatief willen nemen.
ABO zou graag willen dat alle fracties erover gaan spreken en erop terugkomen. Wat de bijdrage van de SGP betreft: het gaat bij die 20.000 euro inderdaad om gemeenschapsgeld, maar volgens ABO wordt dat dubbel en dwars terugverdiend. De heer Doornwaard bevestigt dat het hier gaat om een initiatief dat op steun kan rekenen. Echter het gaat zijn fractie om de juiste procedure en om het voldoen aan gemaakte afspraken. Als de afspraak is dat incidentele activiteiten gesubsidieerd kunnen worden, moet dat wel op de juiste manier en in de juiste volgorde gebeuren. Wat de SGP betreft gaat het dan om een plek van deze uitgave in de uitvoeringsparagraaf. Het is verstandig dat die paragraaf op tijd naar de raad toekomt, beter vroegtijdig dan te laat, zodat er geen uitname uit de reserve wordt gedaan waarbij achteraf de vraag opkomt of dat wel goed is geweest. Ook de SGP ziet dat het evenement een breder karakter heeft dan alleen een NK, maar het is goed om na afloop te evalueren wat dat precies heeft opgeleverd. De heer Doornwaard bestrijdt dat de raad destijds niet wist wat hij met die 800.000 euro uit de reserve moest beginnen. De heer Doornwaard heeft een stuk uit 2017 voor zich. Daaruit blijkt dat toen al ruim 1,9 miljoen euro was geraamd voor incidentele uitgaven. Er zijn dus allerlei ideeën over wat met het geld kan worden gedaan. Daarom is een integrale afweging belangrijk.
Ook de SGP is enthousiast over het NK, maar de vraag moet zijn of de raad dit evenement belangrijker vindt dan wat in 2017 is afgesproken. Intussen kan de fractie, met inachtneming van alles wat er gezegd is, wel meegaan met het voorstel van het college. De heer Kemp constateert dat de ideeën uit 2017 blijkbaar niet zo geweldig waren, want anders was het geld uit de reserve nu allang op geweest. Een uitvoeringsparagraaf hoort er inderdaad bij, maar de VVD pleit ook voor nuchterheid: er is sprake van een democratisch proces en de teneur in de vergadering is dat er een goed voorstel ligt. Daarmee is wat deze fractie betreft de gang van zaken gerechtvaardigd. 4
Afronding De voorzitter constateert dat het onderwerp voldoende besproken is. Het voorstel wordt als B-onderwerp geagendeerd voor de raadsvergadering van 6 maart.
04. Voorstel: zienswijze indienen op Uitgangspuntennota 2026 GGD Noord- en Oost-Gelderland De heer Van Oene laat weten dat de VVD het college van harte steunt in het indienen van deze zienswijze. Het is goed om te refereren aan een eerdere zienswijze waar de raad nog geen reactie op heeft gezien en waarvan dus niet bekend is wat ermee gaat gebeuren. Het is ook goed om de kans te grijpen om de indexatieverschillen nog een keer onder de aandacht te brengen. Op de een of andere manier rekent de GGD met een veel hoger percentage dan de gemeente vergoed krijgt vanuit het Rijk. In de brief staat duidelijk aangegeven wat de verwachtingen zijn van deze raad en dat er nu echt wat moet gebeuren. Dat vindt de VVD een compliment waard. De fractie plaatst nog wel een kritische noot bij de volgende zin: “De inrichting van een PDCA-cyclus met de juiste data, inzichten en smart KPI’s als breed pakket is nodig om als raad de kaderstellende en controlerende rol op een goede wijze toe te kunnen passen.” Die zin wekt de indruk dat de raad een bepaalde behoefte heeft aangegeven. De VVD wil graag weten of het college die behoefte voor de raad heeft ingevuld en wat de fractie zich precies bij deze behoefte moet voorstellen.
Kan de wethouder een voorbeeld geven van een KPI die in die behoefte voorziet? Wethouder Vos acht het mogelijk dat het college hier in zijn eigen woorden heeft vertaald wat de raad een keer heeft aangegeven. De raad wilde graag concrete indicatoren hebben om te kunnen beoordelen of de GGD de dingen doet die de gemeente bij deze dienst heeft belegd. In de alinea boven de geciteerde zin gaat het over de GALA- en IZAtaken. Die worden door de GGD als plustaken beschouwd. Het college vraagt nu nadrukkelijk wat de GGD precies als plustaken ziet. Als daar duidelijkheid over komt en de doelstelling is om bijvoorbeeld een bepaald aantal kinderen op een gezond gewicht te krijgen, dan kan de raad daarin meegaan. Het college kan dan tegen de raad zeggen: deze korting krijgt de GGD opgelegd, maar wij doen dit en de GGD doet dat en zo proberen we het overgewicht terug te dringen. Dat zou een voorbeeld van een goede KPI kunnen zijn. De heer Van Oene ziet hierin een reden om het college nog een keer een compliment te maken. Als het college op deze manier een wens van de raad parafraseert, komt de raad best intelligent over. De heer Doornwaard wil graag weten waarom er met de vorige zienswijze niets is gedaan. Daar heeft zijn fractie een technische vraag over gesteld, maar ze kreeg als antwoord dat het een bestuurlijke vraag was; daarom komt ze er nu weer mee.
Heeft het Algemeen bestuurd van de GGD laten weten dat aan die vorige zienswijze geen gevolg zou worden gegeven? Daar staat niets over in de stukken. Er wordt ook gezegd dat de korting op de middelen gevolgen kan hebben voor de dienstverlening aan alle deelnemende gemeenten. In de beantwoording van de vragen staat dat die gevolgen dan verwerkt zullen worden in de programmabegroting. De SGP vraagt of ze al niet vermeld hadden moeten worden in de uitgangspuntennota. Als het nu nog weer vooruit wordt geschoven, weten de gemeenten nog steeds niet waar ze aan toe zijn. De doorontwikkeling van de P&C-cyclus wordt ook niet concreet gemaakt. Er is dus veel onduidelijkheid. Daarom staat de SGP achter de zin die de VVD zojuist citeerde: de fractie wil graag concrete dingen horen. Uit de beantwoording van de technische vragen is duidelijk geworden waarom het niet lukt om binnen de aangegeven tijd met een zienswijze te komen. De SGP zou graag zien dat dat voortaan anders wordt. Het kan nu zomaar gebeuren dat de raad te horen krijgt dat hij te laat is. De fractie hoopt uiteraard dat dit niet het geval zal zijn. Met betrekking tot de instelling van de raadsadviescommissie ziet de SGP een spagaat. Aan de ene kant zegt de GGD dat ze de VNOG volgt (die de raadsadviescommissie al heeft voorgesteld), maar tegelijk legt ze de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij de raden.
De fractie vraagt hoe dat zit. Had de raad op de een of andere manier actie moeten ondernemen? Wethouder Vos wijst erop dat de GGD een samenwerkingsverband is van 22 gemeenten en dat de meeste stemmen gelden. Niet alle zienswijzen worden dus een op een overgenomen. In de uitgangspuntennota staat dan ook dat de GGD de indexatie waar de raad de vorige keer om heeft gevraagd, eigenlijk niet ziet zitten. Er staat ook in dat bezuinigingen gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit. Het college vindt dat daar duidelijkheid over moet komen: wat houdt die kwaliteitsvermindering dan in? Misschien gaat het om iets waar best mee te leven valt (‘goed is goed genoeg’). Als het Rijk minder geld geeft, is deze gemeente niet automatisch bereid om dat te compenseren. Het college wil dan met de raad kunnen bespreken of die compensatie er wel moet komen of dat de kwaliteit wel een onsje minder kan. De wethouder geeft toe dat het overleg binnen de GGD een stroperig gebeuren is. Het valt niet 5
mee om met 22 gemeenten op één lijn te komen. Daarom wil het college vooraf een aantal zaken (zoals deze zienswijze) afstemmen binnen de subregio, om op die manier toch wat daadkrachtiger te kunnen zijn. Dat was een van de redenen waarom het niet is gelukt om dit voorstel een commissievergadering eerder op de agenda te krijgen. Het college heeft daarover direct met de GGD overlegd. De afgelopen jaren is het eigenlijk steeds wel zo gegaan: elke keer heeft het college de GGD direct na de commissievergadering geïnformeerd. Het heeft nog nooit tot problemen geleid en de wethouder verwacht dat deze keer ook niet. Wat de raadsadviescommissie betreft: het is de verantwoordelijkheid van de raad en de griffie om daar samen met de GGD vorm aan te geven. De GGD wachtte echter wel heel sterk af wat er op dit gebied gebeurde in de VNOG. Met die afwachtende houding had het college wat problemen. Het college denkt dat de raad het wel plezierig had gevonden als het onderwerp wat voortvarender was opgepakt. Dan had de raad in zijn vorige vergadering misschien al een besluit kunnen nemen. Mevrouw Sloots steunt namens haar fractie de voorgestelde zienswijze waar het gaat om de aanzienlijke stijging van de kosten per inwoner.
De GGD vervult een belangrijke rol op het gebied van de volksgezondheid, maar de ChristenUnie blijft wel aandacht vragen voor de financiële druk die deze organisatie op de gemeente legt. Het is goed dat het college daar ook over aan de bel blijft trekken. De intentie moet zijn dat de dienst kostenefficiënt blijft werken. Een belangrijke vraag is of de zorg voor de inwoners geborgd kan blijven. Dat is nog steeds niet echt zeker. Uit de beantwoording van de technische vragen van de SGP blijkt dat de scenario’s zichtbaar zullen maken welke vorm van dienstverlening komt te vervallen. De ChristenUnie wil graag weten wanneer de raad die scenario’s kan verwachten. Belangrijk is dat de GGD een duurzaam financieel beleid voert waarin de volksgezondheid wordt gewaarborgd en de lasten voor de inwoners beheersbaar blijven. Er moet dus ook naar de langere termijn worden gekeken. Verder steunt de ChristenUnie de oproep om de raadsadviescommissie proactief te laten oppakken. Wethouder Vos verwijst voor de vraag of de zorg kan blijven gewaarborgd naar haar antwoord aan de SGP. De gemeenten moeten bepalen welke vorm van zorg voldoende is. Het resultaat daarvan zal worden uitgewerkt in de programmabegroting. Die begroting staat meestal na de zomer op de agenda van de commissievergadering. De heer Deij laat weten dat ook ABO zich in de zienswijze kan vinden.
Hij vraagt wat het overleg binnen de subregio om de zienswijzen op elkaar af te stemmen heeft opgeleverd. Wethouder Vos antwoordt dat de teneur van de zienswijzen dezelfde is. Door de andere gemeenten worden hoogstens wat andere bewoordingen gebruikt. Mevrouw Jansen vraagt aandacht voor de ethische dilemma’s rond vaccinatie (pagina 13 van de uitgangspuntennota). Het CVO vindt dat mensen op dit gebied hun eigen mening moeten kunnen volgen zonder dwang of drang van overheden. Volgens deze fractie is in de coronatijd van dat laatste wel sprake geweest, ook in deze gemeente. Het CVO is van mening dat zowel de GGD als de gemeente in hun communicatie weg moeten blijven van dwang of drang. Inwoners moeten worden gewezen op hun eigen verantwoordelijkheid om een gewetensvolle afweging te maken. De fractie wil graag weten of de wethouder dat met haar eens is. Op dezelfde pagina van de genoemde nota staat dat de GGD gratis SOA-zorg verleent aan groepen met een hoog risico en hulp op het gebied van seksualiteit aan jongeren onder de 25 jaar. Daar is een financieel plafond voor en in 2026 wordt er nog meer gekort op de bijdrage door de overheid. De Bijbel geeft een mooie, duidelijke richtlijn over omgaan met seksualiteit. Mevrouw Jansen vraagt of binnen de hulpverlening op dit gebied ruimte is voor preventieve educatie.
Het voorkomen van seksueel overdraagbare aandoeningen zou volgens haar veel problemen en onnodige kosten kunnen vermijden. Ze wil daar graag een reactie op van de wethouder. Wethouder Vos memoreert dat de gemeente in coronatijd gewezen heeft op de mogelijkheid van vaccinatie. Daarbij heeft de wethouder altijd als doel gezien dat de inwoners een keus zouden maken op de juiste gronden en op basis van betrouwbare informatie. Er is geen sprake geweest van dwang of drang. Dat is zo ook gecommuniceerd. Of men een keus maakt op bijbelse gronden of op basis van wetenschappelijke inzichten, laat de wethouder graag aan de inwoner. Maar als het om een wetenschappelijke basis gaat, moet dat wel de juiste basis zijn. Het college heeft dus nooit gezegd dat men zich moest laten vaccineren, maar wel gewezen op de gevolgen van niet-vaccineren. Twee weken geleden heeft de wethouder met Icare en de GGD gesproken over de achteruitgang in de vaccinatiegraad. Toen heeft ze daar op dezelfde manier over gesproken als in de coronatijd. De verandering die in de uitgangspuntennota wordt genoemd, gaat vooral over de consequenties van de overgang van de DKTP-vaccinatie naar de leeftijd van vijf jaar. Wat de zorg op het gebied van de seksuele gezondheid betreft: er is sprake van landelijk 6
vastgestelde kaders waar de gemeente aan moet voldoen. Als het kabinet op dit gebied met een korting op de gelden komt, moet worden bekeken wat nog wel en wat niet meer mogelijk is. Het moet niet zo zijn dat de gemeenten die korting van 10% automatisch gaan compenseren. De wethouder is blij dat ze in een land leeft waarin mensen in vrijheid een keus kunnen maken, bijvoorbeeld voor seksuele onthouding voor het huwelijk. Mevrouw Jansen stemt daarmee in. Ook het CVO is voor een vrije keus op dat gebied. Waar het de fractie om gaat, is dat mensen te horen krijgen dat wisselende seksuele contacten soa’s kunnen bevorderen en dat terughoudendheid op dat gebied alleen maar positief is voor de eigen gezondheid. Wethouder Vos constateert dat deze manier om soa’s te voorkomen breed bekend is. Ze is er dan ook van overtuigd dat dit gegeven in het verstrekken van informatie wordt benut. Tegelijk benadrukt ze dat ieder die op dit gebied een bepaalde overtuiging heeft het gesprek daarover moet durven aangaan. Dat is geen zaak voor de GGD, maar wel belangrijk. De heer Post heeft minder inhoudelijk naar de materie gekeken. Volgens hem gaat het om een brief waarin de GGD achter de broek wordt gezeten. Er moeten concrete afspraken worden gemaakt. Daar is Duurzaam Oldebroek het mee eens. Hij heeft nog wel een paar vragen.
Hij struikelde over dezelfde zin als de VVD, over de inrichting van een PDCA-cyclus. De betreffende passage wekt de indruk dat de gemeente samenwerkt met een organisatie die de zaak niet goed op orde heeft. Daarmee wordt de raad gehinderd in zijn controlerende rol. De vraag is dan hoe de gemeente met zo’n organisatie omgaat. Een andere vraag is welk effect het college verwacht van het opnieuw indienen van een zienswijze nadat de vorige zienswijze niets heeft uitgehaald. Als de GGD zienswijzen naast zich neerlegt, heeft het geen zin om ze in te sturen. Een laatste vraag betreft het IZA. Voor zover de heer Post weet, wordt daarover nog steeds onderhandeld met de landelijke overheid. Tegelijk wordt in deze zienswijze al aan de GGD gevraagd hoe het IZA wordt uitgevoerd. Hij wil graag weten hoe het een zich tot het ander verhoudt. Wethouder Vos heeft de GGD al eerder gevraagd om voor een evaluatie de juiste indicatoren te gebruiken. De raad vraagt dat ook vaak aan het college en het college probeert dat ook steeds meer ‘SMART’ te doen. Dan kan bij een evaluatie worden gesproken over wat er concreet is gebeurd. De heer Post begrijpt dat, maar hij vroeg hoe de gemeente omgaat met een organisatie die wat dat betreft haar zaken niet op orde heeft. Wethouder Vos zegt niet dat de GGD geen goede PDCA-cyclus heeft.
Er is een uitgangspuntennota, een begroting en een jaarrekening met een accountantsrapport. Dat is dus wel in orde. Het is alleen niet een proces waarbij echt effecten kunnen worden gemeten. Er is dus een verbeterslag mogelijk door de cyclus concreter te maken. Dan kan de raad zijn rol ook beter vervullen. Het is niet goed als de raad alleen op het geld kan controleren. De heer Post merkt op dat de zienswijze en de woorden van de wethouder precies aangeven wat een goede KPI is. Volgens hem mag de raad dan verwachten dat ook dat onderdeel bij de GGD op orde is. Wethouder Vos denkt dat het beter kan dan het nu is. Ze constateert dat de KPI’s steeds concreter worden gemaakt, doordat wordt aangegeven wat de plustaken en de basistaken zijn en welke waar de gemeente krijgt voor haar geld. Op die manier komen inhoud en geld bij elkaar. Wat de tweede vraag betreft: in het verleden heeft deze gemeente zeker zienswijzen ingediend die effect hebben gehad. Bij elke programmabegroting zit ook een nota waarin wordt aangegeven wat er met de zienswijzen is gebeurd. Het college heeft echter geleerd dat het effect groter is als zes gemeenten eenzelfde zienswijze indienen. De wethouder verwacht dan ook zonder meer dat de GGD deze zienswijze niet naast zich neer zal leggen. Wat het IZA betreft: voor 2025 zijn er gelukkig IZA-gelden beschikbaar.
Dat betekent dat er nog even tijd is om te bekijken hoe het na dit jaar zal gaan. De wethouder heeft wel haar zorgen op dit punt: iedereen wil graag geld van het kabinet. Ze heeft echter goede hoop dat de GGD blijft werken aan preventie. Het blijft ook nodig om daarop in te zetten, omdat anders toch echt een zorginfarct dreigt. De heer Klein is het eens met het voorstel en met het concept voor de zienswijze. Het CDA hoopt dat de GGD snel positief en adequaat op de zienswijze zal reageren. Tweede termijn De heer Doornwaard had wel een aantal vragen, maar zijn fractie ondersteunt de zienswijze en de opstelling van het college daarin van harte. Ook de SGP vindt het opvallend dat de instelling van een raadsadviescommissie bij de raden en de griffiers wordt neergelegd, terwijl de VNOG al zo’n commissie heeft en de GGD de VNOG zegt te volgen. Er is 7
dus inderdaad sprake van stroperigheid bij de GGD. De SGP onderschrijft graag de positieve verwachting van de wethouder dat het indienen van deze zienswijze wel effect zal hebben. De heer Deij wil ook nog graag aangeven dat zijn fractie met de zienswijze instemt. Wethouder Vos denkt dat het goed is dat het college, in zijn contact met de GGD na deze commissievergadering, nog even extra aandacht geeft aan de raadsadviescommissie, om te benadrukken dat de raad van Oldebroek dit een belangrijk punt vindt. Afronding De voorzitter constateert dat het onderwerp voldoende besproken is. Het voorstel komt als B-onderwerp op de agenda van de raadsvergadering van 6 maart te staan.
05. Actualiteiten regionale samenwerkingen De raad heeft een informerende nota ontvangen, maar daar zijn vragen of opmerkingen over. Er zijn ook mondeling geen terugkoppelingen vanuit het college of vragen vanuit de commissie.
06. Terugblik raadsgesprekken en informatiebijeenkomsten Er zijn geen gesprekken of bijeenkomsten geweest die deze commissie regarderen.
07. Mededelingen en inlichtingen college Wethouder Vos komt terug op een vraag die is gesteld over de ‘natte gymles’. Ze leest het antwoord voor dat ze gekregen heeft van de manager van het zwembad. Tijdens – en voor een deel voor – de coronatijd zijn voor de kinderen van de groepen 4, 5 en 6 natte gymlessen aangeboden, in blokken van zes tot acht weken. Daar waren studenten van Landstede bij betrokken. In 2023 is de opdracht om met die lessen aan de slag te gaan concreet geworden. Er is een pilot van één dag uitgevoerd, in samenwerking met Goed Bezig. Alle scholen zijn daarvoor benaderd, maar ze gaven allemaal aan geen mogelijkheden te zien om aan een dergelijk traject deel te nemen, vanwege gebrek aan tijd, menskracht en vervoer. De Spoorzoeker was een uitzondering. Met die school is toen proefgedraaid. De school gaf aan dat ze zoiets nog wel een keer wilde doen, maar niet structureel. Daarom heeft de pilot verder geen vervolg gekregen.
08. Rondvraag VVD – mede namens ABO en ChristenUnie – over de Van Limburg Stirum band De heer Kemp herinnert aan het bezoek dat alle fracties vorig jaar hebben gebracht aan de Van Limburg Stirum band. De band heeft nu een brief naar de fracties gestuurd. Daarin komen dingen aan de orde waar de heer Kemp geen weet van heeft. Hij wil graag weten wat de stand van zaken is. De resultaten van het haalbaarheidsonderzoek schijnen al een jaar bekend te zijn bij het college. Er moet een keer een uitspraak komen: de vereniging heeft behoefte aan duidelijkheid. Wethouder Flier laat weten dat het college al enige tijd in gesprek is met de band over de situatie die is ontstaan door het faillissement van de ontwikkelaar die het huidige verenigingsgebouw zou isoleren. Dat isoleren blijkt een kostbare aangelegenheid te zijn. Het is ook de vraag of het een adequate oplossing biedt. Daarom is bekeken of het mogelijk is de band naar een ander gebouw te verplaatsen. Het college heeft daar al geld voor beschikbaar gesteld. De band is een aantal keren om extra informatie gevraagd. In december 2024 is de laatste informatie binnengekomen. Het college heeft het verzoek van VLS getoetst aan het kader dat daarvoor geldt. Inmiddels wordt een voorstel voorbereid. Het is de bedoeling dat het voorstel voor de volgende commissievergadering wordt geagendeerd.
De heer Kemp bedankt het college voor de beantwoording. Hij is blij verrast dat er op korte termijn meer duidelijkheid komt.
09. Verslag vergadering 16 januari 2025 Het verslag van de vergadering van 16 januari jl. wordt zonder wijzigingen vastgesteld, met dank aan de notulist. 8
10. Sluiting De voorzitter dankt alle deelnemers aan de vergadering voor hun inbreng. Hij wenst hen wel thuis en sluit de vergadering om 20.45 uur. Verslag ongewijzigd vastgesteld op 3 april 2025. , commissiegriffier H. Leusink.
9