Concept verslag 13 oktober 2022
Tekst van het document
CONCEPT
Notulen commissievergadering Samenleving en Bestuur Datum vergadering: 13 oktober 2022, 20.00 uur
Aanwezig Commissieleden: G.J. André, A.M. Boer (voor M.P. Deen), D.E. Doornwaard, E.D. Draaijer, A. Hardonk, A. Heddema (voor J. Deij), W. van der Horst, H.G.P. Kemp, J.T. de Nooijer, L.M. van Oene, D.J.P. Post, G. Scholten, M. Sloots-Kieviet, B. van der Velde Voorzitter:
A. Heddema
Griffier:
H. Leusink
Notulist:
H. Geertsma
College:
T.H. Haseloop-Amsing (burgemeester), E.G. Vos-van de Weg en B. Engberts (wethouders)
Ambt. onderst.:
J. Hordijk, A. Klein, K. Schakel, J. Verstraten, G. Zielhuis
Tevens aanwezig: P. Lensselink (gemeentesecretaris) Insprekers:
-
Publiek:
-
Afwezig Leden:
M.P. Deen, J. Deij, J. Evink, N.T. Schouten
01. Opening De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Voorafgaande aan de vergadering is er gelegenheid geweest om technische vragen te stellen over de rapportage 2e kwartaal 2022 sociaal domein (agendapunt 5). Berichten van verhindering zijn ontvangen van mevrouw Deen en de heren Deij en Evink van ABO. Twee van de drie plaatsen die daardoor leeg zouden blijven, worden bezet door de heren Boer en Heddema.
02. Vaststelling van de agenda De agenda wordt zonder wijzigingen vastgesteld. De heer Van der Velde heeft een vraag over het tweede stuk van de postlijst (beantwoording schriftelijke vragen CVO over plan van aanpak motie LHBTQ+). Omdat de context van de vraag niet direct duidelijk is, adviseert de voorzitter de heer Van der Velde deze vraag schriftelijk in te dienen. De vraag komt echter opnieuw aan de orde bij agendapunt 12.
03. Project ‘Opgroeien in een kansrijke omgeving’ De heer Draaijer refereert aan het raadsgesprek over dit onderwerp in september. Gezien de informatie die toen verstrekt is, vindt de SGP het belangrijk om haar steun aan dit voorstel uit te spreken. De fractie ziet daarvoor ook een reden in de voorzichtig positieve reacties van gemeenten die al met dit project begonnen zijn. Van de aandachtspunten die deze gemeenten noemen, wil de SGP er twee onderstrepen. Het eerste betreft de betrokkenheid van ouders. Draagvlak bij de ouders is van cruciaal belang voor een succesvolle aanpak. De SGP vraagt wat het college doet als dat draagvlak bij de start van het project blijkt te ontbreken. Ziet het college dat als een knelpunt? Een tweede belangrijk aandachtspunt is ‘zinvolle tijdsbesteding’. Tijdens het raadsgesprek bleek dat veel jongeren moeite hebben op dat gebied. Verveling ligt dan al gauw op de loer. De heer Draaijer vraagt of het college het met zijn fractie eens is dat het belangrijk is om deze jongeren te helpen een doel in hun leven te vinden. Wethouder Vos is het met de heer Draaijer eens dat dit twee heel waardevolle onderwerpen zijn. Betrokkenheid van 1
ouders is iets wat het college op heel veel terreinen zoekt. Het op gang brengen daarvan is een traag proces, maar het college neemt geen genoegen met een ‘nee’. Door in te zetten op de andere drie pijlers, wil het college de ouders laten zien dat het voor hun kind goed is om mee te doen. Gelukkig zijn er maatschappelijke organisaties die laten zien op welke manier het mogelijk is om ouders mee te nemen. Het speerpunt ‘zinvolle tijdsbesteding’ moet het kind een opening bieden in de richting van een waardevolle toekomst. Kinderen moeten weten dat ze een keus kunnen maken en dat de toekomst er daardoor rooskleurig uitziet. De heer André vindt het een mooi voorstel. Het sluit goed aan bij de avond in ’t Loo. Daar waren veel partijen aanwezig die zich bezighouden met een gezonde ontwikkeling van jongeren. Wat de ChristenUnie betreft is ‘samenwerking’ een sleutelwoord. Het is goed dat die samenwerking breed is en zich uitstrekt over meerdere gemeenten. Ook de ChristenUnie vindt de positie van de ouders een punt van zorg. 18% van de ouders op de NoordVeluwe blijkt in te stemmen met alcoholgebruik van kinderen die nog geen 18 jaar zijn. Het zal heel moeilijk zijn om dat percentage naar beneden te krijgen. Op IJsland is het wel gelukt. Daar is het aantal jongeren dat op jonge leeftijd alcohol gebruikt gedaald naar 10%. In Nederland ligt dat percentage op 50.
De heer André vraagt of het mogelijk is om op dit gebied aan aantal streefcijfers te noemen. Het Trimbos-instituut biedt een goede mogelijkheid om regelmatig te meten hoe de stand van zaken is. Op die manier heeft de gemeente een duidelijke doelstelling en kan ze nagaan in hoeverre die doelstelling wordt bereikt. Wethouder Vos wijst erop dat het alcoholgebruik door jongeren een van de redenen is voor dit project. Bij de start van het project zal met een goede onderbouwing worden vastgesteld wat op dit gebied reële streefcijfers zijn. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de kennis van het Trimbos-instituut en het NJI. Het college zal de raad erover informeren. De heer Heddema prijst de goede en brede aanpak van het project. Zaken als betrokkenheid van de ouders, vrijetijdsbesteding, vriendengroep en relatie tussen gezin en school zijn elementen die kinderen perspectief moeten geven in een omgeving waarin ze zich kunnen ontwikkelen. ABO heeft de volgende vragen: 1. Zes gemeenten participeren in dit project. Hoe wordt erop gestuurd dat Oldebroek in dat geheel voldoende aandacht krijgt van de projectleiding? 2. Het gaat om een omvangrijk bedrag. Is het mogelijk om de voortgang van het project tussentijds te evalueren, zodat duidelijk wordt of dit geld goed besteed wordt? 3. Op het gebied van preventie wordt al van alles gedaan, door scholen en diverse organisaties.
Kan dat allemaal nu op een wat lager pitje worden gezet, zodat op die manier ook wat budget vrijkomt voor OKO? Als het goed is, stopt dit project ook niet met vier jaar. 4. Hoe wordt de relatie tussen OKO en die andere projecten? Het kan niet zo zijn dat alles los van elkaar opereert. Jongeren moeten niet met een ‘veelkoppig monster’ te maken krijgen. ABO gelooft eerder in het ene aanspreekpunt dat het vertrouwen van de jongeren geniet. Wethouder Vos beantwoordt de vragen als volgt: 1. Elke gemeente krijgt een lokaal actieplan. Daar zal het lokale projectteam zich voor inzetten en de regionale projectleiders kunnen erop worden aangesproken. De heer Heddema interrumpeert. Hij vraagt wie de regionale projectleiders aanstuurt. Wethouder Vos antwoordt dat in principe de wethouders Volksgezondheid dat doen. Daarbij is de wethouder van Elburg het eerste aanspreekpunt. De wethouders hebben een keer in de twee maanden overleg met elkaar. 2. Na twee jaar zijn er wat meer cijfers en gegevens beschikbaar om te kunnen bekijken hoe het gaat met het project. Daar zal de wethouder dan de raad in meenemen. 3. Het is nog niet mogelijk om geld vrij te maken vanuit andere projecten. Daarom vraagt het college ook om een extra budget. Als de gemeente minder zou doen met die andere projecten, zou bijvoorbeeld het straathoekwerk minder op straat te zien zijn.
Op termijn kan met die andere projecten hopelijk wel wat minder worden gedaan. 4. De diverse partijen werken niet naast elkaar, maar met elkaar. In dit OKO-project komt alles samen. Alle partijen die op dit front actief zijn, vinden dit project ook waardevol. De heer Van der Velde sluit zich aan bij de vorige sprekers. Ook het CVO ziet graag dat concrete doelen worden gesteld, aan de hand waarvan de effecten van het project kunnen worden beoordeeld. Omdat budgetten al gauw worden overschreden, pleit de fractie ervoor dat in het verdere onderzoek naar bespaarmogelijkheden op het huidige beleid wordt gezocht. Voorkomen moet worden dat er dubbele kosten ontstaan doordat dingen dubbel worden gedaan. De bijeenkomst op ’t Loo liet helder zien hoe mooi het kan zijn als alle partijen goed samenwerken om een bepaald doel te bereiken. De heer Scholten geeft aan dat dit voorstel aansluit bij een speerpunt van het CDA: het creëren van een duurzame verandering naar een gezonde levensstijl in een gezonde omgeving. Het is goed om te lezen dat er veel aandacht is 2
voor jongeren en dan vooral voor hun mentale gezondheid. Het is ook goed dat er aandacht is voor de ouders. Positief is verder dat er veel samenwerking is, dat er veel verbanden zijn en dat het project niet gebonden is aan gemeentegrenzen. Elke jongere die geholpen kan worden, is er één. Het CDA is het eens met de wens om een tussenevaluatie te houden. De fractie is blij met dit stuk. Het ligt ook goed in de maatschappij. De heer Van Oene vond het net als de heer André opvallend dat 18% van de ouders instemt met het alcoholgebruik van jongeren beneden de 18. Hij constateert dat OKO een langdurig project gaat worden. De praktijk leert immers dat ouders niet alleen instemmen met het alcoholgebruik van hun kind, maar het ook vaak faciliteren. Vaak gaat het niet alleen om een paar biertjes, maar ook om sterke drank. De VVD vraagt zich af of het dan wel zin heeft om al op korte termijn te gaan evalueren. Het bewustwordingsproces op dit gebied vergt een soort cultuuromslag. Daar gaat veel tijd mee heen. In het IJslands model is ook te zien dat effecten van het beleid pas in de loop van een generatie duidelijk worden. De VVD wil graag weten hoe de wethouder daartegenaan kijkt. Verder vraagt de fractie of er ook contact is met Zwolle, waar een deel van de jongeren uit deze gemeente naar school gaat. Scholen vormen een belangrijke partner in dit project.
De VVD is blij met het positieve oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Daar hecht deze fractie veel waarde aan. Ze heeft veel vertrouwen in dit project. Wethouder Vos is het met de heer Van Oene eens dat het gaat om een cultuuromslag en dat die niet binnen vier jaar zal worden gerealiseerd. Ze sluit echter niet uit dat er dingen zijn die wel na een paar jaar kunnen worden gemeten. Daarom is ze blij met de wetenschappelijke ondersteuning door het Trimbos-instituut. Dat instituut heeft cijfers aangedragen als meetpunt, die zijn onderbouwd vanuit de ervaringen in IJsland en in andere gemeenten. Er is nog geen contact met Zwolle en Kampen over dit project, maar dat gaat er wel komen. De wethouder acht het goed mogelijk dat haar collega in Zwolle een soortgelijke wens heeft als in dit project naar voren komt. Afronding De voorzitter constateert dat er geen behoefte is aan een tweede ronde. Het voorstel gaat als A-onderwerp naar de raadsvergadering van 10 november. De heer Scholten pleit daarvoor. Het CDA vindt het onderwerp belangrijk genoeg om het bij alle raadsleden onder de aandacht te brengen. Bovendien hebben de inwoners meer belangstelling voor een A-stuk dan voor een B-stuk. Het is goed dat zij weten dat dit onderwerp bij de raad hoog genoteerd staat. De heer Heddema sluit zich daar namens ABO bij aan en er zijn meer fracties die hun instemming hiermee betuigen.
04. Derde begrotingswijziging GGD Noord- en Oost-Gelderland Eerste termijn De heer De Nooijer vraagt hoe het verzoek om een hogere indexering zich verhoudt tot het feit dat de gemeente Oldebroek consequent vasthoudt aan een inflatie van 2,4%. Valt dit niet uit de toon? Een reden voor die vraag is ook dat voor de langere termijn de tegemoetkoming van de kant van het Rijk onzeker is. Verder wil het CVO weten of het college als alternatief voor de hogere indexering een bezuinigingsopdracht overweegt en of het daar aanknopingspunten voor ziet. Wethouder Vos wijst op wat maandagavond gezegd is: het college heeft gekozen voor 2,4%, maar het bedrag van 500.000 euro dat de gemeente meer krijgt, is apart gezet. Met de GGD is in het verleden een indexatie-afspraak vastgelegd. Daarbij werd uitgegaan van een methodiek die gebaseerd is op de CPB-cijfers in de meicirculaire. In die meicirculaire staat het percentage dat nu genoemd wordt. De afgelopen jaren is al met de GGD gesproken over bezuinigingen, in het kader van de takendiscussie. In het voorstel staat aangegeven dat de mogelijkheden daarvoor beperkt waren. Het zou ook lastig zijn om een bezuinigingsopdracht aan de GGD te geven, terwijl het bedrag waar het nu over gaat terugkomt via het accres van het gemeentefonds. De GGD zegt ook niet dat het geld zonder meer wordt uitgegeven. Het wordt apart gezet.
Als het niet nodig is, gaat het terug naar de gemeenten. Dat is de methodiek die gehanteerd wordt. De heer Scholten steunt het voorstel, namens zijn fractie. Het CDA heeft liever een verhoging van de indexering tot 5,89% dan een onverwachte nacalculatie. De heer Heddema hikte ook tegen de hoge indexering aan, maar begrijpt dat er niet aan te ontkomen valt. Afspraak is nu eenmaal afspraak. Er is inderdaad een discrepantie met de manier waarop de gemeente Oldebroek met haar eigen indexering omgaat. Ook wat die eigen indexering betreft is er geen andere mogelijkheid. In dat verband pleit ABO 3
ervoor om een bedrag op te nemen in de risicoparagraaf. Dat is echter een andere discussie, die buiten de scope van deze vergadering valt. De heer Hardonk constateert dat bij de vaststelling van de Programmabegroting 2023 van de GGD in het Algemeen Bestuur al is aangegeven dat de indexering mogelijk hoger zou uitvallen. Zou de gemeente daar niet mee akkoord gaan, dan zou ze achteraf te maken krijgen met extra kosten. Als dat nu al bekend is, vindt ook de ChristenUnie het verstandig om geen zienswijze in te dienen. De fractie ziet dit als een mooi voorbeeld van realistisch begroten. De heer Doornwaard heeft begrepen dat de gemeenten Bronckhorst en Nunspeet tegen de hogere indexering waren. In de afgelopen jaren lag de indexering bij de GGD 4,4% boven de norm. Wat dat betreft is er sprake van een ontwikkeling waarbij gevraagd mag worden of die gewenst is. De SGP denkt dat het college op dit punt wel wat kritischer mag zijn. Het is de vraag waarom de systematiek, waar de gemeente voor haar eigen indexering aan vasthoudt, voor de GGD wordt losgelaten. Heeft het college er niet over gedacht om mee te gaan met de zienswijzen van Bronckhorst en Nunspeet? Het accres van het gemeentefonds van volgend jaar is inderdaad een argument om met de verhoging van de indexering akkoord te gaan.
Er mag echter ook wel eens een signaal afgegeven worden naar de GGD dat die organisatie goed naar de efficiëntie van haar eigen bedrijfsvoering moet kijken. Het moet niet altijd zo zijn dat de gemeenten de tekorten wel dekken. Wethouder Vos geeft aan dat de vergadering waarin de zienswijzen naar voren worden gebracht nog moet komen. Zij was dan ook niet bekend met de zienswijzen van Bronckhorst en Nunspeet. Het college kon dus niet overwegen of het met die zienswijzen mee zou willen gaan. Overigens heeft Oldebroek in het verleden wel eens tegen de GGD-begroting gestemd, toen de gemeente zich voor grote bezuinigingsopdrachten geplaatst zag. In die zin is er dus echt wel eens een signaal afgegeven. Dat is ook gebeurd tijdens de takendiscussie die met de 22 gemeenten is gevoerd. Toen is gevraagd of de GGD zou kunnen bezuinigen door meer samen te werken en of ze een meer robuuste organisatie zou kunnen worden met minder kosten. Op dit moment is dat nog onderwerp van gesprek. Daarbij gaat het dus niet om de opdracht die de GGD heeft, maar wel om de uitvoering. Het college wil zich houden aan de afspraak die gemaakt is, echter dat betekent niet dat alles maar klakkeloos wordt aangenomen. De heer De Nooijer wijst erop dat kort geleden ook een voorstel aan de orde is geweest om geen zienswijze in te dienen. Dat betrof de Omgevingsdienst Noord-Veluwe.
Het CVO heeft toen samen met andere partijen een amendement ingediend om wel een zienswijze in te sturen. De SGP stemde daartegen, terwijl het toen om veel meer geld ging. Nu er veel minder geld aan de orde is, wil die fractie ineens een signaal afgeven. Hij zou daar graag een toelichting op willen horen. De heer Doornwaard wijst op de argumenten die zijn fractie de vorige keer heeft aangevoerd. Tijdens informatiebijeenkomsten is toen heel duidelijk onderbouwd wat de reden was voor de verhoging van het budget. Daarom ging de SGP daarmee akkoord. Nu gaat het over een indexering waarbij de systematiek die Oldebroek voor zichzelf hanteert, wordt losgelaten. Een vergelijking tussen de beide voorstellen is een vergelijking van appels met peren. De heer De Nooijer begrijpt dat een indexatie iets anders is dan de kosten van de ODNV. Het gaat hem ook niet om de inhoudelijke discussie. Zijn punt is dat de SGP nu een signaal wil afgeven dat de hand op de knip moet en toen niet, terwijl het toen om veel meer geld ging. Verder waren er bij de ODNV ook zaken aan de orde waarbij de voorwaarden niet helemaal bekend waren. De heer De Nooijer had graag gezien dat de SGP toen ook had meegedaan.
De heer Doornwaard constateert dat de heer De Nooijer het niet wil hebben over de inhoudelijke discussie die toen gevoerd is, terwijl de SGP juist op inhoudelijke gronden met het voorstel over de ODNV heeft ingestemd. Er is dus een inhoudelijk verschil tussen toen en nu. De heer Kemp wijst erop dat hij in de commissievergadering van dinsdagavond dit onderwerp al heeft aangekaart. Het CVO heeft nu de vraag en de argumenten van zijn fractie overgenomen. Dat vindt hij prima. Het betekent dat de teksten van de VVD vruchtbare grond hebben gevonden. De fractie vindt het bijzonder dat het college zonder goede argumenten akkoord gaat met een indexering van 5,89%, terwijl er dinsdagavond wel argumenten waren om voor de eigen gemeente aan 2,4% vast te houden. Het gaat de VVD niet om het bedrag, maar om het idee dat erachter zit. Als de gemeente geen zienswijze indient, geeft ze een vreemd signaal af. Het argument dat de GGD anders een bezuinigingsopdracht zou moeten krijgen, is precies wat een aantal fracties dinsdagavond bedoelden te zeggen. Zij vroegen rekening te houden met die extra stijging en die op de een of andere manier in te boeken. Dat is niet gebeurd. De heer Kemp begrijpt eigenlijk niet dat dit voorstel hier wordt neergelegd. Als met de GGD is afgesproken 4
dat de gemeenten coûte que coûte met de inflatiecorrectie meegaan, is dat prima, maar dan moet Oldebroek dat in haar eigen begroting ook doen. Tweede termijn De heer De Nooijer vraagt of de VVD een amendement gaat indienen om wel een zienswijze in te zenden. De heer Kemp wil geen moeite doen als hij van tevoren weet dat een amendement geen kans maakt. De heer De Nooijer repliceert dat de vier stemmen van het CVO in ieder geval bij de ene van de VVD kunnen worden opgeteld. Hij sluit niet uit dat ABO ook meedoet en misschien zelfs de SGP, die toch ook kritisch is. De heer Doornwaard heeft zich aangesloten bij de kritische noot van het college, maar hij heeft ook aangegeven dat hij de verhoging van het accres van het gemeentefonds een geldig argument vindt voor het collegestandpunt. Volgens de SGP is de wethouder capabel genoeg om het signaal dat in deze commissie is gegeven mee te nemen. De fractie heeft er geen behoefte aan om dat signaal te ondersteunen met een zienswijze. De heer Heddema wil wel aan de wethouder meegeven dat namens Oldebroek een kritische noot geplaatst moet worden, maar zijn fractie gaat niet zover dat ze een amendement wil indienen. De heer De Nooijer trekt de conclusie dat hij te hoopvol is geweest. In dat geval sluit hij zich aan bij de vorige sprekers. Blijkbaar is dat de route die de meeste kans van slagen heeft.
Afronding De voorzitter constateert dat het onderwerp voldoende besproken is. Het voorstel komt als B-stuk op de agenda van de komende raadsvergadering van 10 november te staan.
05. Rapportage sociaal domein tweede kwartaal 2022 De heer Van Oene vindt de rapportage duidelijk. Hij wil er wel een paar dingen uitlichten. Zijn fractie maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de internationale politieke spanningen voor de inwoners. De VVD hoopt dat iedereen de gemeente kan vinden als dat nodig is. Het is goed om te lezen dat op korte termijn onderwijs geregeld is voor kinderen uit Oekraïne en dat voor meer dan 80% van de volwassen Oekraïners werk is gevonden. De VVD complimenteert de wethouder en de betrokken ambtenaren daarmee. Wethouder Vos wijst erop dat het basisonderwijs voor de Oekraïense kinderen goed geregeld is, echter dat er problemen zijn rond de internationale schakelklas in het voortgezet onderwijs. Die problemen vergen veel inspanning van de kant van de gemeente. De gemeente maakt zich hard voor een oplossing, maar het is aan Landstede om dat verder in te vullen. De heer Doornwaard constateert dat de rapportage steeds een mooi overzicht biedt van dingen die voor de raad wel eens wat ongrijpbaar zijn. In de inleiding geeft de wethouder aan dat de rapportage haar vaak een dubbel gevoel geeft. Aan de ene kant gebeurt er veel waar ze onnoemelijk blij mee is. Aan de andere kant blijven er nog veel zaken op een wensenlijstje staan. De SGP onderschrijft het eerste en vraagt een toelichting op het tweede. Wethouder Vos noemt een paar voorbeelden.
Ze wil het potje voor de armoedebestrijding graag leeg hebben, maar zit met het probleem dat de inwoners die daarvoor in aanmerking komen zich niet zo gauw melden. De medewerkers doen hun uiterste best om erover te communiceren, maar het blijft een moeizaam gebeuren. Een ander voorbeeld betreft de laaggeletterdheid. De problemen zijn duidelijk, echter de mensen komen er niet mee en het is de vraag hoe de gemeente hen moet vinden. De heer Van der Velde is blij om te lezen wat voor mooie dingen er gedaan worden. Hij legt de vinger bij de zorg rond kinderen van gescheiden ouders. Zijn er op het gebied van preventie mogelijkheden als het om echtscheiding gaat? Een scheiding heeft grote psychische gevolgen voor de kinderen en werkt in veel zaken door. Zijn fractie heeft niet de illusie dat alle echtscheidingen kunnen worden voorkomen, maar vindt het wel belangrijk om te doen wat op dat gebied mogelijk is. Wethouder Vos is het daarmee eens. De gemeente doet wat dat betreft haar uiterste best. Ze maakt gebruik van momenten waarop het CJG contact heeft met jonge ouders, zoals bij het project Kansrijke start en via verloskundigen. Het krijgen van kinderen heeft impact op het huwelijk; als er dan problemen ontstaan, kunnen die op zulke momenten gesignaleerd en besproken worden. Daarnaast heeft de gemeente de afgelopen jaren gewerkt met een bepaalde methodiek op dit gebied.
Ze neemt niet de positie in van een jurist of een advocaat, maar komt 5
vooral op voor de belangen van de kinderen. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat voor kinderen een scheiding soms beter is dan wanneer de ouders bij elkaar blijven. In ieder geval wil de gemeente dat een kind opgroeit in een veilige gezinssituatie. De heer Van der Velde refereert aan de opmerking van de VVD over de zorgen rond alles wat op dit moment in de wereld aan de orde is. Die zorgen kunnen ook doorwerken in de (verhoudingen in de) gezinnen. Het CVO wil graag weten of de wethouder mogelijkheden ziet om het vangnet rond gezinnen te vergroten, bijvoorbeeld via haar contacten met scholen en huisartsen. Wethouder Vos geeft aan dat bij elke school een medewerker van het CJG betrokken is. Met de huisartsen heeft de gemeente een nauwe relatie. Zij weten de gemeente ook goed te vinden. Als bij het sociaal team ook maar een beetje argwaan ontstaat, wordt er een brede uitvraag gedaan, op verschillende leefgebieden. En als de gemeente meer kan doen om een gezin in een veilige situatie te houden, zal zij dat zeker doen. De heer Post zag een stijging in het gebruik van Wmo-voorzieningen. Hij vraagt of daarin een tendens te bespeuren is en zo ja, wat daar de oorzaken van zijn en of er reden is om aan preventie te doen. Wethouder Vos antwoordt dat de stijging vooral veroorzaakt wordt door de vergrijzing.
Doordat mensen langer thuis blijven wonen, wordt daardoor ook meer een beroep gedaan op de Wmo. Een andere – positieve – oorzaak is dat men de gemeente goed weet te vinden. Afronding De voorzitter constateert dat het onderwerp voldoende besproken is en dat er geen behoefte is aan een tweede termijn.
06. Onderbouwing extra boa-capaciteit De heer Boer leest dat het college een verbinder zoekt die goed contact heeft met ondernemers en inwoners, signalen kan vertalen naar concrete acties en de juiste mensen weet in te schakelen. Dat lijken hem heel normale kwaliteiten voor een boa. Hij neemt aan dat ze ook in het cursuspakket van de boa zitten. Dat roept bij hem de vraag op waarom het college speciaal voor een (dure) senior kiest. Is het niet beter om in plaats daarvan twee junioren te benoemen? Dat betekent dan twee extra boa’s. Burgemeester Haseloop antwoordt dat het college heeft geconstateerd dat het helpt om een senior toe te voegen, omdat die wat meer overwicht heeft. De heer Boer vraagt of dat betekent dat de andere boa’s de genoemde kwaliteiten niet hebben. Burgemeester Haseloop ontkent dat. Het college kiest alleen voor een senior vanwege het overwicht. Een jongere boa zal daar wat meer in moeten groeien. De heer De Nooijer vindt dat de heer Boer een goede vraag stelde. Het verschil tussen een senior en junioren is voor hem ook niet helemaal duidelijk. Verder wil hij nog eens principieel kijken naar hoe het allemaal is gegaan. Bij het aantreden van de Meidoornpleinmanager destijds (voor een pilot) heeft hij gevraagd wat het afwegingskader was. Hij wilde toen weten op welke gronden zou worden besloten de functie te handhaven dan wel te beëindigen.
In het stuk dat nu voorligt, wordt als argument genoemd dat de manager in de smaak viel en dat de mensen die wisten te vinden. Volgens de heer De Nooijer lag het nogal voor de hand dat de manager op die manier in een behoefte bleek te voorzien. Dat had het college van tevoren ook wel kunnen bedenken. In feite viel er dus geen scenario te beschrijven waarbij de pilot niet door zou gaan. Hij vindt dat het college dan eerlijk had moeten zijn en structureel om meer geld had moeten vragen. Hij vraagt of de burgemeester daarop wil reflecteren. Zijn eigen conclusie is dat bij een pilot meer moet worden nagedacht over een afwegingskader. Ten slotte wil hij graag weten waarom er nu precies extra capaciteit nodig is. Dat het kwetsbaar is om maar twee boa’s te hebben, begrijpt hij: als er één afwezig is, is er een probleem. Hij heeft echter geen idee welke taken op dit moment niet kunnen worden uitgevoerd. Burgemeester Haseloop wijst erop dat de Meidoornpleinmanager benoemd is met het oog op de overlast die op het Meidoornplein werd ervaren. De afgelopen jaren bleek dat de taken die deze functionaris uitvoerde anders waren dan de reguliere taken van een boa en dat ze van invloed waren op de sfeer op het plein. Het is duidelijk dat de pilot heeft bijgedragen aan een goede communicatie met de ondernemers en de inwoners. De overlast is echter niet weg.
Dat betekent niet dat het college om een nieuwe Meidoornpleinmanager vraagt. Het college vraagt om meer boa-capaciteit, waarbij de taken die door de Meidoornpleinmanager werden uitgevoerd, geïntegreerd worden in het takenpakket van die boa. Misschien zou die nieuwe boa een junior kunnen zijn, maar als het leeftijdsverschil met de jongeren op het Meidoornplein te klein is, wordt het voor hem lastig om zijn werk goed te doen. Een wat meer ervaren boa kan voor een betere spreiding van taken zorgen. Er moet geen nieuwe boa komen omdat bepaalde taken blijven liggen, maar 6
omdat dan meer uren kunnen worden ingezet. Die extra uren kunnen eraan bijdragen dat er meer sprake kan zijn van toezicht en handhaving. Boa’s moeten altijd met zijn tweeën op stap. Als de gemeente dan maar twee boa’s heeft, beperkt dat de mogelijkheden om op straat aanwezig te zijn. Uit de benchmarkgegevens blijkt dat Oldebroek met het aantal fte’s niet bij de top van vergelijkbare gemeenten hoort. Intussen heeft deze gemeente een problematiek die groter is dan in sommige andere gemeenten. Dat is een goede onderbouwing voor die extra boa-capaciteit. De heer De Nooijer vindt het ook wel logisch dat er een boa bij komt. Het gaat hem meer om de analyse die gemaakt wordt en de informatie die aan de raad wordt verstrekt. Hij vindt het nog wel een lastige vraag of de motivatie voor die extra boa – er blijven nu geen taken liggen, maar er kunnen dan wel extra uren worden ingezet – afdoende is. Volgens hem is er pas echt een probleem als bepaalde taken niet kunnen worden uitgevoerd. Hij vraagt of er signalen zijn dat de boa’s nu te weinig uren op straat doorbrengen. Burgemeester Haseloop bevestigt dat. De heer Van der Horst onderschrijft wat gezegd wordt over preventie en repressie die nodig zijn voor een veilig Oldebroek. Uit de evaluatie blijkt dat er niet alleen inzet nodig is op het Meidoornplein, maar ook op andere locaties.
Het CDA kan erin meegaan dat de functie van Meidoornpleinmanager vervalt en dat een boa wordt gezocht met een ruimere ervaring. Het college heeft het belang van een extra boa voldoende onderbouwd. Wel ziet het CDA op termijn graag een evaluatie van deze extra boa-capaciteit, om op die manier de vinger aan de pols te kunnen houden. Burgemeester Haseloop denkt dat het niet gebruikelijk is om verantwoording af te leggen over de effecten van de inzet van extra capaciteit. In de jaarverslagen die de raad sowieso al krijgt, zal wel aandacht aan de extra boacapaciteit worden gegeven. De heer Van der Horst kan zich daar wel in vinden. Mevrouw Sloots is blij met het voorstel. De ChristenUnie ziet duidelijk dat er reden is om de boa-capaciteit uit te breiden. Zo kan ervoor worden gezorgd dat het mooie Oldebroek een stuk veiliger wordt. Dat geldt zeker ook voor de kern Wezep, waar de laatste tijd veel aandacht voor is geweest. De ChristenUnie vindt dat de inzet van ervaring financieel gezien ook gehonoreerd moet worden. Het hoeft dan niet altijd per se om een ouder iemand te gaan, maar ervaring vanuit het vakgebied is wel belangrijk om de juiste inzet te kunnen doen. De heer Doornwaard memoreert dat zijn fractie bij de bespreking van de perspectiefnota wat kritisch was op dit punt. De SGP heeft toen ook gevraagd naar de evaluatie. Die is er gekomen.
De fractie ziet nu ook dat de inzet van boacapaciteit in Oldebroek lager is dan in vergelijkbare andere gemeenten. Dat is een argument om voor het voorstel te zijn. Een tweede argument is dat de problematiek duidelijk is en dat het college de wens en de noodzaak van een extra boa voldoende heeft onderbouwd. De heer Kemp constateert dat dit een bijzondere discussie is, gezien de reputatie die Wezep heeft op het gebied van overlast en de lage capaciteit die daartegenover staat. Hij is geneigd zich af te vragen waarom deze discussie niet eerder is gevoerd. De VVD is blij met het voorstel, ook waar het gaat om de keus voor een senior boa. Jongeren hebben meer respect voor een senior dan voor twee boa’s die bij hun eigen leeftijdscategorie horen. Het gaat bij dit onderwerp vooral om zichtbaarheid en preventie, met name in de winkelcentra. Van meer zichtbaarheid gaat een signaal uit naar de jongeren dat ze in de gaten worden gehouden. Daar hoeft geen repressie aan te pas te komen; met een gesprek kan ook het een en ander worden bereikt. De heer Boer interrumpeert. Hij wijst erop dat de zichtbaarheid bij twee boa’s groter is dan bij één. De heer Kemp is ervan overtuigd dat jongeren met een andere bril kijken dan de heer Boer. Zij zien in die ene senior meer dan in twee junioren. Ze hebben misschien zelfs behoefte aan een soort vaderfiguur, al zullen ze daar niet om vragen.
De heer Boer merkt op dat twee junioren twee keer zoveel uren zichtbaar zijn als één senior. Hij vraagt zich ook af waarom jongeren minder goed naar junior boa’s zouden willen luisteren. Helemaal van dezelfde leeftijd zijn die junioren toch ook niet. De heer Kemp raadt de heer Boer aan terug te denken aan de tijd dat hijzelf jong was. Volgens hem keek zijn ABO-collega toen anders tegen een senior aan dan tegen een junior. Hij begrijpt echter wel dat hij de heer De Boer waarschijnlijk niet zal overtuigen. Een punt van overweging is voor de heer Kemp ook nog dat een senior wellicht wat meer ervaring meebrengt, wat van betekenis kan zijn voor zijn jongere collega’s. Verder heef hij nog twee vragen: 1. Een van de aanwezige boa’s vertrekt binnenkort. Is het college al bezig met de invulling van de komende vacature? De heer Kemp kan zich voorstellen dat in dit geval gezocht wordt naar een junior. 2. Hoe denkt de portefeuillehouder over een mogelijke uitbreiding van het aantal verdedigingsmiddelen voor de boa’s? Burgemeester Haseloop antwoordt op de laatste vraag dat de boa’s een bodycam krijgen. Ze is daar blij mee, want het college is al meer dan een jaar bezig om dat voor elkaar te krijgen. Extra 7
geweldsmiddelen, zoals een wapenstok, zitten er nog niet in. Als de boa’s het met een bodycam afkunnen, is dat misschien ook beter. Het is vaak al afschrikwekkend genoeg als iemand weet dat zijn gedrag op beeld is vastgelegd. Verder is het college druk bezig met de invulling van de vacature. De burgemeester denkt dat inderdaad weer naar een junior wordt gezocht. Ze is er trots op dat voor de tweede keer in korte tijd een boa doorstroomt naar de opleiding voor politie. Het is jammer dat ze weggaan, maar het is goed dat deze gemeente hun een opstapje heeft kunnen bieden voor hun verdere ontwikkeling. De voorzitter constateert dat er een paar keer over een ‘hij’ werd gesproken. Hij wijst erop dat het ook een ‘zij’ kan zijn. Afronding De voorzitter stelt vast dat het onderwerp voldoende besproken is en dat er geen behoefte is aan een tweede ronde.
07. Vaststelling Programmabegroting gemeente Oldebroek 2023-2026 2.0. Bestuur en ondersteuning De heer De Nooijer vindt het belangrijk dat op het gebied van communicatie (pagina 18) een flinke verbeterslag wordt gemaakt, zeker als het gaat om informatie voor de inwoners. Hij vraagt of de uitgangspunten die voor die communicatie worden vastgesteld met de raad worden gedeeld. Burgemeester Haseloop bevestigt dat. De heer Doornwaard vraagt of de gemeente bij de verdergaande digitalisering (pagina 12) haar producten en diensten ook niet-digitaal blijft aanbieden. Hij verwijst in dit verband naar de bijeenkomst over laaggeletterdheid die zijn fractie heeft bijgewoond. Burgemeester Haseloop bevestigt dat telefonisch contact gewoon mogelijk blijft. Er wordt altijd rekening gehouden met inwoners die niet of minder digitaal vaardig zijn. De heer Doornwaard legt de vinger bij wat onder 2.0.2.5 staat over het werven en behouden van voldoende gekwalificeerde medewerkers. Hij vraagt of het samenwerken met andere gemeenten ook een rol speelt in het zoeken van oplossingen voor de problemen op dit gebied. Burgemeester Haseloop bevestigt dat de gemeente via beide sporen werkt. Als Oldebroek voor een bepaalde taak niet een hele fte nodig heeft, zal samen met andere gemeenten een oplossing worden bedacht.
De heer Van Oene vraagt wat de verwachtingen zijn bij het werken aan de competenties ‘omgevingsbewust-zijn’ en ‘politiek-bestuurlijk bewustzijn’ bij de ambtenaren (pagina 11). Hoe denkt het college hiermee de kwaliteit van de dienstverlening en van de stukken te kunnen verbeteren? Burgemeester Haseloop antwoordt dat het onder andere gaat om de leesbaarheid van stukken (het taalgebruik), zowel voor de raad als voor de inwoners. In het algemeen moeten de ambtenaren voortdurend stilstaan bij de vraag waar ze het voor doen en wat dat betekent voor hun manier van werken. Door het vele thuiswerken van de afgelopen jaren heeft dat niet altijd voldoende aandacht gekregen. Dat kan met incompany-trainingen goed verbeterd worden. De heer Van Oene vindt het een goede zaak dat de gemeente wil investeren in haar medewerkers. Hij constateert dat aan de voorkant op dat gebied veel wordt gedaan (2.0.2.5), maar wil ook graag weten hoe de uitstroom kan worden beperkt. Het kan voor een medewerker al gauw interessant zijn om naar een grotere gemeente met meer uitdagingen en een hoger salaris te gaan. Burgemeester Haseloop constateert dat dat een lastige kwestie is. Er worden inderdaad af en toe medewerkers ‘weggekocht’. Dat kan deze gemeente nooit helemaal voorkomen. Ze heeft te weinig financiële ruimte om zomaar enorme salarissen te kunnen bieden.
Wat ze wel kan proberen, is als werkgever zo aantrekkelijk mogelijk te zijn. Hopelijk betekent het veel voor medewerkers dat ze op de fiets naar hun werk kunnen en dat ze in dienst zijn bij een leuke gemeente, met veel vrijheid en veel mogelijkheden om door te groeien in de organisatie. De heer Van Oene wijst erop dat het in het bedrijfsleven vrij gebruikelijk is om personeelsleden met een opleiding te binden aan een contract voor een aantal jaren. Hij vraagt of dat bij de gemeente ook kan. Burgemeester Haseloop antwoordt dat dit volgens de cao-regeling niet meer mogelijk is. De heer Post vraagt wanneer met de uitvoeringsagenda met betrekking tot integriteit wordt begonnen (pagina 11). Burgemeester Haseloop is in overleg met de griffier om te bekijken wanneer het programma met de raad kan worden 8
gestart. Dat gebeurt zo snel mogelijk; er wordt niet mee gewacht tot eind 2023. Het moet echter wel passen binnen de vele werkzaamheden die aandacht vragen. 2.1. Veiligheid De heer De Nooijer vraagt wat de aanleiding is om de mogelijkheden voor camerabeleid te onderzoeken (pagina 23). Hij wil ook weten of de gemeente ergens camera’s heeft staan waar dat eigenlijk niet mag. Verder vraagt hij of er plekken zijn waar de gemeente het cameratoezicht wil uitbreiden nadat het camerabeleid zal zijn vastgesteld. Burgemeester Haseloop noemt als aanleiding de verbouwing aan het Meidoornplein en het feit dat daar voor de duur van die verbouwing tijdelijke camera’s zijn geplaatst. Met de ondernemers is afgesproken dat, als het project is afgerond, opnieuw zal worden bekeken hoe het verder moet met het cameratoezicht. Het is niet zo dat de camera’s daar zomaar jarenlang mogen blijven hangen. Daar zijn strenge regels voor. Waar ze precies moeten hangen en waarom en hoeveel het er moeten zijn, moet goed worden onderbouwd. Verder onderzoekt de gemeente hoe de mogelijkheden voor uitkijken en opslag van de camerabeelden kunnen worden vergroot. Via een grote organisatie kunnen beelden 24 uur per dag worden bekeken, maar er zijn misschien ook manieren om het goedkoper te doen. Er zijn op dit moment geen plekken waar sprake is van onrechtmatig cameratoezicht.
De heer Doornwaard vraagt waarom het college de mogelijkheden voor camerabeleid wil onderzoeken. Is het niet gewoon wenselijk dat er een camerabeleid komt? Burgemeester Haseloop bevestigt dat. De formulering kan misschien de indruk wekken dat de noodzaak nog ter discussie staat, maar dat is niet zo. Het gaat erom dat goed wordt verwoord onder welke voorwaarden en op welke manier er sprake zal zijn van cameratoezicht. De heer Doornwaard had een technische vraag gesteld over de meldingen (pagina 24). Die vraag kan eventueel wachten tot het moment waarop de prioritering in het Integraal Veiligheidsplan weer aan de orde komt. De SGP had echter ook gevraagd naar de meldingen in het kader van het evenementenbeleid. Daar is nog geen antwoord op gekomen. Het evenementenbeleid wordt binnenkort geëvalueerd. De SGP wil graag weten of het melden van overlast bij evenementen op dit moment op een adequate manier kan plaatsvinden. De voorzitter meent dat afgelopen maandag een toezegging is gedaan over de beantwoording van de technische vragen op dit gebied. Burgemeester Haseloop antwoordt dat overlast bij evenementen altijd gemeld kan worden en dat de gemeente er altijd op acteert. Ze heeft geen reden om te denken dat het niet op een adequate manier zou kunnen gebeuren. Sinds er de laatste maanden weer evenementen mogelijk waren (na de coronacrisis), zijn er geen meldingen geweest.
De heer De Nooijer vraagt waar het college precies aan denkt bij trainingen voor de gemeenteraad in het kader van de bestrijding van ondermijning (pagina 26). Kan de raad daar zelf ook nog ideeën over aanleveren? Burgemeester Haseloop antwoordt dat het trainingen zijn die elders in het land ook wel gegeven worden. Het gaat vooral om een bewustwording op dit gebied, om het opvangen van signalen en om de vraag wat er dan gedaan moet worden. De heer De Nooijer vraagt of er op dit moment een concrete aanleiding is voor het geven van dergelijke trainingen. Het gaat wel om een jaarlijks bedrag van 20.000 euro. Burgemeester Haseloop antwoordt dat het landelijk, maar zeker ook in deze omgeving, een thema is waar aandacht voor moet blijven. Ze kan niet zeggen dat hier op dit gebied meer gebeurt dan elders, maar ondermijning is wel een verschijnsel dat toeneemt. Als de gemeenteraad zich daar niet van bewust is en niet het gesprek erover voert, loopt hij achter de feiten aan. De heer Van der Horst vindt de vraag van de heer De Nooijer een beetje bijzonder. Na de verkiezingen zit er weer een gemeenteraad in een nieuwe samenstelling. Op zo’n moment is zo’n training alleen maar handig. 2.5.
Sport, cultuur en recreatie De heer De Nooijer constateert dat de bedragen die in de begroting voor de Kamphal worden geraamd (pagina 105) veel lager zijn dan de cijfers die genoemd zijn in het raadsgesprek van juni over deze sportaccommodatie. Het CVO heeft maandagavond gevraagd bij welk scenario deze bedragen horen. Dat bleek scenario 3 te zijn, het maximale. In de presentatie van juni werd voor dat scenario echter een structureel bedrag van 200.000 euro genoemd en een eenmalige investering van 4,6 miljoen euro. Dat zou betekenen dat in de begroting voor de structurele kosten 50.000 euro te weinig is ingeschat en voor de eenmalige investering 3,6 miljoen euro. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de stijgende bouwkosten. Het CVO wil graag weten of de bedragen in de begroting nog wel actueel 9
zijn. Wethouder Vos neemt bij de beantwoording van deze vraag waar voor wethouder Flier. De bedragen die hier zijn genoemd, staan in het CUP en niet in de begroting. Zowel over de Kamphal als over OWIOS komen afzonderlijke stukken naar de raad, met alle informatie en de bijbehorende bedragen. Dat kan dan betekenen dat er een begrotingswijziging moet komen. Het college wil deze voorziening heel graag op een goed peil houden. Op dit moment is het echter nog de vraag wat strikt nodig c.q. wenselijk is en op welke manier bepaalde dingen kunnen worden bereikt. Kan dit oude gebouw verduurzaamd worden of zijn er andere ideeën over de optimalisering van deze voorziening. De heer De Nooijer vindt dit absoluut geen bevredigend antwoord. Ook hij wil deze voorziening graag op peil houden. Zijn punt is dat het college, in antwoord op zijn technische vraag, al een keus heeft gemaakt voor scenario 3 en dat daar bepaalde bedragen bij horen. Die bedragen zijn nu al bekend en toch wordt maar een klein gedeelte daarvan voor dit doel bestemd. Het CVO zou het logisch vinden om de volledige bedragen op te nemen. De voorzitter wijst erop dat maandagavond een ambtelijk antwoord op de technische vraag is gegeven en geen bestuurlijk antwoord. In de begroting staat ook dat er nog nadere voorstellen komen. Wethouder Vos vermoedt dat ze zich niet duidelijk genoeg heeft uitgedrukt.
Het college heeft nog niet gekozen voor een bepaald scenario. Daarom ligt er ook nog geen concreet voorstel voor. De heer Doornwaard heeft maandagavond van de betrokken ambtenaar gehoord dat er nog naar mogelijke besparingen is gekeken, maar daar staan op dit moment geen cijfers bij. Daarom lijkt het hem verstandig om te wachten tot er een voorstel ligt. Het lijkt hem ook verstandig dat het college al wel een bepaalde – realistische – raming in de begroting heeft gezet. De heer De Nooijer benadrukt dat het bedrag dat nu is opgenomen straks nog met minimaal 3,6 miljoen euro wordt verhoogd. Het klopt dat de ambtenaar maandagavond heeft gezegd dat van een aantal posten misschien wat kan worden weggehaald, maar dat zal nooit een bedrag van 3,6 miljoen euro worden. De bedragen die nu in de raming zijn opgenomen, passen bij geen enkel scenario. Ze zijn dus zeker niet realistisch. De heer Doornwaard wijst erop dat de raad aan zet is wanneer er een voorstel komt. Het heeft geen zin om er nu van alles over te zeggen, omdat de benodigde informatie er nog niet is. De heer Van der Horst sluit zich daarbij aan. Er ligt geen voorstel voor ten bedrage van 3,6 miljoen euro. Dat bedrag is een aanname van het CVO. De raad moet nu gewoon het voorstel afwachten dat is aangekondigd. De heer Heddema wil nog wel opmerken dat er volgens hem sprake is van een bepaalde tendens.
Hij verwijst naar wat hij in de vergadering van een andere commissie heeft gezegd over de risicoparagraaf. Naar zijn indruk wordt op dit moment zo weinig mogelijk een beroep gedaan op de reserves, terwijl bekend is wat er op de gemeente af gaat komen. In een begroting moeten bedragen worden opgenomen die voorzienbaar of met enige mate van zekerheid voorspelbaar zijn. Daarom voelt ABO bij dit onderwerp dezelfde bevreemding als het CVO. De heer De Nooijer bewaart de verdere discussie voor de raadsvergadering. Aan het adres van de heer Van der Horst wil hij nog wel kwijt dat het niet om een aanname van het CVO gaat. Het gaat om informatie die tijdens een raadsgesprek is verstrekt. Er zijn toen vier scenario’s genoemd en de bedragen die nu worden genoemd, passen bij geen van die scenario’s. Het antwoord dat de ambtenaar toen gaf, betekent zeer waarschijnlijk dat er miljoenen euro’s bij moeten komen. Wethouder Vos benadrukt dat een raadsgesprek waarin een aantal scenario’s wordt geschetst geen collegebesluit is. Na zo’n raadsgesprek komt er op een gegeven moment een voorstel op de collegetafel te liggen waar het college ja of nee tegen kan zeggen. In dit geval heeft het college nee gezegd. Daarom is dit onderdeel over de Kamphal ook niet opgenomen in de begroting, maar – indicatief – in het CUP.
Dat heeft niets te maken met geheimhouding of met een wens om geen beroep te doen op reserves of voorzieningen. Het college wil met een goed voorstel komen, dat recht doet aan de kaders van de raad en aan de inwoners. Dat voorstel komt in december of januari en daar kan de wethouder dan op bevraagd worden. De heer De Nooijer vraagt waarom in de geraamde uitgaven geen geld is opgenomen voor de vernieuwing van de accommodatie en de herinrichting van het sportpark van OWIOS. Bij de Kamphal is ervoor gekozen om dat wel te doen. Welk scenario er ook voor OWIOS wordt gekozen, het gaat in ieder geval geld kosten.
10
De heer Van der Horst heeft een punt van orde. Hij ziet een herhaling van zetten. Ook met betrekking tot OWIOS ging het om een raadsgesprek en niet om een voorstel waarin een voorkeur voor een bepaald scenario is uitgesproken. Wethouder Vos antwoordt dat de portefeuillehouder eind september contact heeft gehad met OWIOS. Daarbij is een voorstel van OWIOS besproken. De vereniging heeft toen het advies gekregen om eerst na te gaan in hoeverre zij een beroep kon doen op het Waarborgfonds. Op dit moment is dus nog niet bekend wat de gemeente moet doen. Het Waarborgfonds is juist voor dit soort zaken in het leven geroepen. Als het desondanks niets uitkeert, komt er een veel grotere vraag naar de gemeente toe dan als het fonds wel geld verstrekt. Pas als daar duidelijkheid over is, komt er een advies naar de raad. De heer De Nooijer geeft in de richting van de heer Van der Horst aan dat het hier om een andere kwestie gaat dan bij de Kamphal. Hij begrijpt het verhaal over het Waarborgfonds, maar hij weet voor 100% zeker dat er hoe dan ook een uitgave valt te verwachten. In dat geval zou er een bedrag in het CUP moeten staan, want daarin gaat het over te verwachten uitgaven. Wethouder Vos antwoordt dat het college alleen bedragen opneemt waar het reële ideeën over heeft. Bij de Kamphal was sprake van scenario’s, bij OWIOS niet.
De gemeente kan 1000 euro aan OWIOS kwijt zijn, maar het zou ook 1 miljoen euro kunnen worden. De heer Van Oene noemt de mogelijkheid dat het college voor de Kamphal 3,6 miljoen euro in de begroting zou zetten en voor OWIOS ook een behoorlijk bedrag. Hij vraagt of er voor het college dan nog enige noodzaak zou zijn om met de plannen voor de Kamphal en OWIOS bij de raad terug te komen. Wethouder Vos antwoordt dat de raad een amendement zou kunnen indienen om bijvoorbeeld 3,6 miljoen euro vrij te maken voor de Kamphal. In dat geval heeft het college inderdaad de handen vrij. De heer De Nooijer vraagt waarom samen met regiogemeenten een cultuur- en erfgoedpact wordt opgesteld (pagina 38). Wethouder Vos antwoordt dat dit geïnitieerd is vanuit de provincie. De heer De Nooijer maakt zich zorgen over het percentage niet-sporters, dat in Oldebroek nog een stuk hoger ligt dan het Nederlandse gemiddelde (pagina 40). Volgens de grafieken groeit dat percentage ook nog. Het CVO wil graag weten hoe dat kan. Wethouder Vos geeft aan dat er in ieder geval twee oorzaken zijn. In de eerste plaats is er een financieel probleem. Daarom heeft de gemeente het sport- en cultuurfonds voor de jeugd nu ook opengesteld voor volwassenen. In de tweede plaats zijn er in deze gemeente veel mensen die individueel aan sport doen (hardlopen, fietsen etc.).
De wethouder is bereid een keer op dit onderwerp terug te komen als er behoefte is aan meer diepgang. 2.6. Sociaal domein De heer Doornwaard wil graag weten wat de kaders zijn om tijdelijke fte’s ook echt tijdelijk te laten zijn. Hij denkt met name aan de extra capaciteit bij het Sociaal Team (pagina 42). Wethouder Vos antwoordt dat het college nog niet met een voorstel heeft kunnen komen over het beleid voor het sociale domein. In dat beleidsstuk zullen de kaders worden geschetst voor het benodigde aantal fte’s in het Sociaal Team. Als die kaders worden vastgesteld, wordt het incidentele ingewisseld voor het structurele. De heer Hardonk constateert dat de armoedebestrijding (pagina 42) onder de minimaregeling valt en dat er geen aparte post voor op de begroting staat. In een eerdere commissievergadering deze week is al aangegeven dat de wethouder het potje niet leegt krijgt, doordat te weinig mensen zich melden. De ChristenUnie verwacht echter dat het beroep op deze regeling toch wel groter zal worden. Doordat de kosten blijven stijgen, komen steeds meer mensen in de problemen. Hij wil graag weten hoeveel geld er nog in het potje zit en of het beschikbare bedrag toch niet alvast moet worden verhoogd. Een aantal andere gemeenten heeft daar ook al toe besloten. Wethouder Vos merkt op dat de vraag naar de hoogte van het budget technisch is. Ze moet het antwoord schuldig blijven.
Wat het tweede deel van de vraag betreft: in die andere gemeenten wordt niet het budget voor de minima verhoogd, maar wordt de groep die ervoor in aanmerking komt uitgebreid. Van de inkomens tot 120% van het minimuminkomen gaat men dan bijvoorbeeld naar 150% van het minimuminkomen. Ook in Oldebroek constateert de gemeente dat niet alleen de minima in de problemen komen, echter ook de mensen die daar een laag boven zitten. Het snijdt op dit moment dan ook geen hout om alleen het budget voor de minima te verhogen. Als het geld op is, komt de wethouder naar de raad terug. Het gaat er nu vooral om of de doelgroep moet worden uitgebreid. De vraag is dan echter: tot 11
welk niveau? Er zijn zelfs minima die nog weinig problemen hebben, omdat ze een vast energiecontract hebben voor vijf jaar. Wat de gemeente op dit moment vooral doet is: mensen helpen met raad en daad om hun inzicht te geven in hun financiële huishouding. Daar is het financiële spreekuur ook voor. De heer De Nooijer vraagt hoe het college wil werken aan de doelstellingen op pagina 45: ouders en gezinnen en hun netwerk sterker maken en de sociale weerbaarheid van jeugd en jongeren vergroten. Het lijken hem moeilijke opgaven in een tijd waarin corona nog een rol speelt en waarin het aantal gebroken gezinnen toeneemt. Wethouder Vos erkent dat het moeilijke opgaven zijn. Ze verwijst naar het stuk ‘Opgroeien in een kansrijke omgeving’ (agendapunt 3). Daarin is aangegeven hoe aan deze doelstellingen wordt gewerkt. 2.7. Volksgezondheid en milieu De heer Doornwaard mist in de begroting de Huiskamer van Wezep. Hij acht het mogelijk dat dit komt doordat het een initiatief is vanuit de samenleving. Op pagina 50 is echter sprake van het ontwikkelen van drie ontmoetings- en beweegplekken. De SGP wil graag weten of bij de Huiskamer van Wezep ook aan zoiets moet worden gedacht en of er ontwikkelingen zijn die in die richting wijzen. Wethouder Vos vindt het erg creatief om bij de Huiskamer aan de ontmoetings- en beweegplekken te denken.
Het zou misschien kunnen, maar dat was niet direct de opzet. De Huiskamer wil koste wat het kost haar zelfstandigheid behouden. Dat is ook haar goed recht. De gemeente kan dus wel dingen aandragen, en doet dat ook, maar het is aan de Huiskamer om daar ja of nee tegen te zeggen. Er zijn allerlei instrumenten die de Huiskamer ten dienste kunnen staan, maar de Huiskamer heeft alle vrijheid om haar eigen keuzes te maken. De heer Doornwaard begrijpt dat de gemeente zelf die drie ontmoetings- en beweegplekken gaat ontwikkelen. Hij vraagt of het niet veel wenselijker is om een maatschappelijk initiatief als de Huiskamer te stimuleren dan dat de gemeente daar iets concurrerend tegenover zet. Wethouder Vos bekijkt zeker of ze met een structureel aanbod kan komen waar de Huiskamer positief op zal reageren, maar ze herhaalt dat de keus uiteindelijk aan de Huiskamer zelf is. De heer De Nooijer wil graag weten wat de aanleiding is om die drie ontmoetings- en beweegplekken te ontwikkelen. Hij vraagt of het college er al iets meer over kan vertellen dan wat hier in de begroting staat. Wethouder Vos antwoordt dat in Wezep gekeken wordt naar de plek bij de Campus, waar het Agnietencollege, de Uilenhorst en de Rank komen. Het is de bedoeling dat daar een jeugdontmoetingsplek wordt gerealiseerd. Vanaf het moment dat de verplaatsing van de Rank aan de orde is, is daar al sprake van geweest.
Samen met jongeren en buurtbewoners wordt bekeken hoe die plek moet worden ingericht. Verder is al wel duidelijk dat mensen behoefte hebben aan ontmoetings- en beweegplekken, maar moet nog bekeken worden hoe die moeten worden ingevuld. Wat dat betreft heeft de wethouder deze avond al een goed idee gehoord. 4.8. Subsidies De heer Draaijer vraagt of het college heeft overwegen om voor verenigingen, dorpshuizen en andere voorzieningen een vangnet te regelen, voor het geval zij door de huidige ontwikkelingen in financiële problemen terechtkomen. Het zou jammer zijn als de leefbaarheid en de cohesie in de samenleving door zulke problemen schade gaan lijden. Uiteraard zouden aan het gebruikmaken van zo’n vangnet wel strikte voorwaarden verbonden moeten zijn. Wethouder Vos heeft nog geen signalen gekregen dat verenigingen of voorzieningen het zwaar hebben. Als die signalen er wel komen, zal daar nadrukkelijk aandacht aan worden gegeven. Het gaat inderdaad om het cement van de samenleving. De gemeente kan uiteraard niet overal gaten vullen, maar ze zal zeker kijken wat voor middelen zij heeft om te helpen. De heer De Nooijer vraagt of de wethouder een indicatie kan geven van de mogelijke verhoging van het subsidiebudget voor kunst en cultuur (pagina 122). Wethouder Vos ziet daar geen kans toe.
Ze gaat ervanuit dat de raad een aantal scenario’s voorgeschoteld krijgt, van nul tot heel veel. Als de portefeuillehouder nu al een inschatting had kunnen geven, had die zeker in het CUP gestaan. Afronding De voorzitter constateert dat de programmabegroting voldoende besproken is. Het voorstel wordt sowieso als Aonderwerp geagendeerd voor de raadsvergadering van 10 november. 12
08. Actualiteiten regionale samenwerking Dit agendapunt levert geen bespreking op.
09. Terugblik raadsgesprekken en informatiebijeenkomsten Er is een bijeenkomst geweest in en over de bibliotheek, maar er is geen behoefte aan een terugblik daarop.
10. Mededelingen college Wethouder Vos zou nog terugkomen op een vraag van de heer Van Oene uit een vergadering van de commissie Ruimtegebruik en Leefomgeving. Die vraag ging over het feit dat een aanbieder op het gebied van Jeugd heeft aangekondigd ermee te stoppen. Oldebroek heeft van alle gemeenten de meeste cliënten bij deze partij. Er is de afgelopen tijd intensief overleg gevoerd over en met cliënten die al in het traject zitten of op de wachtlijst stonden, en met hun ouders of verzorgers. Het college is ervan overtuigd dat deze aanbieder samen met het CJG zorgvuldig bekijkt waar deze cliënten op dit moment behoefte aan hebben. Naast het CJG is ook het contractmanagement bij de gang van zaken betrokken. Die instantie kan aangeven of er verplichtingen zijn die voortvloeien uit het contract. Er zijn echter ook wel eens verplichtingen die meer moreel van aard zijn. Daarvoor doet de gemeente ook een beroep op andere partijen. Zo moet bijvoorbeeld worden voorkomen dat jongeren die al op de wachtlijst staan onderaan een nieuwe wachtlijst terechtkomen. De verwijzers in de gemeente, onder wie de huisartsen, zijn op de hoogte gebracht. Zij weten waar jongeren nog wel terecht kunnen. Zo hoopt de gemeente het in deze vervelende situatie voor iedereen zo comfortabel mogelijk te maken. De heer Van Oene bedankt de wethouder voor de beantwoording van zijn vraag.
11. Rondvraag Voor dit agendapunt zijn geen onderwerpen aangedragen.
12. Verslag vergadering 23 juni 2022 en langetermijnagenda Het verslag wordt zonder wijzigingen vastgesteld, met dank aan de notulist. Van de langetermijnagenda worden de geel gearceerde actiepunten afgevoerd. De heer Van der Velde komt terug op zijn vraag bij de vaststelling van de agenda over een stuk op de postlijst. Hij was vergeten dat de griffier hem voor deze vraag naar dit agendapunt had verwezen. Het ging hem om het Beleidsplan Sociaal Domein 2023-2026. Hij vraagt wanneer hij dat beleidsplan kan verwachten. Wethouder Vos had het beleidsplan al graag willen aanbieden, maar de zorg voor de vluchtelingen uit Oekraïne heeft op dit moment prioriteit. Daardoor laat het stuk langer op zich wachten dan gewenst is. De raad heeft ook besloten de looptijd ervan met een jaar te verlangen. Er wordt druk aan gewerkt. Het beleidsplan zal zo spoedig mogelijk verschijnen, maar dat wordt wel in de loop van volgend jaar.
13. Sluiting De voorzitter constateert dat de vergadering nog redelijk op tijd afgelopen is en dat de reservedatum (3 november) voor een extra vergadering niet benut hoeft te worden. Hij dankt alle deelnemers aan de vergadering voor hun inbreng en sluit de vergadering om 22.10 uur.
Verslag ongewijzigd / gewijzigd (zie het verslag van
) vastgesteld op
, commissiegriffier.
13