Bijlage 2 - Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Zuiderzeestraatweg 308
Tekst van het document
l
TOELICHTING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED, ZUIDERZEESTRAATWEG 308
Vastgesteld, juni 2023 PLANIDENTIFICATIE: NL.IMRO.0269.BG192-VG01
EDOK-RO
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
EDOK-RO Van Breugelplantsoen 81 3771 VN Barneveld 06 – 1395 0955 @ info@edok-ro.nl www.edok-ro.nl
Documenttitel
: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Gemeente
: Oldebroek
Contact
: www.oldebroek.nl
Status :
: VASTGESTELD
Datum
: Juni 2023
Opsteller
: EDOK-RO
2
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
5
Toelichting
7
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging van het plangebied 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Leeswijzer
9 9 9 10 10
Hoofdstuk 2 De bestaande en gewenste situatie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Geldend planologisch regime 2.3 Gewenste situatie
11 11 11 12
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Algemeen 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
15 15 15 17 18
Hoofdstuk 4 Onderzoek 4.1 Algemeen 4.2 Cultuurhistorie 4.3 Archeologie 4.4 Bodemkwaliteit 4.5 Ecologie 4.6 Externe veiligheid 4.7 Geluid 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.10 Water 4.11 Milieueffectrapportage (MER) 4.12 Parkeren en verkeer
25 25 25 26 27 29 31 33 35 38 42 43 44
Hoofdstuk 5 Plansystematiek 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de plansystematiek 5.3 Opzet van de regels 5.4 Handhaving
45 45 45 45 47
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid van het plan 6.1 Algemeen 6.2 Economische uitvoerbaarheid 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49 49 49 49
Hoofdstuk 7 Vooroverleg en zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen Bijlagen
51 51 51 53
Bijlage 1
Inrichtings- en beplantingsplan
55
Bijlage 2
Verkennend bodemonderzoek
57
Bijlage 3
Quickscan natuurtoets
59
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeer
61
Bijlage 5
Geur
63
Bijlage 6
Watertoets
65
Bijlage 7
Participatie
67
Bijlage 8
Nota van beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan
69
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Vaststellingsbesluit
(vastgesteld)
5
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Toelichting
(vastgesteld)
7
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer heeft verzocht om op basis van functieverandering onder het VAB-beleid, medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemmingen van het perceel Zuiderzeestraatweg 308 te Oldebroek van 'Agrarisch' naar de bestemming 'Wonen'. Het plan voorziet in de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing met een gezamenlijk oppervlak van 793 m2 om zo onder het VAB-beleid de mogelijkheid op één compensatiewoning met bijgebouw te krijgen. De compensatiewoning met bijgebouw wordt binnen het eigen bouwvlak gebouwd. De bestaande bedrijfswoning met het bakhuisje blijft behouden en wordt omgezet naar een reguliere woning. Deze woning krijgt een bijgebouw ten behoeve van hobbyboeren. De 'Agrarisch-3' bestemming wordt voor een deel omgezet naar een passende woonbestemming. Daarbinnen wordt er ruimte genomen voor de nieuwe woning en bijbehorende schuur. De overige gronden krijgen de bestemming Agrarisch-1. De bestemmingswijziging moet het bouwen van één extra vrijstaande woning op dit perceel mogelijk maken. Hierbij geldt dat dat wordt aangetoond dat het initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het vigerende bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om genoemde bestemmingen te wijzigen. Dit betekent dat een herziening van het vigerende bestemmingsplan nodig is.
Voor deze herziening is dit bestemmingsplan opgesteld, bestaande uit een verbeelding, regels en een toelichting, en is de juridisch-planologische regeling die het realiseren van het initiatief mogelijk maakt.
1.2
Ligging van het plangebied
Het perceel Zuiderzeestraatweg 308 in buurtschap Broekdijk, is gelegen aan de noord-oostzijde van de kern Oldebroek.
. Afbeelding 1.1: Ligging plangebied In navolgende luchtfoto (afbeelding 1.2) wordt de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.
(vastgesteld)
9
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Afbeelding 1.2: Luchtfoto met globale plangrens (rode lijn)
1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken: verbeelding (NL.IMRO.0269.BG192-VG01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen) Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het bestemmingsplan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het bestemmingsplan zeker te stellen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding (Hoofdstuk 1) wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en gewenste situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oldebroek beschreven. Vervolgens passeren in hoofdstuk 4 alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In de hoofdstukken 5 en 6 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 gaat tot slot in op het vooroverleg en de inspraak.
10
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Hoofdstuk 2
De bestaande en gewenste situatie
2.1
Bestaande situatie
2.1.1
Algemeen
De locatie heeft een agrarische bestemming ten behoeve van de exploitatie van een grondgebonden agrarisch bedrijf (rundveehouderij). In twee stallen wordt rundvee gehouden. De planlocatie betreft een perceel, buiten de bebouwde kom van Oldebroek met een daarop een vrijstaande stenen woning met enkele stallen / schuren. De planontwikkeling betreft de stallen en schuren aanwezig op het erf. De stallen / schuren zijn opgetrokken uit metselwerk en gedeeltelijk en damwanden. De kapschuur is opgetrokken uit golfplaten. De daken zijn gedekt met golfplaten. Het overige deel van de planlocatie is ingericht als tuin en erf en de bij de bedrijfsvoering passende verharding. 2.1.2
Ontsluiting
Ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de bestaande uitrit, rechtstreeks op de Zuiderzeestraatweg. Hiertoe bevindt zich een in-/uitrit aan de zijde van de woning op het perceel. 2.1.3
Omgeving
Aan de noordoostzijde van de locatie bevindt zich een veehouderijbedrijf en aan de zuidzijde twee woningen.
2.2
Geldend planologisch regime
Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2007', vastgesteld op 15 december 2009. Op grond van dit bestemmingsplan gelden voor het plangebied de bestemming 'Agrarisch - 3' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De bedrijfswoning mag een inhoud hebben van maximaal 600 m3 en een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 10 meter. In afbeelding 2.2 wordt het plangebied in rood weergegeven.
Afbeelding 2.2:. Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
(vastgesteld)
11
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Met een herziening van het vigerende bestemmingsplan worden de bestemming 'Agrarisch -3' omgezet naar de bestemming 'Wonen'. Uitgangspunten De gemeente Oldebroek heeft uitgangspunten geformuleerd voor de verdere uitwerking van het initiatief. Deze uitgangspunten zijn: 1. Voor de functieverandering onder het VAB-beleid dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het toetsingskader zoals deze is uitgewerkt in de Beleidsnotitie functieverandering VAB gemeente Oldebroek 2017. 2. De principemedewerking geldt voor het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch-3' naar een passende woonbestemming (Wonen-1). Voor de nieuwe woning en de bijgebouwen moet worden aangesloten op de (bouw)regels behorende bij deze bestemming uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2007'. 3. Volgens de hobbyboerenregeling mag er bij een woonbestemming maximaal 200 m2 aan bijgebouwen worden geplaatst. Voor het vergroten van uw bijgebouw tot een maximum van 200 m2 dient u aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de ontheffing van de bouwregels onder paragraaf 42.4, lid 9, uit het bestemmingsplan Buitengebied 2007. Tevens moet u op de plattegrond van de schuur aangeven dat minimaal 100 m2 gebruikt wordt voor de hobbyboeren regeling. 4. De bestemmingswijziging naar wonen zorgt voor een verkleining van het bouwvlak.
De overige gronden binnen het perceel krijgen de bestemming 'Agrarisch-1'. 5. Er dient een bestemmingsplan te worden opgesteld met daarin onder meer een (ruimtelijke) motivering waarom de wijziging van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In het op te stellen bestemmingsplan zal aandacht moeten worden besteed aan verschillende milieuaspecten. 6. Om een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen dient het gehele plan landschappelijk te worden ingepast. De landschappelijke inpassing dient te worden uitgewerkt middels een erftransformatieplan incl. inrichtingsschets (vanuit de één-erfgedachte) en een landschappelijk inrichtingsplan. Aandacht wordt gevraagd voor een nadere uitwerking van de positionering van de nieuwe woning en het bijgebouw en het toepassen van streekeigen- en inheemse beplanting. De uitgewerkte definitieve ontwerpen dienen voorafgaand aan de planologische procedure afgestemd te worden met de stedenbouwkundige van de gemeente. 7. Het parkeren voor de nieuwe woning en de bestaande woning vindt plaats op eigen terrein waarbij de ontsluiting van het perceel plaats vindt via de huidige inrit. Op deze wijze wordt er geen afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid. 8. Voor het ruimtelijk initiatief dient draagvlak te zijn vanuit de (directe) omgeving.
Voor verdere informatie wordt verwezen naar de kop 'Informeren van omwonenden'.
2.3
Gewenste situatie
2.3.1
Algemeen
Om het initiatief te kunnen realiseren, zal 793 m2 aan bestaande bebouwing worden gesloopt, zie afbeelding 2.3.
Afbeelding 2.3: Overzicht te slopen bebouwing
12
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Te slopen bebouwing: 1. 383,80 m2 2. 223,13 m2 3. 187,11 m2 (Blijft behouden i.v.m. hobbyboerenregeling en gaat dienst doen als bijgebouw) Totaal: 793,04 m2 Na sloop wordt in het plangebied één extra woning gerealiseerd die via de bestaande uitrit op de Zuiderzeestraatweg wordt ontsloten. Afbeelding 2.4 geeft een impressie van de gewenste situatie (zie ook Bijlage 1 Inrichtings- en beplantingsplan).
Afbeelding 2.4: Inrichtingstekening (bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland) 2.3.2
De woning
Het ontwerp voor de woning wordt later ontworpen en ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. De maatvoering zal voldoen aan de bepalingen van de regels zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan. De woning zal voldoen aan de laatste bepalingen van het bouwbesluit, zo worden aardgas loos gebouwd, zonnepanelen aangebracht en wordt hemelwater van bebouwing en bestrating opgevangen in infiltratiekoffers en/of wadi's op eigen terrein.
(vastgesteld)
13
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
14
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid
Algemeen
Bij ruimtelijke plannen moet worden weergegeven hoe rekening is gehouden met relevant beleid. In de volgende paragrafen wordt het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau en de relatie van dit beleid met het initiatief behandeld.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen.
Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden.
(vastgesteld)
15
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'neeals' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan. 3.2.3
Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Bij voorliggend plan wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Dit is minder dan 11 woningen, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de behoefte van de ontwikkeling niet hoeft te worden aangetoond. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 3.2.4
Toetsing van het plan aan het rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over het initiatief, anders dan dat het initiatief bij kan dragen aan deé zorg voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Verder raakt het initiatief geen rijksbelangen die binnen de gemeente Oldebroek relevant kunnen zijn. Wel is uit de NOVI van toepassing een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Bij het voorliggend bestemmingsplan zijn alle belangen zorgvuldig afgewogen. Eenieder heeft de mogelijkheid om in het kader van de bestemmingsplanprocedure op deze afweging te reageren. Met het initiatief neemt het aantal woningen in het plangebied met één toe. Gelet op dit aantal betekent toetsing aan de ladder dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie volgt dat hiervan sprake is als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. 3.2.4.1 Conclusie Het initiatief draagt bij aan het rijksbelang om te zorgen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Concrete nationale ruimtelijke belangen spelen in (de omgeving van) het plangebied niet.
16
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Gelderland
3.3.1.1 Algemeen Op 19 december 2018 is de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Op 1 maart 2019 is deze in werking getreden. De provincie wil Gelderland in de toekomst 'gaaf' houden, en vindt dat we daar nu wat voor moeten doen. De provincie staat voor stevige uitdagingen. Er zijn grote, verscheidene ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Hierbij staan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De focus ligt op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie als werkende bestanddelen voor een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Om de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland uit te werken, streeft de provincie zeven samenhangende ambities na. Met behulp van deze zeven ambities geeft de provincie hier uitvoering aan: 1. energietransitie, van fossiel naar duurzaam; 2. klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer; 3. circulaire economie: het sluiten van kringlopen; 4. biodiversiteit: werken met de natuur; 5. bereikbaarheid: duurzaam verbonden; 6. vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio, en 7. woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. 3.3.1.2 Continuering ruimtelijk beleid Vijf wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving gaat sinds 2014 op in de Omgevingsvisie. Dit gaat over planfiguren voor ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.
Vanuit de Omgevingsvisie 2014 vinden wij de volgende zaken van belang. Deze worden door de provincie Gelderland gecontinueerd. Het gaat om de thema's: ruimtelijk beleid; waterbeleid; milieubeleid; natuur- en landschapsbeleid; verkeers- en vervoerbeleid. 3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland 3.3.2.1 Algemeen Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie Gelderland regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen. 3.3.2.2 Van toepassing zijnde afdeling Kijkend naar het initiatief is met name afdeling 2.1 van de verordening relevant. In deze afdeling zijn artikelen met (instructie)regels voor de regionale woonagenda opgenomen. In 2019 is voor de NoordVeluwe de regionale woonagenda 2019-2022 vastgesteld.
Van belang is dat een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt, op basis van de volgende criteria wordt beoordeeld: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie 3.2.3); de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid, en er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling. Het plan voldoet aan de genoemde criteria. Aangezien het slechts om de toevoeging van één woning gaat en er door de sloop van enkele gebouwen en er sprake is van landschapsverbetering, is er geen overleg geweest met de provincie.
(vastgesteld)
17
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 3.3.3
Conclusie
Het initiatief is passend binnen het provinciale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Oldebroek
3.4.1.1 Algemeen Op 13 december 2018 is de Omgevingsvisie Oldebroek vastgesteld. Deze visie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Oldebroek. De visie geeft weer wat de ambitie van de gemeente Oldebroek is: optimaal inspelen op de kracht van de mensen, de pracht van het landschap, de unieke ligging en de ondernemingsgeest. De visie is opgesteld in samenspraak met belanghebbenden, bedrijven en inwoners. In de visie zijn gebiedsgerichte en thematische visies opgenomen. De Omgevingsvisie is opgesteld in de geest van de Omgevingswet. Volgens deze wet is het voor iedere overheid verplicht om een Omgevingsvisie op te stellen. Oldebroek kiest ervoor om deze visie zo breed mogelijk op te pakken en hierbij te kijken naar economische-, sociale-, ruimtelijke-, milieuen openbare orde & veiligheid gerelateerde thema's. 3.4.1.2 Visie De gemeente Oldebroek zet in op de volgende koers: 1. rustige, groene woongemeente in een dynamische omgeving; 2. ieder dorp een aantrekkelijk hart, daar werken we samen aan; 3. Oldebroek: een groen, sportief en compleet fiets-, wandelgebied; 4. werkgelegenheid is onmisbaar in een aantrekkelijke woongemeente; 5. goede bereikbaarheid is noodzakelijke basisvoorwaarde voor leefbaarheid en vitaliteit, en 6. Oldebroek klimaatneutraal.
In de Omgevingsvisie Oldebroek wordt onderscheid gemaakt in een thematische en een gebiedsgerichte uitwerking, waarbij de IDee-kaarten een belangrijk onderdeel zijn. Thematisch: 1. Leefbare dorpen met een actieve samenleving 2. Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit 3. Een vitaal economisch klimaat 4. Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig 5. Bereikbaar, nabij en toegankelijk Gebiedsgericht: Grootschalig open landschap/Randmerengebied Gemengd kleinschalig overgangsgebied Natura 2000-gebied Veluwe IDee-kaarten De Idee-kaarten uit de Omgevingsvisie Oldebroek hebben een belangrijke rol in het op gang brengen van investeringen die leiden tot kwaliteitsversterking en het dichterbij brengen van ambities. De deelgebieden waarvoor IDee-kaarten zijn opgesteld, zijn afgebakend op basis van de gebiedsindeling op het regionale 'NEO-niveau'. Leidend daarvoor zijn de ontstaansgeschiedenis, de geomorfologische samenstelling, het functionele gebruik en de beleving van het gebied. Voor het plangebied geldt IDeekaart 'Open polderlandschap & Drontermeerzone'. De ontwikkelingsrichting die hoort bij 'Open polderlandschap & Drontermeerzone' is als volgt: Het open agrarische en weidegebied is karakteristiek voor Oldebroek en typeert de ontstaansgeschiedenis.
Voor de Polders Oosterwolde, Oldebroek en Hattem streeft de gemeente naar behoud van de landbouw als belangrijkste functie. De polders moeten duurzaam geschikt kunnen blijven voor economisch verantwoorde, grondgebonden en duurzame landbouwbedrijven (een combinatie van intensief en extensief gebruik). Dit wil niet zeggen dat andere functies niet mogelijk zijn. De gemeente streeft naar een goede balans tussen de verschillende functies. Het gebied vormt bijvoorbeeld ook een zoekgebied voor
18
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 natte landnatuur en daarmee natuurontwikkeling. De verdroging van het gebied, met effect op natuur en landbouw, vormt een belangrijk aandachtspunt. Op termijn wordt beoogd het weidevogelreservaat van Staatsbosbeheer verder uit te breiden. Daarnaast is het wenselijk om de ecologische relatie tussen de Drontermeerzone en het Reevediep te versterken. De gemeente stimuleert in dit gebied niet actief het toevoegen/ontwikkelen van recreatiebedrijven. Echter, voor toekomstbestendige landbouw is verbreding en verdieping van de agrarische ondernemers mogelijk. Gedacht kan worden aan: verbrede landbouw, kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid onder voorwaarden in vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB’s, zie ook ons beleid rondom functieverandering), dag- en routegerelateerde recreatievoorzieningen en kleinschalige verblijfsrecreatie. Wenselijk is het ontstaan van aantrekkelijke routes langs de landerijen en de Drontermeerzone, met bijbehorende voorzieningen. Specifiek ziet de gemeente kansen, gekoppeld aan de dijk, in het gebied tussen Noordeinde en Elburg.
Daarnaast is het gebied kansrijk voor initiatieven op het gebied van duurzame energievoorziening, we werken aan een verdere uitwerking hiervan naar zoekgebieden en pilots en daarnaast een afwegingskader waarbij ruimtelijke en maatschappelijke haalbaarheid belangrijke factoren zijn. Een aandachtspunt is het voorkomen, waar mogelijk, van het (toenemen van) sluipverkeer naar Kampen. De aandachts-/uitgangspunten die horen bij 'Open polderlandschap & Drontermeerzone': Behoud, beheer en versterking van de oeverlijn met rietkraag, tegengaan opgaande beplanting in de open polders. Behoud van de openheid van het polderlandschap. Verstoring rustgebied voorkomen en respect voor het weidevogelbeheer. Bij investeringen in/rondom agrarische bedrijven is het wenselijk dat ook geïnvesteerd wordt in de landschappelijke kwaliteiten en in bij het landschap passende elementen, zoals eendenkooien. Zie hiervoor het Landschapsontwikkelingsplan en het bestemmingsplan buitengebied. Ontwikkelingen moeten aansluiten bij de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarde van het gebied 3.4.1.3 Toetsing Het initiatief ziet op woningbouw voor de lokale behoefte op een inbreidings- en herontwikkelingslocatie, en houdt goed rekening met de hoofdstructuur van de Zuiderzeestraatweg. Er ontstaat op deze manier een meerwaarde voor zowel het plangebied als de omgeving. 3.4.2
Structuurvisie functieverandering Oldebroek 2015
De Structuurvisie functieverandering Oldebroek 2015 schetst de mogelijkheden voor functieverandering, waarbij de belangen van actieve agrariërs niet uit het oog worden verloren. Functieverandering mag dan ook geen nadelige gevolgen hebben op aanwezige agrarische bedrijven, woningen en andere functies. De structuurvisie omvat het beleid ten aanzien van functieverandering van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, het beleid voor splitsing van karakteristieke en monumentale boerderijen en het beleid ten aanzien van de plattelandswoning. Beleidsnotitie Functieverandering gemeente Oldebroek 2010, gewijzigd 18 april 2013 De gemeente Oldebroek heeft binnen de nota Streekplanuitwerking haar eigen beleid vormgegeven. In 2010 is Beleidsnotitie functieverandering gemeente Oldebroek 2010 vastgesteld. Onderdelen van de Beleidsnotitie zijn bijvoorbeeld de sloopstafel, de gebiedsindeling en de raadpleging van de ervenconsulent. Op 19 april 2013 is de beleidsnotitie functieverandering VAB gemeente Oldebroek 2010 gewijzigd vastgesteld. Bestaande regelingen zijn hierdoor verscherpt. Zo stelt de gemeente Oldebroek onder meer als uitgangspunt dat maximaal 2 woongebouwen per perceel zijn toegestaan, afhankelijk van de oppervlakte van de bebouwing die wordt gesloopt. Daarnaast is een ervenconsulent ingeschakeld voor de landschappelijke inpassing.
Het plan past binnen de kaders van Structuurvisie functieverandering Oldebroek 2015.
3.4.3
Volkshuisvesting
(vastgesteld)
19
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 3.4.3.1 Woonvisie De Woonvisie gemeente Oldebroek 2016-2020 is vastgesteld in de raadsvergadering van 7 juli 2016. De visie op het wonen in de toekomst is gericht op 4 hoofdthema's. Dit betreffen: Beschikbaarheid en betaalbaarheid.; Wonen met welzijn en zorg. Duurzaamheid. Vitale kernen met actieve, betrokken inwoners. 3.4.3.2 Kwalitatief woonprogramma Op gemeentelijk niveau wordt jaarlijks het Kwalitatief Woningbouw Programma (hierna: het KWP) opgesteld, waarbij het gemeentelijke woningbouwprogramma naast het provinciale beleid en de vertaling daarvan in regionale afspraken wordt gelegd. Het KWP bevat een omschrijving van de huidige marktomstandigheden, de doelstellingen op het gebied van woningbouw en het woningbouwprogramma. 3.4.3.3 Toetsing Het initiatief ziet op woningbouw waar de komende jaren in Oldebroek behoefte aan is. 3.4.4
Welstandsnota 2014
3.4.4.1 Algemeen Het behoud van de ruimtelijke kwaliteit wordt mede bepaald door het welstandsbeleid dat is vastgelegd in de Welstandsnota Gemeente Oldebroek. In de nota staan criteria die worden gebruikt bij de beoordeling of een bouwplan redelijkerwijs voldoet aan de eis van welstand. Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken en de samenhang binnen het gebied of object. In de Welstandsnota wordt de gemeente onderverdeeld in een aantal deelgebieden. Aan elk gebied is een 'welstandsniveau' toebedeeld. Dit welstandsniveau geeft aan hoeveel welstandsaandacht het plan krijgt en in welke mate welstand wordt ingezet om er de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen. 3.4.4.2 Toetsing Bij de omgevingsvergunning voor de vrijstaande woning wordt het plan voorgelegd aan de welstandscommissie.. 3.4.5
Groenvisie Gemeente Oldebroek 2014
3.4.5.1 Algemeen In de Groenvisie Gemeente Oldebroek 2014 heeft de gemeente Oldebroek de groenstructuren vastgelegd die duurzaam en waardevol openbaar groen waarborgen. De visie geeft richting aan het in de toekomst te ontwikkelen openbaar groen. Tevens kan de visie als beleidskader worden ingezet voor integrale plantoetsingen, kwaliteitsverbeteringen en beheerafwegingen. 3.4.5.2 Toetsing In de groenvisie wordt aangegeven dat de groenstructuur van de Zuiderzeestraatweg versterkt mag worden.De zes bestaande linde voor de bestaande woning blijven behouden. Daarnaast is in overleg met Stichting Landschapsbeheer Gelderland en inrichtingstekening gemaakt (zie Bijlage 1). Op het perceel worden knotwilgen, enkelesolitaite bomen, struweelhagen en knip- of scheerhagen aangebracht. Hierdoor wordt de kwaliteit van het landschap versterkt. De uitvoering van het inrichtingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
20
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
3.4.6
Klimaatneutraal Oldebroek
3.4.6.1 Algemeen De aarde warmt op door toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Door deze opwarming verandert het klimaat, wat gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. Om verdere opwarming van de aarde te voorkomen moet er een transitie plaatsvinden naar een duurzame energiehuishouding. De gemeente Oldebroek wil daaraan bijdragen. In 2017 stelde de gemeenteraad daartoe de Routekaart Klimaat Neutraal Oldebroek vast. Hierin is de ambitie geformuleerd dat de energievoorziening in Oldebroek klimaat neutraal is, uiterlijk in 2050. Dit betekent dat alle energie die binnen de gemeente Oldebroek wordt gebruikt ook in de gemeente duurzaam wordt opgewekt. Hierdoor zal de uitstoot van broeikasgassen afnemen. Gemeente Oldebroek werkt samen met inwoners, bedrijven, verenigingen en andere partijen aan deze grote opgave. Om deze energietransitie te laten slagen is inzet van iedereen in Oldebroek nodig. Ten aanzien van grootschalige duurzame energieopwekking in Oldebroek heeft de gemeenteraad in 2018 de Verkenning grootschalige duurzame energieopwekking vastgesteld. Met de verkenning zijn de energie-opgave, energiepotentie, kansrijke gebieden en projecten en afwegingskaders in beeld gebracht. De afwegingskaders bestaan uit ruimtelijke en maatschappelijke kaders die de gemeente Oldebroek belangrijk vindt bij het ontwikkelen van grootschalige duurzame energieprojecten.
3.4.6.2 Toetsing Het initiatief draagt bij aan een klimaatneutraal Oldebroek door een woning te realiseren die niet op het gasnet worden aangesloten. Daarnaast stelt het Bouwbesluit eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen (BENG, Bijna Energieneutrale Woningen). Met het duurzaam (gasloos en voldoen aan BENG) opleveren van de te realiseren woningen voldoet het initiatief aan het klimaatbeleid van de gemeente Oldebroek. 3.4.7
Energieneutraal
3.4.7.1 Algemeen De ambitie binnen de gemeente Oldebroek is om in 2050 – en bij voorkeur eerder klimaatneutraal te zijn. Dat wil zeggen dat er in de gemeente dan evenveel energie duurzaam wordt opgewekt als wordt verbruikt. In 2015 heeft Oldebroek het Gelders Energieakkoord ondertekend. De Routekaart Klimaatneutrale Regio Noord-Veluwe is vertrekpunt voor het lokale beleid. Deze routekaart volgt zeven scenario's. Eén van de scenario's is "Al het vastgoed duurzaam". Per 1 januari 2020 is energieneutraal bouwen in het Bouwbesluit op-genomen als voorschrift (BENG). 3.4.7.2 Toetsing De te realiseren woning wordt geheel gasloos gerealiseerd en voorzien van zonnepanelen, zodanig dat in eigen energiebehoefte kan worden voorzien. Er wordt daarmee bijgedragen aan het scenario "Al het vastgoed duurzaam". 3.4.8
Parkeernota Oldebroek 2014
3.4.8.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de functie. In het bestemmingplan is een algemene bepaling opgenomen die voorziet in de juridische borging van het aanleggen van voldoende parkeergelegenheid. Deze bepaling is gekoppeld aan de Parkeernota Oldebroek 2014. 3.4.8.2 Toetsing Het initiatief is getoetst aan de parkeernota, zie paragraaf 4.12. Gebleken is dat er aan de benodigde parkeerbehoefte wordt voldaan.
(vastgesteld)
21
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
3.4.9
Afvalwaterketenplan
3.4.9.1 Algemeen Het Afvalwaterketenplan vormt het beleidskader riolering en water op gemeentelijk niveau. Het beleid met betrekking tot de zorgplicht stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater zijn eveneens vastgelegd in het Afvalwaterketenplan van de gemeente Oldebroek. De gemeente wil een robuust en verantwoord watersysteem realiseren met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Klimaatveranderingen (regenbuien met een extremer karakter, hitte en droogte) worden hierin meegenomen. Onderdeel hiervan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaam water-gebruik dat erop is gericht om zo weinig mogelijk schoon hemelwater via de riolering af te voeren. Het is wenselijk dat het hemelwater wordt afgekoppeld en vertraagd wordt geïnfiltreerd in de bodem. Zodoende kan duurzaam worden omgegaan met hemelwater en kan bovendien hitte en droogte worden tegengegaan. De Riool aansluit- en afkoppelverordening schrijft voor dat hemelwaterafvoer bij nieuw – of verbouw van het object dient te worden afgekoppeld en geïnfiltreerd te worden in de grond. Om de hemelwaterafvoer af te koppelen en op eigen terrein te infiltreren of af te voeren naar het oppervlaktewater zullen voorzieningen getroffen moeten worden. Deze voorziening moet voldoen aan een capaciteit van 60mm over het gehele afvoerend verhard oppervlak.
Vuilwater wordt, indien mogelijk, afgevoerd naar het gemeentelijke rioolstelstel. 3.4.9.2 Toetsing Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.10. Uit de uitgevoerde watertoets blijkt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijk afvalwaterbeleid. 3.4.10 Geluidbeleid bij ruimtelijke ontwikkelingen/beleid hogere waarden geluid 3.4.10.1
Algemeen
De gemeente Oldebroek heeft in samenwerking met de andere gemeenten in de regio Noord-Veluwe in 2012 een eigen geluidbeleid vastgesteld. De grondslag van het geluidbeleid is gelegen in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh). Het doel van de Wgh is het voorkomen of beperken van geluidhinder. Hiertoe worden geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) beschermd tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering en normering. De normering gaat uit van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op een geluidgevoelige bestemming. Van deze ten hoogste toelaatbare geluidbelasting kan worden afgeweken als door het bevoegd gezag een hogere waarde wordt vastgesteld. Het bevoegd gezag is in de meeste situaties het college van burgemeester en wethouders (artikel 110a Wgh). Bij elke hogere waarde moet worden gemotiveerd waarom deze toelaatbaar wordt geacht en onder welke voorwaarden. De grondslag hiervoor is de 'motiveringsplicht' (artikel 110a Wgh). De gemeente moet als bevoegd gezag elke aanvraag om hogere waarden gelijk behandelen en beoordelen. Daartoe is het geluidbeleid opgesteld.
Een hogere waarde kan slechts worden vastgesteld als de maatregelen om de geluidbelasting terug te brengen niet doeltreffend zijn of als hiertegen grote bezwaren van stedenbouwkundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard zijn (artikel 110a Wgh). Daarnaast kan een hogere waarde alleen worden toegestaan als de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare situatie. In een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting moeten, in het geval van een overschrijding van de toegestane norm, maatregelen zijn onderzocht waarmee de gevelbelasting kan worden teruggebracht tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Bij het onderzoeken van de maatregelen worden allereerst bronmaatregelen onderzocht; vervolgens overdrachtmaatregelen. Maatregelen bij de ontvanger zijn maatregelen om het geluidniveau in de woningen te reduceren. Deze maatregelen komen pas in beeld als het terugbrengen van de gevelbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is.
22
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
3.4.10.2
Toetsing
Akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de ten hoogste toelaatbare waarde (63 dB) op de geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de hoogst toelaatbare waarde te voldoen. Dit onderzoek is uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.7. Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijk geluidbeleid. Het vaststellen van hogere grenswaarden is niet nodig.
(vastgesteld)
23
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
24
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Hoofdstuk 4 4.1
Onderzoek
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's cultuurhistorie, archeologie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, geur, water, milieueffectbeoordeling en verkeer en parkeren.
4.2
Cultuurhistorie
4.2.1
Algemeen
In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten.
(vastgesteld)
25
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
4.2.2
Situatie plangebied
Afbeelding 4.1: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Oldebroek, in het plangebied aan de Zuiderzeestraatweg 316 een rijksmonument (rode stip) en aan Zuiderzeestraatweg 320 een gemeentelijk monument (blauwe stip). De ontwikkeling van de woning in het plangebied hebben geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden, door de aanwezige bebouwing tussen deze monumenten en het plangebied. Zuiderzeestraatweg In 1827 werd door Koning Willem I de aanleg van de Zuiderzeestraatweg tussen Amersfoort en Zwolle goedgekeurd. Al in 1830 werd de weg opengesteld. Bijna 100 jaar later, in 1927, werd de Zuiderzeestraatweg opgenomen in het Rijkswegenplan. De gehele route kreeg toen een klinkerbestrating van 5 meter breedte en aan weerszijden bomenrijen. Met 64,4 km was dit destijds het langste rijkswegtracé in het land. De Zuiderzeestraatweg is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de dorpen en de steden langs de voormalige Zuiderzeekust. De ruimtelijke structuur van alle daaraan gelegen dorpen en steden wordt er in sterke mate door bepaald, zoals ook in Oldebroek, Wezep en Hattemerbroek. Veel historische bebouwing is gericht op deze weg, waaronder vele boerderijen, een groot aantal landgoederen, villa’s en andere woonhuizen, maar ook fabrieken, bedrijfsgebouwen en kazernecomplexen.
Om de kwaliteit van de Zuiderzeestraatweg te behouden / te versterken is er voor dit plan een inrichtingsplan opgesteld, welke als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Hierdoor is de cultuurhistorische waarde van de Zuiderzeestraatweg geborgd. 4.2.3
Toetsing plangebied aan de cultuurhistorie
Het initiatief leidt ertoe dat door de sloop en het inrichtingsplan de cultuurhistorische waarde van het plangebied en de Zuiderzeestraatweg wordt gewaarborgd.
4.3
Archeologie
4.3.1
Algemeen
Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische resten in de bodem kunnen aantasten moeten rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
26
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Erfgoedwet Initiatiefnemer heeft op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij uitvoering van het initiatief waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van het initiatief, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Aanwezige archeologische waarden Uitgangspunt binnen het bestemmingsplan is het veiligstellen van de aanwezige (en aangetoonde) archeologische waarden. De gebieden waar het daarbij concreet om gaat staan aangegeven op de archeologische waardenkaart, die als bijlage is opgenomen bij het archeologiebeleid van de gemeente Oldebroek. Deze beleidskaart is tevens verwerkt in de archeologische dubbelbestemming, die is opgenomen in het 'paraplubestemmingsplan Oldebroek'. 4.3.2
Situatie plangebied
Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm. De grens van 500 m2 wordt voor de nieuwe woning niet gehaald, waardoor er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De regio-archeoloog heeft aangegeven het hier mee eens te zijn. 4.3.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.4
Bodemkwaliteit
4.4.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, wordt doorgaans een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en NEN 5707. 4.4.2
Situatie plangebied
In oktober 2021 is door Grondvitaal BV een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het doel van het verkennend bodem- en asbest in bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Dit met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van bodemverontreiniging in de grond en het freatisch grondwater.
(vastgesteld)
27
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308
Uit het onderzoek blijkt : Verkennend bodemonderzoek De resultaten van het verrichte verkennend onderzoek naar een eventuele bodemverontreiniging kunnen als volgt worden samengevat:
Bovengrondse dieselolietank De onderzoekshypothese 'verdachte locatie' wordt op grond van de analyseresultaten van de gronden grondwatermonsters niet bevestigd. In de bodem en het grondwater ter plaatse van de voormalige bovengrond dieseltank zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Asbest in bodemonderzoek De resultaten van het verrichte verkennend onderzoek naar een eventuele verontreiniging van de bodem met asbest kunnen als volgt worden samengevat: Resultaten inspectie van het terreinoppervlak en inspectiegaten Maaiveld Bovengrond
Er zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen Er zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen
Resultaten van de uitgevoerde analyses en berekende gehalten asbest
De verhoogde concentratie asbest ter plaatse van bovengenoemde gaten wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van asbest in de fijne fractie (<20 mm) (en of de grove fractie). De inspectiegaten zijn in de afwateringszone van het dak geplaatst (de zogenaamde druppellijn). De aangetroffen concentratie asbest wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de erosie van de dakplaten. Bij deze schuur zijn geen dakgoten aanwezig, het regenwater komt derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht. Uitgaande van een maximale breedte van 1,0 m onder de dakrand (50 cm links van de
28
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 druppellijn en 50 cm rechts van de druppellijn) bedraagt het verontreinigd bodemvolume in totaal bij deze schuur (uitgaande van een ontgravingsdiepte van ca. 20 cm) ca 5 m3. De asbestconcentratie bevindt zich in de bovenste 0,5 m van de bodem, De locatie van de druppellijn is begroeit met dichte vegetatie ter plaatse van de druppellijn. Uit analyse blijkt dat asbestconcentratie in de fractie <0,5 mm (respirabele vezels) lager is dan de risiconorm van 10 mg/kg ds. Op basis hiervan kan worden bepaald dat er geen onaanvaardbaar risico is. (Circulaire bodemsanering 2013). Aanbevelingen Verkennend bodemonderzoek Met betrekking tot de voorgenomen bouwactiviteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven. Aanbevolen wordt dit rapport in te dienen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning. Asbest in bodemonderzoek Formeel gezien is afperkend onderzoek noodzakelijk ter plaatse van de gaten G01 en G02, echter door de afwezigheid van dakgoten kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen concentratie asbest hierdoor wordt veroorzaakt. Een afperkend onderzoek is ons inziens derhalve niet noodzakelijk. Voordat werkzaamheden op de locatie uitgevoerd kunnen worden dient de verontreinigde grond te worden ontgraven en afgevoerd naar een reinigingsbedrijf.
Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). De sanering dient te worden begeleid door een BRL SIKB 6000 gecertificeerd bedrijf. De ontgraving en uitvoering van de sanering dient plaats te vinden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerd bedrijf. Geadviseerd wordt tot de sanering van de druppellijn heeft plaatsgevonden de vegetatie ter plaatse van de druppellijn niet te bewerken, de locatie niet te belopen en geen bodembewerking uitvoeren te plaatse van de druppellijn. 4.4.3
Conclusie
De herontwikkeling van het gehele onderzoeksgebied is mogelijk. Wel dient voorafgaand aan werkzaamheden op de locatie een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegde gezag (provincie Gelderland) om de geconstateerde verontreiniging door asbest te verwijderen. Tot deze sanering is het raadzaam de vegetatie op die locatie niet te bewerken en de locatie niet te betreden. Het uitgevoerde onderzoek is als Bijlage 2 toegevoegd aan dit plan.
4.5
Ecologie
4.5.1
Wettelijk kader
Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met het Europees en nationaal beleid en wetgeving ten aanzien van natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natura 2000-gebieden als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), het Gelders Natuurnetwerk (hierna: het GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelzone (hierna: de GGO). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wnb. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd.
(vastgesteld)
29
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Gelders Natuurnetwerk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) Het NNN is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. De provincie Gelderland heeft hiervoor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) opgesteld. Het GNN is in de Omgevingsvisie Gelderland uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Soortenbescherming Onder de Wnb zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten op basis van de Vogelrichtlijn, soorten op basis van de Habitatrichtlijn en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. 4.5.2
Situatie plangebied
In september 2021 is door Bureau natuurlijk een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd om inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De planlocatie is gelegen op circa 1,71 kilometer van N2000-gebied de Veluwe en 6.17 kilometer van N2000-gebied de Randmeren. Gezien de (effect-)afstand tot het Natura2000 gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen, worden er geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen. Externe werking zal naar verwachting niet optreden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Gelderland of de groene ontwikkelingszone hiervan en het NNN in Gelderland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde. Stikstof In het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000, dient vooraf zekerheid te zijn verkregen dat er geen sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. De beleidsnota lokale aanpak stikstof problematiek maakt onderscheid tussen grote en kleine plannen. Kleine plannen zijn gedefinieerd als bouwprojecten tot en met 2 woningen en tevens alle aan-, uit- en bijgebouwen bij de woning. Grote plannen zijn gedefinieerd als bouwprojecten groter dan 2 woningen en alle bedrijfsnieuwbouw en -uitbreidingen.
Het voorliggend plan zorgt door het stoppen van de agrarische activiteiten, niet voor toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en betreft de realisatie van één woning. Het maken van een stikstofberekening is dan ook niet nodig. Het stikstofaspect staat vaststelling van het plan in het kader van de Wet natuurbescherming niet in de weg. Voor uitvoering van het plan geldt ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming geen vergunningplicht. Soortbescherming Flora Het terrein is nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen. Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie. Vogels Ten aanzien van vogels zijn geen nadere onderzoeken noodzakelijk. Jaarrond beschermde nesten zijn niet waargenomen.
30
(vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Vleermuizen Schade op onmisbare vliegroutes en foerageergebieden, verblijfplaatsen van vleermuizen is niet te verwachten. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek naar gebouw- en boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. Overige zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bescherming houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet Natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.5.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. De quickscan natuurtoets is als Bijlage 3 toegevoegd aan dit plan.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (hierna: het PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (hierna: het GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Het Bevi Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi met de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen. Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan.
Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan Buitengebied, Zuiderzeestraatweg 308 Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes, met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen. Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In 2015 is de Beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Oldebroek vastgesteld. Uitgangspunt van deze beleidsvisie is de toepassing van verschillende restrictieniveaus voor het al dan niet toestaan van risicovolle bedrijven op bedrijventerreinen. Elk bedrijventerrein is gekoppeld aan een restrictieniveau. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen worden dus niet per definitie uitgesloten, maar dit is wel als restrictieniveau opgenomen.