Notitie Reikwijdte en detail OER De Baars
Tekst van het document
Bosch & van Rijn
Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht 030 – 677 6466
Auteurs
D. Booij MSc. Drs. W.L. Verweij
Opdrachtgever
Gemeenten Tilburg, Oisterwijk, Goirle en Hilvarenbeek, Waterschap De Dommel
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER De Baars
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER De Baars
Datum
23 mei 2025
Versie
1.6
Auteurs
Daan Booij Wouter Verweij
Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:
030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2025 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
HOOFDSTUK 3
HOOFDSTUK 4
HOOFDSTUK 5
Inleiding
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8 1.9 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 4.1 4.2 4.3
INLEIDING
3
Aanleiding Doel van NRD en OER Wat is hieraan voorafgegaan? Waar staan we nu? Hoofdthema’s windenergie en wateropgave Doelen in het gebied Reikwijdte van het OER M.e.r.-procedure Leeswijzer
3 4 5 6 7 7 8 8 10
RUIMTELIJKE VARIANTEN EN ALTERNATIEVEN
11
EFFECTBEOORDELING
32
PARTICIPATIE EN PROCES
48
BIJLAGEN
50
Ruimtelijke varianten en alternatieven Watervarianten Uitgangspunten Windturbinevarianten Windturbinevarianten Integrale alternatieven Inleiding Milieuthema’s Thema’s wateropgave Thema’s windenergieopgave Verbredingsthema’s Leemten in kennis Mitigerende maatregelen
Hoe past de NRD in het totale proces? Hoe kunnen betrokkenen meedenken over de NRD? Waarom is het belangrijk om mee te denken over de NRD?
11 12 20 22 26 32 32 34 37 45 47 47 48 48 49
2
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1
Aanleiding De gemeenten Tilburg, Oisterwijk, Goirle en Hilvarenbeek zijn van plan om in het gebied rond het knooppunt De Baars een energiehub te ontwikkelen en gelijktijdig invulling te geven aan enkele overige gebiedsopgaven (landschap, recreatie, natuur en landbouw) die zijn beschreven in de Bestuursopdracht 1. Met de energiehub en de lokale opwek van duurzame energie wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de doelen van de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) Hart van Brabant (2021) 2. Om deze ontwikkeling te kunnen realiseren wordt er een gebiedsvisie De Baars opgesteld. In deze gebiedsvisie staan windenergie en de aanpak van de wateropgave centraal. Daarnaast worden meekoppelkansen voor landschap, recreatie, natuur en landbouw beoordeeld. Als basis voor het opstellen van de gebiedsvisie wordt onderzoek verricht in de vorm van een Omgevingseffectrapportage (OER). Als eerste stap is hiervoor de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. De NRD kan worden gezien als de onderzoeksopzet voor het nog uit te voeren onderzoek naar effecten op de fysieke leefomgeving. Het globale plangebied voor het OER waarbinnen de ontwikkelingen worden onderzocht is weergegeven in Figuur 1.
1
2
https://raad.goirle.nl/Vergaderingen/Lijst-Ingekomen-Stukken/2023/28-maart/19:30/Informatievan-B-W-voor-kennisgeving-aannemen/C1-Bijlage-1-bij-rib-De-Baars-16-2-2023-Kader-van-Randvoorwaarden-de-Baars.pdf https://www.regio-hartvanbrabant.nl/wp-content/uploads/2023/05/reks-1_0-regio-hart-van-brabant.pdf
3
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 1
Projectgebied De Baars
De betrokken vier gemeenten en Waterschap De Dommel zijn initiatiefnemers voor de NRD, het OER en de gebiedsvisie. De gebiedsvisie wordt het ruimtelijke kader voor de gebiedsontwikkeling, waarbij de integratie van de energie- en klimaatdoelen met andere belangen, zoals natuurbehoud, landbouw en recreatie, centraal staat. Omdat de gebiedsvisie kaderstellend is voor mer-beoordelingsplichtige besluiten geldt een plan-mer-plicht. De planMER die wordt opgesteld beperkt zich niet tot enkele klassieke milieuthema’s maar in de rapportage een brede beoordeling plaatsvindt van effecten op de fysieke leefomgeving wordt het rapport aangeduid als Omgevingseffectrapportage (OER). Het OER voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 11.3 van het Omgevingsbesluit. Met dit OER wordt invulling gegeven aan de plan-mer-plicht.
1.2
Doel van NRD en OER Voorliggend document betreft de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) ter voorbereiding van een OER, waarin de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkelingen worden onderzocht. De afkorting NRD staat voor Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Het wordt ook wel de onderzoeksagenda van het OER genoemd. Het is dan ook een van de eerste stappen van het OER-proces. Het woord ‘reikwijdte’ wijst naar het feit dat er in de NRD benoemd wordt welke alternatieven en beoordelingsthema’s meegenomen worden in het onderzoek. Het woord ‘detailniveau’ geeft aan hoe uitgebreid dit wordt gedaan en op welke manier. Het doel van de NRD is om betrokken bestuursorganen en overige geïnteresseerden op de hoogte te brengen van de voorgenomen aanpak. Het document is een middel om geïnteresseerden te informeren over de afbakening en diepgang (reikwijdte en
4
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
detailniveau) van het op te stellen OER. De NRD fungeert daarnaast als overzichtsdocument van de uit te voeren onderzoeken. Het opstellen van een NRD is geen verplichte stap in de plan-mer-procedure. Deze kan optioneel worden opgesteld om de reikwijdte en het detailniveau van de onderzoeken inzichtelijk te maken. De NRD biedt een helder vertrekpunt voor het onderzoek en wordt als zodanig naar bestuurders en de samenleving gecommuniceerd.
1.3
Wat is hieraan voorafgegaan? In juli 2021 hebben de negen gemeenten in de regio Hart van Brabant, samen met de provincie en drie waterschappen de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) vastgesteld. In de REKS hebben gemeenten, waterschappen en provincie hun ambities vastgelegd op het gebied van energiebesparing, opwekking van duurzame energie en het aanpassen aan het veranderende klimaat. Dit is de regionale vertaling van de landelijk afgesproken doelen in het Klimaatakkoord, die voortkomen uit het Klimaatverdrag van Parijs. In het REKS-bod zijn acht zoekgebieden aangewezen om energiehubs in te ontwikkelen. Eén van de zoekgebieden is het gebied rondom knooppunt De Baars. Voor de invulling hiervan werken de vier grondgebied-gemeenten, Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek en Oisterwijk, het waterschap De Dommel en het Publiek Ontwikkelbedrijf REKS samen aan de gebiedsontwikkeling. De energie- en klimaatopgave gaat hand in hand met andere ontwikkelingen in dit gebied.
Figuur 2
Ontwikkelscenario grootschalige energieopwekking (afbeelding komt uit de REKS Hart van Brabant, 2021)
De verkenning van De Baars is opgestart tijdens het opstellen van de REKS 1.0. Onder het perspectief ‘Toekomsttuin De Baars’ zijn door de vier gemeenten, het waterschap en de provincie 22 kaders en randvoorwaarden opgesteld op de thema’s Klimaatadaptatie en landschap, Energie en Economie. Ook is er een participatieplan opgesteld. Beide documenten zijn in februari 2023 door de stuurgroep De Baars
5
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
vastgesteld. Colleges en gemeenteraden zijn geïnformeerd en hebben kennis kunnen nemen van de stukken. In Hilvarenbeek is het participatieplan bestuurlijk vastgesteld. In maart 2024 is in een gezamenlijke Bestuursopdracht bepaald op welke wijze de samenwerkende gemeenten in de zoekgebieden De Baars en Kattenberg op zoek gaan naar ruimte voor een energiehub. In de Bestuursopdracht is het proces om tot een gebiedsvisie te komen uitgewerkt. De eerste stap in het proces bestond uit een verkenning naar de mogelijkheden en beperkingen voor de ontwikkeling van winden zonne-energie, de aard en scope van de klimaatopgaven en de overige opgaven in het gebied. Hieruit bleek dat bij De Baars sprake is van een samenloop van meerdere opgaven. De opgaven betreffen klimaatadaptatie, recreatie, wandelgebied voor bewoners van stad en dorp en transitie in de landbouw. Tegelijkertijd laat de verkenning zien dat de ruimte voor grootschalige windenergie, zowel in de hoogte als in het platte vlak, in de energiehubs wordt beperkt door gevoelige functies (zoals wonen en luchtvaart), kwetsbare en/of waardevolle gebieden (natuur, landschap) en boven- en ondergrondse infrastructuur. Duidelijk is dat er niet genoeg ruimte is om de verschillende opgaven naast elkaar te ontwikkelen, maar dat de uitdaging ligt in het slim combineren.
De resultaten van de verkenning hebben geleid tot een inperking van het zoekgebied voor windenergie en het uitgangspunt dat voor zoekgebied De Baars de aanpak van de windenergie- en wateropgave sturend zijn voor de gebiedsvisie.
1.4
Waar staan we nu? We werken aan de voorbereiding van een gebiedsvisie. Dit doen we in een zorgvuldig proces waarin we vier sporen doorlopen. Dit zijn de sporen en waar we nu staan: • Een onderzoeksspoor: om een goed onderbouwde gebiedsvisie te vormen onderzoeken we de omgevingseffecten van verschillende alternatieven. Dit doen we aan de hand van een Omgevingseffectrapportage (OER). De NRD is daarvan de eerste stap en is nu in concept gereed. • Een ontwerpspoor: dit betreft de ruimtelijke puzzel om de verschillende ontwikkelingen, functies en belangen in het gebied zo goed mogelijk een plek te geven. De analyse hiervan is afgerond waardoor we goed weten welke opgaven in het gebied spelen. • Een participatiespoor: om de belangen, wensen en zorgen van inwoners, ondernemers en organisaties zo goed mogelijk in beeld te hebben, houden we gesprekken en vragen we reacties aan de verschillende doelgroepen. Recent heeft er een inloopavond plaatsgevonden en is een flitspeiling uitgevoerd. • Een besluitvormingsspoor: omdat het gebied in vier gemeenten ligt en in het werkgebied van Waterschap De Dommel werken deze vijf organisaties samen aan de gebiedsvisie. De provincie Noord-Brabant is aangehaakt als bevoegd gezag voor gemeente-overstijgende thema’s als natuur. In 2025 heeft een radenavond plaatsgevonden om raadsleden bij te praten over het proces.
6
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
De NRD maakt deel uit van het onderzoeksspoor.
1.4.1
Hoe ziet het onderzoek eruit? Het onderzoek dat voor de gebiedsvisie wordt uitgevoerd resulteert in een omgevingseffectrapport (OER). Het OER is een onderzoeksrapport waarin de effecten van een plan of project op de omgeving zijn onderzocht. Hierin worden zowel de positieve als negatieve effecten onderzocht op bijvoorbeeld het klimaat (in dit geval voornamelijk energieopwekking en het tegengaan van wateroverlast), landschap, natuur, landbouw en recreatie. Een OER heeft een bredere set aan beoordelingsthema’s dan een planMER. In het OER worden naast de eerdergenoemde effecten op het milieu en klimaat ook sociale en economische thema’s meegenomen, zoals welzijn, economie, gezondheid en werkgelegenheid.
1.5
Hoofdthema’s windenergie en wateropgave Lokale opwek van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie en het oplossen van waterproblematiek in het gebied vormen de hoofdopgaven voor de gebiedsvisie. Het stroomgebied van de Nieuwe Leij is kwetsbaar voor klimaatextremen: droogte en hoogwater. Om weerbaar te worden tegen klimaatextremen is ruimte nodig om het beekdalsysteem aan te passen en extra bergingsruimte te realiseren. Voor zowel de wateropgave als de opgave voor lokale opwek van elektriciteit met behulp van windturbines zijn ruimtelijke varianten opgesteld. Deze varianten geven vanuit de eigen context de hoeken van het speelveld weer. In het OER worden deze gebiedsopgaven gecombineerd tot integrale alternatieven die worden onderzocht en beoordeeld. In het OER vindt niet alleen een beoordeling van effecten op de fysieke leefomgeving plaats. In het OER wordt ook beoordeeld in hoeverre het alternatief kan bijdragen aan het doelbereik van overige beleidsdoelen voor dit gebied. De impact op kansen en risico’s voor het behalen van deze overige doelen wordt in het OER beoordeeld zodat de alternatieven ook op deze thema’s kunnen worden vergeleken. Dit worden ook wel meekoppelkansen genoemd of verbredingsthema’s.
1.6
Doelen in het gebied In het gebied De Baars is - naast de doelen voor de hoofdthema’s wind en water de overkoepelende ambitie om te werken aan de ontwikkeling van een veerkrachtige, productieve en klimaatadaptieve leefomgeving. Deze ontwikkeling moet bijdragen aan waterveiligheid, bevordering van flora en fauna en ondersteuning in ecologische diversiteit. Met het hoofddoel om lokaal duurzame energie op te wekken, kunnen bedrijven en inwoners in de regio worden voorzien van hernieuwbare
7
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
energie. Het Kader van randvoorwaarden 3 beschrijft de beoogde bijdrage en doelstellingen van toekomstige ontwikkelingen binnen De Baars. Samen met de Notitie van uitgangspunten (oktober 2021), waarin de opgaven en ambities zijn vastgelegd, vormt dit kader het vertrekpunt voor het participatietraject. Het document geeft aan waar ruimte is voor participatie en op welke onderdelen de dialoog met de omgeving wordt gevoerd, met als doel een beter plan te realiseren.
1.7
Reikwijdte van het OER Met het OER worden de milieugevolgen onderzocht en beoordeeld die samenhangen met de herinrichting van het gebied en met de ontwikkeling van windenergie. Het plangebied voor het OER is weergegeven in Figuur 1. Binnen dit plangebied vinden de ruimtelijke ingrepen plaats waarmee functies worden toebedeeld aan locaties. De effecten van deze ingrepen kunnen verder reiken dan het plangebied. Het studiegebied voor de effectbeoordeling is daarom groter dan het plangebied. Voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water wordt zowel bovenstrooms als benedenstroom naar effecten in het watersysteem gekeken. Voor windenergie geldt dat effecten binnen het gehele invloedsgebied voor ruimtelijke relevante milieuaspecten wordt beoordeeld.
1.8
M.e.r.-procedure
1.8.1
Plan-mer-plicht Uit artikel 16.36 lid 1 Omgevingswet volgt dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma het kader vormt voor de te nemen besluiten voor projecten als opgesomd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit of als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Omgevingswet kent een algemene omschrijving van plannen waarop de plan-mer-plicht 4 van toepassing is. In de Omgevingswet zijn daarnaast 4 soorten plannen en programma’s genoemd waarvoor in elk geval een planmer-plicht optreedt, te weten de omgevingsvisie, een (wijziging van het) omgevingsplan, een programma en de (vrijwillige) voorkeursbeslissing uit de zogeheten projectprocedure die van toepassing is op de voorbereiding van een projectbesluit. Een plan-mer-plicht treedt op voor plannen en programma’s die een kader vormen voor mer-plichtige en mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Een (intergemeentelijke) gebiedsvisie vormt gelet op de algemene omschrijving van plannen in de Omgevingswet een plan of programma waarop de plan-mer-plicht van toepassing is, 3
4
https://raad.goirle.nl/Vergaderingen/Lijst-Ingekomen-Stukken/2023/28-maart/19:30/Informatievan-B-W-voor-kennisgeving-aannemen/C1-Bijlage-1-bij-rib-De-Baars-16-2-2023-Kader-van-Randvoorwaarden-de-Baars.pdf Toelichting op schrijfwijze: plan-mer verwijst naar de wettelijke verplichting of de mer-procedure, planMER verwijst naar het rapport (het resultaat).
8
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
als die gebiedsvisie een kader vormt voor de projecten en gevallen die zijn opgesomd in bijlage V van het Omgevingsbesluit of als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. In dit geval is niet uitgesloten dat de gebiedsvisie een kader vormt voor een landinrichtingsproject (categorie J12) waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor het omgevingsplan. De gebiedsvisie ziet toe en loopt vooruit op projecten uit categorie C2; de oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met drie of meer windturbines waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor de omgevingsvergunning. Om die reden is met zekerheid sprake van een plan-mer-plicht. Onder de Omgevingswet is de OER breder gedefinieerd en kan deze worden ingezet om milieueffecten en overige effecten op de fysieke leefomgeving te onderzoeken. Een bestaande verplichting tot het opstellen van een PlanMER kan worden ingevuld met een OER.
1.8.2
Betrokken partijen Op grond van artikel 16.38 van de Omgevingswet raadpleegt het bevoegd gezag betrokken bestuursorganen over de reikwijdte en detailniveau van het OER. Mede met het oog op die raadpleging is deze Notitie Reikwijdte en Detailniveau opgesteld die bij de raadpleging wordt gedeeld. Initiatiefnemer OER De initiatiefnemer van het OER zijn de colleges van B en W van gemeenten Tilburg, Oisterwijk, Hilvarenbeek en Goirle en het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel. Bevoegd gezag OER Gemeenteraad van Tilburg Gemeenteraad van Oisterwijk Gemeenteraad van Hilvarenbeek Gemeenteraad van Goirle Overlegpartners OER Dit betreft een niet-uitputtende lijst van overlegpartners, die nog verder kan worden uitgebreid: NUTS (Enexis, TenneT, Gasunie) Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant Provincie Noord-Brabant Rijkswaterstaat Ministerie van Defensie Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) Gemeentelijke of Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) Beekse Bergen Brabantse Milieufederatie (BMF) Brabants Landschap
9
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
1.9
Relevante Natuurmonumenten
Leeswijzer Voorliggende notitie bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 2 gaat in op de voorgenomen activiteit en de ruimtelijke varianten. Hoofdstuk 3 gaat in op de te onderzoeken onderwerpen en de te hanteren beoordelingscriteria. In Hoofdstuk 4 wordt een toelichting gegeven op het beoogde participatieproces.
10
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Hoofdstuk 2 Ruimtelijke varianten en alternatieven 2.1
Ruimtelijke varianten en alternatieven De Baars is een van de gebieden die is aangewezen voor integrale gebiedsontwikkeling. Voor de aspecten windenergie en water worden afzonderlijke varianten ontwikkeld. Een integraal alternatief is samengesteld uit een ruimtelijke variant voor windenergie en een ruimtelijke variant voor de wateropgave (Figuur 3). Een combinatie van twee varianten wordt aangeduid als een alternatief, dat in het OER wordt beoordeeld op de milieueffecten. In het OER worden drie integrale alternatieven beoordeeld. Die integrale alternatieven bestaan uit verschillende varianten voor de aanpak van de windenergie- en wateropgave. Deze varianten zijn uitersten (om de effecten van de bandbreedte van keuzes inzichtelijk te maken). In de uiteindelijke uitwerking van de gebiedsvisie wordt een meest geschikte en gewenste variant afgewogen, die mede tot stand komt aan de hand van de resultaten van de OER. Daarbij wordt ofwel een meest geschikte variant of alternatief gekozen ofwel een meest geschikte variant of alternatief samengesteld. Het is ook mogelijk dat aan de hand van de verkregen inzichten een geheel nieuwe variant of alternatief wordt afgeleid. Het opstellen van uiterste, extreme varianten helpt om verschillende denkrichtingen goed te kunnen onderzoeken. Ze brengen ‘de hoeken van het speelveld’ in beeld.
Door deze varianten in het OER te onderzoeken wordt inzicht geboden in een brede range van potentiële omgevingseffecten. Voor welke combinatie van varianten of welk nieuw alternatief er uiteindelijk gekozen wordt, is afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek. Naast de uitkomst van de NRD zijn er uiteraard ook andere factoren die meespelen in de keuzes die uiteindelijk worden gemaakt in de gebiedsvisie. Voorbeelden van andere factoren zijn de verschillende sociale en economische belangen in het gebied.
11
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 3
Ruimtelijke varianten en alternatieven
2.2
Watervarianten Nederland kent een grote watertraditie. Door de jaren heen hebben we water gebruikt om dit landschap te bouwen en te gebruiken. Bouwen aan water heeft de cultuurhistorie van het landschap en daarmee de lokale identiteit in Brabant mede bepaald. De hedendaagse wateropgaven geven ons de mogelijkheid om deze cultuurhistorische waarde te koesteren en uit te bouwen voor de opgaven van de 21ste eeuw, onder ander de klimaatopgaven. Voor De Baars is de wateropgave een van de twee hoofdthema’s. Hiervoor zijn afzonderlijke varianten ontwikkeld op basis van de volgende redeneerlijn. Probleemstelling Het studiegebied fungeert als “het laagste putje in de omgeving”. Door het huidige reliëf en de aanwezigheid van het Wilhelminakanaal als een grote barrière (het water kan alleen door middel van een sifon onder het kanaal gaan) en de beperkte ruimte benedenstrooms aan de zuidzijde van Oisterwijk kan het water in periodes van veel water geen kant op. Wateroverlast is een jaarlijks terugkomend probleem. Hoog water in combinatie met vitale functies als infrastructuur, ziekenhuis en woonfuncties is zeer een ongewenst effect. Ook droogte is een probleem. Het studiegebied kan in droge periodes water vasthouden om op deze manier voor verkoeling van de stedelijke gebieden te zorgen.
Bodem- en water sturend De ruimtelijke varianten voor water zijn gebaseerd op bodem- en water sturende aspecten in het plangebied, de aanwezigheid van de dekzandruggen en de beekdalen. Het ondergrondse watersysteem, bestaande uit de infiltratiegebieden op de dekzandruggen, het systeem van diepe en ondiepe kwelstromen, het zichtbare watersysteem van de Leijen en de afvoer van regenwater uit de stedelijke gebieden, bepalen de hoeveelheid water in het gebied. Deze hoeveelheden water kunnen niet in het studiegebied geborgen worden. De klimaatmodellen voor de nabije toekomst schetsen een nog somberder perspectief. Naar verwachting zal de neerslag wel steeds grilliger komen en met meer extremen. Steeds vaker zijn er lange perioden dat er geen of nauwelijks regen valt, wat leidt tot droogte. En als het dan regent, dan regent het ook flink met als gevolg wateroverlast.
12
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Uitgangspunten oplossingsrichtingen In de ruimtelijke varianten worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Water- en bodem sturend, rekening houdend met de locatiespecifieke aspecten (esdekken bij de Koningshoeven, de gegraven vennen langs het kanaal, de Leijen als “gegraven” waterafvoeren). Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Het creëren van gezonde bodems met meer organisch stof en bodembiodiversiteit is nodig voor waterconservering en een klimaatrobuust watersysteem. Minder verharding en inzetten om regenwater naar het grondwater te laten infiltreren in plaats van af te voeren. Dit betekent dus maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Wat schoon is moet schoon blijven! Het scheiden van waterkwaliteiten en het verbeteren van de waterkwaliteiten in stappen, op de schaalniveaus van de kavel tot en met het landschap. Met het scheiden van verschillende waterkwaliteiten kunnen droogteproblemen worden beperkt. Dit betekent bijvoorbeeld kwelwater en regenwater zo langmogelijk te scheiden van agrarisch water. “Upcyclen van waterkwaliteiten”, dat wil zeggen door middel van bijvoorbeeld vegetatie en verschillende stroomsnelheden in de waterlijn, waterkwaliteiten verbeteren. “Elke bron heeft zijn eigen stroom”, dat wil zeggen het verdelen van waterstromen om water over een groter gebied te kunnen bergen en afvoeren.
2.2.1
Variant 1 water: Leij erbij In de variant “Leij erbij” wordt het water verdeeld over meerdere gegraven stromen die vanuit verschillende bronnen gevoed worden. De wijk Bakertand in Goirle heeft zijn eigen stroom, de Oude Leij wordt gevoed uit Poppelsche Leij en het regenwatersysteem van Goirle, de Nieuwe Leij wordt gevoed uit Rovertsche Leij. De Leij erbij zorgt voor een nieuwe stroom ten zuiden van de snelweg, daarvoor zal een tweede sifon onder het kanaal aangelegd moeten worden. Door de introductie van de vier stromen wordt het water verdeeld over het studiegebied. Het Leijenlandschap is geïnspireerd op het kleinschalige beekdallandschap, met houtwallen, hagen, beemden en hier en daar moerasbosjes. Dit landschap wordt beheerd door middel van kleinschalige natuurinclusieve landbouw. Innovaties binnen de natuurinclusieve landbouw, waaronder natte teelten kunnen een plaats krijgen in dit landschap op de lagere plekken. Weijers, van oorsprong in dit landschap aanwezig worden herontwikkeld als bergingen voor het vasthouden van water voor droge periodes en zijn in de winterperiode onderdeel van het meestromende landschap. De weijers kunnen gebruikt worden als visvijvers, als akkers van natte teelten en bijvoorbeeld een medicinale botanische tuin bij het ETZ Elisabeth. De vier Leijen
13
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
komen weer samen in de Voorste stroom, die op deze manier vertraagd gevoed wordt. Figuur 4 toont de watervariant Leij erbij in de droge zomer. Bijlage A bevat naast een weergave van de droge zomer ook een kaart van de natte zomer, droge winter en natte winter.
14
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 4
Ruimtelijke variant water 1: Leij erbij - droge zomer
15
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.2.2
Kenmerken variant 2: Natuurlijke beekdalen De variant 'Natuurlijk beekdal' stemt de toekomstige inrichting van het beekensysteem af op de geomorfologische kenmerken van het beeklandschap. Er is aandacht voor omgevingskwaliteit, leefbaarheid en aanwezige natuur- en cultuurhistorische waarden. Ondiepe, slingerende beken in het dal, berging van water in moeras sponsen in de beken, infiltratie van water in gezonde bodems op de flanken, en bovenstroomse gebieden die als spons werken en zoveel mogelijk water vasthouden, zorgen gezamenlijk voor de nodigde buffercapaciteit zowel bij droogte als wateroverlast. Een natuurlijk landschap met nat-dras gebieden, uitgebreide moerasbossen en rietvlakten ontstaat in het studiegebied. Op de flanken is ruimte voor natuurinclusieve landbouw of loofbos. Er worden twee waterstromen voorgesteld, een ten noorden van de snelweg, die het water van de stedelijke gebieden van Tilburg en Bakertand afvoert via een bestaand sifon onder het Wilhelminakanaal naar de Voorste Stroom en een ten zuiden van de snelweg, die met een nieuw sifon ter hoogte van Koningshoeven een nieuw beekdal aan de rand van het complex van Koningshoeven richting de Voorste stroom voedt. Bij deze variant zijn ook ingrepen bovenstrooms en benedenstrooms noodzakelijk om het bergend vermogen van dit beeksysteem te vergroten.
Bijlage A bevat naast een weergave van de droge zomer ook een kaart van de natte zomer, droge winter en natte winter.
16
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 5
Ruimtelijke variant water 2: Natuurlijke beekdalen
17
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.2.3
Variant 3: Deltalandschap de Baars In de variant “Delta van de Baars” wordt gespeeld met de waterdynamiek. Door het aanbrengen van vlechtende patronen, door het graven van laagtes tussen donken voor de windmolens, of het trekken een ruitpatroon van stroompjes of juist het plaatsen van obstructies als boomstammen ontstaat een vlechtend rivierlandschap. Dit principe wordt regelmatig toegepast in de laaglandbeekdalen in Zwitserland om de stroming van het water af te remmen en natuurontwikkeling te stimuleren. Er ontstaan moeraslandschappen tussen hogere delen en vlechtende beekjes. Dit landschap werkt als een grote spons, tussen de snelweg en de flanken van de dekzandrug. Water druppelt door middel van een nieuwe sifon onder het Wilhelminakanaal door in een beek langs het akkercomplex van Koningshoeven. De wijk Bakertand in Goirle heeft zijn eigen stroom die aansluit op de Leij door het Leijpark en later op de Voorste stroom.
18
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 6
Ruimtelijke variant water 3: Deltalandschap de Baars
19
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.3
Uitgangspunten Windturbinevarianten Binnen het gebied De Baars is het uitgangspunt om een totaal opgesteld vermogen van 20 MW aan windenergie te realiseren. Hoeveel windturbines daarvoor nodig zijn hangt af van de omvang van de turbines (zie 2.3.2 bandbreedte). Het plangebied voor de windturbines bevindt zich binnen de vier gemeenten Goirle, Hilvarenbeek, Tilburg en Oisterwijk, die allemaal deel uitmaken van de RES-regio Hart van Brabant. In de volgende paragraaf wordt de bandbreedte van het mogelijke aantal turbines en afmetingen beschreven.
2.3.1
Plangebied windenergie Het plangebied waarbinnen de windturbinevarianten zijn vormgegeven is weergegeven in Figuur 7. Het plangebied bestaat uit twee delen. Zoekgebied De BaarsWest en Zoekgebied De Baars-Noord. Voor zoekgebied Baars-Noordoost geldt de volgende begrenzing: • Aan de westelijke en noordoostelijke zijde is de plangrens van het plangebied, zoals beschreven in de notitie Toekomsttuin als grens gehanteerd. • Aan de zuidzijde is de A58 als grens vastgesteld. • Aan de oostzijde eindigt het zoekgebied bij de Tilburgseweg om voldoende afstand tot de woonbebouwing aan te houden. Voor zoekgebied De Baars-West geldt de volgende begrenzing: • De westelijke grens is afgesneden lans de A58 en een grens van 500 meter rondom de bebouwde kom (volgens de omgevingsvisie Goirle) 5. • De oostelijke grens wordt gevormd door de gemeentegrens tussen Goirle en Hilvarenbeek, gevolgd door het 750 metergebied uit het amendement van de Hilvarenbeekse raad 6. • Als noordelijke grens is het Wilhelminakanaal vastgesteld. In de noordelijke strook wordt in samenwerking met Defensie onderzocht of een windmolenpositie mogelijk is binnen de vliegfunnel.
5 6
https://raad.goirle.nl/Vergaderingen/Oordeelsvormend/2021/30-november/20:00/03c-Bijlage-3Nota-Zienswijzen-ontwerp-Omgevingsvisie-Goirle.pdf https://hilvarenbeek.notubiz.nl/document/10252242/2#search=%22amendement%20begrenzing%22
20
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 7
Plangebied windenergie De Baars
2.3.2
Bandbreedte windturbinealternatieven De afmetingen uit Tabel 1 geven een indicatie van de bandbreedte voor de afmetingen van de alternatieven.
Tabel 1 Kop 1
Bandbreedte alternatieven windturbines Eigenschappen Ashoogte (m) Rotordiameter (m) Tiphoogte (m)
2.3.3
Locaties windturbines
Minimaal/ maximaal 100 tot 170 100 tot 170 150 tot 255
De mogelijkheden voor windturbines worden ruimtelijk beperkt doordat een bepaalde afstand tot verschillende objecten en functies moet worden aangehouden. Enkele voorbeelden hiervan zijn de afstand tot woningen, hoogspanningsverbindingen, spoorwegen en buisleidingen. Met het oog op de begrenzing van het plangebied voor het OER is voor woningen en ander gevoelige objecten eveneens een minimale afstand aangehouden waarbinnen naar verwachting geen ontwikkeling van windenergie mogelijk is, in dit geval vanwege onaanvaardbare effecten op het woon- en leefklimaat.
21
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.3.4
Belemmeringen voor windturbines Figuur 7 toont de begrenzing van het plangebied voor het OER, voor wat betreft de lokale opwek van duurzame energie met behulp van windturbines. Voor het plangebied worden in het OER de technisch-ruimtelijke belemmeringen verkend die in het gebied aanwezig zijn en die de ontwikkeling van windenergie belemmeren. Figuur 8 toont op hooflijnen de belemmeringen in het plangebied. In het OER worden gedetailleerde belemmeringenkaarten gemaakt voor de gehele bandbreedte.
Figuur 8
Belemmeringenkaart plangebied De Baars
2.4
Windturbinevarianten In onderstaande varianten is steeds een aantal windturbines op een kaart weergegeven. Het betreft een fictieve opstelling om een goed onderzoek te kunnen doen in het OER.
2.4.1
Thematische variant windenergie 1: Maximaal energiehub Binnen het kader van het OER is voor de eerste variant gekozen voor een windturbineopstelling met maximale invulling. Deze variant is bedoeld om inzicht te geven in de maximale ruimtelijke en milieutechnische effecten van het projectgebied als nagenoeg alle potentieel beschikbare ruimte benut wordt voor de plaatsing van windturbines en daarmee de speelhoeken van het veld te onderzoeken. Dit is - voor de duidelijkheid - de bovenkant van het ontwikkelpotentieel voor windenergie (het is niet het uitgangspunt om dit te benutten). Uiteindelijk is het de bedoeling om 20 MW aan windenergie (en 5 MW aan zonne-energie) te realiseren en zal de definitieve opstelling daarop worden afgestemd. 22
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 9
Variant maximaal energiehub
23
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.4.2
Thematische variant windenergie 2: Leefomgeving Alternatief 2 is uitgewerkt waarin de focus ligt op de leefomgevingskwaliteit. Dit alternatief is bedoeld om inzicht te geven in de effecten van een windturbineopstelling die is ontworpen op basis van een optimalisatie vanuit leefomgevingskwaliteit. De opstelling houdt rekening met een grotere afstand tot woningen, waardoor de ruimtelijk relevante effecten relatief beperkt zijn.
Figuur 10
Thematische variant windenergie 2: Leefomgeving
24
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.4.3
Ruimtelijke variant wind 3: Natuur In alternatief 3 ligt de nadruk op het beschermen en behouden van natuurwaarden. Dit alternatief richt zich op een windturbineopstelling waarbij ecologische effecten zoveel mogelijk worden beperkt. Het uitgangspunt hierbij is dat de windturbines, waar mogelijk, zo ver mogelijk van het Natuurnetwerk Brabant zijn geplaatst. Deze variant dient als referentie voor een natuur inclusieve benadering.
Figuur 11
Ruimtelijke variant wind 3: Natuur
25
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.5
Integrale alternatieven
2.5.1
Alternatief 1: Leij erbij (water) x Natuur (wind) De ruimtelijke variant van de Leij zorgt, door de toevoeging van verschillende watergangen op grotere hoogtes, voor een langer vasthouden van het water. In de ruimtes tussen de nieuwe watergangen, de zogenaamde Leijen, kunnen natuur inclusievere vormen van landbouw plaatsvinden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan meer watervasthoudende landbouwmethoden, zoals natte landbouw, of het inzetten van weijers die de waterafvoer verder kunnen reguleren. Doordat de nieuwe vormen van landbouw plaatsvinden op kleinere kavels, ontstaat de mogelijkheid om houtwallen tussen de kavels aan te leggen, refererend naar het originele landschap en wat de biodiversiteit van het gehele gebied ten goede komt. Deze ingrepen creëren een kleinschalig landschap. Om een goede integratie met de windturbines te waarborgen, wordt deze variant gekoppeld aan een windvariant met kleinere turbines, met een tiphoogte van 150 meter, in een clusteropstelling of in de voorgestelde natuurvriendelijke opstelling. Deze schaalverkleining draagt bij aan een betere afstemming op de natuurlijke omgeving en minimaliseert de visuele impact, terwijl de duurzame energieopwekking in balans blijft met de landschappelijke en ecologische waarden van het gebied.
26
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 12
Alternatief 1: Leij erbij x Natuur
27
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.5.2
Alternatief 2: Natuurlijk beekdal (water) x Leefomgeving (wind) Deze ruimtelijke variant bevat een natuurlijk beekdal, dat fungeert als een spons en onderdeel is van een natuurlijk systeem. Het behoud van de bestaande functies is echter niet mogelijk, aangezien het gebied wordt getransformeerd naar een natuurgebied met veel recreatieve mogelijkheden. De windturbines worden geplaatst in de verschoven bosrand, die fungeert als ecologische en visuele buffer. Om deze integratie te optimaliseren, wordt in dit scenario gebruikgemaakt van grote windturbines met een tiphoogte van ongeveer 225 meter. Door de windturbines op maaiveldniveau in de bosstructuur te integreren, minimaliseren we de visuele impact, terwijl de duurzame energieopwekking maximaal blijft. Hierdoor behouden we de balans tussen de landschappelijke en ecologische waarden van het gebied en de opwekking van duurzame energie.
28
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 13
Natuurlijk beekdal x Leefomgeving
29
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
2.5.3
Alternatief 3 Delta de Baars (water) x maximale energiehub (wind) De ruimtelijke variant van de Delta van de Baars maakt gebruik van de bestaande hoogteverschillen in het gebied om een delta te creëren met zowel hogere als lagere delen. In deze variant wordt een waterdelta ontwikkeld met een netwerk van diverse aftakkingen, waardoor een dynamisch en natuurlijk landschap ontstaat. Op de hogere delen kunnen de bestaande functies van het gebied behouden blijven. Het koppelen van deze hogere ‘donken’ met recreatieve paden kan een enorme toevoeging zijn aan de recreatieve waarde van het gebied. Sommige lagere delen kunnen, bij extreem veel water, dienen als extra waterberging, of kunnen gereguleerd water vasthouden en afvoeren wanneer dit gewenst is. In de lagere delen kunnen moerasbossen worden gerealiseerd. Tussen de moerasbossen worden in deze delta grote windturbines (met een tiphoogte van 225 meter) strategisch geplaatst om zowel de ruimtelijke samenhang als de energieopbrengst te optimaliseren.
30
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Figuur 14
Alternatief 3: Delta van de Baars x maximale energiehub
31
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Hoofdstuk 3 Effectbeoordeling 3.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de wijze van toetsing en beoordeling van de alternatieven toegelicht. Per thema wordt ingegaan op: het geldende toetsingskader de onderzoeksmethode in het OER de beoordelingscriteria en wijze van beoordeling Voor elk thema geldt dat eerst een beschrijving wordt opgenomen van de referentiesituatie. De referentiesituatie beschrijft de uitgangssituatie van het gebied zonder de te onderzoek ontwikkelingen. Vervolgens worden effecten van de alternatieven ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld. Vervolgens wordt aan die effecten een score toegekend met behulp van een scoretabel waarvan de scoregrenzen per thema worden toegelicht. In paragraaf 3.2 wordt eerst inzicht gegeven in de milieuthema’s die zijn onderscheiden voor de wateropgave, gevolg door een beschrijving van de milieuthema’s voor de windenergieopgave. Tot slot volgt een beschrijving van de verbredingsthema’s in het OER waarop de alternatieven worden beoordeeld.
3.2
Milieuthema’s In het OER worden de milieueffecten van integrale alternatieven onderzocht. In de onderstaande tabel is voor ieder thema weergegeven welke criteria worden gebruikt om effecten te beoordelen. De effectbeoordeling kan plaatsvinden aan de hand van kwalitatieve beoordelingscriteria of kwantitatieve beoordelingscriteria. In het vervolg van dit hoofdstuk volgt een nadere toelichting per criterium. Alhoewel sprake is van integrale alternatieven is de effectbeoordeling op de milieuthema’s uitgevoerd per opgave. Om die reden volgt een separate effectbeoordeling voor de wateropgave en een separate effectbeoordeling voor de windopgave. De verbredingsthema’s vormen overkoepelende thema’s voor de integrale alternatieven. Effectbeoordeling op deze verbredingsthema’s geven, het woord zegt het al, een bredere blik op de effecten van de beoogde ontwikkelingen op de fysieke leefomgeving en op het doelbereik voor overige beleidsdoelen.
32
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Tabel 2
Samenvattende tabel met thema’s en beoordelingscriteria
Thema’s wateropgave
Beoordelingscriterium Waterkwaliteit/doelen KRW Effecten op het grondwaterpeil
Water
Effecten op waterberging en waterafvoer bovenstrooms Effecten op waterberging en waterafvoer benedenstrooms
Bodem Natuur Landschap Cultuurhistorie Thema’s windenergieopgave Gezondheid
Leefomgeving
Geluid
Uitbreidbaarheid/faseerbaarheid Effecten als gevolg van bodemwerkzaamheden Effecten op flora en fauna Effecten op de Ecologische verbindingszone (EVZ) Effecten beschermde gebieden: NNN Effecten op beschermde gebieden; Natura 2000 Aansluiting op landschappelijke structuren Effecten op cultuurhistorische en archeologische waarden Beoordelingscriterium
Methode Kwalitatief Kwantitatief/ Kwalitatief Kwantitatief/ Kwalitatief Kwantitatief/ Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Methode
Toename van cumulatief geluidsniveau als gevolg van plaatsing windturbines Absolute en relatieve toename ernstig gehinderden als gevolg van de hogere cumulatieve geluidsbelasting Aantal gevoelige objecten binnen 42, 45 en 47 dB Lden contouren Aantal gevoelige objecten binnen 42, 45 en 47 dB Lden contouren per GWh/jaar
kwantitatief: absoluut en relatief
Aantal gevoelige gebouwen binnen de 6 uur slagschaduwcontour Slagschaduw
Externe veiligheid
Landschap Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Energie Defensielocaties Verbredingsthema’s Klimaat
Percentage stilstand dat nodig is om slagschaduw op schaduwgevoelige gebouwen te beperken tot 6 uur per jaar Aantal gevoelige gebouwen binnen de 6 uur slagschaduwcontour per GWh/jaar Ligging t.o.v. (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties Ligging t.o.v. buisleidingen en hoogspanning Ligging t.o.v. risicovolle installaties Ligging t.o.v. regionale en landelijke waterkeringen Mogelijke ijsafworp op wegen onder de windturbine Aansluiting op landschappelijke structuren Effect op landschappelijke waarden Visuele interferentie met andere windturbines/hoogspanningsverbindingen Ligging t.o.v. op cultuurhistorische gebieden en objecten Ligging t.o.v. gebieden met archeologische waarden Ligging t.o.v. Natura-2000 (inclusief stikstofdepositie) Ligging t.o.v. NNN Effect op beschermde soorten Potentiële opbrengst in GWh/jaar Ligging t.o.v. huidige beperkingengebied vliegbasis Gilze-Rijen Ligging t.o.v. toekomstige beperkingengebied vliegbasis Gilze-Rijen Impact op doelbereik overige beleidsdoelen Klimaatbestendigheid en klimaatadaptatie
kwantitatief
kwantitatief
kwalitatief
kwalitatief kwantitatief kwantitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief
33
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
Natuur Recreatie Landbouw Verkeer en infrastructuur Economie
3.2.1
Hittestress Versterking bestaande natuur en biodiversiteit Recreatieve capaciteit en koppelkans met recreatie Mogelijkheden en effecten voor agrarische activiteiten Effecten op huidige infrastructuur en reserveringsruimte toekomstige uitbreiding infrastructuur Ontwikkelmogelijkheden voor bedrijven
Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief
Wijze van beoordeling De beoordeling van de milieueffecten wordt uitgevoerd op basis van kwalitatieve en/of kwantitatieve gegevens. De milieueffecten van de alternatieven en ruimtelijke varianten worden ten opzichte van de referentiesituatie beoordeeld waarna de scores ten opzichte van elkaar kunnen worden vergeleken. Hierbij wordt een 5puntschaal gehanteerd zoals weergegeven in Tabel 3. De toevoeging van windturbines aan een omgeving leidt voornamelijk tot neutrale tot negatieve effecten met uitzondering van energieopbrengst. Voor het thema water en de verbredingsthema’s kunnen dit zowel positieve als negatieve effecten zijn.
Tabel 3
5-punts beoordelingsschaal.
Effect
Positief effect Beperkt positief effect Neutraal effect Beperkt negatief effect Negatief effect
3.3
Thema’s wateropgave
3.3.1
Water
3.3.1.1
Beoordeling
++ + 0 --
Waterkwaliteit /doelen KRW
De KRW is een Europese richtlijn over de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. In 2000 hebben de landen uit de Europese Unie (EU) deze richtlijn vastgesteld. In Noord-Brabant zijn de waterkwaliteitsdoelen gericht op het verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater, in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water (KRW) van de Europese Unie 7. In het OER wordt beoordeeld of de KRW-doelstellingen nog kunnen worden behaald bij uitvoering van de alternatieven. In het OER wordt onderzocht of de doelstellingen van de KRW vooruitgang boeken, of de impact van de achteruitgang kan worden gemitigeerd en of er een compensatieverplichting nodig is.
7
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32000L0060
34
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
3.3.1.2
Effecten op het grondwaterpeil
In het grondwaterconvenant dat 13 Brabantse waterpartijen op 15 december 2021 hebben afsloten is afgesproken dat deze partijen samenwerken om meer water vast te houden en minder grondwater te gebruiken 8. Voor de watervarianten wordt beoordeeld in hoeverre er sprake is van invloed van nieuw en bestaand oppervlaktewater op de grondwaterstanden. De effectbeoordeling is gericht op eventuele verstoring van grondwaterstromingen. Zowel een vermindering als aanvulling van grondwater kan gevolgen hebben voor overige functies in het gebied. 3.3.1.3
Effecten op waterberging en waterafvoer boven- en benedenstrooms
De gevolgen van klimaatverandering worden gedeeltelijk opgevangen door ruimte voor waterberging te realiseren. Er wordt gekeken naar de bestaande situatie van de waterafvoer en het grondwaterniveau in het gebied. Dit geeft inzicht in de capaciteit van het gebied om water op te nemen en vast te houden. En de mate waarin het gebied in staat is om overtollig water af te voeren, wordt kwalitatief geanalyseerd. Dit kan bestaan uit waterberging, infiltratievoorzieningen en andere maatregelen. Bij het aanpakken van waterberging en waterafvoer wordt zowel naar boven- als benedenstroomse gebieden gekeken. Water gerelateerde problemen, zoals kwesties rond waterkwantiteit en -kwaliteit, mogen niet worden doorgeschoven naar lagergelegen gebieden. Dit principe geldt zowel buiten het gebied van De Baars als binnen het plangebied. Ontwikkelingen in hoger gelegen gebieden kunnen juist bijdragen aan het verminderen van benedenstroomse problemen. 3.3.1.4
Uitbreidbaarheid/faseerbaarheid
Bij het beoordelen van de uitbreidbaarheid van een watersysteem wordt de flexibiliteit van het ontwerp als criterium gehanteerd. Dit criterium onderzoekt of het systeem in de toekomst eenvoudig kan worden uitgebreid of aangepast, bijvoorbeeld in reactie op een verhoogde waterbehoefte of door nieuwe technologische ontwikkelingen.
3.3.2
Bodem
3.3.2.1
Effecten als gevolg van bodemwerkzaamheden
De effecten van een watersysteem kunnen sterk worden beïnvloed door bodemwerkzaamheden. Bodemwerkzaamheden, zoals graven, ophogen, baggeren, of het aanpassen van de bodemstructuur, kunnen zowel directe als indirecte gevolgen
8
https://www.brabantwater.nl/over-brabant-water/nieuws-en-pers/13-brabantse-waterpartijentekenen-grondwaterconvenant#:~:text=Dertien%20Brabantse%20(water)partijen%2C,15%20december%202021%20is%20ondertekend.
35
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
hebben op de samenstelling en structuur van de bodem. Dit kan vervolgens weer effecten hebben op de waterhuishouding in de ondergrond. Daarnaast wordt aan de hand van beschikbare bronnen over de aanwezige bodemkwaliteit het risico op verspreiding van bodemverontreiniging als gevolg van bodemwerkzaamheden beoordeeld.
3.3.3
Natuur Bij de ingrepen die samenhangen met de wateropgave kunnen effecten optreden op beschermde soorten en beschermde gebieden. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt in tijdelijke effecten tijdens de aanlegfase en permanente effecten na uitvoering van de herinrichting van het gebied. Alleen de effecten op natuur, die samenhangen met de wateropgave, worden beoordeeld.
3.3.3.1
Effecten op flora en fauna
Als gevolg werkzaamheden in de aanlegfase kan verstoring optreden door geluid, luchtverontreiniging, lichthinder of trillingen en optische verstoring. Deze tijdelijke effecten op beschermde soorten en hun leefgebied worden per alternatief beoordeeld. Voor beschermde soorten en hun leefgebied kunnen ook permanente effecten optreden, bijvoorbeeld als gevolg van ruimtebeslag of indirect door verdroging of vernatting. Effecten zijn niet alleen positief of negatief. Het is goed mogelijk dat door de ingreep in het watersysteem nieuwe biotopen ontstaan. Dat biedt weer kansen voor nieuwe soorten. Bij dit thema gaat het echter om een beoordeling van het effect van de ingreep ten opzichte van de referentiesituatie. Kansen voor nieuwe soorten worden beoordeeld onder het verbredingsthema biodiversiteit (zie 3.5.2.1). 3.3.3.2
Effecten op de Ecologische Verbindingszone (EVZ)
In het kader van de randvoorwaarden3 is als doel gesteld om de Ecologische Verbindingszones (EVZ) in stand te houden en versterken. Deze verbindingszones hebben de functie om flora en fauna vrij te laten migreren van het ene natuurgebied naar het andere. Extensieve recreatie zoals wandelen of een kruisend fietspad in de EVZ is mogelijk. De effecten van de ontwikkeling op de EVZ worden in het OER beoordeeld. 3.3.3.3
Effecten op beschermde gebieden: NNN
Als gevolg van de ruimtelijke ingreep in het gebied de Baars kunnen effecten optreden op gebied die onder provinciale bescherming vallen en deel uitmaken van Natuurnetwerk Brabant (NNB). De effecten die kunnen optreden bestaan uit aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden die samenhangen met de natuurbeheertypen. Uiteraard is het mogelijk om bestaande beheertypen te vervangen maar
36
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
in het OER wordt primair beoordeeld in hoeverre effecten optreden ten opzichte van de referentiesituatie. Die situatie bestaat uit de beheertypen zoals die zijn vastgelegd in het natuurbeheerplan. 3.3.3.4
Effecten op beschermde gebieden: Natura 2000
Bij de beoordeling van effecten op Natura 2000 gebieden wordt onderscheid gemaakt in tijdelijke en permanente effecten. Bij tijdelijke effecten wordt de stikstofdepositie beoordeeld. Voor de beoordeling van permanente effecten wordt nagegaan in hoeverre sprake is van effecten op soorten en habitattypen die de aanwijzing van het betreffende natura 2000 gebied zijn vastgelegd. In dit geval gaat het om de Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat is gelegen ten oosten van het plangebied.
3.3.4
Landschap Het gebied de Baars maakt onderdeel uit van een van de provinciebreed vastgestelde regionale landschapsparken (https://www.brabant.nl/onderwerpen/ruimtelijke-ontwikkeling/ruimtelijk-beleid/ontwikkelperspectief-stedelijk-brabant/). Het is een gebied met diverse landschappelijke structuren. In het beekdal een beekdallandschap, op de flanken oorspronkelijk een kleinschalig landschap en op de ruggen bos. Ook wordt het landschap gekenmerkt door een groot recreatiepark dat centraal staat in het gebied. De structuren zijn leidend voor nieuwe ontwikkelingen. De mate van aansluiting op bestaande landschappelijke structuren wordt beoordeeld.
3.3.5
Cultuurhistorie
3.3.5.1
Effecten op cultuurhistorische en archeologische waarden
Voor het thema water worden de alternatieven beoordeeld ten opzichte van de ligging van cultuurhistorische elementen van de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant. In het OER wordt beoordeeld in hoeverre de ingreep kan leiden tot een aantasting van archeologische en cultuurhistorische waarden.
3.4
Thema’s windenergieopgave
3.4.1
Leefomgeving; gezondheid, geluid en slagschaduw Sinds een uitspraak 9 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen de landelijke normen voor windturbines (vastgelegd in Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer) op het gebied van
9
(ECLI:NL:RVS:2021:1395)
37
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid niet langer worden toegepast op windparken van 3 of meer windturbines. De normen waren namelijk niet onderbouwd met een PlanMER. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op lokale situatie toegesneden motivering. De Staatssecretaris heeft inmiddels een PlanMER laten uitvoeren 10. Daaropvolgend heeft de Staatssecretaris nieuwe normen voor windturbines voorbereid en in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving openbaar gemaakt. Het is niet bekend wanneer de nieuwe landelijke windturbinebepalingen in werking treden. De overbruggingsregeling gold in eerste instantie tot 1 juli 2025, maar zal worden verlengd tot het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe rijksregels voor windturbines. Met de verlenging voorkomt het Rijk dat een juridische leemte ontstaat als het Wijzigingsbesluit windturbines leefomgeving niet op 1 juli 2025 in werking treedt. Alhoewel in een OER geen toetsing aan wettelijke normen plaatsvindt wordt bij het formuleren van beoordelingscriteria wel rekening gehouden met bestaande óf toekomstige normgrenzen.
In deze NRD is bij de formulering van de beoordelingscriteria voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid rekening gehouden met de normgrenzen uit het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving. Mochten deze veranderen ten tijde van de uitvoering van de OER, dan wordt deze verandering meegenomen. Windturbines produceren geluid. Vaak wordt dit geluid beschreven als suizend en/of zoemend. Er is veel onderzoek gedaan naar windturbinegeluid en de effecten van blootstelling aan dit geluid. Verder veroorzaken windturbines bewegende slagschaduw op gebouwen als gevolg van het draaien van de rotor. Deze bewegende slagschaduw wordt als hinderlijk ervaren en wordt daarom ook meegenomen bij de beoordeling van de alternatieven als het gaat om effecten op de leefomgeving. 3.4.1.1
Gezondheid
Er bestaat een relatie tussen het geluidniveau van windturbines en hinderbeleving. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ziet hinder als een gezondheidseffect. De GGD (gemeenschappelijke gezondheidsdienst) deelt deze visie en geeft een aantal adviezen om hinder zoveel mogelijk te voorkomen 11. Er zijn geen eenduidige onderzoeksresultaten naar slaapverstoring door windturbines. Verder blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat er onvoldoende bewijs is dat het geluid van of het wonen nabij windturbines leidt tot directe gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen en effecten op mentale gezondheid (RIVM, 2021). Het RIVM voert de komende periode diverse onderzoeken uit naar geluid van windturbines en laagfrequent geluid van diverse bronnen van omgevingslawaai. Zij betrekt in haar onderzoeken ook resultaten uit andere EU-lidstaten. 10
Documenten | Ontwerpbesluit | Windturbines leefomgeving | Platform Participatie
38
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
In het OER wordt het aspect gezondheid beoordeeld aan de hand van de toename van het cumulatieve geluid door de komst van de mogelijke windturbines en de absolute en relatieve toename van de ernstig gehinderden als gevolg van deze hogere cumulatieve geluidsbelasting. Er is een relatie tussen de geluidsbelasting op de gevel uitgedrukt in dB Lden en de kans op het ervaren van hinder. Figuur 14 geeft de samenhang weer tussen het percentage (ernstig) gehinderden enerzijds en de geluidsterkte op leefniveau anderzijds. Door middel van de formule zoals weergegeven in Figuur 14 is het aantal te verwachten (ernstig) gehinderden te bepalen. Per woning resulteert de formule namelijk in een hinderpercentage. Door dat hinderpercentage te vermenigvuldigen het gemiddeld aantal bewoners van woningen in de omgeving van het windpark kan het aantal verwachte ernstig gehinderden worden berekend. Figuur 15
De relatie tussen Lden en het percentage gehinderden (wt_%A) en ernstig gehinderden (wt_%HA) binnenshuis door geluid van windturbines. De gestippelde lijnen geven de polynome benadering weer. (Bron: Janssen, Vos, & Eisses, A., Hinder door geluid van windturbines, 2008)
3.4.1.2
Geluid
Per alternatief wordt het aantal gevoelige objecten binnen een drietal contouren van de alternatieven beoordeeld. Bij de huidige en toekomstige normen is er sprake
39
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
van Lden-normen 12 en corresponderende Lnight-normen. In het OER worden de 47, 45, 42 Lden-normen onderzocht. De 42 dB Lden contour is weliswaar geen wettelijke norm, maar wordt wel vaak gehanteerd als extra waarde om de wettelijke waardes van 45 en 47 dB Lden in perspectief te plaatsen. In het OER wordt een nadere toelichting gegeven op de jaargemiddelde geluidwaarden (Lden) en de samenhang daarvan met de Lnight waarde. Het aantal gevoelige objecten binnen Lden contouren wordt daarnaast ook uitgedrukt ten opzichte van het opwekpotentieel. Een windturbineopstelling kan namelijk geschikter geacht worden wanneer de energieopbrengst hoger is bij vergelijkbare milieueffecten. 3.4.1.3
Slagschaduw
De nieuwe ontwerp slagschaduwnorm schrijft voor dat er maximaal 6 uur slagschaduw per jaar mag optreden met een maximum van 20 minuten per dag. Bij het modelleren van schaduwduur wordt geen rekening gehouden met afscherming, daarmee worden milieueffecten worst-case gemodelleerd en beoordeeld. Het aantal gevoelige objecten binnen de slagschaduwcontouren wordt berekend en deze wordt daarnaast ook uitgedrukt ten opzichte van het opwekpotentieel. Een onderzoeksgebied kan namelijk geschikter geacht worden voor windenergie wanneer de energieopbrengst hoger is bij vergelijkbare milieueffecten.
3.4.2
Externe veiligheid In de Handreiking Risicozonering windturbines (HRW) 13 zijn regels opgenomen die betrekking hebben op windturbines en hun effect op de veiligheid. In dit document zijn rekenregels en adviesafstanden opgenomen. Bovendien wordt er verwezen naar de wettelijke grondslagen van de verschillende thema’s. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn niet alle verwijzingen meer actueel. De meeste wettelijke normen rond externe veiligheid van windturbines zijn nu gevat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ondanks deze wijzigingen in het wettelijke kader, is de inhoud van de HRW nog actueel en worden de regels uit de HRW beschouwd als gezaghebbend.
3.4.2.1
Kwetsbare (zeer/beperkt) gebouwen en locaties
De afstand van de plaatsgebonden risico-contour (PR-contour) is te berekenen op basis van de eigenschappen van een windturbine. De alternatieven zullen worden
12
13
De dB Lden-norm voor windturbines houdt rekening met geluidsoverlast veroorzaakt door windturbines gedurende de dag, avond en nacht. In de avond en nacht worden straffactoren toegevoegd (in de avond +5 en in de nacht +10) aan het geluidniveau om het verhoogde hinder-effect van windturbines in deze perioden te compenseren. Handreiking Risicozonering Windturbines
40
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (concept) OER Windenergie De Baars
beoordeeld op basis van de windturbineposities en hun ligging ten opzichte van zeer kwetsbare-, kwetsbare- en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. 3.4.2.2
Buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur
In de HRW zijn adviesafstanden opgenomen rond buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur. Zolang een windturbine buiten deze adviesafstanden worden geplaatst gaan Gasunie (beheerders van de buisleidingen) en TenneT (beheerders van de hoogspanningsinfrastructuur) akkoord zonder dat er vervolgonderzoek nodig is. Voor ondergrondse gasleidingen en hoogspanningsinfrastructuur is deze adviesafstand de grootste van ofwel de tiphoogte, ofwel de maximale werpafstand bij nominaal toerental. Deze risicoafstand geldt niet als harde eis, kleinere afstanden zijn in overleg met de leidingbeheerder bespreekbaar, mits wordt aangetoond dat geen ontoelaatbare veiligheidsrisico’s optreden. De ligging ten opzichte van buisleidingen en hoogspanningsinfrastructuur wordt meegenomen in de beoordeling van de alternatieven. 3.4.2.3