CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Definitieve verklaring van geen bedenkingen Rootven 16 tm 20 - Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing Rootven 16-20

RAAD 6 juli 2023, gemeente OisterwijkBij agendapunt: VvGB Rootven 16 t/m 20 - aanvaard13.127 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 14 Afdruk Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland met jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2)

27

Uit dit overzicht blijkt dat heersende achtergrondconcentratie stikstofdioxide, die ligt tussen 12 en 15 µg/m³, aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m³. In het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m³ bedragen. Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven. De uitbreidingen die dit plan mogelijk maakt zullen leiden tot een minimale toename van het autoverkeer. Op basis van de uitgave van CROW, Toekomstbestendig parkeren van december 2018 kan voor deze appartementen (“centrum” en stedelijkheidsgraad “weinig stedelijk”) worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van maximaal 4,5 voertuigbewegingen per woning per etmaal (inclusief bezoekers). Dat brengt dus 50 voertuigbewegingen per etmaal extra met zich mee. Uit toepassing van de rekentool blijkt dan dat deze situatie voldoet aan de randvoorwaarden voor het niet in betekenende mate bijdragen.

Hierna is de afdruk van de rekentool opgenomen waarbij wordt uitgegaan van realisering in 2022.

Figuur 15 berekening bijdrage extra verkeer aan luchtkwaliteit Uit deze berekening blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Rekening houdend met de bestaande achtergrondconcentraties die ruim beneden de wettelijke normen blijven, kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling past binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening. 4.5.

Waterparagraaf

4.5.1.

Algemeen

In artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht, gelezen in relatie met artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is bepaald dat de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.

28

Het plangebied is gelegen binnen het werkingsgebied van Waterschap De Dommel. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het waterbeleid van de provincie Noord-Brabant en van het waterschap De Dommel. Daarna wordt ingegaan op de situatie ter plaatse. 4.5.2.

Beleid

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Op 22 december 2021 is het RWP in werking getreden. Het doel van dit plan is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels is het duidelijk geworden dat het roer om moet. We moeten zuinig zijn op zowel het water als de bodem en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Steeds meer wordt duidelijk dat we ook last hebben van te weinig water. Op korte termijn levert droogte problemen op voor de scheepvaart, de landbouw en natuur. Op lange termijn kan verdroging zorgen voor problemen voor de leefomgeving en gezondheid, de drinkwatervoorziening, industrie en mobiliteit. Om de grondwatervoorraden te voeden moet er minder water worden onttrokken, en meer water worden aangevuld. Er valt in Brabant genoeg regen om het ondiepe grondwater te voeden, mits het water- en bodemsysteem wordt ingericht op het vasthouden. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant.

Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet.

En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • •

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan;

29

•

Wat schoon is moet schoon blijven.

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • • •

van beekdalgericht naar gebiedsgericht. De aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal. Samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Gezamenlijke Keur 2015 Brabantse Waterschappen Het waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor de waterstaatkundige verzorging in de gemeente Oisterwijk. Haar taken zijn waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2027-2027. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap, waar nodig, nog specifiek beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Naast het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft waterschap De Dommel een eigen Keur, legger en verordeningen. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta, hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van ruimtelijke (her)ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zoals het hydraulisch neutraal ontwikkelen.

Aanvullend op de Keur heeft het waterschap haar eigen algemene regels vastgelegd in de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater” van waterschap De Dommel. De waterschappen maken bij het beoordelen van het toegenomen verhard oppervlak onderscheid in de mate van toename van het verhard oppervlak. De grenswaarden voor het toenemen aan verhard oppervlak waaraan getoetst wordt zijn: • • •

< 500 m²; tussen de 500 m² en 10.000 m²; 10.000 m².

30

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Om aan dit uitgangspunt te kunnen voldoen wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2009-2015 (vGRP) In het vGRP (2009- 2015), dat bij raadsbesluit van 19 september 2019 is verlengd tot de komst van de Omgevingswet, is het gemeentelijk beleid ten aanzien van afvalwater, hemelwater en grondwater opgenomen. Als beleidsdoelstelling is geformuleerd dat de gemeente verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. De voorzieningen voor stedelijk afvalwater, regen en grondwater dragen daaraan bij. Ze waarborgen de maatschappelijke belangen. Dit gebeurt op de volgende wijze: • •

•

•

bescherming van de volksgezondheid door de verwijdering van stedelijk afvalwater uit de directe leefomgeving; droge voeten en voldoende water door de inzameling en verwerking van hemelwater (en mogelijk grondwater) verwijdert de gemeente water uit de bebouwde omgeving of voegt de gemeente water toe aan de omgeving; schoon water en een schone bodem door de aanleg van voorzieningen voorkomt de gemeente dat ongezuiverd stedelijk afvalwater of verontreinigd regenwater op of in de bodem of het oppervlaktewater terechtkomt; mooi en natuurlijk water door de inrichting en het onderhoud van waterpartijen zorgt de gemeente voor een zo aantrekkelijk en natuurlijk mogelijk beeld van water in de openbare ruimte waardoor de belevingswaarde toeneemt of gelijk blijft.

De gemeente Oisterwijk hanteert voor het compenseren het toekomstig verhard oppervlak en het aanbrengen van een bergingsvoorziening een norm 60 mm/m². 4.5.3.

Watertoets

Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld. 4.5.4.

Beoordeling plan

Zoals uit de onderstaande figuur blijkt zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen waterlopen aanwezig.

31

Figuur 16 afdruk legger Waterstaatswerken 2021 Waterschap De Dommel

Hemelwater Het plangebied is in de huidige situatie deels verhard. Dit plan voorziet in de vervangen van de bestaande drie grondgebonden woningen door 11 appartementen. In de onderstaande figuur is een overzicht opgenomen van de verhardingen en dakvlakken in de bestaande en de nieuwe situatie. Het totaal aan dakvlak blijft nagenoeg gelijk terwijl de verhardingen toenemen met 325 m². Oppervlaktes

Huidig in m²

Toekomstig in m²

Daken

335

339

Verharding

100

425

Onverhard

465

136

Totaal

900

900

Uitgaande van de rekenregels van de gemeente (benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) en rekening houdend met een gevoeligheidsfactor van 1 bedraagt de compenserende maatregel om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan maximaal 54 m³. Dat kan worden ingevuld door het plaatsen van infiltratiekratten of een vergelijkbare voorziening op het terrein achter het gebouw in de groenvoorziening en onder de parkeerweg. 4.6.

Externe veiligheid

Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de

32

veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in allerlei andere regelingen, zoals het Activiteitenbesluit, veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen", "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb), "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het Basisnet. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans dat een fictief persoon op een bepaalde plaats, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierna is een uitsnede van de Risicokaart Nederland opgenomen.

Figuur 17 Uitsnede risicokaart Nederland met plangebied aangeduid met cirkel (bron: risicokaart.nl)

Zoals op de bovenstaande figuur te zien is, liggen er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of objecten. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld

33

10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording. Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Oisterwijk De gemeente Oisterwijk heeft in 2009 ‘De beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Oisterwijk Externe Veiligheid “Wat is dat en hoe gaan we er mee om?” vastgesteld. In deze beleidsvisie wordt inzicht gegeven in de aanwezige risico’s in de gemeente Oisterwijk. Om zowel ruimte te bieden voor de ontwikkeling van bedrijvigheid, de ruimtelijke ontwikkeling van de woonkernen én ervoor te zorgen dat de veiligheidsrisico’s beperkt en beheersbaar blijven wordt aan de hand van het beleid (ambities) sturing gegeven aan de situering van bedrijven met een risicocontour en aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen risicocontouren. Bovendien zijn de aanpak en de organisatie beschreven, waarmee het beleid wordt gerealiseerd. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Oisterwijk haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s binnen de gemeentegrenzen. In de beleidsvisie zijn drie gebiedstypen opgenomen: woonwijken, buitengebied en bedrijventerreinen. Per gebiedstype zijn de ambities weergegeven. Deze ontwikkeling valt binnen het gebiedstype woonwijken. Voor de standaardverantwoording van het groepsrisico gelden de navolgende randvoorwaarden.

Figuur 18 randvoorwaarden voor standaardverantwoording groepsrisico uit gemeentelijk beleid

In het onderstaande kaartje is dat nogmaals visueel weergegeven, waarbij het plangebied met een gele cirkel is weergegeven.

Figuur 19 toepassingsgebied standaard verantwoording groepsrisico.

34

Voor de verdere verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het document in bijlage 3. Uit het bovenstaande blijkt dat externe veiligheid geen belemmering oplevert voor het realiseren van het initiatief.

35

5. Omgevingsaspecten 5.1.

Parkeren

De gemeente Oisterwijk heeft op 24 augustus 2016 een nieuwe Nota Parkeernormen vastgesteld. Met behulp van die parkeernormen wordt voor ruimtelijke ontwikkelingen de parkeereis bepaald. De parkeereis is het totaal aantal parkeerplaatsen dat de initiatiefnemer moet realiseren bij een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, waarbij parkeren op eigen terrein c.q. binnen het plangebied uitgangspunt is. In de nota wordt uitgegaan van een gebiedsindeling met daaraan gekoppelde parkeernormen, gespecificeerd per functie. De planlocatie behoort tot het gebied aangeduid als “Centrum”, zoals ook blijkt uit de onderstaande figuur.

Figuur 20 afdruk gebiedsindeling centrum Moergestel uit Nota Parkeernormen 2016

De nota parkeernormen voorziet ook in een systeem van salderen, waarbij het verschil tussen de oude en de nieuwe functie als parkeernorm geldt. Bestaande tekorten hoeven daarbij niet te worden gecompenseerd. Uit de jurisprudentie blijkt verder dat dit ook geldt bij vervangende nieuwbouw. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 6 februari 20082 is de navolgende rechtsoverweging opgenomen: "Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1, behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de 2

ABRvS, 6-2-2008, Valkenswaard, nr: 200704660 36

parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2006 in zaak nr. 200504312/1 volgt dat dit bij, zoals in dit geval, vervangende nieuwbouw inhoudt dat slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand. Voor het bouwplan met betrekking tot de winkel dient derhalve slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de uitbreiding van de winkeloppervlakte, zijnde naar niet in geschil is 5 m²". Voor de nieuwe situatie zijn volgens de parkeernormen van de gemeente Oisterwijk afgerond 13 parkeerplaatsen nodig. Voor de bestaande 3 woningen geldt een parkeernorm van 3 x 1,5 parkeerplaats = 4,5 parkeerplaatsen, die formeel in mindering zouden mogen worden gebracht. Echter op eigen terrein wordt voorzien in de totale behoefte van 13 parkeerplaatsen, zodat per saldo de parkeerdruk in het openbaar gebied aanzienlijk vermindert. Onderstaand zijn de toepasselijke parkeernormen opgenomen.

Figuur 21 Toepasselijke parkeernormen

5.2.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

De herontwikkeling van 3 grondgebonden woningen naar 11 appartementen brengt een wijziging in de verkeersproductie met zich mee. In de uitgave “Toekomstbestendig parkeren” van CROW (uitgave nr. 381) zijn ook normen opgenomen voor verkeersgeneratie. Voor huurappartementen in de sector sociaal en midden is voor het gebiedstype “centrum” en “weinig stedelijk” een norm opgenomen variërend van 3,7 tot 4,5 voertuigbewegingen per woning per etmaal. Dat levert per etmaal minimaal 41 voertuigbewegingen op en maximaal 50 voor het plangebied. Het plan wordt direct ontsloten aan het Rootven via de naastgelegen

37

inrit. Het profiel van het Rootven is zodanig dat deze weg deze geringe aantallen kan verwerken. De verkeersgeneratie levert derhalve geen belemmeringen op voor het initiatief. 5.3. 5.3.1.

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie

Het perceel heeft ingevolge het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming “Waarde – archeologie 3”. Dit betekent dat zodra er bodemingrepen plaatsvinden archeologisch vooronderzoek nodig is. Op die plicht tot onderzoek gelden enkele uitzonderingen. Die onderzoeksplicht is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a.

b. c.

vervanging, vernieuwing, vergroting of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, wordt uitgebreid binnen een afstand van maximaal 3 meter van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 250 m²; een bouwwerk waarvoor de graafwerkzaamheden om het bouwwerk te plaatsen niet dieper reiken dan 0,50 meter onder peil.

In dit geval geldt is de uitzonderingssituatie van onderdeel a van toepassing. Er behoeft derhalve geen archeologisch vooronderzoek te worden uitgevoerd. 5.3.2.

Cultuurhistorie

Zoals uit de onderstaande figuur blijkt, zijn de oude wegen door het dorp waaronder het Rootven, aangeduid als lijn van redelijk hoge waarde m.b.t. historische geografie. Daarnaast heeft de woning Rootven 20 een waardering in de categorie "overige bouwkunst" als object van de Delftse School. In het geldende bestemmingsplan heeft deze woning echter geen bijzonder waardering gekregen.

Figuur 22 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Brabant

38

5.4. 5.4.1.

Ecologie Algemeen

Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied en het effect van de ontwikkeling op de omgeving. De bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van belang. De provincies beschermen via de provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. 5.4.2.

Soortenbescherming

Omdat er sprake is van een bestaande stedelijke situatie is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er beschermde soorten zijn te verwachten. 5.4.3.

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) die op 1 januari 2017 in werking is getreden als opvolger van de Natuurbeschermingswet 1998, regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. In de onderstaande figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden opgenomen. De kortste afstand tussen het plangebied en het dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen bedraagt ongeveer 1000 meter. Gelet op die en gezien het feit dat het hier gaat om het toevoegen van woningen, deels ter vervanging van reeds bestaande woningen is beïnvloeding van dat gebied niet te verwachten.

Op het aspect stikstof zal in de hierna volgende paragraaf apart worden ingegaan.

39

Figuur 23 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

5.4.4.

Stikstof

Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. In deze gebieden wordt veelal de Kritische Depositie Waarde (KRW) overschreden. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied te realiseren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, een significante gevolgen kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000gebied. Door de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is de systematiek van de PAS vernietigd en is ook de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jr niet langer geldend.

Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd uitgaande van de voorgenomen gebruiksfase, waarbij die wordt getoetst aan de referentiesituatie. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de realisatie van het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt daarom een vrijstelling van de vergunningplicht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor het initiatief. In bijlage 4 is de AERIUS-berekening, samen met een toelichtend memo, opgenomen.

40

5.5.

Bezonning en schaduwwerking

Omdat rondom het plangebied verschillende woningen op relatief korte afstand aanwezig zijn is tevens een studie uitgevoerd naar de invloed van het plan op bezonning en schaduwwerking. Daarvoor zijn twee varianten doorgerekend, te weten: 1. 2.

De bestaande situatie maar dan gemaximaliseerd binnen de geldende bouwregels van het vigerende bestemmingsplan (bijlage 5); De nieuwe situatie met een appartementengebouw met 11 appartementen (bijlage 6).

Er zijn in Nederland geen wettelijke eisen gesteld aan de hoeveelheid zon dat op of in een gebouw minimaal dient toe te treden. Voor woningen is door TNO een richtlijn opgesteld. De TNO-norm ‘Licht’ is in Nederland de meest gangbare bezonningsnorm, die ook in de rechtspraak als richtlijn wordt gehanteerd. Op basis van die norm geldt voor voldoende bezonning in de woonkamer: • • • • • •

Ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag; In de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden); Ter plaatse van het midden van de vensterbank, binnenkant raam voor bestaande situaties; En op 0,75 meter hoogte op het midden van de gevel voor nieuwe situaties; Bij een minimale zonnestand van 10 graden; Voor bestaande situaties dient een beoordeling plaats te vinden op basis van het verschil voor en na.

Vanwege de ligging ten opzichte van de zon zijn voor dit initiatief met name de woningen Huysackerpad 12a en 14 van belang. Er is nader onderzoek gedaan naar de zon- en schaduwvorming gedurende 4 seizoenen. De tijdstippen voor dit zon- en schaduwonderzoek zijn genomen voor elk seizoen een dag en meerdere tijdstippen op die dag. De conclusies en verbeeldingen van 21 maart en 21 september zijn het meest representatief, omdat deze data een goed gemiddelde laten zien van de te verwachten schaduwwerking gedurende een jaar. Uit het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek komt naar voren dat op 21 maart en 21 september Huysackerpad 12a geen schaduwhinder ondervindt van de voorgenomen nieuwbouw. Huysackerpad 14 ondervindt een beperkte toename van de schaduw beginnend rond 09:30 uur en eindigend rond 13:00 uur. Deze toename is alleen merkbaar ter linkerzijde van dit perceel. Omdat er sprake is van een bestaande situatie dient verder gekeken te worden naar de afname van de duur van de bezonning op de peildatum, het gegeven punt en in een zekere tijdsafname. De zonafname is in volgende tabel weergegeven. De woning Huysackerpad 12a ondervindt geen invloed van de voorgenomen nieuwbouw op Rootven 16 t/m 18.

Uit het onderzoek naar de TNO-norm ’licht’ komt naar voren dat Huysackerpad 14 in de huidige situatie met 117 minuten net niet aan de minimale TNO-eis ‘licht’ van 120 minuten in de periode 19 februari tot 21 oktober voldoet en dat na de nieuwbouw van het appartementengebouw dit hetzelfde blijft In de onderstaande tabel is dat te zien.

41

Verder is nog gekeken naar de zonafname in de tuin van Huysackerpad 14. Gekozen is om dit gedurende een heel jaar in beeld te brengen voor bestaand en nieuw, waarbij er gepeild wordt om het kwartier. Het onderzoek is verricht met behulp van het softwareprogramma DLLight. DL-Light maakt gebruik van Radiance, een gevalideerde lichtsimulatie tool. De mate van zon-afname is uitgedrukt in gemiddelde uren per dag over het gehele meetgebied en gemeten in een interval van 10 minuten. Het maximaal aantal uren per dag is gemeten op het meest zonnige gedeelte. De mate van zonafname is weergegeven in onderstaande tabel en visueel gemaakt in de afbeeldingen die in de rapportage in bijlage 6 is weergegeven.

Uit het onderzoek naar de zonafname in de tuin van Huysackerpad 14 komt naar voren dat de gemiddelde zonuren per dag van 06:22 uur terugloopt naar 06:03 uur. Dit is een beperkte afname van -4,9%. Voor een totaaloverzicht van het uitgevoerde onderzoek wordt verwezen naar de resultaten in bijlage 6. De conclusie is dat er geen sprake is van enige beperking in de bezonning van de woning Huysackerpad 14, en van enige zonafname in de tuin. Die is echter zodanig beperkt dat dit geen belemmering oplevert voor het initiatief. 5.6.

Technische infrastructuur

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningslijnen en GSM-masten. Bestaande kabels en leidingen voor zover die zijn gelegen in het openbaar gebied zijn voor het plangebied niet relevant aangezien geen bouwkundige wijzigingen aan dat deel van het plangebied zijn voorgenomen. Deswege levert de technische infrastructuur geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 5.7.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor dit plan is een omgevingsdialoog uitgevoerd. Daartoe is ervoor gekozen om de omwonenden te informeren over de voorgenomen plannen via het houden van een inloopbijeenkomst. Die bijeenkomst heeft plaatsgevonden op dinsdag 22 februari 2022. De betrokkenen zijn uitgenodigd via een brief die tijdig bij 25 geselecteerde adressen in de omgeving is bezorgd. Van die bijeenkomst is een verslag gemaakt dat als bijlage 7 bij deze ruimtelijke onderbouwing is gevoegd. Kortheidshalve wordt daar naar verwezen.

42

43

6. Grondslag voor medewerking 6.1.

Inleiding

Het initiatief bestaat uit het afwijken van het bestemmingsplan voor het vervangen van 3 grondgebonden woningen in 11 appartementen. Voor het afwijken van het bestemmingsplan kan de grondslag worden gevonden in artikel 2.12, lid 1, onder a, 3⁰ van de Wabo. Op grond daarvan kan een vergunning worden verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het bouwen en gebruiken van bouwwerken via een zogenaamd projectafwijkingsbesluit, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Dit document in combinatie met de daarbij behorende bijlage, voorziet in die eis. 6.2.

De procedure

Voor deze activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" geldt de uitgebreide procedure.

7. Conclusies Het project waarop deze ruimtelijke motivering betrekking heeft, behelst het vervangen van 3 grondgebonden woningen in 11 appartementen. De uitstraling en de milieu-implicaties van deze nieuwe functie zijn, ten opzichte van de huidige situatie, vergelijkbaar maar op onderdelen iets groter in intensiteit. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat er vanuit milieuoogpunt geen belemmeringen zijn voor de realisering van dit initiatief terwijl in hoofdstuk 5 is toegelicht dat de ruimtelijke aspecten geen belemmering vormen voor het initiatief Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat onderhavig project planologisch gezien te verantwoorden is en voldoet aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12814504/1