Bijlage 2 - Gewijzigde toelichting bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Oldebroek, brandweerkazerne
Gemeente Oldebroek
Datum: 2 december 2020 Projectnummer: 190456 ID: NL.IMRO.0269.OB115-VA01
INHOUD 1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 6
2
Planbeschrijving
7
2.1 2.2
Het plangebied Toekomstige situatie
7 7
3
Beleid en regelgeving
11
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 14 15
4
Onderzoek
19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Milieueffectrapportage Cultuurhistorie en archeologie Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
19 20 21 22 23 24 28 31 34 36 37
5
Wijze van bestemmen
39
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
39 40 40 42 43
6
Uitvoerbaarheid
44
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44 44
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Locatie onderzoek brandweerkazerne Bijlage 2: Archeologisch onderzoek Bijlage 3: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 5: Quick scan natuur Bijlage 6: Watertoets Bijlage 7: Nota van beantwoording zienswijzen
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Het huidige gebouw van de brandweerkazerne aan de Spronkweg 12 in Oldebroek heeft te kampen met achterstallig onderhoud en voldoet bovendien niet meer aan de eisen van deze tijd. Daarnaast speelt de vraag of de huidige locatie wel zo geschikt is, vanwege de beperkte ruimte. Zodoende heeft de gemeente Oldebroek in 2019 een locatieonderzoek laten uitvoeren. Uit het locatieonderzoek is een braakliggend perceel aan de Zuiderzeestraatweg – ter hoogte van nummer 213 – als meest geschikte locatie naar voren gekomen. Het voornemen bestaat de brandweerkazerne vanuit het dorp naar het voornoemde perceel te verplaatsen, waarmee een evenwichtige regionale verdeling van brandweerkazernes is gewaarborgd. Daarnaast is een korte afstand tot de Zuiderzeestraatweg van belang, alsmede de bereikbaarheid voor uitrukkend personeel. In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ is het plangebied bestemd als ‘Agrarisch - 2’. Deze bestemming maakt de bouw van een brandweerkazerne niet mogelijk. Het plan past dan ook niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het geldende bestemmingsplan. Om de gewenste ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de oostzijde van de kern Oldebroek, aan de rand van de bebouwde kom. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Zuiderzeestraatweg, aan de oost- en zuidzijde door open agrarisch gebied en aan de westzijde door het bedrijfsperceel Zuiderzeestraatweg 213. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
3
Afbeelding 1.1: Globale ligging plangebied (rode cirkel) in de kern Oldebroek (bron: pdokviewer.pdok.nl)
Afbeelding 1.2: Globale begrenzing plangebied (rood kader) bron: pdokviewer.pdok.nl
1.3
Geldend bestemmingsplan Op dit moment geldt voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’, door de gemeenteraad van Oldebroek vastgesteld op 15 december 2009. In dit bestemmingsplan zijn de gronden voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch - 2’, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - radar’.
4
Afbeelding 1.3: Uitsnede uit verbeelding van vigerend bestemmingsplan met daarop het plangebied bij benadering rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Agrarisch - 2 De voor ‘Agrarisch - 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik, het behoud, herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden en kernkwaliteiten, alsmede de natuurlijke waarden van het kleinschalig besloten landschap, waaronder houtsingels en/of houtwallen. Ter plaatse van deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van volkstuinen. Ten slotte gelden bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde - Archeologie 2 De voor ‘Waarde - Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de te verwachten archeologische waarden. Bij de bouw van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m2 die dieper reiken dan 0,50 meter dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Vrijwaringszone - radar Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar', gelden behalve de andere daar voorkomende bestemming(en), ook de volgende regels: a indien een bouwaanvraag wordt ingediend op gronden die zijn gelegen boven 40 meter NAP, moet door de Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) een verstoringstoets worden uitgevoerd; b indien uit deze toets blijkt dat de verstoring groter of gelijk is aan 10%, wordt het bouwwerk niet toelaatbaar geacht. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de kaders van de geldende agrarische bestemming. Een nieuw bestemmingsplan moet worden vastgesteld door de gemeenteraad van Oldebroek. Daarbij wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het direct aangrenzende bestemmingsplan ‘Oldebroek Dorp 2009’, zodat voor het bedrijfsperceel Zuiderzeestraatweg 213 (transportbedrijf Kees ten Cate) een eenduidige bestemmingsplanregeling tot stand komt.
5
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).
6
2 2.1
Planbeschrijving Het plangebied Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.340 m2 en bevindt zich aan de oostzijde van Oldebroek. De directe omgeving van het plangebied is een overgangszone van de bebouwde kom naar het buitengebied en laat zich daarmee het best karakteriseren als een historisch bebouwingslint. De eerstelijns bebouwing bestaat voornamelijk uit woningen, veelal voorzien van een agrarische of bedrijfsfunctie aan de achterzijde, in de vorm van schuren en agrarische weides. In de huidige situatie is er geen bebouwing aanwezig in het plangebied. Een klein deel van het perceel is verhard ten behoeve van het aangrenzende bedrijf aan de Zuiderzeestraatweg 213. Verder is het plangebied in gebruik als grasweide en tijdelijke stalling voor materieel van het naastgelegen bedrijf. Het plangebied wordt omgeven door een sloot. In de navolgende afbeelding wordt een impressie gegeven van de huidige situatie van het plangebied.
Afbeelding 2.1: Impressie van de huidige situatie van het plangebied (bron: Google Streetview)
Brandweerkazerne Oldebroek De huidige brandweerkazerne van Oldebroek is gevestigd aan de Spronksweg 12 te Oldebroek en is één van de 56 brandweerposten binnen de Veiligheidsregio Noorden Oost-Gelderland (VNOG). Aan de brandweerkazerne heeft al jaren geen (groot) onderhoud meer plaatsgevonden. Gelet op de staat van het gebouw – in combinatie met de nieuwe Arbo eisen en de aanpassing van brandweermaterieel – is een duurzame instandhouding van het huidige gebouw niet reëel. Bovendien is de huidige locatie van de brandweerkazerne - in het centrum, met winkelend publiek - niet toekomstbestendig.
2.2
Toekomstige situatie Ontwikkeling brandweerkazerne Oldebroek In het in 2019 uitgevoerde locatie onderzoek zijn acht potentiele locaties onderzocht. Daarbij was het uitgangspunt dat de Veiligheidsregio de wens heeft vanuit een evenwichtige regionale verdeling van brandweerkazernes een kazerne in het centrum van Oldebroek of aan de oostzijde van de kern te realiseren. Het locatieonderzoek is als
7
bijlage 1 bij de toelichting opgenomen. Uitgangspunt voor dit onderzoek was de onderstaande ruimtebehoefte: - Gebouw: 582 m2 bruto vloeroppervlak - Terrein (t.b.v. parkeren, voorterrein (uitruk), wasplaats en oefenterrein, verkeersruimte, footprint gebouw): 1.350 m2 De acht locaties zijn beoordeeld op verschillende aspecten. Dekking van het gebied, aanrijtijden, ruimtelijke inpasbaarheid, invloed woon- en leefklimaat en verkeersveiligheid. Voor zowel de brandweer als de gemeente waren de aspecten ‘dekking gebied/aanrijtijd’ en ‘verkeersveiligheid’ in de afweging van cruciaal belang. Gelet op deze twee criteria bleek dat er slechts 2 van de 8 onderzochte potentiële locaties in beginsel als geschikte locaties zouden kunnen worden aangemerkt. Het betreft de uiteindelijk gekozen locatie (locatie 3) en de locatie aan de Zuiderzeestraatweg nummer 299/231 (locatie 5). Alleen deze twee locaties scoorden op beide belangrijke aspecten ‘dekking gebied/aanrijtijd’ en ‘verkeersveiligheid’ goed. In een onderling vergelijk tussen deze twee locaties is het voorliggende plangebied als beste locatie naar voren gekomen om de volgende redenen. - Vanaf deze locatie is er beter overzicht tijdens het aan en uitrijden. Tevens is er geen belemmering van het zicht van zowel links als rechts. Vanaf de andere locatie is er veel minder overzicht.
Dit omdat bebouwing het zicht beperkt en ontsluitingen van wegen zowel van links als rechts. Verkeer vanuit Wezep is minder zichtbaar door de flauwe bocht in de Zuiderzeestraatweg. - Daarnaast leent de indeling van de kavel van het voorliggende plangebied zich beter om een brandweerkazerne te bouwen (vierkant). In de breedte is er voldoende ruimte om de remise zo te realiseren dat een snelle uitruk mogelijk is voor de voertuigen. En in de diepte is er voldoende ruimte om de overige ruimtes aan de achterzijde te realiseren. De indeling van de andere locatie is ongunstiger. De kavel is minder breed, hierdoor is het realiseren van een kazerne met 4 stallingsplaatsen aan de voorzijde niet mogelijk, dit levert tijdsverlies op bij een alarmering en meer bewegingen op het terrein zelf. - Het voorliggende plangebied was minnelijk te verwerven, de andere locatie niet. Daarmee werd de locatie naast de Zuiderzeestraatweg 213 de voorkeurslocatie. De raad heeft bij besluit van 26 september 2019 besloten de nieuwe brandweerkazerne op deze locatie te bouwen. Het huidige agrarische perceel naast Zuiderzeestraatweg 213 is gelegen in een landschappelijk waardevol gebied. Deze open kavel biedt in de huidige situatie lange zichtlijnen op het agrarische landschap en de achterliggende contouren van het bosgebied van het Veluwemassief.
In de structuur van de Zuiderzeestraatweg kenmerkt het perceel zich als een open plek tussen de meer reguliere lintbebouwing van de Zuiderzeestraatweg en het landschappelijk waardevolle bosperceel richting het bedrijventerrein Oude Dijk. Het is de bedoeling deze kavel een nieuwe bestemming te geven voor de bouw van de brandweerkazerne. Ruimtelijke inpassing De voor het plangebied kenmerkende landschappelijke en stedenbouwkundige waarden zijn een belangrijk uitgangspunt geweest voor het ontwerpproces van de nieuwe brandweerkazerne. Het behoud van groen en zichtlijnen naar het achterland zorgen voor een goede aansluiting met het landschap. Om rekening te houden met het land-
8
schap en de belangen van de omwonenden zijn de volgende ontwerpuitgangspunten van belang: - Het nieuwe gebouw wordt - aansluitend op het bedrijfsperceel van transportbedrijf Kees ten Cate - in de zuidwestelijke hoek van het terrein gesitueerd. - Het gebouw heeft een compacte bouwmassa met aan de voorzijde stallingsruimte voor de brandweervoertuigen en aan de achterzijde het facilitaire deel. - Het gebouw krijgt schuine dakvlakken om een goede landschappelijk overgang te bewerkstelligen. - Op perceelniveau wordt aan de voorzijde een groene zone gereserveerd als voortzetting van het naastliggende landschapselement. - Een brede groenstrook aan de oostzijde - langs de perceelgrens met het perceel Zuiderzeestraatweg 215 - moet er voor zorgen dat er een goede open verbinding ontstaat met het hier achterliggende agrarisch landschap. - Naast deze groene zone is er ruimte voor parkeren op half-verharding. De beoogde parkeervoorzieningen sluiten daarmee aan op het landschappelijke (groene) beeld. - De in- en uitrit wordt zoveel mogelijk gecombineerd met de bedrijfstoegang van transportbedrijf Kees ten Cate (Zuiderzeestraatweg 213). - Er wordt gebruik gemaakt van (natuurlijk) materiaal dat passend is bij het landschap. De beoogde terreininrichting en bovengenoemde ontwerpuitgangspunten zijn verbeeld in onderstaande situatietekening van het plangebied.
Afbeelding 2.2: situatietekening toekomstige inrichting plangebied
9
Bestemmingswijziging westelijke strook Het westelijke deel van het plangebied is momenteel in gebruik voor de tijdelijke stalling van materieel ten behoeve van het aangrenzende transportbedrijf Kees ten Cate. De betreffende gronden zijn in de huidige situatie voorzien van een agrarische bestemming. Zodoende is het huidige gebruik van de gronden voor bedrijfsmatige activiteiten in strijd met het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan kent aan de betreffende gronden de bestemming ‘Bedrijf – 2’ toe, waarmee beoogd is het huidige gebruik te legaliseren. Het bouwen van gebouwen wordt niet toegestaan.
10
3
Beleid en regelgeving Bij ruimtelijke plannen moet worden weergegeven hoe rekening is gehouden met relevant beleid. In de volgende paragrafen wordt het relevante beleid op nationaal, provinciaal en lokaal schaalniveau en de relatie van dit beleid met de voorgenomen ontwikkeling behandeld.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. In het Barro, beter bekend als de AmvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op de doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De volgende nationale belangen kunnen binnen de gemeente Oldebroek relevant zijn: 1. Defensie a. Militaire laagvliegroutes jachtvliegtuigen en transportvliegtuigen b. Militaire terreinen 2. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen 3. Natuurnetwerk Nederland 4. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 5. IJsselmeergebied Ad 1) Defensie a. Militaire laagvliegroutes jachtvliegtuigen en transportvliegtuigen: In het Barro worden regels gesteld voor militaire laagvliegroutes jachtvliegtuigen en transportvliegtuigen. In nieuwe bestemmingsplannen mogen geen nieuwe bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter te meten vanaf het maaiveld mogelijk maken. In het besluit worden twee laagvliegroutes aangewezen, waarvan er één over 11
de gemeente Oldebroek ligt. Deze is echter niet over het plangebied gelegen. Bovendien wordt niet hoger gebouwd dan 8 meter. b. Militaire terreinen: In het Barro worden regels gesteld ten aanzien van militaire terreinen, veiligheidszonen en munitieopslagen. Binnen de gemeente Oldebroek liggen het Artillerie Schietkamp en de Prinses Margrietkazerne. De functies van deze terreinen mogen op basis van het Barro niet worden belemmerd. Voorliggend plangebied is niet aangemerkt als militair terrein. Ad 2) Hoofdwegen en landelijke spoorwegen: Voor de aanleg of uitbreiding van een hoofdweg of landelijke spoorweg zijn reserveringsgebieden aangewezen. Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op een reserveringsgebied zijn in het Barro bepalingen opgenomen, waaraan moet worden voldaan. Voorliggende plangebied is niet als reserveringsgebied aangemerkt. Ad 3) Natuurnetwerk Nederland: In het Barro worden onder andere regels gesteld omtrent de planologische bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) bij provinciale verordening. Het plan mag geen negatieve effecten met zich meebrengen ten aanzien van het NNN. Voorliggend plangebied behoort niet tot het NNN. Ad 4) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament Een bestemmingsplan bevat een beschermende regeling voor gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering heeft.
In Oldebroek betreft dit de waterkering langs het Drontermeer. Deze is niet in het voorliggende plangebied gelegen. Ad 5) IJsselmeergebied De Veluwerandmeren behoren tot het IJsselmeergebied. Een bestemmingsplan mag geen ontwikkelingen die bebouwing en/of landaanwinning mogelijk maakt binnen het IJsselmeergebied. Voorliggend plangebied is niet gelegen binnen het IJsselmeergebied. Conclusie Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
12
Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Ten aanzien van de realisatie van de beoogde brandweerkazerne kan gesteld worden dat – gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling - sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat een bouwplan dat voorziet in de realisatie van stedelijke voorzieningen in de vorm van een gebouw met een brutovloeroppervlakte kleiner dan 500 m2 niet hoeft te worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro . De beoogde brandweerkazerne heeft een bruto vloeroppervlakte van bijna 600 m2, waardoor gesteld kan worden dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De Veiligheidsregio (VNOG) wenst vanuit een evenwichtige regionale verdeling van brandweerkazernes een nieuwe kazerne in Oldebroek te realiseren, bij voorkeur in het centrum of aan de oostzijde van de kern.
De realisatie van een nieuwe brandweerkazerne is nodig omdat het huidige gebouw te kampen heeft met achterstallig onderhoud. Gelet op de staat van het gebouw – in combinatie met de nieuwe Arbo eisen en de aanpassing van brandweermaterieel – is een duurzame instandhouding van het huidige gebouw niet reëel. Bovendien is de huidige locatie van de brandweerkazerne niet toekomstbestendig, gelet op de ligging in het centrum. Verplaatsing naar een andere locatie ligt dan ook voor de hand. Dit biedt tevens de mogelijkheid een betere (en veiligere) ontsluiting te realiseren. Het nieuwe gebouw zal – met een bruto vloeroppervlak van 582 m2 - 20% groter worden dan de bestaande brandweerkazerne. Dit is nodig om te kunnen voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een moderne brandweerkazerne. De behoefte is daarmee voldoende aangetoond. Ligging in bestaand stedelijk gebied Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen in de verkeerskundige bebouwde kom van Oldebroek. Het betreffende perceel is bovendien onderdeel van het bebouwingslint langs de Zuiderzeestraatweg en wordt dan ook aan vrijwel alle zijden omgeven door bestaande bebouwing. Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan een bestaande bedrijf (Zuiderzeestraatweg 213). Daarnaast zijn aan de overzijde van de Zuiderzeestraatweg diverse woningen gelegen. Aan de noordoostzijde grenst het plangebied eveneens aan een woning (Zuiderzeestraatweg 215). Gelet op de huidige ruimtelijke structuren
13
en bebouwing rondom het plangebied kan geconcludeerd worden dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen. Op basis van een uitgebreide locatiestudie is het voorliggende plangebied bovendien aangemerkt als meest geschikte locatie voor de realisatie van een nieuwe brandweerkazerne. Voordeel van deze locatie is de goede bereikbaarheid aan de oostzijde van Oldebroek, vanwege de ligging direct aan de Zuiderzeestraatweg. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling is gesitueerd in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De actuele behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt daarnaast ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. 14
Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. In meer algemene zin geldt daarentegen wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een veilige woon- en leefomgeving. De Veiligheidsregio (VNOG) heeft de wens om vanuit een evenwichtige regionale verdeling van brandweerkazernes een nieuwe kazerne aan de oostzijde van Oldebroek te vestigen, zodat er in geval van calamiteiten tijdig noodzakelijke hulp kan worden geboden. Daarmee vormt de Omgevingsvisie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met de provinciale omgevingsvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland Met een ruimtelijke verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen. Toetsing en conclusie Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsverordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. Het voorgenomen plan is niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Oldebroek De gemeente Oldebroek heeft op 13 december 2018 de Omgevingsvisie Oldebroek vastgesteld. De Omgevingsvisie Oldebroek heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Oldebroek. De visie geeft weer wat de ambitie van de gemeente Oldebroek is: optimaal inspelen op de kracht van de mensen, de pracht van het landschap, de unieke ligging en de ondernemingsgeest. De visie is opgesteld in samenspraak met belanghebbenden, bedrijven en inwoners. In de visie zijn gebiedsgerichte en thematische visies opgenomen. De Omgevingsvisie is opgesteld in de geest van de Omgevingswet, die in het jaar 2021 van kracht zal zijn. Volgens deze wet is het voor iedere overheid verplicht om een Omgevingsvisie op te stellen. Oldebroek kiest er voor om deze visie zo breed mogelijk op te pakken en hierbij te kijken naar economische-, sociale-, ruimtelijke-, milieu- en openbare orde & veiligheid gerelateerde thema’s. De gemeente Oldebroek zet in op de volgende koers: 1 rustige, groene woongemeente in een dynamische omgeving;
15
2 3 4 5
ieder dorp een aantrekkelijk hart, daar werken we samen aan; Oldebroek: een groen, sportief en compleet fiets-, wandelgebied; werkgelegenheid is onmisbaar in een aantrekkelijke woongemeente; goede bereikbaarheid is noodzakelijke basisvoorwaarde voor leefbaarheid en vitaliteit; 6 Oldebroek klimaatneutraal. In de omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt in een thematische uitwerking en een gebiedsgerichte uitwerking, waarbij de IDee-kaarten een belangrijk onderdeel zijn. De omgevingsvisie onderscheid de volgende thema’s: Thema 1: Leefbare dorpen met een actieve samenleving Thema 2: Aantrekkelijke omgevingskwaliteit en identiteit Thema 3: Een vitaal economisch klimaat Thema 4: Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig Thema 5: Bereikbaar, nabij en toegankelijk De Omgevingsvisie heeft een belangrijke rol in het op gang brengen van investeringen die leiden tot kwaliteitsversterking en het dichterbij brengen van ambities. De IDeekaarten hebben hierin een belangrijke rol. Voor het plangebied is de IDee-kaart ‘Oldebroek’ van belang. De kern Oldebroek is – samen met Wezep - één van de twee hoofdkernen binnen de gemeente. Het behoud van de verzorgende functie van Oldebroek is voor de omgeving van groot belang. Oldebroek is een karakteristiek lintdorp langs de Zuiderzeestraatweg. Behoud van het bestaande karakter staat voorop.
Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom op een goede manier ingepast worden in kleinschalig landschap, denkend aan karakteristieke landschapselementen zoals houtwallen en singels op de perceelsgrenzen. Het is van belang dat Oldebroeks landschappelijk en cultuurhistorisch karakter zichtbaar en voelbaar is en blijft. Voldoende groen, een goede aanhaking op het buitengebied, het voorkomen van verdere verstening en het (verder) dichtslibben van de kernen en linten is daarnaast ook belangrijk om goed om te kunnen gaan met de klimaatveranderingen. Toetsing Voorliggend initiatief is in lijn met de gemeentelijke Omgevingsvisie. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een veilige woon- en leefomgeving; een belangrijke voorwaarde voor het behoud van de leefbaarheid in de kernen. In het kader van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit wenst de gemeente de bestaande kwaliteiten van de bebouwingslinten zoveel mogelijk te behouden en waar mogelijk te versterken. Het behoud van doorzichten op het achterliggende landschap is daarbij van belang. Voorliggend plangebied is daarvan een treffend voorbeeld en biedt vanaf de Zuiderzeestraatweg een mooi doorzicht op het achterliggende landschap. Vanuit landschappelijk oogpunt wil de gemeente dit doorzicht graag behouden. Om deze reden zijn eerdere verzoeken voor de realisatie van woningen in het voorliggende plangebied door de gemeente afgewezen.
Thans doet zich echter de omstandigheid voor dat de Veiligheidsregio een nieuwe brandweerkazerne aan de oostzijde van Oldebroek wenst te realiseren. Voorliggend plangebied is daarbij als meest geschikte locatie naar voren gekomen. De gemeente bevindt zich op het standpunt dat het algemeen belang (veiligheid) in dit geval zwaarder weegt dat het belang om het bestaande doorzicht op het landschap te behouden. Zodoende wenst de gemeente medewerking te verlenen aan de realisatie van een brandweerkazerne in voorliggend plangebied. Een zorgvuldige
16
landschappelijke inpassing is daarbij wel van groot belang. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 2.2 van deze toelichting. Gelet op het voorgaande is het voorliggende initiatief in lijn met de Omgevingsvisie Oldebroek. 3.3.2
Landschapsontwikkelingsplan (LOP) 2006 In het LOP wordt ingezet op het accentueren van de ruimtelijke structuur zodat de verschillende landschappen herkenbaar en leesbaar worden. Door het afnemen van de betekenis van de landbouw moet ruimte worden gegeven aan nieuwe functies zoals recreatie en landgoederen, die met het oog op kwaliteit worden ingepast. Wel wordt opgemerkt dat het aantal hectare landbouwgrond niet of nauwelijks afneemt. Natuurontwikkeling kan plaatsvinden op de aangewezen plaatsen en de grondgebonden veehouderij moet behouden blijven, om de openheid van het landschap ook in de toekomst te kunnen blijven garanderen. Toetsing Eén van de speerpunten van het landschapsontwikkelingsplan is het behoud van de openheid. Hoewel het voorliggend plangebied niet (meer) is aan te merken als landbouwgrond, draagt het wel bij aan de openheid van het landschap. Vanaf de Zuiderzeestraatweg is thans sprake van een vrij doorzicht naar het achterliggende landschap. Hoewel behoud van deze openheid (c.q. doorzichten) een belangrijk speerpunt is, weegt het algemeen belang (veiligheid) in dit geval zwaarder. Zodoende wenst de gemeente medewerking te verlenen aan de realisatie van een brandweerkazerne in voorliggend plangebied. Een zorgvuldige landschappelijke inpassing is daarbij wel van groot belang. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 2.2 van deze toelichting.
Hierbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de uitgangspunten die volgen uit het Landschapsontwikkelingsplan.
3.3.3
Groenvisie gemeente Oldebroek 2014 In de Groenvisie Gemeente Oldebroek 2014 heeft de gemeente Oldebroek de groenstructuren vastgelegd die duurzaam en waardevol openbaar groen waarborgen. De visie geeft richting aan het in de toekomst te ontwikkelen openbaar groen. Tevens kan het als beleidskader worden ingezet voor integrale plantoetsingen, kwaliteitsverbeteringen en beheerafwegingen. In het voorliggende plangebied zijn geen openbare groenvoorzieningen aanwezig. Wel wordt de beoogde nieuwe brandweerkazerne op zorgvuldige wijze (groen) ingepast. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar paragraaf 2.2 van deze toelichting.
3.3.4
Welstandnota gemeente Oldebroek Het welstandsbeleid van de gemeente Oldebroek is omschreven in de Welstandsnota Gemeente Oldebroek (2014). In de nota staan welstandscriteria die worden gebruikt bij de beoordeling of een bouwplan redelijkerwijs voldoet aan de eisen van welstand. Het plangebied ligt binnen het gebied 'Buitengebied overgangsgebied' en ‘Zuiderzeestraatweg’. Het overgangsgebied is een landschappelijk hoog gewaardeerd gebied met grote recreatiewaarde. Het gemeentelijk beleid is gericht op handhaving van de bestaande karakteristieken van dit gebied. Voor het deel binnen de ‘Zuiderzeestraatweg’ geldt dat het beleid gericht is op het handhaven van het bestaande afwisselende beeld van het bebouwingslint. Het plangebied valt voor beide deelgebieden binnen het welstand niveau 1 en hierdoor moet een aanvraag omgevingsvergunning voor de acti17
viteiten bouwen worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Aan het plangebied ligt een inrichtingsplan ten grondslag, waarin een passende invulling is gegeven aan het plangebied. Het inrichtingsplan draagt bovendien zorg voor een goede landschappelijke inpassing (zie hiervoor paragraaf 2.2 van de toelichting). Het bouwplan zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden voorgelegd aan de welstandscommissie. 3.3.5
Klimaatneutraal Oldebroek De aarde warmt op door toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Door deze opwarming verandert het klimaat, wat gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. Om verdere opwarming van de aarde te voorkomen moet er een transitie plaatsvinden naar een duurzame energiehuishouding. De gemeente Oldebroek wil daaraan bijdragen. In 2017 stelde de gemeenteraad daartoe de Routekaart Klimaat Neutraal Oldebroek vast. Hierin is de ambitie geformuleerd dat de energievoorziening in Oldebroek klimaat neutraal is, uiterlijk in 2050. Dit betekent dat alle energie die binnen de gemeente Oldebroek wordt gebruikt ook in de gemeente duurzaam wordt opgewekt. Hierdoor zal de uitstoot van broeikasgassen afnemen. Gemeente Oldebroek werkt samen met inwoners, bedrijven, verenigingen en andere partijen aan deze grote opgave. Om deze energietransitie te laten slagen is inzet van iedereen in Oldebroek nodig. Ten aanzien van grootschalige duurzame energieopwekking in Oldebroek heeft de gemeenteraad in 2018 de Verkenning grootschalige duurzame energieopwekking vastgesteld. Met de verkenning zijn de energieopgave, energiepotentie, kansrijke gebieden en -projecten en afwegingskaders in beeld gebracht. De afwegingskaders bestaan uit ruimtelijke en maatschappelijke kaders die de gemeente Oldebroek belangrijk vindt bij het ontwikkelen van grootschalige duurzame energieprojecten.
3.3.6
Energieneutraal De ambitie binnen de gemeente Oldebroek is om in 2050 – en bij voorkeur eerder – klimaatneutraal te zijn. Dat wil zeggen dat er in de gemeente dan evenveel energie duurzaam wordt opgewekt als wordt verbruikt. In 2015 heeft Oldebroek het Gelders Energieakkoord ondertekend. De Routekaart Klimaatneutrale Regio Noord-Veluwe is vertrekpunt voor het lokale beleid. Deze routekaart volgt zeven scenario’s. Eén van de scenario is “Al het vastgoed duurzaam”. Vanaf eind 2020 zal het energieneutraal bouwen in het Bouwbesluit worden opgenomen als voorschrift. Daarop inspelend wordt de eis gesteld dat nieuwbouwwoningen energieneutraal worden opgeleverd. Met de realisatie van de brandweerkazerne zal waar mogelijk rekening gehouden worden met de gemeentelijke ambitie met betrekking tot het thema energieneutraal.
18
4
Onderzoek Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven) gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s cultuurhistorie, archeologie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, geur, water, het Besluit milieueffectrapportage en verkeer en parkeren.
4.1
Milieueffectrapportage Algemeen Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een activiteit genoemd onder D.11.2 (stedelijke ontwikkelingen) van de bijlage behorend bij het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van een brandweerkazerne kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, 200.000 m2 bvo en/of 25 hectare.
Dit betekent dat er geen sprake is van een zogenaamd kaderstellend plan waarvoor een milieueffectrapport moet worden opgesteld op basis van artikel 7.2, tweede lid van de Wet milieubeheer. Wel dient op basis van artikel 2, vijfde lid onder b van het Besluit milieueffectrapportage, een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten beoordeeld. Hieruit blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor alle milieuaspecten geldt dat er geen significant negatief effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie
19
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.-(beoordelings) procedure te volgen.
4.2
Cultuurhistorie en archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
4.2.1
Archeologie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek1 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Uit dit onderzoek volgt dat de top van het bodemprofiel is omgewerkt. Daaruit kan worden geconcludeerd dat er geen archeologische indicatoren aanwezig kunnen zijn en dat daarmee geen vindplaatsen aanwezig kunnen zijn. Daarmee kan nader onderzoek achterwege blijven. Het uitgevoerde onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen.
4.2.2
Cultuurhistorie In of rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen c.q. monumenten aanwezig. De in Oldebroek aanwezige monumenten zijn allen op enige afstand van onderhavig plangebied gelegen. De Zuiderzeestraatweg - waaraan het plangebied is gesitueerd - is reeds zichtbaar op kaarten van vóór 1900. Dit lint kent daarmee een lange historie en is qua opzet gelijk gebleven in de loop van de geschiedenis. De aanleg van de Zuiderzeestraatweg tussen Amersfoort en Zwolle werd door Koning Willem I goedgekeurd in 1827. De weg werd al in 1830 opengesteld. Bijna 100 jaar later - in 1927 - wordt de Zuiderzeestraatweg opgenomen in het Rijkswegenplan. De gehele route krijgt dan een klinkerbestrating van 5 meter breedte en wordt begeleid met bomenrijen. Met 64,4 km is dit op dat moment het langste rijkswegtracé in het land. De Zuiderzeestraatweg is van grote invloed geweest op de ontwikkeling van de dorpen en de steden langs de voormalige Zuiderzeekust. De ruimtelijke structuur van
1
Bureau voor Archeologie (2020). Zuiderzeestraatweg 213, Oldebroek, gemeente Oldebroek: Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende en karterende fase. Projectnummer: 2019120401. 23 januari 2020. 20
alle dorpen en steden wordt erdoor bepaald.
Afbeelding 4.1: Oldebroek en de Zuiderzeestraatweg, het plangebied is rood omcirkeld (bron: www.topotijdreis.nl)
Veel historische bebouwing is gericht op deze weg. Zoals een groot aantal landgoederen, kazernecomplexen, boerderijen, villa’s, woonhuizen, fabrieken etc. De route koppelt verschillende tijdsbeelden, landschappen, oude stadjes, dorpen en woongebieden langs de rand van de Veluwe. De doorgaande verkeersfunctie is inmiddels op veel plekken verdwenen. De Zuiderzeestraatweg is – zeker voor de regio NoordVeluwe - een kralensnoer, waarlangs zich het karakter van de regio openbaart. Met voorliggend plan wordt de huidige wegstructuur niet aangetast. Ter hoogte van het plangebied laat de Zuiderzeestraatweg zich nog immer karakteriseren als doorgaande verkeersfunctie. De ontwikkeling van voorliggend plan leidt dan ook niet tot (in)directe schade aan cultuurhistorische waarden in of rondom het plangebied. Kenmerkend voor het voorliggende plangebied is het doorzicht vanaf de Zuiderzeestraatweg naar het achtergelegen landschap. Met de voorliggende ontwikkeling komt dit doorzicht deels te vervallen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Bodem In het kader van een planprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing
21
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek2 uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder verwoord, de volledige rapportage is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Bodem Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat over het algemeen geen verhoogde gehalten zijn aangetroffen. Ter plaatse van de zintuiglijk verdachte laag bij boring B05 zijn licht verhoogde gehalten PCB, kobalt, nikkel, koper, zink, lood, en minerale olie en een matig verhoogd gehalte PAK aangetoond. De aangetroffen licht tot matig verhoogde gehalten zijn te relateren aan de aanwezige puin/gebroken asfalt. Nader onderzoek is derhalve niet benodigd. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. Het aangetroffen licht verhoogde gehalten barium is waarschijnlijk van natuurlijke oorsprong. Zware metalen kunnen van nature in de ondergrond aanwezig zijn. In de loop der jaren zijn deze metalen uitgespoeld naar het grondwater. Asbest Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. In de proefgaten is eveneens geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ook analytisch is er geen asbest aangetoond.
Er is derhalve geen sprake van een verontreiniging met asbest. Indicatief bodemonderzoek (PFAS) In het grondmengmonster (PFAS) van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten PFOA en PFOS aangetroffen. Indicatief voldoet de grond aan de kwaliteitsklasse wonen Conclusie De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het uitvoeren van vervolgonderzoek. De bodem is geschikt voor de beoogde functie.
4.4
Geluid De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het plan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterrein. Toetsing Voorliggend plan betreft de realisatie van een nieuwe brandweerkazerne. Een brandweerkazerne is niet aan te merken als een geluidgevoelige functie. In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen nieuwe weginfrastructuur aangelegd, en wordt geen bestaande weginfrastructuur gewijzigd. Een akoestisch onderzoek is daarom niet benodigd. Vanuit de Wgh gelden geen belemmeringen voor de ontwikke2
Boluwa (2019). Verkennend bodemonderzoek / verkennend bodemonderzoek asbest, Zuiderzeestraatweg naast 213 te Oldebroek. Projectnummer: 19197. 21 oktober 2019. 22
ling van de brandweerkazerne. De eventuele geluidhinder die het voorliggende initiatief veroorzaakt is beoordeeld in paragraaf 4.6. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.5
Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5 (zeer fijn stof). Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen
23
zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voor kleine ontwikkelingen is een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een project dat 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zoals blijkt uit paragraaf 4.10 van deze toelichting leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een toename van circa 15 verkeersbewegingen op een gemiddelde weekdag, waarvan circa 13% vrachtverkeer.
Afbeelding 4.2: resultaten NIBM rekentool
Uit de bovenstaande berekening met de NIBM-rekentool blijkt dat de toename van het verkeer als gevolg van de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft bovendien aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) overschrijding van de grenswaarden. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikke-
24
lingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009)3 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.
Toetsing De ontwikkellocatie ligt aan de oostrand van de bebouwde kom van Oldebroek, aan het historisch bebouwingslint Zuiderzeestraatweg. De Zuiderzeestraatweg betreft hoofdinfrastructuur, waaraan naast wonen diverse andere (agrarische) functies bevinden. De omgeving van het plangebied is dan ook een gebied met een matige tot sterke functiemenging en kan daarom getypeerd worden als een ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling Brandweerkazerne Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van een brandweerkazerne mogelijk. Een brandweerkazerne is aan te merken als een inrichting in milieucategorie 3.1, waarvoor een indicatieve richtafstand van 50 meter geldt. Omdat de omgeving van het plangebied is aan te merken als een gemengd gebied, mag deze richtafstand met één afstandstap verlaagd worden tot 30 meter. Zoals blijkt uit de navolgende afbeelding zijn vier woningen (deels) binnen de hindercontour van 30 meter gelegen. Het gaat om de volgende adressen: Zuiderzeestraatweg 194 / 194C Zuiderzeestraatweg 194A / 194B Zuiderzeestraatweg 211 Zuiderzeestraatweg 213
3
VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 25
Afbeelding 4.3: (gereduceerde) hindercontour brandweerkazerne en bedrijvenstrook
Omdat niet voldaan kan worden aan de gereduceerde richtafstand van 30 meter is een akoestisch onderzoek naar inrichtingslawaai uitgevoerd. De voornaamste resultaten van dit onderzoek zijn navolgend verwoord, de volledige rapportage is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit en stap 2 van de VNG-publicatie (50 dB(A)) niet wordt overschreden, indien het schoonspuiten van voertuigen op het achterterrein wordt gesitueerd (zuidoosten). Zodoende is de beoogde wasplaats aan de zuidoostzijde van het perceel gesitueerd. Er is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het maximale beoordelingsniveau uit het Activiteitenbesluit (70 dB voor de dagperiode, 65 dB voor de avondperiode en 60 dB voor de nachtperiode) en stap 2 uit de VNG-publicatie (70 dB voor de dagperiode, 65 dB voor de avondperiode en 60 dB voor de nachtperiode) wordt overschreden. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat de volgende maatregelen getroffen moeten worden: het schoonspuiten van materieel mag uitsluitend plaatsvinden op het achterterrein; het aanbrengen van een demper op het ontluchtingssysteem van de brandweerwagens;
26
het aanbrengen van een geluidwerende voorziening van 1,5 meter op de terreingrens met het perceel Zuiderzeestraatweg 213. De bovengenoemde maatregelen zijn – al dan niet met een voorwaardelijke verplichting – verankerd in de regels van het bestemmingsplan. Voor de zuidwestzijde van het perceel is de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – geluidwerende voorziening’ opgenomen. Middels een voorwaardelijke verplichting is opgelegd dat ter plaatse van deze aanduiding een geluidwerende voorziening gerealiseerd moet worden met een minimale hoogte van 1,5 meter. Daarnaast is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het plaatsen van dempers op het ontluchtingssysteem van de brandweerwagens. Wanneer bovengenoemde maatregelen worden getroffen resteert alleen een overschrijding van vrachtwagens die goederen komen leveren of afval ophalen, waarvan het remsysteem niet gedempt is. Deze overschrijding zal gemiddeld één keer per week optreden in de dagperiode, als gevolg van het ontluchten. Een dergelijke overschrijding is acceptabel, daar dit overdag plaatsvindt en niet meer dan één keer per week plaatsvindt. Tot slot blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de indirecte hinder beperkt is. De indirecte hinder bij bestaande woningen wordt veroorzaakt door het verkeer afkomstig van de brandweerkazerne.
Het betreft hier personenauto’s van personeel, een transportbusje en (brandweer)vrachtwagens. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor indirecte hinder en de richtwaarde van 50 dB(A) uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ niet worden overschreden. Er is daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande woningen in voldoende mate verzekerd is. Strook bedrijvigheid Een smalle strook aan de westzijde van het plangebied wordt overeenkomstig het huidige gebruik voorzien van de bestemming ‘Bedrijf - 2’. Ter plaatse zijn uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Voor bedrijvigheid in milieucategorie 2 geldt een indicatieve richtafstand van 30 meter. Omdat de omgeving van het plangebied is aan te merken als een gemengd gebied, mag deze richtafstand met één afstandstap verlaagd worden tot 10 meter. Zoals blijkt uit afbeelding 4.2 zijn er geen woningen van derden binnen de hindercontour van 10 meter gelegen. De woning aan de Zuiderzeestraatweg 213 betreft een bedrijfswoning die tot de inrichting behoord en derhalve geen bescherming geniet. Voor de bestaande woningen in de omgeving is een goed woon- en leefklimaat voldoende gewaarborgd.
Hinder van bedrijvigheid op de ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een brandweerkazerne. Dit betreft geen hindergevoelige functie. Dit betekent dat er geen nadere toetsing naar de brandweerkazerne noodzakelijk is. Conclusie Op basis van het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat een goed woon- en leefklimaat voor de bestaande woningen in voldoende mate verzekerd is, mits de noodzakelijke maatregelen getroffen worden.