10b.1a Archeologiebeleid Oldambt 2025 - Beleid en toelichting
Tekst van het document
Archeologiebeleid Oldambt 2025 Waarden- en verwachtingenkaart, beleidskaart en toelichting
Colofon Archeologiebeleid Oldambt 2025 (waarden- en verwachtingenkaart, beleidskaart en toelichting) Auteur: N. van der Mei (Libau) In opdracht van: Gemeente Oldambt Datum: 24 september 2025 Status: Definitief ter vaststelling
Libau Hoge der A 5 9712 AC Groningen Tel. 050 312 65 45 E-mail: archeologie@libau.nl
Samenvatting In opdracht van de gemeente Oldambt heeft Libau het gemeentelijk archeologiebeleid geactualiseerd en aangevuld. Dit nieuwe ‘Archeologiebeleid Oldambt 2025’ bestaat uit een waarden- en verwachtingenkaart, een beleidskaart en deze toelichting. Het oude archeologiebeleid bestond uit een beleidsadvieskaart en bijbehorende beleidsnota. Deze zijn opgesteld in 2010 en door de gemeenteraad vastgesteld in 2012. De dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie in de bestemmingsplannen zijn gebaseerd op deze kaart en nota. In 2015 heeft Libau de beleidsadvieskaart op verzoek van de gemeente al gedeeltelijk geactualiseerd en aangevuld. Deze herziening is echter door de gemeente niet afgerond en de nieuwe kaart is nooit vastgesteld. Het gemeentelijk archeologiebeleid en de planologische bescherming van archeologische waarden is dus gebaseerd op informatie en kennis van 14 jaar geleden. Sinds het opstellen van de beleidsadvieskaart in 2010 zijn nieuwe en betere (digitale) bronnen beschikbaar gekomen. Er zijn bijvoorbeeld nu gedetailleerde satellietopnamen beschikbaar, het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is veel nauwkeuriger geworden en het is gemakkelijker geworden om historische kaarten te vertalen naar een hedendaagse projectie (‘georefereren’). Hierdoor konden de (verwachte) archeologische vindplaatsen nauwkeuriger op de kaart worden gezet.
Naast een verfijning van de (verwachte) vindplaatsen die al op de kaart stonden, zijn ten opzichte van de beleidsadvieskaart uit 2010 ook nieuwe mogelijke vindplaatsen toegevoegd. Het gaat om historische kernen/bebouwingszones, historische wegen, historische waterlopen en historische bruglocaties. Tot slot hebben - sinds de gedeeltelijke actualisatie in 2015 - 176 archeologische onderzoeken plaatsgevonden waarvan de resultaten nog verwerkt moesten worden op de kaart. Volgens de huidige praktijk zijn twee kaarten opgesteld: een ‘waarde- en verwachtingenkaart’ voor de archeologische inventarisatie en een ‘beleidskaart’ voor de verschillende beschermingscategorieën. Dit in tegenstelling tot de oude beleidsadvieskaart waarop de (verwachtings)waarden direct waren gecombineerd met beleidsregels. Wijzigingen in de waarde- en verwachtingenkaart t.o.v. de beleidsadvieskaart 2012 Hieronder wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen op de waarde- en verwachtingenkaart. In hoofdstuk 3 worden alle wijzigingen van de kaart en alle opgenomen waarden per type (verwachte) vindplaats uitgebreid toegelicht. Voor alle eerder geïnventariseerde (verwachtings)waarden geldt dat deze waar mogelijk op basis van nieuwe bronnen nauwkeuriger op de kaart zijn gezet.
Daarnaast zijn de volgende zaken gewijzigd: Afvoeren ‘cultuurhistorische waarden’ Structuren en elementen die alleen op de oude beleidsadvieskaart stonden vanwege hun cultuurhistorische waarden en niet vanwege archeologische waarden zijn niet meer op de kaart opgenomen. Deze moeten uiteindelijk een plaats krijgen op een cultuurhistorische waardenkaart. Vondstlocaties Er zijn minder vondstlocaties opgenomen op de kaart dan in 2010. Vondsten met een te globale locatie of onduidelijke herkomst zijn afgevoerd. Ook vondsten die zijn gedaan op plaatsen die later volledig zijn vergraven (bijvoorbeeld in Blauwestad), zijn afgevoerd. Aanvullende (verwachtings)waarden Historische kernen en bebouwingszones - Dit betreft vooral de historische dorpsgebieden van nog bestaande dorpen en gehuchten. Hier kunnen archeologische resten worden verwacht zoals sporen van oude bebouwing. Het grootste deel was al in 2015 geïnventariseerd. Naast een correctie van de begrenzing op basis van nieuwe bronnen zijn ook zes aanvullende historische bebouwingszones zijn toegevoegd. Historische wegen - Op de kaart zijn nu alle historische wegen opgenomen die een archeologische waarde vertegenwoordigen of een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van vindplaatsen. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de conceptkaart uit 2015.
Historische waterlopen - Op de kaart zijn nu alle historische waterlopen opgenomen die een archeologische waarde vertegenwoordigen of een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van vindplaatsen. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de conceptkaart uit 2015. Bruglocaties - Belangrijkste locaties waar op basis van historische kaarten een brug heeft gelegen of moet hebben gelegen. Op dergelijke locaties kunnen resten voorkomen van bruggen of andere constructies en archeologische objecten in de vorm van verloren en achtergelaten voorwerpen. Bruglocaties waren niet eerder opgenomen op de
beleidsadvieskaart van Oldambt, maar staan wel op de kaart in de buurgemeenten Midden-Groningen en Westerwolde. Onderscheid ‘geen archeologische verwachting’ Op de nieuwe kaart is inzichtelijk gemaakt waarom op een locatie geen archeologische waarden (meer) worden verwacht. Hierin worden drie categorieën onderscheiden: - Landschappelijke ligging. Naar verwachting is het gebied in het verleden niet bewoond of gebruikt door mensen; - Vastgestelde of zeer waarschijnlijke bodemverstoring (afgraving, bebouwing/inrichting of diepe bodembewerking) met een omvang en/of diepte die betekent dat eventuele archeologische resten zeer ernstig zijn aangetast of helemaal zijn verdwenen; - Archeologisch onderzoek waarbij is aangetoond dat er geen archeologische resten (meer) aanwezig zijn of waarbij de archeologische resten volledig zijn opgegraven. Wijzigingen in het beleid Om archeologische waarden te beschermen geldt dat in gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde de meeste grondroerende werkzaamheden boven een bepaald oppervlak vergunningplichtig zijn. Hieronder zijn de belangrijkste wijzigingen in de vrijstellingsgrenzen en in de vergunningplichtige werkzaamheden aangegeven. In hoofdstuk 4 wordt het beleid verder toegelicht.
Veranderingen in sommige vrijstellingsgrenzen De huidige bestemmingsplannen (en dus het tijdelijk omgevingsplan) kennen vier beschermingscategorieën oftewel dubbelbestemmingen: Wr-A1 (50 m2, 40 cm diep), Wr-A2 (100 m2, 40 cm diep), Wr-A3 (200 m2, 45 cm diep) en WrA4 (500 m2, dikte kleidek). In het nieuwe beleid komen hier twee categorieën bij, namelijk 5 m2 en 15 m2, beide met een dieptevrijstelling van 40 cm. Onder deze nieuwe categorieën vallen vindplaatsen die zo kwetsbaar of zo klein zijn dat de eerdere vrijstelling van 50 m2 te groot is. Op deze locaties zou bij een vrijstelling van 50 m2 te veel waardevolle archeologische informatie verloren gaan. Daarentegen zijn er ook (verwachte) vindplaatsen waar de vrijstelling in het nieuwe beleid ruimer is dan de nu geldende vrijstelling. Hier is dus in de toekomst meer mogelijk zonder dat archeologisch onderzoek nodig is. Voor een deel van de AMK-terreinen bijvoorbeeld is de vrijstellingsgrens verhoogd van 50 naar 100 m2. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de voorgestelde beschermingscategorieën, bijbehorende archeologische (verwachtings)waarden en vrijstellingsgrenzen. Beschermingscategorie 1 2 3 4
5 6
(Verwachte) archeologische waarden Kerken en kerkhoven AMK-terreinen: steentijdvindplaatsen en middeleeuwse steenhuizen; vondstlocaties, begraafplaatsen, steenhuizen, sluizen en zijlen, bruggen AMK-terreinen: borgen, wierden en kloosterterreinen; kloosterterreinen, pastorieterreinen, borgen, boerderijplaatsen AMK-terreinen: vestingen/schansen; historische kernen en bebouwingszones, industrie en nijverheid (tichelwerken, fabrieksterreinen), buitenplaatsen, versterkingen, wegen, waterlopen, dijken Archeologische verwachting Verwachting onder kleidek
Vrijstellingsgrens Oppervlakte Diepte 5 40 cm 15 40 cm 50
40 cm
100
40 cm
200 500
45 cm dikte kleidek
Verandering in vergunningplichtige werkzaamheden Het nieuwe beleid sluit voor vergunningplichtige werkzaamheden grotendeels aan bij de huidige bestemmingsplannen. Op enkele punten zijn vergunningplichtige werkzaamheden anders benoemd of zijn deze specifieker gemaakt. De belangrijkste wijziging in de vergunningplicht is dat ondergrondse sloopwerkzaamheden voortaan expliciet vergunningplichtig zijn voor de beschermingscategorieën 1 tot en met 4. Voorheen was dit slechts impliciet het geval, op basis van een vergunningplicht voor graafwerkzaamheden. In de praktijk leidde dit tot onduidelijkheid en het onbedoeld aantasten van archeologische resten bij sloopwerkzaamheden. Voor gebieden met een archeologische verwachting (categorie 5) en gebieden met een verwachting onder het kleidek (categorie 6) geldt deze vergunningplicht niet. Ook het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden, baggeren en het aanbrengen van drainage zijn voor categorie 5 en 6 niet vergunningplichtig. Vervolgstappen voor de gemeente De gemeente Oldambt zal ter bescherming van de geïnventariseerde (verwachtings)waarden regels moeten vastleggen in het omgevingsplan. De beleidskaart en beleidstoelichting vormen de basis voor deze regels. Geadviseerd wordt om de regels op te stellen volgens de ‘Handreiking voorbeeldregels cultureel erfgoed in het omgevingsplan’.
Hierin staan naast voorbeeldregels ook voorbeelden van mogelijke en/of noodzakelijke bepalingen omtrent Bijzondere aanvraagvereisten, Beoordelingsregels en Vergunningvoorschriften en procedures.
Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Kader en doelstelling ........................................................................................................................................... 5 1.2 Leeswijzer ............................................................................................................................................................. 5
2. Landschaps- en bewoningsgeschiedenis van de gemeente Oldambt .............................................. 6 2.1 Ontstaan van het landschap ............................................................................................................................... 6 2.2 De eerste bewoning (midden en laat-paleolithicum) ........................................................................................ 8 2.3 Jager-verzamelaars na de ijstijd (mesolithicum) .............................................................................................. 8 2.4 Prehistorische boeren (neolithicum – midden-bronstijd) ................................................................................ 9 2.5 Late prehistorie (midden-bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd) ....................................................................... 9 2.6 Hernieuwde bewoning (middeleeuwen-nieuwe tijd) ......................................................................................... 9 De eerste veenontginningen ..................................................................................................................................... 9 Toenemende wateroverlast ....................................................................................................................................
10 Het ontstaan van de Dollard ................................................................................................................................... 10 Dijken ...................................................................................................................................................................... 11 Zijlen en sluizen ...................................................................................................................................................... 12 Kloosters ................................................................................................................................................................. 14 Steenhuizen ............................................................................................................................................................ 15 Borgen en buitenplaatsen ....................................................................................................................................... 16 Schansen, vestingen en andere verdedigingswerken ............................................................................................ 17 Stad, dorpen en buurtschappen ............................................................................................................................. 21
3. Archeologische waarden en verwachtingen ...................................................................................... 24 3.1 Inventarisatie bekende archeologische waarden............................................................................................ 24 AMK-terreinen......................................................................................................................................................... 24 Vondstlocaties ........................................................................................................................................................ 24 Andere bekende vindplaatsen ................................................................................................................................ 25 3.2 Inventarisatie vindplaatsen historische (cartografische) bronnen ............................................................... 25 Historische kernen en bebouwingszones ............................................................................................................... 25 Kloosters, kerken, kerkhoven, begraafplaatsen en pastorieën ............................................................................... 26 Steenhuizen, borgen, buitenplaatsen en versterkingen..........................................................................................
28 Historische boerderijplaatsen ................................................................................................................................. 30 Industrie en nijverheid............................................................................................................................................. 31 Historische infrastructuur ........................................................................................................................................ 31 3.3 Inventarisatie landschap en verwachtingswaarden........................................................................................ 37 3.4 Inventarisatie verstoringen ............................................................................................................................... 37 3.5 Verwerken resultaten archeologisch onderzoek............................................................................................. 38 3.6 Integratie gegevens en vervaardigen kaart ..................................................................................................... 38
4. Archeologiebeleid Oldambt 2025 ........................................................................................................ 40 4.1 Beleid per (verwachtings)waarde ..................................................................................................................... 40 4.2 Vergunningplichtige werkzaamheden .............................................................................................................. 43
5. Geraadpleegde bronnen....................................................................................................................... 45 Bijlage I - Waarden- en verwachtingenkaart 2025.................................................................................. 50 Bijlage II - Beleidskaart 2025.................................................................................................................... 52
1. Inleiding 1.1 Kader en doelstelling In opdracht van de gemeente Oldambt heeft Libau het gemeentelijk archeologiebeleid geactualiseerd en aangevuld. Het oude beleid bestond uit een beleidsadvieskaart met bijbehorende beleidsnota en is opgesteld in 2010 en vastgesteld in 2012. In 2015 heeft Libau al een gedeeltelijke actualisatie uitgevoerd van de kaart en nota, maar deze is niet voltooid en dus ook niet door de gemeente vastgesteld. Het doel van de actualisatie was ervoor te zorgen dat de archeologische inventarisatie en het daaraan gekoppelde beleid weer actueel zijn en voldoen aan de nieuwste richtlijnen. Hierbij is een splitsing gemaakt tussen de archeologische inventarisatie (waarden- en verwachtingenkaart) enerzijds en de beleidskeuzes (beleidskaart) anderzijds. Dit in tegenstelling tot de oude beleidsadvieskaart waarop de archeologische inventarisatie direct werd gecombineerd met beleidskeuzes. Het nieuwe beleid bestaat dus uit een waarden- en verwachtingenkaart, een beleidskaart en deze toelichting. Op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart of inventarisatiekaart zijn alle bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische waarden opgenomen. Met ‘aantoonbaar’ wordt bedoeld dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische en/of historische informatie.
De geïnventariseerde archeologische waarden zijn ingedeeld naar periode en complextype. Hierbij zijn de volgende hoofdperioden gehanteerd: 1. 2. 3. 4.
Jager - verzamelaars en eerste boeren (paleolithicum - vroeg neolithicum: < 3400 voor Chr.) Vroege landbouwsamenlevingen (midden-neolithicum - vroege bronstijd; 3400 - 1800 voor Chr.) Late landbouwsamenlevingen (midden-bronstijd - vroege middeleeuwen C; 1800 voor Chr. - 900 na Chr.) Staatssamenlevingen (vanaf vroege middeleeuwen D; vanaf 900 na Chr.)
Voor de complextypen is uitgegaan van een indeling in acht hoofdcomplextypen, namelijk ‘wonen’, ‘begraven’, ‘religie’, ‘deposities’, ‘infrastructuur’, ‘economie’, ‘verdedigen’ en ‘onbekend’. Onder ‘wonen’ vallen (jacht)kampen van jager-verzamelaars, individuele erven, steenhuizen, buitenplaatsen en nederzettingen. Onder ‘begraven’ worden individuele (vlak)begravingen, grafvelden en kerkhoven/begraafplaatsen verstaan. De categorie ‘religie’ behelst kerk- en kloosterterreinen, voornamelijk gelegen in of nabij historische kernen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Onder ‘deposities’ vallen voorwerpen die bewust zijn achtergelaten in met name de natte delen van het landschap. De categorie ‘infrastructuur’ omvat sporen die direct of indirect met transport en vervoer te maken hebben, bijvoorbeeld veendijken, Dollarddijken, wegen, waterlopen, bruggen en sluizen. Onder ‘economie’ scharen we onder andere (zaag)molencomplexen en steenbakkerijen. ‘Verdedigen’ tot slot behelst vooral verdedigingswerken uit de nieuwe tijd zoals vestingen, schansen en redoutes. 1.2 Leeswijzer Dit document vormt de toelichting op de werkwijze voor de actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart (inventarisatiekaart) en de bijbehorende beleidskaart voor de gemeente Oldambt. De twee kaarten samen met de toelichting vormen het Archeologiebeleid Oldambt 2025.
In hoofdstuk 2 wordt allereerst een kort overzicht gegeven van de landschaps- en bewoningsgeschiedenis van Oldambt. De informatie is overgenomen uit hoofdstuk 3 van de concept-beleidsnota uit 2015 en waar nodig aangevuld en gecorrigeerd. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van de archeologische waarden die op de geactualiseerde waarden- en verwachtingenkaart zijn opgenomen. Per categorie wordt aangegeven welke waarden zijn opgenomen en in hoeverre dit afwijkt van de waarden op de eerdere beleidsadvieskaarten. Tot slot gaat hoofdstuk 4 in op de vertaling van de archeologische waarden en verwachtingen in het beleid. Voor de verschillende archeologische (verwachtings)waarden wordt aangegeven boven welke vrijstellingsgrenzen een vergunningplicht geldt.
5
2. Landschaps- en bewoningsgeschiedenis van de gemeente Oldambt1 De bewoningsgeschiedenis is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis en ontwikkeling van het landschap. Daarom wordt in dit hoofdstuk zowel aandacht besteed aan het landschap van de gemeente Oldambt als aan de bewoning door de tijd heen. 2.1 Ontstaan van het landschap De oudste afzettingen die in Noord-Nederland aan of nabij het oppervlak voorkomen dateren uit de Elster-ijstijd (Elsterien; ca. 475.000 - ca. 410.000 jaar geleden). Tijdens het Elsterien was het noordelijke deel van Europa bedekt met een dik pakket landijs. Onder het ijs ontstonden langgerekte, zeer diepe erosiegeulen (tunneldalen). Deze werden in latere perioden opgevuld met smeltwaterafzettingen waaronder een zeer zware klei, zogenaamde potklei. De basis van het tegenwoordig zichtbare landschap van Noord-Nederland kreeg vooral vorm vanaf het Saalien, de voorlaatste ijstijd (ca. 380.000 tot ca. 128.000 jaar geleden). Ook tijdens het Saalien was het noordelijke deel van Nederland bedekt met een dik pakket landijs. Dit landijs bestond uit lobvormige ijstongen die soms een doorsnede hadden van enkele tientallen kilometers. Het ijs voerde grote hoeveelheden keileem en stenen mee. Het hooggelegen ‘schiereiland’ van Winschoten bestaat uit keileem dat is afgezet in het Saalien.
Het landijs liet bij Winschoten een grote hoeveelheid klei, zand en stenen achter nadat de ijskap zich in de loop van het Saalien had teruggetrokken. In een latere periode van het Saalien breidde de ijskap zich weer wat uit, waarbij het eerder afgezette materiaal werd opgestuwd tot ellipsvormige ruggen (drumlins genaamd). Op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; www.ahn.nl) (figuur 1) is de boog van keileemopduikingen te zien, die een komvormige laagte ten noorden van de stad Winschoten omsluiten. Hier lag het voormalige Huningameer. Deels op dezelfde plek is tussen 2004 en 2007 het Oldambtmeer aangelegd.
Figuur 1
Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2; Nationaal Georegister) van het Schiereiland van Winschoten, het Oldambtmeer en omgeving. De donkerrode gebieden zijn de hoogste delen en de donkerblauwe gebieden de laagste delen van het landschap.
In de eindfase van het Saalien ontstond de ‘Hondsrug IJsstroom’, een relatief smalle en snelstromende ijsstroom vanuit het noordwesten. Deze ijsstroom vormde niet alleen de Hondsrug, maar zorgde door het vele smeltwater ook voor erosie. Door ijs en smeltwater werd het circa 20 kilometer brede oerstroomdal van de Hunze uitgesleten.
1
Tekst en afbeeldingen uit dit hoofdstuk zijn gebaseerd op hoofdstuk 3 uit de Beleidsnota Archeologie gemeente Oldambt (Libau 2010/2015), aangepast en aangevuld waar nodig.
6
Dit Hunzedal wordt in het westen scherp begrensd door de Hondsrug. De oostelijke dalrand is door het geleidelijke verloop en door opvulling met jongere afzettingen niet goed aan het oppervlak waarneembaar. Het gebied ten oosten van de huidige Hunze wordt aangeduid als de Hunzevlakte. Deze Hunzevlakte valt grotendeels samen met de Groninger en Drentse veenkoloniën. Op de ijstijd van het Saalien volgde het relatief warme Eemien (ca. 128.000 tot ca. 115.000 jaar geleden), waarin de ijskappen smolten en de zeespiegel steeg. De in het Saalien afgezette keileem rondom de Dollard werd in deze periode door de rivier de Eems grotendeels opgeruimd. De lagergelegen delen van het landschap werden overstroomd door de Eemzee. Deze liet een pakket afzettingen in de vorm van klei en grovere zanden achter. Meer landinwaarts in het Hunzedal kon als gevolg van verslechterde afwatering op grote schaal veen tot ontwikkeling komen. Ondertussen raakten de hoger gelegen delen van het landschap geleidelijk aan bedekt met een dicht loofbos. Na het klimaatoptimum in het Eemien nam de gemiddelde temperatuur weer af, waardoor het loofbos geleidelijk veranderde in een naaldbos en uiteindelijk in een ‘open parklandschap’ met heide. Hiermee begon de laatste ijstijd, het Weichselien (ca.115.000 - ca. 11.700 jaar geleden). In het Vroeg-Weichselien wisselden koude en warmere fasen elkaar af.
Het landschap varieerde afhankelijk van de temperatuur van zeer bosrijk tot open en subarctisch met nauwelijks vegetatie. Hoewel het landijs Nederland in het Weichselien niet bereikte, lag Noord-Nederland in de koudste perioden wel volop in de zogenaamde periglaciale zone (onder invloed van het ijs). Karakteristiek hiervoor was een vrijwel constant bevroren ondergrond, de permafrost. In tegenstelling tot de ondergrond ontdooide de bovengrond in de zomer wel. Door de bevroren ondergrond zakte het water niet weg, maar stroomde oppervlakkig naar lagergelegen delen van het landschap. Rivieren zoals de Hunze en de Eems moesten grote hoeveelheden water met sediment uit de ontdooide toplaag afvoeren, waardoor de beddingen verstopt raakten. Door de permanent bevroren ondergrond konden de rivieren zich niet meer diep insnijden en werden voortdurend nieuwe beddingen gevormd. Zo ontstond in Oost-Groningen een stelsel van vlechtende rivieren.
Figuur 2
Voorbeeld van een vlechtende rivier in een gebied met een permanent bevroren ondergrond.
Tijdens het Weichselien erodeerden oudere afzettingen van klei en zand door vorst, dooi en smeltwaterstromen. Door het ontbreken van vegetatie als gevolg van kou en droogte kon bij herhaling op grote schaal verstuiving optreden. De oudste dekzandafzettingen, ook wel Oud Dekzand genoemd, dateren uit het midden-Weichselien. Dit oude dekzand vertoont vaak een duidelijke gelaagdheid met daarin leemlaagjes. In het laat-Weichselien trad opnieuw grootschalige verstuiving op. In het zogenoemde Jong Dekzand dat in deze periode is afgezet, ontbreken de leemlaagjes. Door de grootschalige verstuivingen veranderde het reliëf in het landschap: dalen werden (deels) opgevuld met dekzand en hoge koppen werden door winderosie afgevlakt. Daarnaast ontstond met name op vlaktes nieuw reliëf in de vorm van dekzandkoppen en -ruggen.
7
2.2 De eerste bewoning (midden en laat-paleolithicum) De eerste sporen van mensachtigen in Nederland dateren uit het midden-paleolithicum (300.000-35.000 voor Chr.). In deze periode trokken groepjes Neanderthalers door Europa. Zij leefden van de jacht en het verzamelen van voedsel zoals vruchten en zaden. Vondsten uit de provincie Drenthe laten zien dat Neanderthalers ook het huidige NoordNederland bezocht moeten hebben. Hoever noordelijk ze zijn geweest, is nog niet duidelijk. In Groningen zijn in ieder geval nog geen vondsten gedaan die zijn toe te wijzen aan Neanderthalers, maar het voorkomen hiervan is niet uit te sluiten. Hierna was het lange tijd te koud voor menselijke bewoning. Met het stijgen van de temperatuur op de overgang van het Vroege Dryas naar het warmere Allerød deed de moderne mens zijn intrede in Noord-Nederland. De eerste groepen mensen die het gebied introkken waren rendierjagers van de Hamburgcultuur. Zij trokken waarschijnlijk met hun voedsel mee en hadden daarom een groot leefgebied. Met de verdere temperatuurstijging en daarmee de verandering van flora en fauna volgden de jager-verzamelaars van de Tjonger- of Federmessercultuur (11.900-10.900 v. Chr.). Het landschap bestond in deze periode niet meer uit een toendra, maar uit een open bos met berken en dennen.
Er werd vooral gejaagd op standwild, zoals edelhert, eland en wild zwijn, maar ook op vogels en ander klein wild. Het leefgebied van deze jagers-verzamelaars was door de jacht op standwild een stuk kleiner dan dat van de rendierjagers. In het Late Dryas, waarin de gemiddelde temperatuur daalde en Noord-Nederland weer veranderde in een toendra, kwamen opnieuw rendierjagers, nu van de Ahrensburgcultuur. Uit de gemeente Oldambt waren tot voor kort uit het laat-paleolithicum alleen resten van de Hamburg-cultuur bekend. Het betreft een vuurstenen gebruiksvoorwerp dat is gevonden op een dekzandkop bij Tranendal/Napels. Hier lag mogelijk een tijdelijk jachtkampje. In 2024 is bij een archeologische begeleiding aan het Oostereinde ten noorden van Winschoten een Tjongerspits aangetroffen. 2.3 Jager-verzamelaars na de ijstijd (mesolithicum) Na een laatste zeer koude periode aan het eind van het Weichselien begon de gemiddelde temperatuur weer te stijgen. Hierdoor veranderde de laat-pleistocene toendra definitief in een meer gevarieerd landschap met daarin berken en dennen en begon het huidige geologische tijdvak dat holoceen wordt genoemd. In archeologische context wordt voor de eerste 4000 jaar van het holoceen gesproken over de middensteentijd oftewel het mesolithicum (ca. 8800 tot 4900 v. Chr.). In de middensteentijd werden de dekzandgebieden van de gemeente Oldambt intensief bewoond.
Dit blijkt uit de vele vindplaatsen die er op dit moment bekend zijn. Kampementen zijn aangetroffen op dekzandkoppen en –ruggen en op de overgangen van hogere, droge gronden naar lagere, natte gronden rondom de depressie ten noorden van Winschoten. Langzamerhand veranderde het parklandschap van dennen en berken in de loop van de tijd in dichte loofbossen, het zogenaamde Atlantische climaxbos. De dichtheid van deze bossen en het ontbreken van open plekken was van invloed op het wild. Het bos werd onaantrekkelijk voor groot wild zoals grazers en met het verdwijnen van dit grote jachtwild vertrok ook de mens. Nieuwe vestigingsplekken werden gevonden in de omgeving van beken en rivieren, zoals die van het oude Eemssysteem (Westerwoldsche Aa). Ook de oevers van vennen en meren waren in trek. Het dichte climaxbos werd waarschijnlijk nog wel bezocht voor de jacht op kleiner wild en het verzamelen van vruchten en noten.
Figuur 3 Bodem van een haardkuil aangetroffen bij proefsleuvenonderzoek op een dekzandkop bij Midwolda (foto M.E. Essink; ARC).
8
De transformatie van de toendra van het laat-pleistoceen naar het parklandschap, en later boslandschap van het holoceen, vereiste aanpassing van de (stenen) werktuigen die de mens voor z’n voedselvoorziening gebruikte. Kenmerkend is het kleiner worden van de werktuigen, in het bijzonder de spitsen. Van de kampementen die in de steentijd werden opgeslagen worden nu alleen nog vuurstenen artefacten en haardkuilen (figuur 3) teruggevonden. Al het organische materiaal, zoals hout, bot en gewei, is in de loop der tijd in de droge en kalkarme zandgronden volledig vergaan. 2.4 Prehistorische boeren (neolithicum – midden-bronstijd) Door zeespiegelstijging, verslechtering van de afwatering en stijging van het grondwaterpeil kon het bos zich niet handhaven. Als gevolg van vernatting ontstond in grote delen van Noord-Nederland veengroei. Het veen begon aanvankelijk lokaal te groeien in rivier- en beekdalen (Hunzevallei en oude dalen van het Eemssysteem) en in depressies, zoals de komvormige laagte ten noorden van Winschoten. Vanuit deze laagtes breidde het veen zich langzamerhand uit over het dekzandlandschap. Het proces van vernatting werd nog versterkt door de aanwezigheid van ondiepe keileem en potklei, waardoor het wegzakken van regenwater werd belemmerd. Op dekzandvlaktes ontstonden zo veenpakketten van circa 2 m dik, in dalen en depressies tot wel 5 m dik.
Bewoning was echter niet gelijk onmogelijk. De wat grotere en hoger gelegen ruggen bleven nog een tijd lang geschikt voor bewoning. In het neolithicum veranderde de bestaansbasis van jagen en verzamelen naar landbouw en veehouderij. Tijdelijke kampementen werden ingeruild voor meer permanente nederzettingen. Hoewel er tot nu toe nog geen nederzettingssporen uit die tijd zijn aangetroffen, zijn er wel losse vondsten bekend uit het middenneolithicum (3400-2850 v. Chr.) (Trechterbekercultuur) en de vroege bronstijd (2000-1800 v. Chr.). Bij Finsterwolde zijn bijlen en een beitel uit de nieuwe steentijd en vroege bronstijd aangetroffen. Finsterwolde ligt op een keileemrug waarop dekzanden zijn afgezet. Deze keileemrug heeft nog lang boven het veen uitgestoken. Rond 2500 v. Chr. overwoekerden de veenmossen de flanken van deze rug en in de loop van de bronstijd bedekten ze de rug zelf. Of de bijlen en de beitel wijzen op bewoning ter plekke, of dat hun aanwezigheid kan worden verklaard als offers, is ongewis. De podzolgronden bij Finsterwolde waren in die tijd geschikt voor bewoning en agrarisch gebruik. Nederzettingsvondsten ontbreken echter vooralsnog. Ook in de vroege bronstijd kan de rug van Finsterwolde nog bewoond zijn geweest, maar daarna werd bewoning onmogelijk door het oprukkende veen.
2.5 Late prehistorie (midden-bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd) Uiteindelijk breidde de veengroei zich zo ver uit dat zelfs deze hoge dekzandruggen en -koppen ofwel bedekt raakten met veen ofwel zo geïsoleerd kwamen te liggen dat bewoning niet meer aantrekkelijk was. Men liet de veengebieden overigens niet volledig links liggen, zo blijkt uit de offervondsten en houten constructies (veenwegen) die elders in voormalige veengebieden zijn aangetroffen. 2.6 Hernieuwde bewoning (middeleeuwen-nieuwe tijd) De eerste veenontginningen De veengebieden raakten in de vroege middeleeuwen bedekt met geboomte en struikgewas en werden woldgebieden genoemd: het Wold-Oldambt en het Woldgebied van het Reiderland. Het Wold-Oldambt lag ten oosten van het KleiOldambt en had de Zijpe (Siepsloot) als westelijke begrenzing. De Tjamme vormde de oostelijke begrenzing van het Wold-Oldambt. Ten oosten hiervan lag het Reiderland, dat zich tot aan de rivier de Eems uitstrekte. Tot de Dollardinbraken aan het eind van de middeleeuwen waren het Oldambt en Reiderland aparte kerkelijke eenheden: het Oldambt behoorde tot het bisdom Münster en het Reiderland viel onder het bisdom Osnabrück. Vanaf de middeleeuwen werd het landschap nadrukkelijk gevormd door de mens. Al in de 9de of 10de eeuw begon men op verschillende plaatsen in de tegenwoordige gemeente Oldambt het veen te ontginnen.
De pioniers die het woldgebied introkken, kwamen uit de noordelijke kleigebieden en Westerwolde. Mogelijk brak er in de 10de eeuw een lange periode van droogte aan, waardoor ontginning van het veengebied gemakkelijker kon worden uitgevoerd. Het ging bij de eerste ontginningen niet om het grootschalig ontgraven van het veen ten behoeve van turfwinning, maar om het in cultuur brengen van de toplaag van het veen ten behoeve van akkerbouw. Tot de oudste veenontginningen behoren Midwolda en Wilderhof (nabij Meedhuizen). Vermoedelijk zijn ook Winschoten, Ulsda en Wagenborgen vroege vestigingen. De vroege ontginningen maakten gebruik van de bestaande hoogten in het landschap zoals het dekzandgebied rond Winschoten en de oeverwallen langs de Eems. Van daar trok men steeds verder het veengebied in en werden dochternederzettingen gesticht. Doel van deze ontginning was niet het grootschalig ontgraven van het veen ten behoeve van turfwinning, maar het in cultuur brengen van de toplaag van het veen voor akkerbouw. Om op het veen te kunnen akkeren, moest het gebied ontwaterd worden. Er werden greppels en sloten gegraven waardoor de top van het veen uitdroogde. Hierop konden vervolgens gewassen (voornamelijk rogge) verbouwd worden. De natte delen van het veengebied werden gebruikt als weiland en hooiland.
Het veenwater werd via de riviertjes als de Tjamme en de Munter Ae in de rivier de Eems geloosd.
9
Tot ongeveer 1100 was het woldgebied slechts dun bevolkt. Vanaf de 12de eeuw kwam daar verandering in en werd de ontginning voortvarend ter hand genomen. Aan het eind van de 13de eeuw had men zich in het gehele woldgebied gevestigd. Dat de kolonisatie van het Wold-Oldambt zeer succesvol was, blijkt ook uit de bouw van de vele steenhuizen (woontorens), grote kruiskerken en kloosters in deze streek. De steenhuizen werden bewoond door de sociale bovenlaag van de bevolking. Deze ontleende haar macht aan de grootscheepse veenontginningen in de 12de en 13de eeuw. Een aantal families werd bijzonder machtig in het gebied. De leden ervan worden hoofdelingen genoemd. De Kroniek van Wittewierum noemt hoofdelingen die als rechters en redgers optraden of een leidende rol speelden bij veten en oorlogen in de 13de eeuw. De steenhuizen waren tufstenen of bakstenen gebouwen met een rechthoekige plattegrond van ongeveer 10 bij 12 meter. Deze torenvormige gebouwen telden drie tot vijf verdiepingen en waren primair verdedigbare woningen voor de sociale bovenlaag van de bevolking. Naast een woonfunctie zullen de steenhuizen ook als opslag zijn gebruikt. Een aantal steenhuizen groeide in de loop der tijd uit tot borgen: verdedigbare complexen omgeven door brede grachten en singels. In de nieuwe tijd verloren de borgen hun defensieve functie. Wel bleven ze dienstdoen als landgoed of buitenplaats.
Door onderlinge ruzies en door de succesvolle machtspolitiek van de stad Groningen was de rol van de hoofdelingen in Oldambt rond 1500 uitgespeeld. Toenemende wateroverlast In de loop van de late middeleeuwen kregen de bewoners van de veengebieden steeds vaker te maken met wateroverlast. De ontwatering van het veen leidde tot oxidatie en krimp. Het maaiveld daalde sterk en de afwatering werd steeds lastiger. Ondertussen waterden de ongerepte veengebieden ten zuiden van het Wold-Oldambt en het Reiderland af via veenrivieren zoals de Siepsloot en de Oude Ae, die dwars door het ontgonnen gebied stroomden. Om te voorkomen dat het zure veenwater de gewassen zou aantasten, zijn er in 1391 en 1420 overeenkomsten gesloten tussen de hoofdelingen van het Oldambt en Reiderland om watergangen van het voorjaar tot het najaar dicht te zetten. Dit betekende dat het water zolang in het achterland moest worden opgeslagen door middel van de aanleg van dammen met sluizen die in de winter konden worden opengezet. Om landbouwgebieden te beschermen tegen het zure veenwater uit nog niet ontgonnen gebieden werden aan de rand van de woeste venen of op de kerspelgrenzen veendijken aangelegd. Deze dijken bestaan in de kern uit rillen veen: niet-afgegraven stukken restveen. De dijken zijn in de loop van de eeuwen opgehoogd met lagen klei en zand.
Verder moesten veendijken langs de belangrijke watergangen ervoor zorgen dat het water gecontroleerd naar de Eems kon stromen. Maar door de lage ligging van het in cultuur gebrachte gebied werd het spuien van het water steeds lastiger. Dit leidde uiteindelijk tot de beëindiging van de bewoning van het woldgebied. De nederzettingen werden verplaatst naar de hogere keileemruggen. Steenhuizen, kloosters en kerken werden afgebroken en voor zover mogelijk op hoger gelegen locaties weer opgebouwd. De veennederzettingen die nabij hoger gelegen zandgronden en keileemopduikingen lagen en daar ook territorium hadden, werden naar deze hoger gelegen gronden verplaatst. Het ontstaan van de Dollard De maaivelddaling als gevolg van de veenontginningen hadden ook tot gevolg dat het land kwetsbaar werd voor overstromingen vanuit de Eemsmonding. Bij stormvloeden werd het water in de Eems opgestuwd en kon het via de Oude Ae en de Tjamme de onbedijkte of slecht bedijkte gebieden binnen stromen. De eerste overstromingen vonden mogelijk al in de 13de eeuw plaats, maar de grote problemen deden zich vooral voor vanaf de eerste helft van de 15de eeuw. De laagste delen van het veengebied waren toen al ontvolkt vanwege de eerdere wateroverlast in het veengebied. In de loop van de 15de eeuw leidde een periode van stormvloeden tot grote overstromingen en uiteindelijk tot het ontstaan van de Dollard.
Falend dijkonderhoud speelde daarbij ook een rol. Vaak werd te laat ingespeeld op verbetering van de verzwakte dijken. Tussen hoofdelingen uit het Reiderland en het Wold-Oldambt ontstond aan het eind van de late middeleeuwen onenigheid over het dijkonderhoud wat in 1413 zelfs leidde tot beschadiging van elkaars dijken en zijlen. Niet veel later moet de oostelijke Dollardboezem zijn ontstaan waarbij een groot deel van het Reiderland in de golven verdween. In die tijd is ook het dorp Houwingaham ten zuidwesten van Nieuweschans verdronken. Hierdoor was men definitief genoodzaakt de economische zones te verplaatsen naar de hoger gelegen gronden. Houten huizen werden gedemonteerd en steenhuizen en kerken werden afgebroken waarna het materiaal werd hergebruikt. De middeleeuwse dorpsgebieden verdwenen uiteindelijk vrijwel helemaal onder een pakket klei. De westelijke Dollardboezem heeft zijn grootste omvang aan het begin van de 16de eeuw gekregen tijdens Cosmas en Damianusvloed (1509). In de twee eeuwen daarvoor had men met wisselend succes geprobeerd het zeewater buiten de dijken te houden.
In 1454 werd de dijk tussen het later verdwenen dorp Palmar (in de buurt van het eveneens verdwenen Zwaag) en de hogere gronden bij Finsterwolde nog hersteld, maar hiermee werd niet voorkomen dat het zuidelijke deel van het Wold-Oldambt een halve eeuw later alsnog te maken kreeg met overstromingen. In 1509 kwam het zeewater zelfs tot aan Zuidbroek, Meeden en Westerlee.
10
In de buurt van het zeegat leidde de getijdenwerking tot een grote afslag van de in cultuur gebrachte veengronden. In het meest noordelijke deel van de gemeente Oldambt is het middeleeuwse landschap grotendeels weggeslagen. Meer naar het zuiden lijkt de erosie door de Dollard echter beperkt te zijn gebleven en zijn de cultuurgronden slechts afgedekt door een laag klei. Hier is het middeleeuwse veenlandschap en het daaronder gelegen prehistorisch zandlandschap gaaf bewaard gebleven onder een pakket Dollardklei van wisselende dikte.
Figuur 4
Kaart van het in de Dollard verdronken land (Stratingh en Venema, 1854)
Dijken In de late middeleeuwen waren er langs de kustlijn en de rivier de Eems dijken/kaden aangelegd om zeewater buiten te houden. Dat deze dijken hun zware taak niet aankonden werd aan het eind van de middeleeuwen duidelijk. De zeedijk die in 1454 was aangelegd tussen de Punt van Reide naar Finsterwolde in de westelijke Dollardboezem, was niet bestand tegen het geweld. Ook dijken die in de eerste helft van de 16de eeuw werden aangelegd, konden het niet bolwerken. Zo verdween de dijk uit 1525 die van Fiemel naar het dorp Zwaag liep, als ook de Kostverlorendijk uit 1531 van Westerreide naar Dallingeweer. Rond de westelijke boezem hebben de dorpelingen vanaf 1542 de Oude Dijk aangelegd. De dijk werd rond 1545 voltooid en liep van Fiemel over Nieuwolda, Nieuw-Scheemda, Scheemda en Midwolda naar Finsterwolde. De dijk liep ten noorden van de kruisbasiliek van het verdwenen middeleeuwse dorp Midwolda. In 1597 kon de diepe inham afgesloten worden met de Ol’Diek, die tussen Scheemderzwaag en het Westeind van Nieuwolda werd aangelegd. Daarna werd de westelijke boezem steeds verder ingedijkt. Opslibbing zorgde ervoor dat ongeveer iedere 50 jaar een nieuw stuk kon worden ingepolderd. Als laatste werd in 1924 de Carel Coenraadpolder bedijkt. In het begin van de 16de eeuw had de Dollard zijn grootste omvang bereikt in de oostelijke Dollardboezem.
In deze oostelijke boezem ging men zelfs al in de eerste helft van de 15de eeuw aan de slag met het herbedijken van het overspoelde land. De oudste dijk in dat gebied is rond 1425 ter plaatse van de huidige Venneweg boven Blijham aangelegd. In de periode daarna schoof de bedijking op naar het noorden: de Noorderdijck en Lestendijck die
11
aansloot op de Hamdijk. Deze dijken lagen op het grondgebied van de huidige gemeente Westerwolde. Pas in 1657 werd het kweldergebied rondom Ulsda en tussen Beerta en Bellingwolde ingepolderd door de aanleg van de Schanskerdijk (een afsluitdijk) tussen Drieborg en Nieuweschans. In de eeuwen daarna werd de oostelijke boezem steeds verder ingepolderd en ontstonden de Kroonpolder (1696), de Stadspolder (1740) en de Reiderwolderpolder (1874). Zie figuur 5 voor een overzicht van de bedijkingen in de oostelijke en westelijke boezem van de Dollard.
Figuur 5
Kaart met daarop de bedijkingen van de Dollardboezem (bron: Schroor & Meijering, 2007).
Zijlen en sluizen Bij iedere nieuwe inpoldering moest voor een adequate afwatering van het nieuw bedijkte gebied gezorgd worden. De nieuwe polders lagen hoger dan eerder ingedijkte gebieden, omdat de kwelder in de nieuwe polders verder had kunnen opslibben. Ook binnen de polders zelf kwamen hoogteverschillen voor. De afwatering vond plaats via sluizen ofwel zijlen en bij iedere inpoldering moesten nieuwe zijlen worden gebouwd. Bij een aantal zijlen werden verdedigingswerken aangelegd. De zijlen hadden niet alleen een waterafvoerende, maar ook een militair-strategische functie. Bij oorlogsdreiging kon men de zijlen afsluiten waardoor het achterland inundeerde (onder water kwam te staan). Dit bemoeilijkte de doortocht van vijandelijke legers. Uit het gebied van de westelijke Dollardboezem is een aantal zijlen bekend die daar ten behoeve van de ontwatering van de nieuw ingepolderde gebieden in de buitendijken zijn aangelegd. Aan het eind van de middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd waterde de Oude Ae bij Scheemda uit op de Dollard en stroomde buitendijks als Oude Geut (een oude wadgeul) door het steeds hoger opslibbende kweldergebied. Ten westen van Scheemda werd in de Oude Dijk uit 1597 (polder Scheemderzwaag) de Carringerzijl of Kermerzijl aangelegd.
12
Bij de verdere bedijkingen van de Dollardboezem moest de zijl steeds verlegd worden. Bij de bedijking van de polder Nieuwland in 1701 werd de Oude Zwaagzijl gebouwd. De Oosterwolderpolderzijl werd aangelegd in de dijk uit 1759 en de Finsterwolderpolderzijl in de dijk uit 1819. Via deze zijlen waterde de Oude Geut steeds verder noordoostwaarts af op de Dollard. Gezien de aanwezigheid van tussenliggende dijken moeten er meer zijlen hebben gelegen, maar deze zijn niet met naam bekend.
Figuur 6
Kadastrale minuut uit circa 1830 (detail Nieuwolda, blad B2) van ’t Waar met daarop het zijlcomplex met herberg (binnen het rood omlijnde gebied).
Eén van de zijlen in de westelijk Dollardboezem lag bij ’t Waar. Hier werd aan het begin van de 17de eeuw een zijl aangelegd in het zogenaamde ’t Ol Daipke. Voor de inpoldering van dit gebied in 1597 liep hier de Menter Aa, waarvan het ’t Ol Daipke een overblijfsel zal zijn geweest. In 1601 werd het Termunterzijldiep aangelegd. Het dorp ’t Waar ligt nu tussen het Buiten Nieuwediep en het Termunterzijldiep in. Op de kaart van Beckeringh uit 1781 staat bij ’t Waar een verlaat (= sluis/zijl) aangegeven. Op de kadastrale minuut uit ongeveer 1830 staat het zijlcomplex met daarbij een herberg en andere bebouwing (figuur 6). Uit de oostelijke Dollardboezem is de locatie van een groter aantal zijlen overgeleverd waaronder de strategisch gelegen Winschoterzijl uit 1593, een tweetal zijlen bij de Boone(r)schans ten zuiden van Bad Nieuweschans en het Merijkezijltje in de Oude Dijk uit 1657. Ten zuiden van Ulsda is in de Pekel Aa een verlaat of zijl aangelegd. De aanleg van dit verlaat moet na 1600 hebben plaatsgevonden, omdat de Pekel Aa aan het eind van de 16de eeuw de huidige loop heeft gekregen. Voor die tijd zou de Pekel Aa ten noorden van Ulsda hebben gelopen. In 1636 werd het Beertserzijldiep van Winschoten naar Hongerige Wolf gegraven. De Beersterzijl werd in de Ganzedijk of Egyptische dijk aangelegd en reguleerde de afvoer van het water naar de Dollard.
Ook het in 1657 gegraven Bellingwolderzijldiep waterde aanvankelijk via dit Beersterzijl af op de Dollard. In 1686 spoelde het Beersterzijl weg. In 1704 werd iets meer naar het oosten de Bellingwolderzijl aangelegd. Kort daarna werd bij deze zijlen een retranchement aangelegd: bij de Bellingwolderzijl een hoornwerk (aan weerszijden van de dijk) en bij het (voormalige) Beersterzijl een batterij.
13
Figuur 7
Bonnekaart van rond 1900 met daarop de (voormalige) zijlen bij Nieuweschans. Van noordwest naar zuidoost: Oude Zijl, tweede Oude Zijl en Zwijnezijl.
Bij de Langakker- of Nieuwe Schans werd in 1657 de Aa-Zijl aangelegd in de Schanskerdijk ten noordwesten van de vesting. Via deze zijl waterde de Westerwoldsche Aa af op de Dollard. Dit Aa-Zijl deed dienst tot 1661. De bedding van de Westerwoldsche Aa werd in 1661 iets naar het oosten verlegd en er diende een nieuw zijl te komen: het Vierkarspelenzijl (vanaf 1677 Tienkarspelenzijl en vanaf 1707 Oude Zijl genoemd). Oostelijk van deze zijl uit 1661 werd in het Zwijnsdiep (een kanaaltje dat van het Snikkediep naar de verlegde Westerwoldsche Aa liep) de Zwijnezijl aangelegd. Na de bedijking in 1696 (Kroonpolder) en nieuwe bedijkingen aan de Duitse kant in 1707 (Bunder Interessenten Polder) werd het noodzakelijk iets noordelijker een nieuw zijl in de Westerwoldsche Aa aan te leggen: het (Oude) Statenzijl (1707). Na de bedijkingen in 1874 aan Nederlandse zijde en 1876 aan Duitse zijde werd de Nieuwe Statenzijl (1877) aangelegd. Kloosters In het Oldambt en Reiderland hebben zes kloosters gelegen: Heiligerlee, Goldhoorn, Midwolda, Nieuwolda, Palmar en Oosterreide. De drie laatstgenoemden zijn verdwenen bij Dollardinbraken. Na de reductie van Groningen in 1594 werden alle kloostergoederen in de provincie Groningen, voor zover niet in de Dollard verdwenen, geseculariseerd. Deze goederen werden aan het begin van de 17de eeuw verdeeld over de Stad, het Ommeland en de Provincie Groningen.
In de Atlassen der Stads- en Provincielanden is een aantal kaarten met voormalig kloosterbezit opgenomen. Palmar De exacte locatie van het premonstratenzer klooster Palmar of Porta Major is niet meer te achterhalen. Het zou rond 1204 gesticht zijn. In 1288 werd Palmar genoemd bij een inventarisatie van de staat der kloosters na de eerste overstromingen in de 13de eeuw. Het klooster bezat onder andere kloostervoorwerken en landerijen bij Finsterwolde. Vanwege het aandringende water van de Dollard werden de goederen en bewoners van Palmar in 1447 verdeeld over de kloosters van Dokkum en Wierum. Waarschijnlijk verdwenen de resten van Palmar tussen 1509 en 1511 voorgoed in de golven. Oosterreide (Reide) Evenals Palmar is ook Oosterreide nog altijd onderdeel van de Dollard. Oosterreide lag nabij de Punt van Reide. In dit dorp was het Dominicaner nonnenklooster Reide gevestigd. Het klooster bleef aanvankelijk gespaard van overstromingen. In 1494 is sprake van verplaatsing van het klooster naar Winsum. Daarvoor was een aantal van de nonnen al overgeplaatst naar het klooster Dijkhuizen. Het is niet duidelijk wanneer het klooster is verlaten, vermoedelijk al in het begin van de 16de eeuw. Rond 1530 is het klooster afgebroken, waarschijnlijk om een blokhuis te Delfzijl te kunnen bouwen. Het dorp was of werd rond die tijd eveneens verlaten. Kort daarop verdween het in de Dollard.
Nieuwolda en Midwolda Ten zuidoosten van Nieuwolda werd vóór 1247 het Benedictijnerklooster Woldkamp (Campis Sylvae) gesticht. Dit klooster was aanvankelijk in gebruik als dubbelklooster, maar om toe te kunnen treden tot de Cisterciënzer orde
14
moest er een splitsing plaatsvinden tussen een mannen- en een vrouwenklooster. In 1258 ging het mannenklooster over naar de Cisterciënzer orde met de abdij te Aduard als moederklooster. De vrouwen betrokken in 1259 een nieuw klooster bij Midwolda. Het Grijzevrouwenklooster bleef afhankelijk van het klooster van Menterwolde, ook nadat de mannen in 1299 wegens wateroverlast verhuisden naar Baamsum, ten zuiden van Termunten. Al in 1282 was duidelijk dat Campis Sylvae moest worden verplaatst en in 1290 is vermeld dat het (inmiddels) aan de oever van de Dollard lag. Het vrouwenklooster hield stand tegen de Dollard. In 1569 en 1574, tijdens de Tachtigjarige oorlog, werd het geplunderd door de watergeuzen. Toch bleven enkele nonnen hier wonen totdat het klooster in 1594 werd opgeheven. Heiligerlee In het begin van de 13de eeuw werd door Herderik van Schildwolde bij Heiligerlee het premonstratenzer klooster Mons Sinaï gesticht. Het klooster was gewijd aan Catharina van Alexandrië. De slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 vond plaats op de landerijen van Mons Sinaï. Het belang van het klooster was gedurende de 16de eeuw al afgenomen. Toen het klooster werd opgeheven waren er nog slechts zestien bewoners. De kloosterkerk en enkele gebouwen werden in 1597 verkocht. In 1624 werden de gebouwen beschadigd bij een Spaanse inval, waarna de opstallen langzamerhand werden gesloopt.
In 1839 was alleen nog een deel van een oude kloostermuur zichtbaar. Goldhoorn Tussen Oostwold en Finsterwolde stond een commanderij van de Johannieter orde. Dit klooster komt voor het eerst voor in schriftelijke bronnen uit 1319, maar is waarschijnlijk al ouder. Het klooster viel onder de commanderij van Steinfurt. In de tweede helft van de 15de eeuw werd de zelfstandigheid van het klooster Goldhoorn opgeheven en werd het een voorwerk van de Johannieter commanderij te Oosterwierum, nu bekend als Heveskesklooster. Steenhuizen In de late middeleeuwen werden door hoofdelingen en aanzienlijken versterkte huizen of steenhuizen gebouwd. Steenhuizen stonden op lage heuvels en waren omgeven door een gracht. De huizen hadden een bescheiden grondvlak van acht bij tien meter, terwijl de hoogte van vijftien meter of meer daarentegen indrukwekkend was. De muren van steenhuizen waren erg dik, weerbaarheid speelde dus een belangrijke rol. In de gemeente Oldambt hebben voor zover nu bekend circa 60 steenhuizen gestaan waarvan de resten bij de Dollardinbraken met een pakket klei zijn afgedekt. Bij archeologische onderzoeken zijn de afgelopen vijftig jaar verscheidene steenhuizen aan het licht gekomen. In het verleden moeten op het grondgebied van de gemeente Oldambt honderden steenhuizen hebben gestaan. Alleen voor Midwolda is al sprake van 180 steenhuizen.
Figuur 8
Op luchtfoto’s zijn ten zuiden van de A7 in het oude dorpsgebied van Scheemda diverse structuren, waaronder resten van steenhuizen, te herkennen.
15
Borgen en buitenplaatsen Sommige steenhuizen groeiden in de loop der tijd uit tot borgen: verdedigbare complexen omgeven door brede grachten en singels. In de nieuwe tijd verloren de borgen hun defensieve functie. In de 17de en 18de eeuw lieten voorname families buitenplaatsen bouwen, bijvoorbeeld in Scheemda en Eexta. Ennemaborg te Midwolda In Midwolda staat de Ennemaborg, van oorsprong een 14de-eeuwse borg, die in de 18de eeuw werd verbouwd tot landhuis. Ten zuiden van de borg heeft eeuwenlang een productiebos gestaan dat aanvankelijk bedoeld was voor de scheepsbouw. Later werd het hout gebruikt voor de meubelindustrie en de huizenbouw. Hoewel het productiebos in de loop van de tijd is omgevormd tot een meer natuurlijk bos, is de oorspronkelijke structuur met rechte paden nog steeds aanwezig. Ten zuiden en zuidoosten van de borg lagen de polder en veenderij van Ennemaborg. In 1801 zijn de laatste bewoners van de Ennemaborg gestart met de ontginning van 60 ha veen op hun grondgebied. In 1817 ging de borg over in handen van Friese beleggers die het landgoed door rentmeesters lieten beheren. In 1819 werd gestart met een grootscheepse ontginning van het veen (300 ha). In die tijd werd de hoofdwijk ofwel "Turfwijk" gegraven om de turf af te kunnen voeren naar het Winschoterdiep. In het veengebied lagen al rond 1830 twee ontginningslinten: Nijsiesoord (nu Niesoord) en Meerland.
Tiddingaborg ofwel Huningaborg te Beerta Jonker Sebe Huninga van Oostwold (ca. 1605-1661) kwam door zijn huwelijk (rond 1625) met Tija Tiddinga in het bezit van de Tiddingaborg in Beerta (later Huningaborg geheten). Sebe Huninga bekleedde de functies van Groot Volmacht van het Oldambt, kerkvoogd te Beerta en Heer op de Tiddingaborg te Beerta. Zijn vader, jonker Ayolt Huninga van Oostwold (circa 1540-1637), bewoonde "het Olde Steenhuis" te Oostwold. De Tiddingaborg bleef nog een aantal generaties (tot 1837) in handen van de familie. De borg/boerderij werd in 1857 afgebroken en er werd een nieuwe boerderij op de borglocatie gebouwd, thans de Huningaheerd genaamd. Huningaheerd te Oostwold Het steenhuis dat ter plaatse van de latere boerderij Huningaheerd heeft gestaan, is waarschijnlijk in de 13de eeuw opgericht. Vanaf de 14de eeuw bewoonde de familie Huninga het steenhuis. Hemmo Huninga (geboren circa 1347) was gevolmachtigde van Oostwold en moet hier gewoond hebben. Zijn vader Upko Huninga (rond 1300 bij Basel geboren) werd door huwelijk Heer van de Uckoborg bij Jemmingen (Ost-Friesland). Sassenheerd bij Nieuw Scheemda Aan het begin van de 17de eeuw liet de drost en dijkgraaf Melle Conders een borg en een boerderij bouwen aan de Scheemderhamrik. Op het landgoed was volgens een verkoopakte uit 1689 een borg, tuinen, grachten, singels, etc. en de heemstede verkocht.
In de volksmond werd het bezit ‘de Beijde Sassen’ genoemd. In 1708 is er nog sprake van een borg maar deze zal kort daarna zijn vervangen door een boerderij. De locatie wordt nu in de volksmond ’t Ol Haimstee of Hooghaim genoemd. Villa De Esbörg te Scheemda De familie Hesse liet dit monumentale pand vóór 1800 bouwen. Bij het pand was een prachtige tuin aanwezig met daarbij een viskenij en een snoekegat. In 1954 kreeg het pand de naam Esbörg en werd in gebruik genomen als dorpshuis/jeugdherberg. De voormalige tuin bij de Esbörg is nu deels bebouwd.
Figuur 9
Kadastrale minuut uit circa 1830 (Scheemda, blad E1) met daarop het terrein van De Esbörg te Scheemda met viskenij (langwerpige vijver) en snoekegat (ronde vijver).
16
Huize Vredenhoven te Eexta De geschiedenis van dit huis gaat terug tot 1640. Het pand werd gebouwd aan de Trekvaart van Groningen naar Winschoten. Het huis werd in de loop der eeuwen uitgebouwd tot een voornaam landhuis met een schitterende tuin met lanen, grachten, hoven en singels. Onder de bewoners bevonden zich voorname families als Piccardt en Hora Siccama. Op de kadastrale minuut uit omstreeks 1830 staat de bijzondere tuinaanleg tamelijk gedetailleerd aangegeven. Er zijn lanen en vijvers ingetekend en in het midden een stenen duivenhuis. In 1955 werd Huize Vredenhoven gesloopt, omdat het in verval was geraakt.
Figuur 10 Kadastrale minuut uit circa 1830 (Scheemda, blad F1) met in de driehoek tegen het Winschoterdiep aan Huize Vredenhoven met tuinen en links de Pastorie van Eexta.
Schansen, vestingen en andere verdedigingswerken In de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), Münsterse oorlogen en Franse tijd speelden de vestingen en schansen een belangrijke rol in het gebied. Langs de oostgrens van de provincie werd een verdedigingslinie aangelegd bestaande uit vestingen, schansen, (lei)dijken en andere verdedigingswerken. Ook werden er versterkingen bij zijlen aangelegd, omdat men op deze wijze inundaties kon controleren. Met het sluiten van sluizen konden gebieden onder water gezet worden, waardoor de vijand gehinderd werd. Vesting Winschoten De vesting Winschoten is ontstaan op de plek van de nederzetting Winschoten. Op 18 september 1593 werd de kerk verschanst om weerstand te kunnen bieden aan de Spanjaarden. Men hield daar slechts anderhalve dag stand, maar in oktober heroverde graaf Willem Lodewijk Winschoten en liet daar een kleine vesting bouwen met negen bastions en een gracht. De schans kende drie poorten en twee waterpoorten daar waar de Rensel de vesting in- en uitstroomde. Het water van de buitengracht zal gevoed zijn met water uit de Rensel. De vesting Winschoten maakte deel uit van de linie die het Olde Retranchement werd genoemd en die vanuit het Hoetmansmeer langs de rond 1600 gekanaliseerde rivier de Pekel Aa naar de Dollard liep. Langs deze linie stonden ook de hieronder genoemde Bruggeschans en Winschoterzijlschans.
Daarnaast kende de linie nog een aantal stenen redoutes of “steenhuizen” zoals ze op een kaart van E. Haubois uit 1651 worden genoemd. Het gaat hier waarschijnlijk om wachttorens van waaruit zowel de vijand als het (scheepvaart)verkeer in de gaten werd gehouden. De vesting Winschoten zelf heeft kort na 1672 zijn strategische betekenis verloren. Daarna begon de vesting in verval te raken en zijn de vestingwerken in de loop van de 18de eeuw geslecht. Winschoterzijlschans en Bruggeschans De vesting Winschoten kende twee voorschansjes, namelijk de Bruggeschans en de Winschoterzijlschans. Beide schansen werden aangelegd op een dijk op de noordelijke oever van de Pekel Aa. Deze schansen zijn eveneens in 1593 gebouwd in opdracht van Willem Lodewijk. De Winschoterzijlschans lag ten oosten van Winschoten op de plek waar de Rensel en de Pekel Aa bij elkaar komen. De Bruggeschans heeft ten zuiden van Winschoten gelegen op de kruising van de weg van Winschoten naar Blijham en de Pekel Aa. Boonerschans of Booneschans Op de Hamdijk, een deel van de oudste dijk (1545) rond de toenmalige Dollardboezem, werd in 1589 een redoute ofwel geheel omsloten veldschans aangelegd. Deze schans was gebouwd in de vorm van een hoornwerk en had twee bastions, een onderwal en een gracht. Vanuit deze schans had men controle op de uitwatering middels de Dünebroekerzijl in de Dollarddijk.