CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening Jeugdwet en WMO 2023 - bijlage 3 - Verordening Wmo Gemeente Oisterwijk 2023

RAAD 16 maart 2023, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Verordening Jeugdwet en WMO 2023 - aanvaard12.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het college is niet gehouden om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget te verlenen als de (gevraagde) voorziening al vóór de melding of de aanvraag gerealiseerd of afgenomen is. Denk aan het realiseren van aanpassingen in de badkamer of het bestellen van een traplift die óók al geplaatst is. Met het zelf (laten) realiseren van (maatwerk)voorzieningen is geen sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regelingen komen voor diens eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). In tegenstelling tot het hiervoor genoemde is hier sprake van een nog niet gerealiseerde voorziening. Dat betekent dat er nog beperkingen (kunnen) worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie op het moment van de melding of de aanvraag. Wel is er in deze gevallen sprake van omstandigheden die in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich niet eerder te melden met het oog op uiteindelijk een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt het college de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget. Daarbij geldt de hoofdregel onverkort: wat is de goedkoopste passende bijdrage als bedoeld in artikel 4.2 eerste lid onder b van de verordening.

Kan het college de noodzaak van de voorziening nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt. Een start met bijvoorbeeld de aanpassing van de badkamer of een andersoortige woningaanpassing hoeft niet zonder meer in te houden dat de noodzaak daarvan niet meer kan worden vastgesteld. Het kan zijn dat het college eenzelfde maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget zou toekennen als wanneer de cliënt nog niet zou zijn begonnen met de aanpassingen. Het kan ook zijn dat de noodzaak nog wel kan worden

Verordening WMO 2023 vastgesteld maar dat de kosten hoger zijn dan het college zou toekennen; de goedkoopst passende bijdrage. In voorkomende gevallen kan het college daarmee volstaan.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget In dit hoofdstuk van de verordening zijn criteria opgenomen over de aanspraak, bijbehorende verplichtingen verbonden aan het persoonsgebonden budget en regels over het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Artikel 5.1 Criteria persoonsgebonden budget In dit artikel zijn de drie voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet opgenomen. Deze zijn ter beoordeling aan het college. De aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst. Daarmee is niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6, vijfde lid, onder b, van de wet bevoegd is het persoonsgebonden budget te weigeren. De cliënt die een persoonsgebonden budget wenst voor de inkoop van diensten en daar naar oordeel van het college recht op heeft, is verplicht een budgetplan op te stellen. Wat daaronder wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen van de verordening. Het kan zijn dat de cliënt al een budgetplan opstelt om zijn motivatie, waarom hij een persoonsgebonden budget wenst, te onderbouwen. Een persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit is in lijn met het bepaalde in artikel 4.2 tweede lid onder a van de verordening.

De wetgever heeft met de invoering van het trekkingsrecht nadrukkelijk de bedoeling gehad om uitbetaling van persoonsgebonden budgetten niet meer toe te staan aan bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers. Persoonsgebonden budgetten worden door de Sociale verzekeringsbank in opdracht van het college uitbetaald aan derden. Het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Voor woningaanpassingen kan de termijn van 15 maanden gelden. Zie verder hoofdstuk 8 van deze verordening. In geval een huisgenoot normaal gesproken wordt geacht gebruikelijke hulp te kunnen verrichten mag het persoonsgebonden budget niet aan die huisgenoot worden uitbetaald voor geleverde of te leveren maatschappelijke ondersteuning. De cliënt gaat altijd met de aanbieder een schriftelijke overeenkomst aan, waarin in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning en de wijze van declareren. Deze voorwaarde is een concrete uitwerking van het voorkomen van misbruik van persoonsgebonden budgetten. Zie verder hoofdstuk 8 van de verordening.

Het college kan bepalen dat de cliënt verplicht is gebruik te maken van de overeenkomsten van de Sociale verzekeringsbank. Omdat een persoon uit het sociale netwerk bijvoorbeeld niet ingeschreven zal staan bij de Kamer van Koophandel, kan het college aan de hiervoor genoemde schriftelijke overeenkomst andere eisen stellen in geval het persoonsgebonden budget wordt besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt. Denk bij een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt bijvoorbeeld aan een student met bijbaan. Indien aan de cliënt een persoonsgebonden budget is verleend, worden daaraan, afhankelijk van de maatwerkvoorziening die daarmee zal worden aangeschaft, verplichtingen verbonden. Het college heeft in dat kader eerst de bevoegdheid te beoordelen of voldoende is gewaarborgd dat de betreffende maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt (art. 2.3.6 van de wet). Daarnaast oordeelt het college of de kwaliteit daarvan in redelijkheid geschikt is met het oog op het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt (art. 2.3.6 van de wet). Om dat oordeel kracht bij te zetten stelt het college hierover nadere regels. Welke verplichtingen

Verordening WMO 2023 gelden is vanzelfsprekend afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening. Ook kunnen deze voorwaarden van toepassing zijn indien de maatwerkvoorziening in natura wordt toegekend.

Artikel 5.2 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget Voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat het persoonsgebonden budget niet meer bedraagt dan het bedrag welke het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). De hoogte van het persoonsgebonden budget kan daarom ook afhankelijk zijn van de afschrijvingstermijnen die het college overeen is gekomen met de leverancier die de betreffende maatwerkvoorziening in natura levert. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget ook vaststellen op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt. De hoogte van het persoonsgebonden budget is afgeleid van het plan van aanpak en het tarief van de vergelijkbare door de gemeente gecontracteerde maatwerkvoorziening in natura. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van dit tarief. Het persoonsgebonden budget moet toereikend zijn om daarmee de maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit met betrekking tot het doel waarvoor het is verstrekt.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten In dit hoofdstuk van de verordening zijn de regels neergelegd over het verschuldigd zijn van een bijdrage in de kosten voor de gebruikers van maatwerkvoorzieningen, ontvangers van een persoonsgebonden budget en gebruikers van algemene voorzieningen.

Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening Voor de maatwerkvoorziening en het persoonsgebonden budget is de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd. Dit geldt zolang de maatwerkvoorziening wordt gebruikt. Daaronder wordt ook verstaan zolang de cliënt de beschikking heeft over de maatwerkvoorziening. Immers is hij dan in de gelegenheid daar gebruik van te maken. Voor het persoonsgebonden budget geldt het verschuldigd zijn van de bijdrage in de kosten ook zolang het persoonsgebonden budget is toegekend. Dat is afhankelijk van de aard van de maatwerkvoorziening. De bijdrage in de kosten wordt opgelegd en geïnd door het CAK conform de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AMvB). Voor een maatwerkvoorziening, dan wel persoonsgebonden budget ten behoeve van een minderjarige (jonger dan 18 jaar) mag het college geen bijdrage in de kosten opleggen. Een uitzondering geldt in het geval een woningaanpassing wordt verleend. De bijdrage in de kosten is dan verschuldigd door de personen genoemd in het tweede lid, onder a en b, van dit artikel.

Artikel 6.2 Kostprijs berekening bijdrage in de kosten Dit artikel bepaalt wat de kostprijs van een maatwerkvoorziening, persoonsgebonden budget en een algemene voorziening is. De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. Dat geldt niet voor de voorziening collectief vervoer. De ritbijdrage die cliënten betalen, is overeenkomstig het tarief voor het openbaar vervoer. De meerkosten betaalt de gemeente. De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Indien aan een cliënt een persoonsgebonden budget is verstrekt, is de kostprijs gelijk aan de hoogte van het toegekende budget. De bijdrage in de kosten voor het gebruik van een algemene voorziening bedraagt nooit meer dan een kostendekkende bijdrage.

Verordening WMO 2023

Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten In dit hoofdstuk van de verordening zijn regels opgenomen over de bevoegdheid van het college een tegemoetkoming in bepaalde meerkosten te verlenen aan de genoemde doelgroep. De wet biedt het college geen andere mogelijkheid om forfaitaire bedragen (meerkosten) rechtstreeks aan de cliënt te kunnen uitbetalen.

Artikel 7.1 Aanspraak Uit de wettekst blijkt dat het bij de tegemoetkoming niet hoeft te gaan om een cliënt. Gesproken wordt over de persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke meerkosten kan hebben. De tegemoetkoming dient ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. De hoofdregel is dat de tegemoetkoming op aanvraag wordt verleend én dat de aanvraag moet worden ingediend voor dat de kosten zijn gemaakt. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van de tegemoetkoming voor meerkosten en in welke gevallen en onder welke voorwaarden deze tegemoetkoming kan worden verstrekt. Aanspraak op een tegemoetkoming kan alleen als er geen aanspraak bestaat op een vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening. Met deze bepaling moet worden voorkomen dat dubbele vergoedingen worden verstrekt. Denk bijvoorbeeld aan een leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen, vergoeding van kosten op grond van de bijzondere bijstand of een tegemoetkoming op basis van de toelage huishoudelijke hulp.

Hoofdstuk 8 Toezicht, handhaving en terugbetaling In dit hoofdstuk van de verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten van rechten van cliënten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien sprake is van de situaties zoals genoemd in dit hoofdstuk. Deze situaties hebben onder andere betrekking op het - door de cliënt - verstrekken van onjuiste inlichtingen of het niet voldoen aan voorwaarden/verplichtingen. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen.

Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget of tegemoetkoming meerkosten.

Artikel 8.2 Beëindiging Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Het artikel benoemt situaties waarin het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel het persoonsgebonden budget of de tegemoetkoming meerkosten. Het zich niet houden aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening die in bruikleen is toegekend, kan leiden tot beëindiging van die voorziening. Het college zal bij die beëindiging wel moeten overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de plaats stelt. De verwijtbaarheid in aanmerking nemende brengt dan mee dat het college mag volstaan met slechts het strikt noodzakelijke ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Dat zou ook kunnen betekenen dat de cliënt enige ongemakken voor lief moet nemen. Denk bijvoorbeeld aan collectief vervoer voor de korte afstand in plaats van de door het college beëindigde toekenning van de scootmobiel. In geval van overlijden van de cliënt is de termijn van de beëindiging van het persoonsgebonden budget op de dag gelegen na de dag van overlijden bepaald.

Verordening WMO 2023 Indien de cliënt verhuist en zijn woonplaats niet meer in de gemeente Oisterwijk heeft, leidt dat ook tot beëindiging.

Artikel 8.3 Herziening of intrekking Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld, of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken met het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een ander besluit zouden hebben geleid dan als de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Ook kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het persoonsgebonden budget, uit hoofdstuk 5 van de verordening, leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. Opgemerkt wordt dat bepaalde voorwaarden ook kunnen gelden voor maatwerkvoorzieningen die in natura worden toegekend. Overigens geldt verder de wettelijke bevoegdheid van het college om toekenningsbesluiten te heroverwegen en eventueel over te gaan tot intrekken van dat besluit (zie art. 2.3.10 van de wet).

Artikel 8.4 Terugvordering In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan het ‘misbruik’ van de wet. Namelijk indien opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Er is daarom ervoor gekozen terugvorderingsgronden in dit artikel uit te breiden. Uit de jurisprudentie blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. Denk aan de terugvordering van de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. De verordening biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening met een persoonsgebonden budget of een tegemoetkoming meerkosten.

Hoewel de wetgever in principe beoogt om de geldswaarde van maatwerkvoorzieningen terug te vorderen is in dit artikel de bevoegdheid gecreëerd om maatwerkvoorzieningen die in eigendom of bruikleen zijn toegekend terug te halen (terug te vorderen).

Artikel 8.5 Terugbetaling Het college is bevoegd een beschikking af te geven over de terugbetaling van (een deel van) het persoonsgebonden budget door de cliënt of de nabestaande(n) in de situaties zoals in dit artikel bepaald. Het college heeft hierover nadere regels vastgesteld.

Artikel 8.6 Controle Het college kan steekproefsgewijs de besteding van de persoonsgebonden budgetten controleren en nadere regels stellen over deze controle. Tevens kan het college beoordelen of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen (art. 2.3.9 van de wet).

Verordening WMO 2023

Hoofdstuk 9 Kwaliteit Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij, dat het college kan toezien op de kwaliteit.

Artikel 9.2 Verhouding prijs-kwaliteit van voorziening geleverd door derden Eerste lid In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Tweede lid Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten.

De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Derde lid Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Vierde lid Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Vijfde lid Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat.

Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in

Verordening WMO 2023 de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

Artikel 9.3 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 9.3 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 10 Overige bepalingen Artikel 10.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers indien mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Oisterwijk. De wijze waarop de jaarlijkse blijk van waardering wordt vormgegeven komt in samenspraak met belangenorganisaties tot stand. Uit de bepaling vloeit eveneens voort dat de blijk van waardering per jaar zou kunnen verschillen. Het college moet bij de uitvoering oog hebben voor mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen.

Artikel 10.2 Inspraak Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Verwezen wordt naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmobeleid als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op maatschappelijke ondersteuning.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen Artikel 11.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en dat voor het overige ook nader moeten onderbouwen. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Oisterwijk op 16 maart 2023, de griffier, Daniëlle Robijns

de voorzitter, Hans Janssen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12437726/3