9e.1 Onderbouwing ETFAL
Tekst van het document
omgevingsvergunning
BOPA - Eekerpolder Batterij-opslag Oldambt
DATUM IMRO IDN
30-10-2025 NL.IMRO.1895.20241528-0001
PROJECT PROJECTLEIDER
BOPA - Batterij-opslag Eekerpolder J. Posthumus
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
MUG ingenieursbureau / Movares 20241528
AUTEUR STATUS
J.C. Busscher ontwerp
Inhoudsopgave
Onderbouwing
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Vergunningprocedure
8
1.4
Leeswijzer
8
Beschrijving van het project en zijn omgeving
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Toekomstige situatie
13
2.3
Activiteiten en met omgevingsplan strijdige activiteiten
15
Participatie
18
3.1
Adviesrecht gemeenteraad
18
3.2
Uitgevoerde participatie
18
Beleidskader en toetsing daaraan
20
4.1
Rijk
20
4.2
Provincie Groningen
21
4.3
Regio
25
4.4
Gemeente Oldambt
25
Hoofdstuk 5
Beoordelingsregels
27
5.1
Inleiding
27
5.2
Milieueffectrapportage
27
5.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
28
5.4
Stedenbouw, bouw(werken) en welstand
28
5.5
Mobiliteit en parkeren
29
5.6
Ecologie: soortenbescherming
29
5.7
Ecologie: gebiedsbescherming
31
5.8
Luchtkwaliteit
33
5.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
34
5.10
Geluid door activiteiten
34
5.11
Geur
35
5.12
Omgevingsveiligheid
35
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/881
5.13
Lichthinder
37
5.14
Trilling
38
5.15
Archeologie, cultureel erfgoed en landschap
38
5.16
Bodem
40
5.17
Water
41
5.18
Gezondheid
46
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
48
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
49
Bijlagen
51
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
53
Bijlage 2
Varianten EOS
67
Bijlage 3
Participatieverslag
69
Bijlage 4
Quickscan Ecologie
75
Bijlage 5
Stikstofonderzoek
95
Bijlage 6
Activiteitenplan
105
Bijlage 7
Ecologisch werkprotocol
123
Bijlage 8
Akoestisch onderzoek
141
Bijlage 9
Externe veiligheidsanalyse
185
Bijlage 10
Archeologisch bureau- en booronderzoek
193
Bijlage 11
Bodemonderzoek
237
Bijlage 12
Digitale watertoets
873
Bijlage 13 Toelichting PGS-37-1Lithiumhoudende energiedragers: energieopslagsystemen (EOS)
4/881
879
Onderbouwing
5/881
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Ter hoogte van windpark N33 ontwikkelt Avermieden B.V. infrastructuurvoorzieningen om congestie op het elektriciteitsnetwerk te kunnen verminderen. Eén van deze voorzieningen is het plaatsen van een batterij-opslag onder de naam 'Eekerpolder Battery'. Een batterij-opslag wordt ook wel een Energie-opslagsysteem (hierna: EOS) genoemd. Het doel hiervan is het opslaan van energie, vanwege schommelingen in de duurzame energieproductie en de capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet. Het vermogen van het EOS zal 111 MW bedragen. De capaciteit van het EOS is 444 MWh. De ontwikkeling van de Batterij-opslag is in strijd met het omgevingsplan gemeente Oldambt. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor de benodigde 'buitenplanse omgevingsplanactiviteit' (hierna: BOPA) aangevraagd. Ten behoeve van de besluitvorming wordt deze aanvraag getoetst aan het geldende beleid en instructieregels van het Rijk en de provincie. De omgevingvergunning voor een BOPA kan alleen worden vergund als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: ETFAL). Voorliggende onderbouwing bevat deze toetsing en de conclusie voor ETFAL.
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied ligt in de Eekerpolder, een polder tussen Zuidbroek en Scheemda. De ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1. Het projectgebied maakt onderdeel uit van de bredere ontwikkeling van 'Zonnepark Eekerpolder'. De gronden binnen het projectgebied zijn kadastraal bekend als gemeente Scheemda, sectie I, nummers, 1305 en 1391. Figuur 1.1. geeft het projectgebied weer en de onderliggende kadastrale percelen. De oppervlakte van het gebied waarbinnen de batterij-opslag wordt gerealiseerd bedraagt circa 1,4 hectare.
6/881
Figuur 1.1.
Ligging projectgebied, met het projectgebied rood omkaderd (bron: PDOK)
Figuur 1.2
Kadastrale kaart, projectgebied aangeduid met kader (bron: PDOK).
7/881
1.3
Vergunningprocedure
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor het in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: 1. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); 2. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b en 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook (onder andere) de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. De reguliere voorbereidingsprocedure is van toepassing op deze aanvraag omgevingsvergunning, tenzij het bevoegd gezag anders beslist. Dit betekent dat op een aanvraag omgevingsvergunning binnen 8 weken moet worden beslist. Het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente Oldambt.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft op welke wijze vooroverleg en participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
8/881
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het project en zijn omgeving
Huidige situatie
2.1.1 Feitelijk situatie Het projectgebied maakt deel uit van de Eekerpolder en heeft een oppervlakte van circa 1,4 hectare. Figuur 2.1 geeft de projectlocatie en -begrenzing weer binnen de Eekerpolder. De Eekerpolder ligt in de gemeente Oldambt, provincie Groningen, en is ontstaan door inpoldering in de tweede helft van de 19e eeuw. Het gebied werd drooggelegd om landbouwgrond te winnen, een veelvoorkomende praktijk in het Oldambt, vanwege de vruchtbare kleigronden die geschikt is voor de akkerbouw. De komst van grootschalige landbouwbedrijven veranderde het landschap ingrijpend en gaf de polder zijn karakteristieke openheid. De Eekerweg loopt van west naar oost dwars door het gebied. In de Eekerpolder bevindt zich 'Windpark Eekerpolder', bestaande uit 15 windturbines die jaarlijks stroom leveren voor circa 60.000 huishoudens. Daarnaast is met de aanleg van Zonnepark Eekerpolder het gebied in gebruik genomen voor het opwekken van hernieuwbare energie uit zon en wind. In de afgelopen jaren heeft de Eekerpolder daarmee een nieuwe functie gekregen als energielandschap. Dit windpark maakt deel uit van 'Windpark N33'. Zie figuur 2.2 voor een luchtfoto van de projectlocatie. Ten westen van het projectgebied ligt 'GDS Avermieden', een station voor het distribueren van energie en het verminderen van netcongestie. De batterijopslag 'Eekerpolder Battery' wordt op dit GDS aangesloten.
9/881
Figuur 2.1
Luchtfoto bestaande situatie met projectbegrenzing (bron: PDOK)
Figuur 2.2
Luchtfoto bestaande situatie richting het zuidoosten (bron: NOVAR, 27-10-2025)
Gebruik De gronden in het projectgebied worden momenteel gebruikt als zonnepark. Zie ook figuur 2.2. In de directe omgeving van het projectgebied staan naast de zonnepanelen ook meerdere windturbines. Binnen het projectgebied zelf staan geen zonnepanelen of windturbines. Direct ten zuiden van het projectgebied loopt de Eekerweg. Ten zuiden, op een afstand van circa 450 meter, ligt de spoorlijn Groningen - Bad Nieuweschans.
10/881
2.1.2 Relevante regels omgevingsplan Het omgevingsplan Oldambt bevat regels voor het projectgebied. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: De besluiten, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening. De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; De Bruidsschat. Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor de ontwikkeling. In paragraaf 2.3 wordt getoetst aan deze onderdelen en ingegaan op de strijdigheden van de ontwikkeling met het omgevingsplan. Vigerende bestemmingsplan Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oldambt' (onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan), vastgesteld op 20 maart 2013 en geheel onherroepelijk in werking is.
Daarnaast geldt het bestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Oldambt 2014', welk is vastgesteld op 1 juni 2015. Figuur 2.3 geeft een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan weer. Op grond van dit plan heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De voor agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijfsvoering. Tevens zijn deze gronden bedoeld voor het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Binnen het projectgebied gelden verder de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 4' . Deze gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen basisbestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Verder gelden er twee gebiedsaanduidingen: Overige zone – dijkenlandschap: gericht op het behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. In artikel 4.1, lid j, onder 1 is omschreven welke kenmerken hierbij worden nagestreefd. Geluidzone – industrie: bedoeld om een te hoge geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige gebouwen binnen deze zone te voorkomen.
11/881
Figuur 2.3: Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oldambt', onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Oldambt, met aanduiding projectgebied ('Getekend gebied') (bron: Omgevingsloket). Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren, in algemene zin, ook de gemeentelijke erfgoedverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. De gemeente Oldambt kent geen specifieke verordeningen die van toepassing zijn. Bruidsschat In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten (zie 2.3), regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen. Vergunning Zonnepark Eekerpolder De gemeente Oldambt heeft op 16 november 2022 een ontwerp-omgevingsvergunning voor het zonnepark Eekerpolder verleend.
Burgemeester en wethouders van Oldambt hebben hiermee bekend gemaakt dat zij in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voornemens zijn vergunning te verlenen voor het aanleggen/realiseren van een zonnepark (Eekerpolder/Oldambt) op een aantal percelen gelegen aan de Eekerweg (..) in Scheemda. Het intiatief is het oprichten van een zonnepark in de Eekerpolder, op gronden van zowel gemeente Oldambt als Midden-Groningen. De totale oppervlakte van de zonneweide is circa 114,33 hectare. De zonnepanelen zullen conform de huidige verkavelingsstructuur worden aangelegd in een zuid opstelling. Doel van het initiatief is om de gronden door middel van zonne-energie bedrijfsmatig te exploiteren. Met het initiatief wordt bijgedragen aan verduurzaming van de regio, door op een daarvoor passende locatie zonne-energie op te wekken.
12/881
In het kader van de ruimtelijke onderbouwing voor de omgevingsvergunning van het zonnepark zijn een aantal onderzoeken uitgevoerd, waaronder een bodemonderzoek (zie 5.16).
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1 Ontwikkeling De ontwikkeling betreft het realiseren van een EOS met een vermogen van maximaal 111 MW. Een EOS is opgebouwd uit verschillende componenten. Afhankelijk van de leverancier kunnen de precieze aantallen, afmetingen en opbouw verschillen. Voor deze omgevingvergunning is daarom uitgegaan van een worst-case scenario gebaseerd op maximale aantallen, afmetingen en oppervlakten van het EOS. Dit is gebaseerd op de drie varianten, welke zijn opgenomen in bijlage 2. Figuur 2.2 geeft de plaatsing van de EOS weer in relatie tot Zonnepark Eekerpolder. In onderstaande is een indicatie gegeven van de componenten voor een 111 MW (444 MWH) systeem: Batterijcontainers (BESS): 111 containers, per rij 3 containers. De containers zijn niet toegankelijk voor personen. De afmetingen zijn maximaal: 1. 10 meter lang; 2. 3 meter breed; 3. 4 meter hoog. maximaal 37 medium voltage stations (MV-stations), bestaande uit omvormers en transformatoren, van 3 bij 10 meter, maximaal 4 meter hoog; Een inkoopstationstation van maximaal 15 bij 40 meter; de verbinding tussen het energieopslagsysteem en het aansluitpunt. Rondom de batterijcontainers en bijbehorende installaties wordt halfverharding aangebracht. Zowel de MV-stations als de batterijcontainers worden op een verhoogde betonverharding geplaatst. De totale verharding is hierbij 20 m2 per MV/BESS.
De totale toename aan verharding door de MV-stations en batterijcontainers is hierdoor 4.440 m2. Daarbij komt nog extra verharding á 200 m2 voor het/de inkoopstation(s). De totale verharding voor het EOS komt daarmee op 5.040 m2.
13/881
Figuur 2.2
Locatie, inrichting en inpassing van de EOS Eekerpolder binnen zonnepark Eekerpolder (bron: BRO)
Rondom het gehele zonnepark en langs de Eekerweg wordt een hekwerk gerealiseerd dat is voorzien van een beveiligingssysteem. Op deze wijze is het batterijsysteem niet toegankelijk voor onbevoegden. Vanwege veiligheidsvoorschriften is het terrein alleen toegankelijk via twee toegangspoorten vanaf de Eekerweg ('Existing road' in figuur 2.2). Deze poorten bevinden zich aan de zuidwest- en zuidoostzijde van het terrein. Ruimtelijke inpassing De gemeente Oldambt hecht veel waarde aan de ruimtelijke inpassing van ontwikkelingen. Voor het project is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Deze is als bijlage 1 toegevoegd. Bij het EOS is het belangrijk dat de openheid en de ruimtelijke kwaliteiten behouden worden. De componenten van het EOS worden daarom zorgvuldig ingepast binnen de bestaande opzet van Zonnepark Eekerpolder. Figuur 2.2. geeft dit weer. Ten noorden van het projectgebied worden vier zogeheten 'dummytafels' geplaatst. Dit zijn reguliere zonnepanelen (die waarschijnlijk niet worden aangesloten). Ze vormen een visuele afsluiting van de noordkant van het zonnepark, waardoor de EOS minder zichtbaar is vanuit de omgeving. Zo gaat de EOS op in het geheel van het zonnepark en wordt het aan het zicht onttrokken. Hiermee is de ruimtelijke inpassing op zorgvuldige wijze geborgd.
14/881
2.3
Activiteiten en met omgevingsplan strijdige activiteiten
2.3.1 Beschrijving onderdelen EOS Het EOS bestaat uit verschillende onderdelen. Hiernavolgend wordt ingegaan op de kenmerken van de onderdelen. Rijen van batterijcontainers De containers waarin de batterijen zijn ingepakt zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omdat deze niet voor mensen toegankelijk zijn. MV-stations De 37 MV-stations zijn bouwwerken, geen gebouw zijnde, omdat deze niet voor mensen toegankelijk zijn. Inkoopstation Het inkoopstation is aan te merken als een gebouw en is voor mensen betreedbaar. Verharding De onderdelen van het EOS hebben gezamenlijk een oppervlakte van circa 5.040 m2. 2.3.2 Welke activiteiten zijn nodig voor het project? Deze paragraaf beschrijft de activiteiten die nodig zijn voor de ontwikkeling. De activiteiten die nodig zijn bestaan uit: Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren (planologische bouwactiviteit); Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en een bouwwerk (gebruiksactiviteit); Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk (planologische bouwactiviteit). Tevens wordt in deze paragraaf beoordeeld of een EOS een milieubelastende activiteit is in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ten slotte wordt ingegaan op de strijdigheden die ontstaan met het omgevingsplan als gevolg van de activiteiten.
Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren De activiteit werk of bouwwerk aanleggen ten behoeve van het bouwrijp maken van de locatie is in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De activiteit afgraven en/of ophogen van gronden ten behoeve van het plaatsen van de rijen van batterijcontainers is op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4.6 uit het BP 'Buitengebied Oldambt') enkel toegestaan met een omgevingsvergunning voor een BOPA. Ook is de activiteit het aanleggen van ondergrondse leidingen op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4) niet toegestaan. Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en een bouwwerk
15/881
Het gebruik van de gronden ten behoeve van een EOS is in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4.1 uit het bestemmingsplan). Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk Rijen van batterijcontainers De rijen met de batterijcontainers van het EOS overschrijden de toegestane bouwhoogte. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4.2. lid c, sub 1) mag de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 meter bedragen. De batterijcontainers hebben een maximale bouwhoogte van 4 meter. Mv-stations De 37 mv-stations overschrijden de toegestane bouwhoogte. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4.2. lid c, sub 1) mag de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet meer dan 3 meter bedragen. De mv-stations krijgen in ieder geval een bouwhoogte van maximaal 4 meter. Onderstation Het onderstation is een gebouw. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 4.2 lid a) mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bedrijfsmatige uitoefening van het agrarisch. Ter plaatse van het projectgebied is geen bouwvlak aanwezig. Milieubelastende activiteit Opslag van energie of gebruik van een EOS is, ten tijde van het schrijven van deze onderbouwing, nog niet in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) aangemerkt als milieubelastende activiteit.
Totdat de aanwijzing van een EOS als milieubelastende activiteit in het Bal heeft plaatsgevonden, is het volgens het RIVM mogelijk om vooruitlopend op deze aanwijzing de PGS 37-1 richtlijn te gebruiken bij de beoordeling van aanvragen van een omgevingsvergunning. De richtlijn is opgesteld als veiligheidsdocument en beschrijft de belangrijkste risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor omgevingsveiligheid, brandveiligheid en de veiligheid van werknemer. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.12. Strijdigheden omgevingsplan De activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling zijn op verschillende onderdelen in strijd met het bestemmingsplan 'Buitengebied Oldambt'. Er ontstaan als gevolg van de activiteiten geen strijdigheden met de gemeentelijke erfgoedverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater. Ook ontstaan er met de activiteiten geen strijdigheden met de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet. De bruidsschat bevat ook regels over milieubelastende activiteiten. Met het planvoornemen is er ook geen strijdigheid op met de Bruidsschat.
16/881
2.3.3 Welke omgevingsplanactiviteiten moeten worden vergund met een omgevingsvergunning voor de bopa? Voor de realisatie van het EOS zijn verschillende activiteiten nodig die in strijd zijn met het omgevingsplan. Deze activiteiten worden daarom aangevraagd via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en door middel van een omgevingsvergunning voor de BOPA worden aangevraagd zijn: Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken / werkzaamheden; Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken en in stand houden van bouwwerken; Omgevingsplanactiviteit voor de gebruiksverandering van het projectgebied naar een energieopslagsysteem en het gebruiken van de bouwwerken en gronden ten behoeve van het opslaan en leveren van energie.
17/881
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie
Adviesrecht gemeenteraad
Op grond van artikel 16.15a van de Omgevingswet kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin het college bij aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse activiteit de gemeenteraad vraagt om een advies te geven. De gemeente Oldambt heeft in haar besluit van 24 november 2022 gevallen van adviesrecht bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een BOPA aangewezen. De voorgenomen ontwikkeling van de EOS Eekerpolder valt onder een geval dat is opgenomen in de 'Lijst van activiteiten waarvoor advies nodig is van de gemeenteraad': "Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie van enige omvang". Voor het voorliggende project is daarmee sprake van een adviesrecht van de gemeenteraad. De voorgenomen ontwikkeling wordt, voordat de omgevingsvergunning voor de BOPA wordt verleend, ter advies voorgelegd aan de gemeenteraad.
3.2
Uitgevoerde participatie
De gemeente Oldambt heeft een beleidsdocument 'Participatiebeleid onder de Omgevingswet'. Dit beleidskader is vastgesteld op 21 december 2021. Het is op basis van artikel 16.55, lid 7, van de Omgevingswet aan de gemeenteraad om gevallen aan te wijzen waarbij de sprake is van wel verplichte participatie bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Onder deze gevallen van 'Het opwekken en/of opslag van andere vormen van energie van enige omvang'. Participatie is hierdoor verplicht. In bijlage 3 is beschreven op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden en wat de uitkomsten daarvan zijn. De volgende stakeholders zijn vooraf betrokken bij het participatieproces: Zonnepark Eekerpolder BV: De coöperatie Eekerpolder, mede-eigenaar van het zonnepark, is gedurende het proces geïnformeerd. Gemeenten: De gemeente Oldambt heeft ingestemd met de gekozen locatie en blijft betrokken bij de verdere inrichting. Daarnaast is de gemeente Midden-Groningen een aantal keren aangesloten bij overleg. Provincie Groningen: Sinds april 2024 vonden zes overleggen plaats met de provincie Groningen over beleid en de rol van energieopslag. De provincie bevestigde dat het EOS voldoet aan de omgevingsverordening en ging akkoord met de beoogde locatie. Veiligheidsdiensten: In de voorbereiding voor de vergunning voor de BOPA heeft meerdere malen afstemming plaatsgevonden met de veiligheidsregio.
Er waren geen bezwaren op het voorlopige ontwerp mits het project van toereikende bluswatervoorziening wordt voorzien. Het definitieve ontwerp, een noodplan en een aanvullende risicoanalyse worden afgestemd met de veiligheidsregio en bevoegd gezag zodra er een leverancier is geselecteerd.
18/881
Omwonenden: De dichtstbijzijnde woning liggen op 1.800 meter afstand en de bewoners zijn vanaf start van het project geïnformeerd. Overige omwonenden worden vanaf de start van het project geïnformeerd. Grondeigenaar: De grondeigenaar is vanaf het begin betrokken bij het project. De grondeigenaar bezit ook de omliggende gronden van het zonnepark. De grondeigenaar wordt regelmatig op de hoogte gehouden van ontwikkelingen. Het uitgebreide participatieproces rondom het EOS in de Eekerpolder, waarin meerdere stakeholdes zijn betrokken, laat zien dat er passend wordt omgegaan met het aspect participatie. Daarnaast wordt er zorgvuldig gekeken naar het beperken van de impact op de omgeving. Door de landschappelijke inpassing en de ruime afstand tot de dichtstbijzijnde woningen is het ruimtelijk effect van de EOS-opstelling zeer beperkt. Uit voorgaande volgt dat er voldoende wordt geparticipeerd en dat er wordt voldaan aan de eerder genoemde participatieplicht.
19/881
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader en toetsing daaraan
Rijk
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. De NOVI is vastgesteld op 11 september 2020 en geheel onherroepelijk in werking. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vijf prioriteiten: 1. 2. 3. 4. 5.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De bouw van 1 miljoen woningen
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Toetsing De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) onderstreept het belang van de groei van duurzame energieopwekking in Nederland. Door het toenemende aandeel hernieuwbare energie en de voortschrijdende elektrificatie raakt het elektriciteitsnet echter steeds vaker overbelast.
Dit betekent dat op bepaalde momenten en locaties de maximale transportcapaciteit van het net wordt bereikt. Dit geldt zowel voor het afnemen als voor het terugleveren van stroom. Als gevolg hiervan komt de leveringszekerheid onder druk te staan en belanden nieuwe aansluitverzoeken op
20/881
een wachtlijst. De verwachting is dat deze druk op het net in de toekomst verder toeneemt door de voortgaande energietransitie. Het energieopslagsysteem (EOS) helpt om deze pieken op te vangen door op strategische momenten energie op te slaan of juist terug te leveren. Daarmee ondersteunt het EOS een stabielere en betrouwbaardere energie-infrastructuur, die beter geschikt is voor het aansluiten van duurzame energiebronnen. Buiten lokale piekmomenten kan het systeem flexibel worden ingezet om de belasting op het net te verminderen. Zo draagt deze ontwikkeling concreet bij aan de verdere groei van duurzame energie in Nederland.
4.2
Provincie Groningen
4.2.1 Omgevingsvisie provincie Groningen Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 is enkele malen geactualiseerd. De geconsolideerde Omgevingsvisie juni 2024 betreft de meest actuele Omgevingsvisie van de provincie Groningen. Inmiddels heeft provincie Groningen ook een ontwerp-Omgevingsvisie ter inzage gelegd. Deze ontwerp omgevingsvisie ligt vanaf 2 oktober 2025 6 weken ter inzage, deze zal waarschijnlijk in 2026 worden vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving op de lange termijn. Deze Omgevingsvisie vormt een basis voor de ruimtelijke plannen die in de provincie Groningen worden gemaakt. In de Omgevingsvisie staat het provinciale omgevingsbeleid weergegeven rondom milieu, verkeer en vervoer, water en ruimtelijke ordening. In de omgevingsvisie staat het volgende met betrekking tot elektriciteitsopslag. Elektriciteitsopslag bij een zonnepark kan de efficiëntie van de energieproductie en -levering vergroten. Dit wordt toegestaan onder de voorwaarde dat het een opslaginstallatie betreft die ruimtelijk en energetisch in verhouding staat tot het zonnepark en voldoet aan de veiligheidsnorm. Ook is het een vereiste dat de inpassing zorgvuldig gebeurt en landschappelijk verantwoord is.
Wanneer een gerealiseerd zonnepark nadien een opslagsysteem wil toevoegen, gebeurt dat binnen het bestaande perceel en volgt er een landschappelijke beoordeling. Toetsing Paragraaf 2.2.1 van deze onderbouwing gaat in op de landschappelijk inpassing van de EOS. Hieruit volgt dat de EOS op een passende manier kan worden ingepast, zoals vereist vanuit de omgevingsvisie.
21/881
4.2.2 Omgevingsverordening provincie Groningen In juni 2024 heeft Provincie Groningen haar omgevingsverordening gepubliceerd. Hierin staat opgenomen dat de definitie van een zonnepark als volgt opgenomen: een ruimtelijk samenhangende, grondgebonden of drijvende installatie voor het opwekken van zonne-energie, groter dan 200 m², inclusief een opslaginstallatie die in verhouding staat tot het zonnepark. Dit houdt in dat het vermogen van de opslaginstallatie kleiner is dan of gelijk is aan de helft van het vermogen van het zonnepark en de oppervlakte van de opslaginstallatie maximaal 1% van het totaaloppervlak van de installatie voor het opwekken van zonne-energie bedraagt. Hierbij geldt voor de opslaginstallatie een maximale oppervlakte van 20.000 m². De voorgenomen ontwikkeling betreft een opslaginstallatie van 1,4 hectare. Hierdoor wordt maximale oppervlakte van 20.000 m² voor een opslaginstallatie niet overschreden. Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie. Over opslag van duurzame energie met behulp van batterijen is geen specifiek beleid en/of regelgeving opgenomen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Met het voorliggende plan wordt een EOS gerealiseerd. Hiervoor staan geen regels in de Omgevingsverordening aan in de weg.
Wel zijn de volgende aspecten uit de Omgevingsverordening van belang, gelet op de voorgenomen ontwikkeling. Artikel 3.7 Instructieregel inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen Afhankelijk van en evenredig aan aard, omvang en ruimtelijke gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling moet een ruimtelijk plan inzicht geven in: de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap; de bestaande stedebouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied; inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen in de directe en wijdere omgeving; de maatregelen die nodig worden geachte om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden binnen en buiten het plangebied als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen te salderen of te compenseren; de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden. Toetsing Het directe gebied rondom de EOS-installatie wordt landschappelijk ingepast, rekening houdend met de bovengenoemde eisen uit artikel 3.7 van de omgevingsverordening Groningen. Dit is toegelicht in paragraaf 2.2.1 en wordt ondersteund door de beschrijving van de landschappelijke inpassing in bijlage 1. Hieruit volgt dat er wordt voldaan aan de instructieregel uit de verordening. Paragraaf 5.15 gaat verder in op het aspect cultuurhistorie.
Uit deze paragraaf volgt dat er voldaan kan worden aan de het provinciale beleid en aan de instructieregels uit artikel 3.7 van de omgevingsverordening Groningen. Buitengebied Het projectgebied is gelegen in ‘Buitengebied’. De provincie wil de waarde van het buitengebied voor natuur en recreatie ontwikkelen en de landschappelijke kernkarakteristieken behouden en waar mogelijk versterken. Ook wil de provincie het buitengebied als woongebied aantrekkelijk houden en bedrijven de mogelijkheid bieden om zich te vestigen in vrijkomende bebouwing en zich daar te ontwikkelen. Omdat de inrichting van het
22/881
buitengebied zowel vitaal als duurzaam dient te zijn, is daarnaast zuinig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Toetsing Met het voorgenomen plan wordt duurzame energie opgeslagen, onder andere om netcongestie te voorkomen. Ook is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, door het batterijopslagsysteem goed in te passen binnen in het zonnepark (zie 2.2.1). Landschap Het projectgebied is, volgens de Omgevingsvisie, gelegen in deelgebied ‘Oldambt’. Het Oldambt wordt vooral gekenmerkt door een groot contrast tussen de groene bebouwingslinten op de hoger gelegen glaciale ruggen en de grootschalige open Dollardpolders met een structuur van opeenvolgende (voormalige) slaperdijken en boerderijreeksen. In het Oldambt dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met: de groene bebouwingslinten: deze vormen harde overgangen van de open polders naar de meer besloten hogere zandruggen; de grootschalige openheid tussen parallelle dijken; de verspreid liggende bebouwing langs ontsluitingswegen in de polders; de eenzijdige bebouwing langs de dijken; de langgerekte tweezijdige bebouwingslinten overgaand in dichte bebouwingslinten; de Oldambster boerderijen, slingertuinen, dijkcoupures, schotbalkenhuisjes en kolken. Toetsing Het voorliggende projectgebied en de directe omgeving betreft een grootschalig en open landschap. De landbouwpercelen zijn rationeel verkaveld.
De rationele verkaveling wordt niet aangetast. De ontwikkeling past binnen de landschappelijke kenmerken van dit landschap. Laaggelegen gebied De provincie wil gebieden aanwijzen waar het watersysteem meer leidend is bij het toekennen van de functie. Dit is onder meer bij laaggelegen gebieden die gevoelig zijn voor wateroverlast en waar waterrobuust gebouwd moet worden. Toetsing Het projectgebied ligt in laaggelegen gebied. Voor agrarisch gebruik is dit minder geschikt, maar de functie van een batterijopslagsysteem past hier goed. Een zonnepark met een energieopslagsysteem kan bovendien waterrobuust worden aangelegd, waardoor het goed bestand is tegen wateroverlast of hoge grondwaterstanden Paragraaf 5.17 gaat verder in op het aspect water.
23/881
4.2.3 Klimaatagenda Provincie Groningen 2030 In de ‘Klimaatagenda Provincie Groningen 2030’ is opgenomen dat het energiesysteem zowel technisch als economisch veel flexibeler moet worden ingericht, om hernieuwbare elektriciteitsproductie uit wind en zon in te passen. Zowel het fysieke netwerk zelf, alsook de huidige marktordening en het huidige wetgevingskader zijn niet toegerust op de nieuwe situatie met een snel groeiend aanbod van energie, met een grilliger productiepatroon. Netbeheerders kunnen hierdoor niet tijdig inspelen op deze ontwikkelingen. Momenteel kent de regio al een gebrek aan netcapaciteit voor het afvoeren van vooral zonnestroom. Dit belemmert de voortgang van de energietransitie en zorgt bovendien voor een ongelijk speelveld, waarin kleine projecten van onderop mogelijk het onderspit delven. De netcapaciteit wordt mogelijk een sturende factor in de locatiekeuze, in plaats van onderdeel van een bredere afweging. Er is meer capaciteit nodig, maar een wildgroei aan nieuwe hoogspanningsverbindingen is ruimtelijk ongewenst. De provincie zet daarom in op het beter benutten van de bestaande capaciteit. Dat doet de provincie door het toevoegen van flexibiliteitsopties, zoals opslag in batterijen, het inzetten van de ‘reservestrook van het net’, conversie naar waterstof en vraagsturing (bijvoorbeeld het slim laden van elektrische auto’s).
Daarnaast lijkt het onvermijdelijk dat er nieuwe capaciteit gecreëerd moet worden door netverzwaringen. De uitdaging is dat beide oplossingsrichtingen soelaas bieden op de (middel)lange termijn, terwijl het probleem acuut is. De provincie dringt daarom bij de netbeheerders aan op een pro-actievere koers: pleeg voorinvesteringen voor netverzwaring (op basis van afspraken die binnen de Regionale Energie Strategie worden gemaakt in plaats van op basis van aanvragen van concrete projecten); creëer meer ruimte binnen het bestaande net, voor zover de huidige kaders dit toestaan (bijvoorbeeld door het in gebruik nemen van de zogenaamde ‘vluchtstroken’); jaag slimmer gebruik van het bestaande net aan, samen met gemeenten en ontwikkelaars. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities en doelstellingen van de provincie Groningen uit de klimaatagenda. Er is noodzaak om de bestaande capaciteit van het elektriciteitsnet beter te benutten, wat de provincie wil doen door onder andere batterij-opslagsystemen toe te voegen, zoals met de voorliggende ontwikkeling wordt beoogd. Hiermee past de beoogde ontwikkeling van de EOS Eekerpolder binnen de beleidskaders zoals omschreven in de Klimaatagenda Provincie Groningen 2030.
24/881
4.3
Regio
4.3.1 Regionale Energiestrategie Groningen In het hele land werken gemeenten, waterschappen, provincies, inwoners, partners en belanghebbenden al samen aan de een regionale energiestrategie (RES), waarin staat waar en hoeveel wind- en zonne-energie op land opgewekt kan worden, welke infrastructuur daarvoor nodig is en met welke warmtebronnen wijken en gebouwen verwarmd kunnen worden. De gemeente Oldambt valt onder de RES-Regio Groningen, waarvoor een RES 1.0 is vastgesteld. De regio heeft de ambitie om 5.7 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. De capaciteit van het elektriciteitsnet staat in (Noord-) Nederland hierbij onder druk. Toetsing Het realiseren van batterij-opslagsystemen, zoals het EOS Eekerpolder, helpt om netcongestie te verminderen en zo bij te dragen aan de uitvoering van de RES-doelstellingen. Conclusie Het realiseren van het EOS in de Eekerpolder draagt bij aan de realisatie van de doelen voor RES-regio Groningen. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met regionaal beleid.
4.4
Gemeente Oldambt
4.4.1 (Ontwerp) Omgevingsvisie Oldambt De gemeente Oldambt werkt aan een gemeente waar de brede welvaart op orde is. De gemeente doelt op een gemeente waar mensen graag wonen, graag werken en graag komen. Wat de gemeente wil is een nauw verbonden samenleveing waarin de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de gemeente (zie hoofdstuk 18 voor een nadere uitleg over deze opgaven) worden gerealiseerd. De omgevingsivise is samengebracht in vijf ambities. Tussen deze ambities zitten diverse raakvlakken. Ze zijn bedoeld als houvast zonder dat het leidt tot verkokering. De raakvlakken laten zien dat een integrale aanpak vaak meerdere doelen en ambities kan dienen en een brede blik in veel gevallen meer dan gewenst is. De vijf ambities uit de omgevingsvisie zijn: a. Iedereen doet mee b. Leefbare dorpen en wijken c. Ondernemerschap en innovatiekracht d. De nieuwe Graanrepubliek e. Klimaatbestendig en energiebewust Binnen de ambitie 'Klimaatbestendig en energiebewust' wordt ingezet op: CO2-neutraliteit en aardgasvrij in 2055; ruimtelijke en bestuurlijke regie in de transitie;
25/881
diversificatie van energiebronnen (zon, wind, groen gas, waterstof); ontwikkeling van opslag- en distributiesystemen; versterking van infrastructuur, en; tijdige herijking van beleid om groeiende energievraag en opwek te faciliteren. Toetsing De realisatie van een energieopslagsysteem (EOS) levert een belangrijke bijdrage aan de ambities van de gemeente Oldambt op het gebied van duurzame energie en klimaatneutraliteit. Door duurzame energie tijdelijk op te slaan, maakt een EOS het mogelijk om fluctuerende bronnen zoals zon en wind beter te benutten. Dit versterkt de continuïteit en betrouwbaarheid van het lokale energiesysteem en draagt direct bij aan het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, wat past binnen de doelstelling om in 2055 volledig CO2-neutraal te zijn. Daarnaast helpt een EOS bij het opvangen van pieken in vraag en aanbod, waardoor het elektriciteitsnet wordt ontlast en verdere elektrificatie van woningen, bedrijven en mobiliteit binnen bereik komt. Een energieopslagsysteem sluit bovendien aan bij de regierol die de gemeente wil nemen in de energietransitie. Door lokaal opslag- en buffersystemen te realiseren, kan Oldambt actief sturen op energievraag en -aanbod en samenwerken met netbeheerders aan een toekomstbestendige infrastructuur.
Ook bereidt een EOS het energiesysteem voor op toekomstige ontwikkelingen, zoals de inzet van waterstof en integratie in slimme netwerken. Daarmee vormt het een cruciale schakel in het ruimtelijk en energetisch beleid dat de gemeente nastreeft. Uit bovenstaande volgt dat de voorgenomen ontwikkeling aanlsuit bij de ambitie 'Klimaatbestendig en energiebewust' en bijbehorende doelen van uit de omgevingsvisie van de gemeente Oldambt. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het beleid van de gemeente Oldambt.
26/881
Hoofdstuk 5 5.1
Beoordelingsregels
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van de ontwikkeling onderzocht. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn bepalend voor de omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden, wat relevant beleid is waaraan wordt getoetst en welke beoordelingsregels relevant zijn en wat de uitkomsten van de belangenafweging daarbij zijn. Op basis hiervan wordt het besluit gemotiveerd en blijkt of eventuele voorschriften moeten worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Dit alles is nodig met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt het project aan de beoordelingsregels getoetst. De beoordelingsregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en in de omgevingsverordening van de provincie Groningen.
5.2
Milieueffectrapportage
Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
Toetsing De voorliggende ontwikkeling valt niet onder de projecten die zijn aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is daarom niet van toepassing. Op basis van de toetsing van de ontwikkeling aan de beoordelingsregels kan voldoende inzicht worden verkregen in de milieueffecten. Het aspect milieueffectrapportage is daarom niet aan de orde.
27/881
5.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Toetsingskader Het Bkl regelt in paragraaf 5.1.5.4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel 'zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand'. Het artikel regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing Diverse voorzieningen voor energieopwekking en -distributie worden niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling.
Voorbeelden van niet-stedelijke ontwikkelingen zijn: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark, een zonnepark en een transformatorstation. Een energieopslagsysteem (EOS) valt onder de categorie energiedistributie en wordt daarom niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie De ontwikkeling levert geen strijdigheid op met de beoordelingsregel in het Bkl. De ontwikkeling is niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling.
5.4
Stedenbouw, bouw(werken) en welstand
Toetsingskader Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Oldambt), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Oldambt). Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b van het omgevingsplan gemeente Oldambt bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken, zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente Oldambt. Deze nota is vastgesteld op 21 maart 2013 door de
28/881
gemeenteraad. Het projectgebied is gesitueerd in het welstandsgebied 'Karakteristiek A: zeer verspreide bebouwing'. Er geldt hier een beleid van ‘in stand houden’ waarbij er een opdeling is te maken naar: plaatsing en hoofdvorm in stand houden en aanzicht en opmaak respecteren. Toetsing Op het moment van vaststelling van de welstandsnota waren energieopslagsystemen nog geen bekend fenomeen. Na het indienen van de omgevingsvergunning voor een BOPA worden de bouwplannen ter beoordeling voorgelegd aan de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Naar verwachting wordt een positief welstandsadvies uitgebracht voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Naar verwachting wordt een positief welstandsadvies verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling en vormt het aspect welstand geen belemmering.
5.5
Mobiliteit en parkeren
Toetsingskader Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Het beleid van de gemeente gaat wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk beleid blijven de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten mobiliteit en parkeren. Hierna wordt ingegaan op de ontsluiting van het projectgebied, het parkeren en de verkeersgeneratie. Toetsing Het EOS wordt aan de oostzijde ontsloten via de Eekerweg welke ontsluit op de Kanaalweg en Vogelzangsterweg. De realisatie van het EOS leidt niet tot een structurele toename van de verkeersgeneratie. Alleen tijdens onderhoudswerkzaamheden zullen enkele verkeersbewegingen kunnen ontstaan. De omliggende wegenstructuur is voldoende geschikt om deze beperkte toename zonder problemen op te vangen. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor het project.
5.6
Ecologie: soortenbescherming
Toetsingskader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen.
29/881
Toetsing Om te bepalen of er binnen het projectgebied beschermde soorten voorkomen is door ecologisch bureau JM Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 4. Uit de quickscan volgen de volgende conclusies: Broedvogels Bevindingen Uit de QuickScan is gebleken dat er hoogstwaarschijnlijk algemene broedvogels binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Om overtredingen te voorkomen, dienen voor deze soortgroep enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Maatregelen Met algemene broedvogels dient rekening gehouden te worden door buiten het broedseizoen te werken. Indien de werkzaamheden starten aan het begin van het broedseizoen dient het plangebied preventief ongeschikt gemaakt te worden. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen dient een ter zake kundige ecoloog het plangebied te controleren op broedvogels. Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het projectgebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Omdat er waarschijnlijk in het broedseizoen wordt gewerkt wordt er aangesloten bij het opgesteld ecologische werkprotocol (zie bijlage 7). Dit inachtnemend worden voldoende mitigerende maatregelen getroffen. Conclusie De werkzaamheden voor het realiseren van de EOS worden uitgevoerd volgens een ecologisch werkprotocol. Daarmee wordt aangesloten bij de voorgesteld mitigerende maatregelen voor algemene broedvogels. Haas Bevindingen Daarnaast is, los van de uitgevoerde quickscan, de aanwezigheid van de haas binnen het plangebied aangetoond tijdens een bezoek van de provincie aan het plangebied. Na het recentelijk bekend worden van de exacte invulling van de werkzaamheden is gebleken dat bij de werkzaamheden leefgebied en mogelijke rustplaatsen van de haas niet kunnen worden ontzien. Getroffen maatregelen Hieromtrent is een omgevingsvergunning aangevraagd voor de flora- en fauna-activiteiten genoemd in artikel
30/881
11.54 van het Bal. Deze activiteiten hebben betrekking op verboden om opzettelijk te doden of te vangen of om de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de haas opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Op 18 september 2024 heeft de provincie Groningen de omgevingsvergunning voor de betreffende flora- en fauna-activiteiten afgegeven. De bij deze vergunning behorende maatregelen zijn vastgelegd in het Activiteitenplan soortenbescherming (BRO, 9 augustus 2024) en uitgewerkt in het Ecologisch Werkprotocol (BRO, 13 november 2024), opgenomen als bijlage 5 en 6. Uit eindoordeel van de provincie blijkt dat, op basis van de ingediende aanvraag, de alternatievenafweging voor deze activiteit in dit plangebied voldoende is onderbouwd en het belang van de activiteit voldoende is aangetoond. Met de maatregelen zoals uitgewerkt in de voorschriften wordt het effect als gevolg van de geplande activiteit in het plangebied voldoende beperkt en blijft de gunstige staat van instandhouding van haas gewaarborgd. De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is toegekend voor de haas (Lepus europaeus) voor artikele 11.54, lid 1 onder b van het Bal. Conclusie Voor de bredere ontwikkeling van het zonnepark is reeds een flora-en fauna-activiteit voor de haas afgegeven door de provincie Groningen.
Conclusie Er moet met de werkzaamheden rekening worden gehouden met broedseizoen voor algemene broedvogels, naast de voorgesteld mitigerende maatregelen. Er is een vergunning afgegeven door de provincie Groningen voor flora- en fauna-activiteiten ten aanzien van de haas (Lepus Europaeus). Met de maatregelen zoals uitgewerkt in de voorschriften wordt het effect als gevolg van de geplande activiteit in het plangebied voldoende beperkt en blijft de gunstige staat van instandhouding van haas gewaarborgd. Daarnaast dient het opgestelde ecologische werkprotocol te worden gevolgd tijdens de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Het aspect soortenbescherming vormt verder geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.7
Ecologie: gebiedsbescherming
Toetsingskader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot gebiedsbescherming. Echter, het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Om dit aan te tonen dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Hieronder wordt per locatie de positie ten opzichte van Natura 2000-gebieden beschreven. Toetsing Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura
31/881
2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Waddenzee ligt op circa 14,5 kilometer (zie figuur 5.1). Het Projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevindt zich op circa 5,3 kilometer (zie figuur 5.2).
Figuur 5.1
Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Figuur 5.2
Ligging projectgebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Vanwege de grote afstand tot NNN-gebied zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten.
32/881
Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten van stikstofdepositie op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een AERIUS-projectberekening uitgevoerd. Zie bijlage 5. Uit de berekening (AERIUS-kenmerk RSUY3Y2eGNma, d.d. 23 oktober 2025) blijkt dat de bijdrage van het project aan stikstofdepositie op alle relevante Natura 2000-gebieden nihil is. Er zijn geen hexagonen met een toename van depositie vastgesteld, waardoor geconcludeerd kan worden dat de beoogde werkzaamheden geen significant negatieve effecten veroorzaken op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten. Conclusie Het projectgebied ligt op ruime afstand van stikstofgevoelige Natura 2000- en NNN-gebieden, waardoor directe effecten zoals areaalverlies, versnippering of verstoring zijn uitgesloten. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie optreedt op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof en natuur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader Het Bkl bevat § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op de aangevraagde activiteiten. Voor het toelaten van activiteiten, anders dan die zijn genoemd in artikel 5.50 en 5.51 Bkl, bevat het Bkl geen instructieregels. In die gevallen zal de gemeente moeten beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten activiteit aanvaardbaar is. De Omgevingswet bepaalt immers dat bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Ow). Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Toetsing Het projectgebied bevindt zich niet in Artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. De overige artikelen zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling van de EOS zorgt voor een geringe toename aan verkeersbewegingen, zoals toegelicht in 5.5. De verslechtering van luchtkwaliteit door deze toename aan verkeersbewegingen is verwaarloosbaar. Conclusie De ontwikkeling zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
33/881
5.9
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Toetsingskader Het Bkl bevat § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan voorziet erin dat het geluid binnen het projectgebied aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden per geluidbronsoort. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. Toetsing en conclusie Het EOS is geen geluidgevoelig gebouw. Een toetsing aan geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is daarom niet nodig.
5.10 Geluid door activiteiten Toetsingskader Het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als bij het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 1 en 2 (hoofdstuk 5 Besluit kwaliteit leefomgeving) (zie tabel 5.1 en 5.2). De regels van hoofdstuk 5 zijn ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw