bijlage - plan-mer-beoordeling Oldebroek-Oost 23 oktober 2025.
Tekst van het document
RAPPORT Woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost Plan-mer-beoordeling Klant:
Gemeente Oldebroek
Referentie:
BK7459-MI-RP-250624-0003
Status:
Definitief/2
Datum:
23 oktober 2025
Projectgerelateerd
HASKONING NEDERLAND B.V. Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Netherlands Mobility & Infrastructure
Trade register number: 56515154 Telefoon: +31 88 348 20 00 Fax: +31 33 463 36 52 E-mail: info@haskoning.com Website: haskoning.com
Titel document: Ondertitel: Referentie: Status: Datum: Projectnaam: Projectnummer: Opgesteld door:
Woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost Plan-mer-beoordeling BK7459-MI-RP-250624-0003 Definitief/2 23 oktober 2025 mer-beoordeling Oldebroek BK7459 mer-adviseur
Gecontroleerd door:
Senior adviseur mer
Datum:
28 juli 2025
Goedgekeurd door:
Projectleider
Datum:
23 oktober 2025
Classificatie:
Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. Haskoning Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van Haskoning Nederland B.V. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderszins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
ii
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
De ontwikkeling
1
1.2
De mer-beoordeling
2
1.3
Samenhang met andere ontwikkelingen
3
1.4
Leeswijzer
4
2
De plan-mer-beoordeling
5
2.1
Kenmerken van het plan
6
2.2
Kenmerken van de effecten
8
3
Beschrijving van de milieuthema’s
10
3.1
Geluid
10
3.2
Verkeer
11
3.3
Luchtkwaliteit
12
3.4
Water
14
3.5
Activiteiten- en milieuzonering
16
3.6
Natuur
17
3.7
Externe veiligheid
21
3.8
Bodem
22
3.9
Archeologie
24
4
Samenvatting en conclusie
25
4.1
Samenvatting
25
4.2
Conclusie
27
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
iii
1
Inleiding
1.1
De ontwikkeling
Gemeente Oldebroek is bezig met de verkenning van mogelijke woningbouwlocaties om bij te dragen aan de nationale woonopgave met de realisatie van duizend nieuwe woningen in de regio Noord-Veluwe tot en met 2030, zoals afgesproken in de woondeal Noord-Veluwe samen met de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Oldebroek en Putten. Oldebroek-Oost is één van de mogelijke ontwikkellocaties en ligt aan de oostzijde van de dorpskern Oldebroek, rondom het Hullenbos (Figuur 1). Voor Oldebroek-Oost heeft de gemeente op basis van de Omgevingswet en de Aanvullingswet grondeigendom een voorkeursrecht gevestigd op deze gronden om de kern uit te kunnen breiden met woningbouw. Dit betekent dat de gemeente het eerste recht heeft om de grond te kopen als de eigenaren willen verkopen. Het plangebied heeft momenteel een agrarische functie met bouwland en weiland. Ontwerpbureau MA.AN heeft in opdracht van de gemeente een ruimtelijke schetsverkaveling gemaakt voor de potentiële stedelijke ontwikkeling in Oldebroek-Oost (Figuur 4, zie paragraaf 2.1). Deze schetsverkaveling is een doorvertaling van twee verkennende concepten, de opbrengst van participatie en aanvullende kaders ten aanzien van het woonprogramma, waardevolle groenstructuren en waterhuishouding De conceptuele ruimtelijke schetsverkaveling heeft de uitgangspunten geleverd voor de milieuonderzoeken.
De schets voorziet in de ontwikkeling van circa 350 wooneenheden van verschillend typologie in drie fases. Het Hullenbos en de monumentale bomenrijen die binnen het plangebied liggen, blijven behouden en dienen als inspiratie voor de nieuwe leefomgeving. Om de plannen voor Oldebroek-Oost mogelijk te maken, stelt de gemeente een omgevingsprogramma op. Daarvoor onderzoekt de gemeente welke effecten het plan heeft op het milieu. Op basis van deze milieuafweging wordt het omgevingsprogramma vastgesteld en vormt die vervolgens de basis voor het toekomstige omgevingsplan van Oldebroek-Oost. De aanleiding van het planvoornemen voor Oldebroek-Oost is de woondeal Noord Veluwe, waarin afspraken zijn gemaakt tussen gemeenten, woningcorporaties, provincie Gelderland en het Rijk om gezamenlijk het woningtekort in de regio aan te pakken. Kernpunt is de bouw van 12.500 woningen tot en met 2030. Logischerwijs zijn er hierdoor meerdere (woningbouw)ontwikkelingen gepland in de omgeving van het plangebied Oldebroek-Oost. Figuur 1: Plangebied Oldebroek-Oost
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
1
1.2
De mer-beoordeling
Om het milieubelang volwaardig mee te kunnen nemen in de besluitvorming over activiteiten of plannen die (mogelijke) nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet in Nederland soms een milieueffectrapportage (mer) procedure worden doorlopen. Hierbij wordt er een milieueffectrapport (MER) opgesteld waarin de milieugevolgen van een plan of project in beeld worden gebracht. In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit (bijlage V) is aangegeven voor welke activiteiten of plannen dat geldt. In Nederland wordt onderscheid gemaakt in een plan-mer en een project-mer, het verschil zit hem in de mate van uitwerking van activiteiten. Een plan-mer geldt voor plannen en programma’s, een project-mer voor besluiten en vergunningen. In sommige gevallen zijn aanzienlijke milieugevolgen niet aan de voorkant uit te sluiten, in dat geval kan een mer-beoordelingsplicht gelden. Op basis van een merbeoordeling wordt bepaald of de mer-procedure moet worden doorlopen en een MER moet worden opgesteld. Er bestaan drie hoofdsporen die bepalen of er sprake is van een mer-(beoordelings)plicht: 1) Het project staat in kolom 1 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarbij wordt er voldaan aan de gevallen zoals aangegeven in kolom 2 of kolom 3 én dient er een plan of vergunning gemaakt danwel gewijzigd te worden, zoals opgenomen in kolom 4. Er is dan sprake van een project-merplicht.
Als er een kaderstellende visie, programma of plan voor een dergelijk project wordt vastgesteld is sprake van een plan-mer-plicht; 2) Er moet, vanwege mogelijke nadelige effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied, een passende beoordeling gemaakt worden in combinatie met een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan. Ook dan is sprake van een plan-mer-plicht; 3) Het project is niet opgenomen in kolom 1 van Bijlage V (het valt niet onder hoofdspoor 1), maar er worden wel aanzienlijke effecten verwacht. Is er voor Oldebroek-Oost sprake van een plan-mer-plicht of plan-mer-beoordelingsplicht? Voor kaderstellende plannen en programma’s als het omgevingsprogramma voor de ontwikkeling van woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost in gemeente Oldebroek geldt voor mer-(beoordelings)plichtige activiteiten een plan-mer-plicht. In sommige gevallen hoeft echter niet een volledige plan-mer doorlopen te worden en kan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling. Of een plan-mer-plicht of plan-merbeoordelingsplicht aan de orde is, volgt uit hoofdstuk 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.36 Omgevingswet bepaalt de hoofdregel. Het bevoegd gezag maakt voor een plan of programma bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport (MER) als dat plan of programma het kader vormt van te nemen besluiten voor projecten.
Het gaat dan om besluiten voor projecten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid Omgevingswet (spoor 1). Het tweede lid bepaalt dat er een plan-mer van toepassing is, als er een passende beoordeling moet worden gemaakt (spoor 2). Onder bepaalde voorwaarden kan echter volstaan worden met een plan-mer-beoordeling waarin beoordeeld wordt of een volledige plan-mer nodig is. Dit volgt uit artikel 16.36, derde of vierde lid Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit. In twee situaties kan een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd: 1) Er bestaat een uitzondering op de plan-mer-plicht voor plannen en programma’s (lid 1): a. Wanneer het plan of programma het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau (“kleine gebieden regeling”), of b. Wanneer er sprake is van kleine wijzigingen van een plan of programma.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
2
Een plan-mer-beoordeling is in deze gevallen voldoende, tenzij uit de plan-mer-beoordeling blijkt dat er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen. In dat geval moet alsnog een volledige plan-mer uitgevoerd worden. In beide situaties kan er ook voor gekozen worden om gelijk een plan-mer te starten. 2) Het plan of programma vormt een kader voor projecten die mogelijk aanzienlijke milieueffecten hebben, maar het betreft projecten die niet zijn opgenomen in kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daardoor is het plan niet direct plan-mer-plichtig, maar kan er een plan-merbeoordeling worden uitgevoerd (artikel 16.36, vierde lid Omgevingswet). De woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost en de mer-plicht Omdat het omgevingsprogramma voor Oldebroek-Oost de transformatie van bouwland en weiland naar woongebied als uitganspunt heeft, wordt dit plan aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (J11) binnen het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat daarbij om de aanleg van stedelijk gebied. Zoals te zien in Figuur 2 is daarom een plan-mer-beoordeling vereist (hierna mer-beoordeling genoemd).
Figuur 2: mer-beoordelingsplicht o.b.v. bijlage V bij het Omgevingsbesluit
De mer-beoordeling heeft tot doel te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling aanzienlijke milieugevolgen kan veroorzaken en te beoordelen of aanvullend een uitgebreide milieueffectrapportage noodzakelijk is. In deze beoordeling worden de aspecten geluid, verkeer, luchtkwaliteit, water, activiteitenen milieuzonering, natuur, externe veiligheid, bodem en archeologie in samenhang beschouwd. De beoordeling draagt bij aan een zorgvuldige afweging van belangen en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
1.3
Samenhang met andere ontwikkelingen
In de omgeving van het plangebied vindt een aantal andere (woningbouw)ontwikkelingen plaats binnen een straal van twee kilometer: • Oldebroek West 3: in dit gebied worden circa 215 woningen gerealiseerd. Het bestemmingsplan is in juli 2024 vastgesteld. • Bedrijventerrein Broeklanden III: ontwikkeling van een bedrijventerrein op de grens met de gemeente Elburg. Hiervoor wordt een omgevingsprogramma opgesteld. • Oldebroek Centrum: het centrum van Oldebroek wordt herontwikkeld met ruimte voor detailhandel, horeca, nieuwe parkeerplaatsen en circa 75 nieuwe woningen. Het ontwikkelkader wordt naar verwachting in oktober 2025 vastgesteld. Deze ontwikkelingen worden ontsloten via dezelfde hoofdweg (de Zuiderzeestraatweg).
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
3
Op meer dan 2 kilometer maar binnen de 10 kilometer grens liggen zoekgebieden voor woningbouwontwikkeling van de gemeente Elburg (Horstkamp Elburg, Elburg-Oostendorp Zuid) en de gemeente Wezep (Wezep-Oost, Buurtmidden Wezep-Noord, De Brink). De effecten van deze ontwikkelingen worden beoordeeld in aparte planprocedures.
1.4
Leeswijzer
Deze plan-mer-beoordeling bevat de informatie op basis waarvan het bevoegd gezag besluit of er sprake is van "aanzienlijke milieueffecten", die het doorlopen van de mer-procedure wenselijk/noodzakelijk maken. De beoordeling van het voornemen is vanwege de plan-mer-beoordelingsplicht gekoppeld aan de criteria uit bijlage II bij de SMB-richtlijn. Hoofdstuk 2 gaat hier dieper op in, specifiek betreft het de kenmerken van het plan (criterium 1) en de kenmerken van de effecten (criterium 2). In hoofdstuk 3 zijn per milieuthema de potentiële effecten van het plan op de omgeving beschouwd. Tot slot worden in hoofdstuk 4 de samenvatting en de conclusie beschreven.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
4
2
De plan-mer-beoordeling
In de plan-mer-beoordeling worden, voor het oordeel of de potentiële functiewijziging van bouwland en weiland naar woongebied aanzienlijke milieueffecten heeft, de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn gehanteerd. Dit volgt uit artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit en artikel 16.36, lid 5 van de Omgevingswet. In bijlage II van de SMB-richtlijn staan de twee hoofdcriteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het beoordelen van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten, namelijk de kenmerken van het plan (criterium 1) en de kenmerken van de effecten (criterium 2). Onderstaande figuur geeft een nadere toelichting van de criteria. Eisen aan de plan-mer-beoordeling volgens Bijlage II van de SMB-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het plan • De mate waarin het plan of programma een kader is voor de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere activiteiten. En voor de toewijzing van hulpbronnen. • De mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel. • De relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling. • Milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma.
• De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap. Bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming. Kenmerken van de effecten • De waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten • De cumulatieve aard van de effecten • De grensoverschrijdende aard van de effecten • De risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen) • De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) • De waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: o bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed; o de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden; o intensief grondgebruik; o de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, of in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend. Figuur 3: Eisen aan de plan-mer-beoordeling volgens Bijlage II van de SMB-Richtlijn milieueffectbeoordeling
In de tabellen in de navolgende paragrafen vindt de beoordeling plaats aan de criteria die zijn genoemd in Bijlage II van de SMB-richtlijn. In paragraaf 2.1 zijn de kenmerken van het plan toegelicht, gevolgd door de kenmerken van de effecten in paragraaf 2.2.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
5
2.1
Kenmerken van het plan
Het plan De woningbouwontwikkeling bestaat uit circa 350 nieuwe woningen, die in drie fases gerealiseerd zullen worden (Figuur 4). Fase 1 (oranje) bestaat uit circa 80 woningen die in 2027/2028 opgeleverd zullen worden. Fase 2 (geel) bestaat uit circa 80-90 woningen, die in 2029 opgeleverd zullen worden. De oplevering van fase 3 (paars), bestaande uit circa 200-210 woningen, is nog onbekend. De nieuwe woningen zullen gelijk verdeeld worden over de sociale, betaalbare en vrije sector. Het aanbod richt zich op verschillende doelgroepen, met vooral tussen- en rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementen. Ligging van het plangebied Het plangebied betreft een terrein van circa 12,5 hectare en ligt in het westen van de Gelderse gemeente Oldebroek, direct ten oosten van de bebouwde kern van de plaats Oldebroek (Figuur 1). Het plangebied omsluit het Hullenbos, een relatief klein natuurgebied met parkachtige functie voor de bewoners van het dorp. Ten noorden van het plangebied ligt de gebiedsontsluitingsweg Zuiderzeestraatweg met zijn historische lintbebouwing. Aan deze weg, tegen het plangebied aan, ligt ook de brandweerkazerne van Oldebroek. Direct ten oosten van de brandweer is een bedrijfsfunctie aanwezig. Aan de gehele oostzijde wordt het plangebied begrensd Figuur 4: Schetsverkaveling Oldebroek-Oost. Bron: Buro MA.AN.
door een onverhard pad met bomen. Ten oosten van deze weg ligt ook een uitloper van het bedrijventerrein Oude Dijk. Aan de zuidzijde van het plangebied is agrarisch land aanwezig. Daaronder loopt de Bovenstraatweg, een typische lintweg met verspreide bebouwing en zowel woon- als agrarische functies langs de route. Dit gemengde landschapskarakter typeert de omgeving van Oldebroek, welke bestaat uit open polderlandschap, bos, heide en coulisselandschap. Op circa twee kilometer afstand ten zuiden van het plangebied begint het Natura 2000-gebied de Veluwe, dat een beschermd gebied is op basis van zowel de Habitatrichtlijn (HR) als de Vogelrichtlijn (VR). Kenmerken van het plan In onderstaande tabel zijn de kenmerken van het plan verder toegelicht op basis van bijlage II van de SMB-richtlijn. Tabel 1: Kenmerken van het plan conform beoordelingscriteria uit Bijlage II van de SMB-richtlijn.
Criteria
Beschrijving
De mate waarin het plan of programma een kader is voor de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden voor projecten en andere
Het omgevingsprogramma Oldebroek-Oost vormt een kader in de zin van Bijlage II van Richtlijn 2001/42/EG (de SMB-richtlijn). In het bijzonder is sprake van een plan dat: • De ligging bepaalt van de voorgenomen ontwikkeling, door het aanwijzen van specifieke locaties en fasering (fase 1, 2 en 3);
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
6
Criteria
Beschrijving
activiteiten. En voor de toewijzing van hulpbronnen.
De aard van de activiteit vastlegt, namelijk woningbouw van het type tussen- en rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen, vrijstaande woningen en appartementen; • De omvang van de ontwikkeling begrenst, door het vastleggen van het maximaal aantal woningen (circa 350) binnen de begrenzing van het plangebied waar vandaan de effecten op de omgeving ontstaan (zie Figuur 1). • Gebruiksvoorwaarden stelt, waaronder regels voor geluid, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, waterhuishouding en archeologische bescherming. Voor sommige thema’s volgen de gebruiksvoorwaarden bij de verdere uitwerking van het plan. De toewijzing van hulpbronnen worden later in het proces geregeld, tijdens het vaststellen van het omgevingsplan. Gelet op het voorgaande is het plan kaderstellend voor toekomstige mer-(beoordelings)plichtige besluiten en is sprake van een plan als bedoeld in artikel 16.36, derde lid, van de Omgevingswet. Daarmee is het plan plan-mer-beoordelingsplichtig.
De mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's beïnvloedt, inclusief de plannen die deel zijn van een hiërarchisch geheel.
Het omgevingsprogramma Oldebroek-Oost vormt de basis voor een toekomstig nieuw omgevingsplan. Het programma draagt bij aan de uitvoering van beleidsdoelstellingen op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau, zoals de NOVI, de Woondeal Noord-Veluwe, de Provinciale Omgevingsvisie Gelderland en de Toekomstvisie kern Oldebroek. Het plan maakt deel uit van een hiërarchisch geheel van plannen en beïnvloedt de uitvoering daarvan.
De relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling.
Omgevingsprogramma Oldebroek-Oost integreert milieuoverwegingen op structurele wijze in de planvorming. Het plan draagt bij aan duurzame ontwikkeling door binnen het plangebied ruimte voor water en groen te reserveren Daarnaast zullen water en bodem sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes. Het beperken van milieubelasting (lucht, geluid, bodem, water) is een belangrijk uitgangspunt bij uitwerking van het plan. Daarmee zijn milieuoverwegingen geïntegreerd in het plan en worden duurzame ontwikkeling in de zin van de SMB-richtlijn bevorderd.
Milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma.
Milieuproblemen die relevant zijn voor het omgevingsprogramma Oldebroek-Oost: • Geluidhinder: Er is nader onderzoek nodig om de precieze locatie en mate van overschrijding vast te stellen maar op basis van huidige inzichten is het waarschijnlijkheid dat geluidsnormen overschreden zullen worden door (toegenomen) wegverkeer en industrielawaai. Mitigerende maatregelen zullen nodig zijn. • Verkeershinder: Door de berekende toename van de verkeersintensiteit en de huidige inrichting van het omliggende wegennet moeten sommige wegvakken meer geschikt worden gemaakt als gebiedsontsluitingsweg. De huidige inrichting kan leiden tot onveilige verkeerssituaties, vooral bij de Zuiderzeestraatweg, en verkeersopstoppingen veroorzaken die de lokale brandweerkazerne hinderen als de verkeersafwikkeling niet wordt verbeterd. • Luchtkwaliteit: De planbijdrage op de luchtkwaliteit is vastgesteld op niet in betekenende mate', zonder anticipatie op mogelijke cumulatie-effecten met nabijgelegen ontwikkelprojecten. Nader onderzoek is nodig om overschrijding van de standaardwaarden te voorkomen. • Waterhuishouding: Er is geen sprake van relevante milieuproblemen op het gebied van waterhuishouding, mits de adviezen in het waterhuishoudkundige plan worden nageleefd. • Activiteiten- en milieuzonering: Binnen een straal van 500 meter van een deel van het plangebied ligt een geitenhouderij.
De GGD raadt gevoelige bebouwing binnen deze straal af. Daarnaast vormt de nabijheid van
23 oktober 2025
•
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
7
Criteria
Beschrijving
•
•
• •
•
De relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de gemeenschap. Bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming.
2.2
agrarische percelen (<50 meter) een aandachtspunt ten aanzien van spuitzones. Gebiedsbescherming: In de verstrekte passende beoordeling van BOOT is gerekend met Aerius versie 2024.2.1. De berekende stikstofdepositie is 0,32 mol N/ha/j op de Veluwe en 0,06 op de Rijntakken. Beiden waarden worden met intern salderen 0. Deze passende beoordeling dient in aanloop naar de vergunningaanvraag aangevuld te worden met informatie over andere verstoringsbronnen en een ecologisch oordeel over de relevantie van de planbijdrage. Eventuele cumulatie met nabijgelegen gebiedsontwikkelingen is in deze berekening niet meegenomen en daarom niet uitgesloten; gebiedsbescherming is daarmee een aandachtspunt en nader onderzoek is aanbevolen. Soortenbescherming: In het plangebied kan de aanwezigheid van verscheidene beschermde diersoorten niet uitgesloten worden op basis van de huidige inzichten. Aanvullend onderzoek is nodig om het omgevingsprogramma uit te werken met inachtneming van de verdere resultaten. Externe veiligheid: Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied. Bodemkwaliteit: Binnen het plangebied is een locatie met een verhoogd PAK-gehalte aangetroffen. Daarnaast zijn er meerdere locaties als verdacht aangemerkt. Deze moeten nader onderzocht worden alvorens de uitvoering van het bouwplan. Archeologie: In en rondom het gebied is er sprake van archeologische vindplaatsen.
De archeologische verwachtingswaarde is op bepaalde plekken middelmatig tot hoog. Archeologisch vooronderzoek dient te worden uitgevoerd om dit verder in kaart te brengen
Het plan is relevant voor de toepassing van de diverse onderdelen van de Europese milieuwetgeving: • Kaderrichtlijn Water (KRW): Het plangebied ligt in een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. De omgevingsverordening Gelderland legt daarom bepaalde restricties op voor ontwikkelingen binnen dit gebied, waarmee rekening gehouden dient te worden. Om te voldoen aan de gestelde bergingseis wordt infiltratie van hemelwater gerealiseerd via wadi’s, waarmee voldaan kan worden aan de bergingseis. De ontwateringseis kan gehandhaafd worden door ophoging van het maaiveld met enkele decimeters. • Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000): Mogelijke cumulatieve effecten buiten beschouwing gelaten is met gebruikmaking van intern salderen de stikstofdepositie op de Veluwe en de Rijntakken gelijk aan nul. • Richtlijn luchtkwaliteit: De ontwikkeling van circa 350 woningen valt in principe onder de NIBM-regeling (Niet In Betekenende Mate). Aanvullende toetsing aan luchtkwaliteitsnormen is echter vereist, omdat aanzienlijke gevolgen voor luchtkwaliteit niet uitgesloten kunnen worden wat betreft de cumulatie met andere ontwikkelingen in de omgeving.
Kenmerken van de effecten
Deze plan-mer-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost. Al deze onderzoeken worden opgenomen in de bijlagen van het omgevingsprogramma. Onderstaande tabel bevat een beschrijving van de kenmerken van de effecten volgens bijlage II van de SMB-richtlijn. Een beschouwing per milieuthema is terug te vinden in hoofdstuk 3 van deze mer-beoordeling.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
8
Tabel 2: Beschrijving kenmerken van de effecten
Criteria
Beschrijving
De waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten
Bepaalde milieueffecten kunnen tijdelijk en incidenteel van aard zijn en met name in de aanlegfase spelen. Er zijn echter effecten in de gebruiksfase die in mindere mate beheersbaar en omkeerbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan de blijvende effecten op verkeer en luchtkwaliteit. Het optreden van aanzienlijke milieueffecten (in cumulatie met nabijgelegen projecten) is voor enkele thema’s nog niet uit te sluiten en daarmee tot in zekere mate waarschijnlijk in het geval er geen maatregelen worden getroffen.
De cumulatieve aard van de effecten
Er is op voorhand geen sprake van cumulatieve milieueffecten. Wel moet worden voorkomen dat cumulatieve effecten met andere projecten ontstaan, gezien de bijdrage aan stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied de Veluwe.
De grensoverschrijdende aard van de effecten
Er is geen sprake van grensoverschrijdende milieueffecten. De effecten van het plan blijven beperkt tot het Nederlandse grondgebied en hebben geen invloed op buurlanden.
De risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen)
De GGD GHOR heeft een negatief advies uitgebracht jegens het plan voor Oldebroek-Oost vanwege de aanwezigheid van een geitenhouderij binnen 500 meter van een deel van het plangebied. Binnen deze straal is er sprake van een verhoogd risico op longontsteking bij kinderen en ouderen. De verhoogde verkeersbewegingen in combinatie met de huidige wegenstructuur rondom het plangebied leidt tot extra risico’s voor verkeersveiligheid en leefbaarheid, waardoor maatregelen nodig zijn.
De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden)
De meeste effecten van het plan zijn grotendeels kleinschalig, lokaal en tijdelijk. Ze beperken zich voornamelijk tot het plangebied en de aangrenzende woonomgeving van de kern van Oldebroek.
De waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed, gelet op: • bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed • de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden • intensief grondgebruik
Het gebied kent enkele gevoelige waarden (Nationaal landschap, archeologische waarden, kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied ElburgWezep), maar deze kunnen ondanks het relatief intensieve grondgebruik tijdens de gebruiksfase voldoende beschermd worden door uitvoering van nadere onderzoeksadviezen en naleving van de beschreven plichten. De waarde en kwetsbaarheid van het gebied vormen zodoende geen belemmering voor het vaststellen van het omgevingsprogramma, aangezien de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen en grenswaarden voorkomen kunnen worden.
De effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de gemeenschap, of in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
Het belangrijkste beschermde Natura-2000 gebied dat dicht bij het plangebied ligt, is de Veluwe. Negatieve effecten van geluid, licht en menselijke activiteit zijn uitgesloten door de tussenliggende afstand en aanwezige tussenliggende elementen. De stikstofdepositie geproduceerd tijdens de aanleg- en gebruiksfase van het plangebied zijn berekend op 0,33 mol/ha/jaar en met interne saldering op 0,00 mol/ha/jaar. Daarbij is ook de verplichte 35% afroming toegepast. De negatieve effecten van het geïsoleerde plan op stikstofgevoelige habitat zijn daarmee gemitigeerd.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
9
3
Beschrijving van de milieuthema’s
Voor het beoordelen van de milieueffecten in deze mer-beoordeling is input nodig van de diverse milieuthema’s. In dit hoofdstuk zijn de verschillende relevante milieuthema’s toegelicht en is er een conclusie getrokken omtrent de al dan niet aanwezige aanzienlijke milieugevolgen als gevolg van de woningbouwontwikkeling Oldebroek-Oost.
3.1
Geluid
In het kader van geluid is er in 2025 door Haskoning een memo opgesteld met daarin een doorkijk naar geluidshinder als gevolg van industrielawaai en wegverkeerslawaai op basis van expert judgement. De plannen voor Oldebroek-Oost maken nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk, die liggen in het aandachtsgebied van de N308. Wettelijk kader In dit onderzoek is een beschouwing gegeven conform het Bkl. Het geluid bij een nieuw geluidgevoelig gebouw mag in beginsel niet hoger zijn dan de wettelijke standaardwaarde (Bkl, artikel 5.78t). Daarbij geldt voor iedere geluidbronsoort een andere standaardwaarde. Voor provinciale wegen en rijkswegen is de standaardwaarde 50 Lden en de grenswaarde 60 Lden. Voor industrieterreinen geldt 40 Lden als standaardwaarde en 45 Lden als grenswaarde. Als het akoestisch onderzoek aantoont dat het geluid bij een nieuw geluidgevoelig gebouw hoger is dan de wettelijke standaardwaarde, dan moeten mogelijke geluidbeperkende maatregelen worden onderzocht. Het doel is om de geluidsbelasting terug te brengen tot de standaardwaarde of, als dat niet lukt, de overschrijding zo veel mogelijk te beperken. Daarbij mag het geluid nooit hoger zijn dan de wettelijke grenswaarde. Wegverkeerslawaai Het geluid van wegverkeer vormt een knelpunt voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen die binnen het 200 meter aandachtsgebied bestaande wegen worden gebouwd.
Vooral de Zuiderzeestraatweg is een geluidsbron waar rekening mee gehouden moet worden. Maar na ontwikkeling van het plangebied wordt ook verwacht dat de gemeentelijke wegen rondom het plangebied een relevante geluidsbron zullen vormen. Nader onderzoek is nodig om te bepalen op welke afstand precies de wettelijke geluidsnorm wordt overschreden. Niettemin luidt het advies om bij het stedenbouwkundig ontwerp alvast rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat overschrijdingen van de wettelijke geluidsnorm niet volledig kunnen worden opgelost met geluidsreducerende maatregelen. Daarom wordt aangeraden om ervoor te zorgen dat alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel die van de weg af is gericht, met aan de geluidluwe zijde de buitenruimte en bij voorkeur ook een slaapkamer. Eenzijdig georiënteerde woningen nabij wegen worden afgeraden. Ook wordt aangeraden om bij het creëren van geluidluwe gevels rekening te houden met mogelijke verstorende geluidbronnen, zoals warmtepompen, sportvelden en parkeerterreinen. Daarnaast is het waarschijnlijk dat het geluid van bestaande wegen bij bestaande geluidgevoelige gebouwen met meer dan 1,5 dB toeneemt. Nader akoestisch onderzoek is nodig om de precieze toename vast te stellen en om te bepalen welke geluidbeperkende maatregelen geïmplementeerd kunnen worden om overschrijding te voorkomen.
Industrielawaai en geluid van activiteiten Grenzend aan het plangebied bevindt zich een bedrijfsfunctie, brandweerkazerne, een maatschappelijke functie en een sportfunctie. Op basis van de huidige inzichten kan geluidsoverlast ten aanzien van deze aanwezige functies niet uitgesloten worden. De bestaande functies en bedrijven mogen niet belemmerd worden in hun beweegruimte. Burgerparticipatie en informatievoorziening zal daarom extra belangrijk zijn. Bovendien luidt het advies om alle functies die zich binnen een straal van 50 meter van de grens van het 23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
10
plangebied bevinden en die mogelijke geluidshinder kunnen veroorzaken, te onderzoeken op hun geluidsniveaus. Er kan gekozen worden om woningen te bouwen binnen de omgevingswaardegrenzen van omliggende functies, mits uit geluidsonderzoek blijkt dat de functies op een evenwichtige manier aan de locaties worden toegewezen. Daarbij mag de geluidsbelasting niet hoger zijn dan de waarden in het omgevingsplan en het Bkl. Het advies is hierbij om uit te gaan van de waarden voor een rustige woonwijk en niet van die voor een gemengd gebied, dus 45 dB in plaats van 50 dB. Omdat de beweegruimte van de bestaande omliggende functies gerespecteerd moet worden, kan dit betekenen dat er minder ruimte is voor bouw of dat er maatregelen getroffen moeten worden om geluidsoverlast te beperken. Conclusie: Wegverkeerslawaai vormt een knelpunt voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen die binnen 200 meter van bestaande wegen worden ontwikkeld. Ook bij bestaande gebouwen wordt een toename van meer dan 1,5 dB verwacht. Nader akoestisch onderzoek is nodig om de locatie van geluidsnormoverschrijding vast te stellen en passende maatregelen te bepalen. Ten aanzien van geluid van omliggende activiteiten dienen de belemmerende activiteiten vastgesteld te worden en is het advies om aanvullend geluidsonderzoek uit te voeren zoals beschreven in de memo van de geluidspecialisten.
Dit onderzoek moet aantonen dat de geluidsniveaus bij de geprojecteerde gevoelige functies niet hoger zijn dan de omgevingswaarden uit het Omgevingsplan en het Bkl en dat bestaande bedrijven niet in hun beweeg- en ontwikkelingsruimte worden beperkt. Er is geen sprake van aanzienlijke milieugevolgen, mits aanvullend onderzoek bij verdere planvorming wordt uitgevoerd en passende mitigerende maatregelen worden getroffen.
3.2
Verkeer
De invulling van deze paragraaf over verkeer is gebaseerd op de studie verkeerseffecten uitgevoerd door Goudappel in 2024. Daarnaast is het advies van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) in beschouwing genomen. Resultaten De effecten op de verkeersintensiteit zijn berekend met een relatief hoge verkeersgeneratie per woning. Voor fase 1 is uitgegaan van 80 woningen. Voor fase 2 en fase 3 samen is een totaal van 370 woningen aangehouden. Met deze drie fases samen wordt er gerekend op 3500 extra verkeersbewegingen in 2030 (600 voor fase 1 en 2900 voor fase 2 en 3), na realisatie van het plan. In de huidige situatie zijn er al aanzienlijke knelpunten aanwezig op de Zuiderzeestraatweg, de belangrijkste hoofdweg rondom het plangebied. In het bijzonder staat de verkeersveiligheid en leefbaarheid onder druk in het centrumgedeelte door de combinatie van smalle fietsstroken, geparkeerde voertuigen naast de rijbaan, de limiet van 50 km/h en relatief hoge verkeersintensiteiten. In de toekomstige situatie zal dit verergeren door de toegenomen verkeersintensiteit. Daarom is het noodzakelijk passende maatregelen te nemen. Er zijn verschillende maatregelen mogelijk. Een kleinschalige maatregel om de verkeersveiligheid en leefbaarheid plaatselijk te verbeteren is het aanbrengen van extra snelheid verlagende maatregelen en betere oversteekvoorzieningen.
Maar om de toekomstige verkeersintensiteit op een veilige manier te kunnen verwerken, is het wenselijk verdergaande maatregelen te nemen, namelijk: een goed ingerichte gebiedsontsluitingsweg met een snelheidslimiet van 50 km/u aan te leggen. Dit is niet goed mogelijk binnen de huidige beperkte beschikbare ruimte. Daarom wordt grootschalige reconstructie van het profiel geadviseerd, waarbij vrijliggende fietspaden worden toegevoegd. Hiervoor moet ruimte gewonnen worden, bijvoorbeeld door de bestaande parkeerplaatsen naast de rijbaan te verplaatsen naar alternatieve locaties. De meest ingrijpende maatregel die onderzocht is, is de realisatie van een randweg. In
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
11
combinatie met een afwaardering van de Zuiderzeestraatweg lijkt deze maatregel te leiden tot een aanzienlijke afname van het verkeer op de hoofdweg en daarmee de enige volledig toekomstbestendige oplossing voor de verkeersknelpunten als gevolg van de woningbouwplannen. Wat betreft de ontsluiting van het nieuwe woongebied Oldebroek-Oost zijn verschillende mogelijkheden onderzocht. De beoogde ontsluiting van fase 1 is via de Stouwdamsweg, dit is verkeerskundig mogelijk. Voor de ontsluiting van fase 2 en 3 is een directe ontsluiting via de Zuiderzeestraatweg en mogelijk een extra ontsluiting via de Mheneweg Zuid onderzocht. De ontsluiting via de Zuiderzeestraatweg vergt de inpassing van een nieuw kruispunt met middengeleiders. Hiervoor moet het ruimtebeslag en de mogelijke inpasbaarheid onderzocht worden. Bij de extra ontsluiting van de Mheneweg Zuid is ook een aanpassing van het kruispunt met de Zuiderzeestraatweg nodig, zodat fietsers daar veilig in twee keer kunnen oversteken. Tot slot adviseert VNOG de aanleg van een afsluitbare achteringang richting de nieuwe woonwijk, om de paraatheid van de brandweer te waarborgen bij verwachte opstoppingen op de Zuiderzeestraatweg. Zo blijft de kazerne bij incidenten via een alternatieve route beter bereikbaar voor uitrukkende brandweervoertuigen.
Conclusie: Om de verkeersveiligheid en leefbaarheid rondom Oldebroek-Oost te waarborgen bij de toekomstige verkeersdruk, zullen bij verdere planvorming maatregelen getroffen moeten worden, met name op de Zuiderzeestraatweg. Ook zijn maatregelen nodig om de paraatheid van de brandweer te garanderen tijdens de gebruiksfase. Door deze aandachtspunten in te passen in de verdere planvorming kunnen negatieve gevolgen gemitigeerd worden. Er is dan geen sprake van aanzienlijke milieugevolgen.
3.3
Luchtkwaliteit
De invulling van deze paragraaf over luchtkwaliteit is gebaseerd op de teksten zoals opgenomen in het masterplan dat dient als de basis voor het omgevingsprogramma Oldebroek-Oost, de uitgangspunten uit het verkeersonderzoek van Goudappel en op artikel 5.54 van het Bkl. Wettelijk kader Onder de Omgevingswet wordt luchtkwaliteit beoordeeld aan de hand van aandachtsgebieden. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10), waardoor bij ontwikkelingen strengere aandacht voor naleving en toetsing geldt vanwege de bestaande dreigende overschrijdingen. In het Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen; Oldebroek valt niet binnen een aandachtsgebied. Toetsing van luchtkwaliteit op basis van omgevingswaarden en blootstelling Naast het gebruik van aandachtsgebieden wordt luchtkwaliteit beoordeeld door gemeten waarden te vergelijken met omgevingswaarden. De omgevingswaarden voor luchtverontreinigende stoffen zoals NO₂ en PM₁₀ zijn opgesteld om de gezondheid van mensen te beschermen op plekken waar zij verblijven. Het blootstellingscriterium bepaalt op welke locaties aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit moet worden getoetst, namelijk alleen op plaatsen met langdurige blootstelling.
De omgevingswaarden geven de hoogst toelaatbare concentraties aan, namelijk: • Stikstofdioxide (NO2) o Tot 2030: 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde o Vanaf 2030 (aangepaste Europese richtlijnen): 20 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde Daarnaast is de advieswaarde van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) 10 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
12
Fijnstof (PM10) o Tot 2030: 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde o Vanaf 2030 (aangepaste Europese richtlijnen): 20 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde Daarnaast is de advieswaarde van de WHO 15 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. •
Planbijdrage (NIBM) Volgens artikel 5.53 van het Bkl hoeft een project of activiteit niet getoetst te worden aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit als deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dit betekent concreet dat toetsing achterwege kan blijven wanneer de activiteit leidt tot een verhoging van de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO₂) en fijnstof (PM₁₀) van maximaal 1,2 μg/m³ in de buitenlucht. In artikel 5.54 Bkl is een aantal standaardgevallen aangewezen die automatisch als NIBM worden beschouwd. Voor de ontwikkeling van woonwijken ligt de grens op 1500 woningen met één ontsluitingsweg. Aangezien wegverkeer de grootste bron van NO₂- en PM₁₀- emissies vormt, is het aantal ontsluitingswegen hierin van belang en ligt de NIBM-grens op een hoger woningaantal bij meerdere ontsluitingswegen, mits het verkeer gelijkmatig verdeeld wordt over de ontsluitingswegen. Resultaten Omgevingswaarden Het voornemen betreft de ontwikkeling van woningen. Omdat woningen worden beschouwd als locaties van langdurige blootstelling, moeten zij worden getoetst aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Op basis van de Atlas van de leefomgeving is de kalenderjaargemiddelde stikstofdioxide- en fijnstofconcentratie nabij het plangebied beoordeeld in vergelijking met de omgevingswaarden en de WHO-advieswaarden.
Bij gebrek aan recentere meetgegevens zijn de gemeten concentraties uit 2023 gebruikt. Stikstof In 2023 was de gemiddelde stikstofdioxideconcentratie in het plangebied 10 µg/m³. Deze concentratie ligt precies op de WHO-advieswaarde en onder de geldende omgevingswaarde. Ervan uitgaande dat er sinds 2023 weinig of geen extra stikstofuitstoot rondom het plangebied is bijgekomen, kunnen er in OldebroekOost woningen worden gerealiseerd zonder onaanvaardbare nadelige gezondheidseffecten voor de toekomstige bewoners. Dit betreft uitsluitend de beoordeling van de huidige luchtkwaliteit voorafgaand aan de planrealisatie Oldebroek-Oost en andere nabijgelegen planvoornemens (beschreven in de laatste alinea van paragraaf 1.3). Fijnstof De gemiddelde fijnstofconcentratie lag in 2023 in het plangebied rond de 14 µ/m3. Deze concentratie ligt onder de wettelijke grenswaarde en de WHO-advieswaarde. Ervan uitgaande dat er sinds 2023 weinig of geen extra fijnstofuitstoot rondom het plangebied is bijgekomen, kunnen er in Oldebroek-Oost woningen worden gerealiseerd zonder onaanvaardbare nadelige gezondheidseffecten voor de toekomstige bewoners. Dit betreft uitsluitend de beoordeling van de huidige luchtkwaliteit voorafgaand aan de planrealisatie Oldebroek-Oost en andere nabijgelegen planvoornemens (beschreven in de laatste alinea van paragraaf 1.3.
Planbijdrage (NIBM) Het woningbouwplan van circa 350 woningen valt ruim binnen de gestelde NIBM-grens van 1500. Daarom wordt ervan uitgegaan dat het planbijdrage onder de 1,2 μg/m³ ligt, voor zowel stikstof als fijnstof. In dit oordeel zijn eventuele cumulatie-effecten met nabijgelegen ontwikkelingen, zoals beschreven in paragraaf 1.3 niet meegenomen. Oldebroek heeft één hoofdontsluitingsweg, namelijk de Zuiderzeestraatweg, waar de overige gebiedsontwikkelingen ook op zullen aansluiten. In het verkeersonderzoek van Goudappel zijn de overige gebiedsontwikkelingen samen verantwoordelijk voor een toename van circa 13.000 extra
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
13
verkeersbewegingen op deze hoofdontsluitingsweg. Gezien dit hoge aantal, is er in samenhang met andere projecten in de omgeving mogelijk wel sprake van een significante bijdrage aan luchtverontreiniging. Om dit uit te kunnen sluiten wordt nader onderzoek aangeraden. Conclusie: De stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties nabij het plangebied liggen volgens Atlas van de Leefomgeving (2023) onder de EU-grenswaarden en rond de WHO-advieswaarden. De planbijdrage op de luchtkwaliteit valt binnen de gestelde NIBM-grenzen. Er is geen sprake van aanzienlijke milieugevolgen. Het advies luidt om eventuele cumulatie-effecten met nabijgelegen gebiedsontwikkelingen uit te sluiten in nader onderzoek.
3.4
Water
In het kader van water heeft Haskoning in 2025 de huidige situatie van het grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater in het gebied in kaart gebracht en voor deze aspecten aangegeven wat van belang is voor een goede waterhuishouding in de toekomstige plansituatie. Waterhuishoudkundig plan Het plangebied is gelegen in het kwetsbare drinkwaterreserveringsgebied Elburg-Wezep. Een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied is een gebied waar het grondwater wordt beschermd voor potentiële drinkwaterwinning in de toekomst. De omgevingsverordening Gelderland legt daarom bepaalde restricties op voor ontwikkelingen binnen dit gebied. Voor woningbouw geldt toestemmingsvrij ontwikkelen bij boren en funderen tot 10 meter diepte maar meldingsplicht en algemene regels bij grotere diepten en bij aanleg van een IBA (Individuele behandeling van afvalwater). Daarnaast is voor het plangebied Oldebroek-Oost een bergingseis gesteld van 60 mm en geldt een algemene ontwateringseis. In de volgende subparagrafen zijn de adviezen met betrekking tot het waterhuishoudkundig plan samengevat. Grondwater • De huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen dienen zo veel mogelijk in stand gehouden te worden om de invloed op grondwaterstanden en negatieve effecten op de omgeving te beperken. • De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is circa 1,2 meter boven NAP in fase 1 en fase 2 van het plangebied.
Het huidige maaiveld is hier circa 1,7 meter boven NAP en daarom lijkt ophoging nodig om aan de geldende algemene ontwateringseis te kunnen voldoen. Om beter inzicht te krijgen in de precieze benodigde ophoging is het aan te raden peilbuizen in het gebied te plaatsen. Oppervlaktewater • Voor het beheer en onderhoud van de watergangen wordt een ruimtereservering aangeraden van 5 meter aan één zijde, zodat onderhoudsmachines goed bij de watergang kunnen komen voor maaien, baggeren en het verwijderen van obstakels. Dit voorkomt verstoppingen en draagt bij aan een goed functionerend watersysteem. Deze ruimte kan gecombineerd worden met een naastgelegen weg of pad. Hemelwater • In het lage natte deel van Oldebroek-Oost (grofweg fase 1 en 2) wordt uitgegaan van een watersysteem met watervoerende watergangen met ontwaterende en waterbergende functie. Zo mogelijk blijven de bestaande watergangen intact. Door het oppervlak watergangen te vergroten kan invulling gegeven worden aan de waterbergingsopgave. In het hoge en droge deel van Oldebroek-Oost (grofweg fase 3) zal het in droge periodes niet altijd mogelijk zijn om watergangen watervoerend te houden met voldoende waterkwaliteit. Daarom wordt de benodigde 23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
14
•
waterberging en infiltratievoorziening geregeld met wadi’s, waarvoor meer ruimte ingepast moet worden bij de actualisatie van de schetsverkaveling om te voldoen aan de bergingseis. In overleg met waterschap Vallei en Veluwe is besloten de watergangen in fase 1 en 2 van Oldebroek-Oost te koppelen aan de watergangen langs de Stouwdamsweg en de Zuiderzeestraatweg net zoals dat in de huidige situatie het geval is. De huidige peilfluctuatie wordt behouden en gestuurd door de bestaande stuw bij het kruispunt van bovengenoemde straten. Op de watergang aan de westgrens van fase 1 sluit een bestaand hemelwaterriool vanuit de kern Oldebroek aan. Waarschijnlijk zal er in de toekomst meer water via dit riool afgevoerd worden vanwege verdere afkoppeling van hemelwater in Oldebroek. Dit is een aandachtspunt om rekening mee te houden.
Afvalwater Voor het afvalwater is gekeken op welke bestaande afvoeren de drie fases van het plan aangesloten zouden kunnen worden, uitgaande van het minimaal vereiste verhang van 1:400 en een minimale dekking van 1 meter. Bij voorkeur wordt onder vrijverval aangesloten en als dit niet mogelijk is met een gemaal. Voor fase 1 geldt dat deze aangesloten kan worden op de hoofdafvoerbuis, gelegen op de kruising van de Stouwdamsweg en de van Sytzamalaan. Bij de aansluiting van fase 2 op deze hoofdafvoer is het noorden van dit deelgebied een aandachtspunt, door een combinatie van een te grote afstand en te weinig verhang ten opzichte van de afvoer. Het westen en het zuidoosten van fase 2 kunnen wel aangesloten worden, omdat die respectievelijk dichterbij en hoger liggen. Voor fase 3 geldt dat de afstand tot de afvoer te groot is, waardoor de dekkingseis niet gehandhaafd kan worden. Op dit moment is het waarschijnlijk dat voor het noorden van fase 2 en voor fase 3 een rioolgemaal toegepast moet worden. Echter moet dit in een verder stadium van het plan verder uitgewerkt worden, omdat het afhangt van de hoogteligging (en ophoging maaiveld) en exacte fasering. Een tweede optie betreft het direct aansluiten van fase 2 en 3 op de hoofdafvoer bij de Zuiderzeestraatweg ter hoogte van huisnummer 213 en 215. Dit is mogelijk onder vrij verval.
Het is echter noodzakelijk om de provinciale weg (Zuiderzeestraatweg) te kruisen. Hiervoor is afstemming met de provincie Gelderland vereist. In een latere fase van de planuitwerking, wanneer meer inzicht is verkregen in de grondwaterstanden in het gebied, kan de haalbaarheid van deze afvoerroute beter worden beoordeeld. Een combinatie van beide opties is eveneens mogelijk. Daarbij kan fase 1 – en eventueel het westelijk deel van fase 2 – afwateren via de Stouwdamsweg, terwijl fase 3 en het oostelijk deel van fase 2 direct richting de Zuiderzeestraatweg worden afgevoerd. Conclusie: Op basis van de huidige uitgangspunten voor grond-, oppervlakte-, hemel- en afvalwater zijn er geen aanzienlijke milieugevolgen te verwachten voor de waterhuishouding in Oldebroek-Oost. Wel zijn er enkele aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden: Het plaatsen van peilbuizen om de benodigde ophooghoogte beter te kunnen bepalen; het reserveren van voldoende ruimte voor onderhoud aan watergangen; het inpassen van extra ruimte voor wadi’s in het hoge deel van het plangebied en het anticiperen op een toenemende hoeveelheid hemelwater uit de kern van Oldebroek via het bestaande hemelwaterriool. Door deze aandachtspunten in te passen in de verdere planvorming kunnen negatieve gevolgen gemitigeerd worden.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
15
3.5
Activiteiten- en milieuzonering
In het kader van bedrijven- en milieuzonering is door Omgevingsdienst Veluwe en door GGD Noord- en Oost-Gelderland onderzoek gedaan naar de bedrijvigheid in de directe omgeving van het plangebied. Er is onderzocht of er ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven (onevenredig) in hun belangen worden geschaad. Wettelijk kader De omgeving rondom het plangebied is getypeerd als een gemengd gebied en het planvoornemen is milieugevoelig gezien de realisatie van woningen. In een gemengd gebied gelden op basis van jurisprudentie bepaalde omgevingswaarden tussen bedrijvigheid en woningen met als doel hinder te voorkomen. Bij de ontwikkeling van woningbouw nabij agrarische percelen dient rekening te worden gehouden met de mogelijke gezondheidsrisico’s van bestrijdings- en gewasbeschermingsmiddelen. Daarom geldt er een minimale afstand van 50 meter tussen gevoelige objecten (zoals woningen en tuinen) en agrarische gronden waar gewassen worden geteeld. Deze afstand hoeft niet aangehouden te worden als het omgevingsplan dit gebruik expliciet verbiedt. Alternatief zou er locatie specifiek onderzoek/onderbouwing uitgevoerd kunnen worden waaruit blijkt dat bij een kortere afstand dan 50 meter toch een gezond leefklimaat bij de betreffende woningen en tuinen kan worden gegarandeerd.
Resultaten Ten zuiden van het plangebied liggen agrarische percelen op minder dan 50 meter. Voor het toekomstige omgevingsplan of BOPA is daarom een ruimtelijke onderbouwing nodig ten aanzien van de spuitzones, om negatieve effecten op de leefomgeving te mitigeren. De GGD Noord- en Oost-Gelderland heeft tevens geadviseerd over het woningbouwinitiatief OldebroekOost in het licht van de nabijgelegen geitenhouderij. Op basis van het landelijk VGO-III onderzoek zijn er sterke aanwijzingen dat wonen in de nabijheid van geitenhouderijen leidt tot een verhoogd risico op longontstekingen. Bacteriën afkomstig uit stalbeddingen en mest van geitenhouderijen zijn waarschijnlijk de oorzaak van het verhoogde risico, dat met name geldt voor kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en ouderen. Het verhoogde gezondheidsrisico is gevonden tot 2000 meter afstand van geitenhouderijen. Binnen deze afstand neemt het risico toe naarmate de afstand tot de geitenhouderij kleiner wordt. De GGD adviseert het toepassen van het voorzorgsbeginsel, dat hier behelst: Binnen 500 meter van een geitenhouderij geen gevoelige bestemmingen zoals woningen plannen. Voor afstanden tussen 500 en 2000 meter moet de gemeente een belangenafweging maken. Zoals te zien in Figuur 5 ligt ongeveer de helft van het plangebied Oldebroek-Oost binnen de 500 meter contour.
Daarom raadt de GGD af om medewerking te verlenen aan het initiatief Oldebroek-Oost. Het is aan de gemeente Oldebroek om een afweging te maken hoe hiermee om te gaan.
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
16
De GGD geeft twee mogelijkheden om alsnog een positief advies te verkrijgen 1: • De geitenhouderij verbieden in het toekomstige omgevingsplan. Dit zou ook gunstig zijn voor de bewoners van de kern van Oldebroek, die momenteel binnen de 2000 meter contour wonen. • Een onderzoek instellen naar de mogelijkheden om de hoeveelheid ziekteverwekkers in stal- en omgevingslucht terug te brengen door aanpassingen in de bedrijfsvoering. Figuur 5: Plangebied ten opzichte van de 500 meter contour van de geitenhouderij
Conclusie: Het plangebied Oldebroek-Oost bevindt zich in een gemengd gebied en kent milieugevoelige aspecten vanwege de geplande woningbouw. Aandachtspunten hierbij zijn de nabijheid van agrarische percelen (<50 meter) en een geitenhouderij op minder dan 500 meter afstand. Beide situaties brengen potentiële gezondheidsrisico’s met zich mee: blootstelling aan bestrijdingsmiddelen en een verhoogd risico op longontstekingen. Er is een ruimtelijke onderbouwing nodig ten aanzien van de spuitzones. Daarnaast adviseert de GGD om binnen 500 meter van de geitenhouderij geen woningen te bouwen. Voor het verkrijgen van een positief advies op het woningbouwplan noemt de GGD twee potentiële maatregelen. Mits de adviezen van GGD in acht worden genomen en deze afdoende zijn om de risico’s voldoende te mitigeren, is er geen sprake van aanzienlijke milieugevolgen. Het is aan de gemeente Oldebroek om hier een afweging in te maken.
3.6
Natuur
Voor de geplande woningbouwontwikkeling in Oldebroek-Oost is een beoordeling gemaakt van de verwachte effecten op de beschermde natuurwaarden in het gebied. Binnen deze beoordeling is een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming (Natura 2000) en soortenbescherming. Daarnaast is een notitie over de bomen (BEA) in het plangebied in beschouwing genomen. De informatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op de quickscan flora en fauna uitgevoerd door Laneco in 2025; de BEA uitgevoerd door Idverde Bomendienst in 2025; stikstofrapportage uitgevoerd door BOOT in 2025. Wettelijk kader De beoordeling is uitgevoerd binnen het wettelijk kader van de Omgevingswet, waarin de bescherming van Natura 2000-gebieden en soorten is vastgelegd. Voor projecten die kunnen leiden tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur geldt een vergunningplicht, tenzij op voorhand uitgesloten kan worden dat significante negatieve effecten optreden. De grenswaarde die hierbij wordt gehanteerd is 0,01 mol stikstof per hectare per jaar 2. Als een project intern saldeert om onder deze stikstofgrenswaarde te blijven, is een
1
Haskoning geeft geen inhoudelijk oordeel over het negatieve advies van de GGD. De verdere besluitvorming hierover behoort tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. 2 De grens is geen wettelijke norm maar een juridisch-praktische drempel die voortkomt uit de interpretatie van de Habitatrichtlijn door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), specifiek uitspraak ECLI:NL:RVS:2022:1629 [8 juni 2022 betreffende Luchthaven Eindhoven e.o. parkeergarage P5] 23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST
BK7459-MI-RP-250624-0003
17
natuurvergunning alsnog vereist. Als de grenswaarde wordt overschreden, is een nadere ecologische beoordeling vereist. De Omgevingswet beschermt inheemse soorten en hun rust- en voortplantingsplaatsen expliciet tegen verstoring en beschadiging. Het doden, vangen, verstoren of vernielen van beschermde dieren, planten en hun leefgebied is verboden zonder ontheffing. Voor sommige van deze beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling of een nulstandbeleid; die soorten zijn buiten beschouwing gelaten. De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in de Omgevingswet. Het kappen van houtopstanden is gebonden aan meldingsplicht en herplantingsplicht binnen drie jaar. Gemeenten stellen regels op in het omgevingsplan, waaronder de bebouwingscontour houtkap. Oude bosgroeiplaatsen worden extra beschermd via gemeentelijk beleid. Gemeenten moeten deze locaties aanwijzen en specifieke regels opnemen om de bijzondere ecologische en bodemwaarden te behouden. Gebiedsbescherming Aan de zuid- en oostkant van het plangebied ligt het Gelders Natuurnetwerk op ongeveer 1,5 kilometer afstand. Door deze afstand en de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten op dit netwerk op voorhand uitgesloten. Ten noorden ligt het ‘Groene Ontwikkelingsgebied’ op ongeveer 300 meter. Ook hier gaan door de werkzaamheden geen gebieden verloren en worden geen negatieve effecten verwacht.
Het plangebied maakt geen deel uit van een weidevogelkerngebied en door de aanwezige bebouwing en infrastructuur zijn ook hier geen nadelige gevolgen te verwachten. Het plangebied bevindt zich binnen het Nationaal Landschap van de provincie Gelderland. Binnen dit landschap vormen met name de bomenrijen een belangrijke kernwaarde, die de overgang markeren van zandgronden naar veenontginningen. Indien deze bomenrijen worden aangetast, dient te worden onderzocht of dit een negatief effect heeft op de kernwaarden van het landschap. Natura 2000 Het plangebied ligt ongeveer op 1,5 kilometer van Natura 2000-gebied de Veluwe, 5 kilometer van Natura 2000-gebied behorende bij de Veluwerandmeren en op 8 kilometer van Natura 2000-gebied behorende bij de Rijntakken. Natura 2000-gebieden De Wieden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, en Olde Maten en Veerslootslanden liggen op iets grotere afstand en zijn enkel in beschouwing genomen bij de effecten van de aanlegfase 3. De stikstofdepositieberekeningen zijn opgedeeld in vier fases: aanlegfasen 1, 2, 3 en de gebruiksfase. Deze vier fases samen vormen de totale bijdrage van planvoornemen Oldebroek-Oost op stikstofdepositie. Voor de Veluwe is deze 0,32 mol N/ha/jaar en voor de Rijntakken 0,06 mol N/ha/jaar.
Voor de drie gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, de Wieden en Olde maten en Veerslootslanden is de stikstofdepositie 0,01 mol N/ha/j. Uit de berekeningen blijkt dat met interne saldering voor de aanlegfase en de gebruiksfase de toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden 0,00 mol/ha/jaar is. Intern salderen houdt in dat de stikstofemissie van de bestaande toegestane activiteit (in dit geval bemesting/landbouw) wordt beëindigd, zodat de stikstofemissie van de nieuwe geplande activiteit (woningbouw) binnen die hoeveelheid past. Intern salderen wordt sinds 18 december 2024 beschouwd als mitigerende maatregel die ingezet kan worden bij de passende beoordeling. Intern salderen mag daarentegen niet langer in de voortoets gebruikt worden om aan te tonen dat een natuurvergunning niet nodig is. Door de gebruikmaking van intern salderen is het plan vergunningsplichtig onder de Omgevingswet, ook wanneer er theoretisch gezien geen sprake is van een ecologisch relevante planbijdrage
23 oktober 2025
PLAN-MER-BEOORDELING OLDEBROEK-OOST