Bijlage 7 Rapport Ecologie (Sweco)
Tekst van het document
SWECO
7
Notitie verkenning ecologie - extra ontsluiting Moergestel 1
Inleiding
Wanneer de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten kunnen hebben op beschermde gebieden of beschermde plant- of diersoorten, dient dit te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur.
In deze verkennende notitie worden de verschillende kaders van de natuurbescherming in relatie tot het zoekgebied behandeld. Deze notitie geeft een eerste inzicht in met welke beschermde natuurwaarden mogelijk rekening gehouden moet worden. De natuurwaarden kunnen verder gebruikt worden in het haalbaarheidsonderzoek en ontwerp voor een reëel tracé voor een extra ontsluiting. Wanneer een mogelijk tracé bekend is kan deze verder getoetst worden.
De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende relevante kaders: Omgevingswet: • Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn); • soorten; • houtopstanden. Provinciaal beschermde gebieden: • Natuurnetwerk Nederland (NNN). • eventueel andere provinciaal beschermde gebieden buiten het NNN. Gemeentelijk beleid. Het zoekgebied bevindt zich in de gemeente Oisterwijk ten oosten van Moergestel, ten noorden van de A58 en ten zuiden van het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen (figuur 1-1).
P4"T
I
I Zoekgebied
#
2yF 9-
4 bZc A
‘s 2,-
ëna
a$
3q
k
d
4
2
A
N,* ,3
Aa"
4 '
Ligging locatie Moergestel
• /
Opdrachtgever: Projectnummer: 51029506
I
$
v,
' 45 l
AP
8c
Status: Definitief Datum: 19-5-2025 Schaal: 1:25.000 Formaat: A4
—
SWECO X
A N
• Sweco Nederland B V Ma rechten voorbehouden
Figuur 1-1-1:
Ligging van het zoekgebied.
1/19
SWECO
2
Natura 2000-gebieden
2.1
Toetsingskader
7
De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden, die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitattypen binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd vanuit een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Na aanwijzing van een gebied wordt door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in het aanwijzingsbesluit benoemd welke natuurwaarden kwalificerend zijn en worden op gebiedsniveau de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voorde betreffende habitattypen en/of soorten. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de beoordeling van de vergunningplicht voor projecten en de beoordeling van de mogelijkheid tot vaststelling van plannen. Bij projecten kan er sprake zijn van een ‘Natura 2000-activiteit'. Dit wil zeggen dat het project mogelijk significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dit is vergunningplichtig onder de Omgevingswet (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een vergunningsvrij geval onder het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). De significantie van gevolgen wordt beoordeeld in een voortoets, Passende Beoordeling en/of ADC-toets.
Voor een plan geldt dat deze mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten onder het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 10.24 Bkl). Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan een plan alleen worden vastgesteld als de ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl).
Om mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van stikstofdepositie te beoordelen, is het gebruik van de AERIUS-calculator bij wet- en regelgeving verplicht (art. 4.15 Or). Het toetsingskader wordt in meer detail beschreven in bijlage 1.
2.2
Resultaten
De ligging van de Natura 2000-gebieden is in beeld gebracht middels de Natura 2000gebiedenkaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Het zoekgebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Kampina & Oisterwijkse Vennen, dit gebied bevindt zich op circa 640 meter afstand (figuur 2-1). Dit dichtstbijzijnde deel is aangewezen als Habitatrichtlijngebied, verderten noordoosten is dit gebied ook aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelstellingen van Kampina & Oisterwijkse Vennen zijn opgenomen in Bijlage 2. Daarnaast bevinden de volgende Natura 2000-gebieden zich in een straal van 25 kilometer:
Kempenland-West Regte Heide & Riels Laag Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Langstraat Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Ulvenhoutse Bos Bij de toetsing dient gekeken te worden naar de Natura 2000-gebieden tot op 25 km afstand van het zoekgebied. Dit is ruim voldoende om effecten door eventuele externe werking mee te nemen. Enkel effecten door stikstofdepositie kunnen verder reiken,
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
2/19
SWECO
7
echter is door de overheid gesteld dat effecten hiervan tot op 25 kilometer van de bron dienen te worden berekend en getoetst.1
1
Natura 2000-gebieden
Kampina & Oisterwikse Vennen (VR+HR)
Kampina & Oisterwijkse Vennen Kempenland-West | Zoekgebied
Kampina & Oisterwijkse Vennen (HR)
Kampina & Oisterwijkse Vennen (HR)
Moergest
Natura 2000 Moergestel Opdrachtgever: Projectnummer: 51029506
sWEco
Status: Definitief Datum: 19-5-2025 Schaal: 1:40.000 Formaat: A4
A N
Esri Nederland. Community Map Contributors Kempenland-West (HR)
Figuur 2-1:
2.3
eSwecoNedertandBV. ASe rechten voorbehouden
Ligging zoekgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.
Beoordeling
Het zoekgebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied, hierdoor zijn directe effecten zoals ruimtebeslag uitgesloten.
Naast directe effecten kunnen indirecte effecten zoals visuele verstoring en verstoring door licht en geluid een negatief effect hebben op de soorten die zijn aangewezen voor Natura 2000-gebieden. Deze effecten reiken doorgaans enkele honderden meters ver.
Daarnaast kunnen de effecten van stikstof verder reiken. De werkzaamheden worden uitgevoerd met verschillend materieel (onder andere transport, grondverzet, aanleg). Dit materieel gaat mogelijk gepaard met stikstofemissie. Daarnaast vinden in de gebruiksfase mogelijk meer verkeersbewegingen plaats, welke gepaard gaan met stikstofemissie. Deze emissies kunnen zich verplaatsen over grote afstanden en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk om mogelijke stikstofdepositie inzichtelijk te maken. Afhankelijk van de resultaten kan worden bepaald of een nadere effectanalyse noodzakelijk is.
1 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft 5 april 2023 in de tussenuitspraak ViA15 geoordeeld dat de rekenafstand van 25 kilometer bij individuele projecten aanvaardbaar is.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
3/19
SWECO
3
Soortbescherming
3.1
Toetsingskader
7
Soortenbescherming is geregeld in de Omgevingswet. De beschermde soorten in Nederland zijn in te delen in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn en Andere beschermde soorten. Indien een activiteit mogelijk een gevolg heeft voor een in het wild levend dier- of plantensoort, ongeacht de beschermingsstatus, is er sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het uitvoeren van schadelijke handelingen bij soorten van de eerste twee categorieën, te weten vangen, doden, verstoren of hun vaste rust- en verblijfplaatsen aan te tasten, leidt tot vergunningplicht. Het verstoren van soorten uit de derde categorie, is geen schadelijke handeling die leidt tot vergunningsplicht. Soorten uit deze categorie kunnen door het bevoegd gezag onder voorwaarden vrijgesteld worden van vergunningplicht bij schadelijke handelingen. In het Bal zijn een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen. Een vergunning kan alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, er sprake is van een wettelijk belang en de activiteit niet leidt tot een verslechtering van de Staat van Instandhouding van de aangevraagde soort. Naast bovengenoemde beschermde soorten, dient ter invulling van de specifieke zorgplicht en het voorkomen van onnodig lijden ook onderzoek uitgevoerd te worden naar kwetsbare en/of bedreigde (nietbeschermde) soorten.
Hiertoe behoren soorten van de Vogelrichtlijn (Bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in art. 4, 2e lid Vrl), Habitatrichtlijn soorten (Bijlage II, IV en V Hrl), Rode lijstsoorten en nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Bal). Het toetsingskader voor soortenbescherming wordt nader beschreven in bijlage 1.
3.2
Resultaten
Het voorkomen van beschermde soorten binnen en in de directe omgeving van het plangebied is onderzocht middels een bronnenonderzoek. Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in de omgeving. Hiervoor is data direct uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) gebruikt van de afgelopen vijfjaar (20202025) in een straal van 500 m van het zoekgebied. Het is van belang hier te melden dat er geen veldbezoek heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat er geen habitatgeschiktheidsbeoordeling is gedaan, om zo een inschatting te maken van de potentieel aanwezige soorten en niet is gekeken naarde daadwerkelijk aanwezige soorten. Verder zijn in dit bureauonderzoek enkel de waarnemingen uit de NDFF genoteerd. Wanneer een soort niet genoemd is of er geen waarnemingen uit een soortgroep zijn, betekent dit niet dat deze niet voorkomen in het gebied. De resultaten van de NDFF kunnen enkel indicatief gebruikt worden, om een eerste inschatting te krijgen van de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Deze zijn hieronder per soortgroep weergegeven.
Vogels (soorten met jaarrond beschermde nesten cat. 1-4): Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief. Op de grote gele kwikstaart na broeden alle bovengenoemde soorten in bomen, gebouwen of nestkasten. De grote gele kwikstaart broedt langs stromend water in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers en dan voornamelijk in het oosten van het land.
Vleermuizen: Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
4/19
SWECO
7
Vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen globaal in twee soorten te verdelen: soorten die hun verblijfplaats in gebouwen hebben en vleermuizen die hun verblijfplaats in bomen hebben. Naast verblijfplaatsen zijn ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. Vliegroutes zijn nodig voor vleermuizen om zich te kunnen verplaatsen tussen verblijfplaats en foerageergebied. Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Overige zoogdieren:
Bever, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter, waters pits muis en wezel. Vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wild zwijn. Amfibieën:
Alpenwatersalamander. Vrijgesteld van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie NoordBrabant: bruine kikker, gewone pad, groene kikker spp. en kleine watersalamander.
Bij amfibieën worden meestal drie typen habitat onderscheiden. Het voortplantingshabitat is het water, het zomerhabitat is voorde meeste soorten het land en het winterhabitat is ook voorde meeste soorten het land, maar sommige overwinteren in het water. Deze drie typen habitats moeten relatief dicht bij elkaar liggen omdat amfibieën geen grote afstanden afleggen. Reptielen:
Levendbarende hagedis.
De levendbarende hagedis leeft vooral in vochtige heide, venoevers en hoogveen. Hij komt ook voor in droge heide, langs infrastructuur (zoals spoorlijnen en wegbermen), in ruige graslanden en bij bosranden. Structuurrijke vegetatie met lage struiken en losse bomen is belangrijk. Intensief agrarisch gebied en dichte bossen worden gemeden.
Ongewervelden: Bosbeekjuffer, grote vos en vermiljoenkever. Planten: Geen waarnemingen in NDFF (2020-2025) binnen 500 m van het zoekgebied.
Vissen: Geen waarnemingen in NDFF (2020-2025) binnen 500 m van het zoekgebied.
3.2.1
Beoordeling
Een onderzoek inclusief veldbezoek is noodzakelijk. Afhankelijk van de resultaten van het veldbezoek wordt bepaald of er sprake is van schadelijke handelingen zoals opgenomen in de Ow en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van de Ow noodzakelijk is.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
5/19
SWECO
4
7
Houtopstanden
Houtopstanden buiten de bebouwde kom zijn beschermd binnen de Omgevingswet. De regels voorde bescherming van houtopstanden en bomenrijen zijn opgenomen in Afdeling 1.3 Bal. Voor het vellen van houtopstanden vanaf 10 are of meer of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen buiten de zogeheten bebouwingscontour houtkap (art. 11.111, lid 2 Bal) geldt een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal). Er zijn uitzonderingen op de meld- en herplantplicht (art. 11.131 Bal, art. 11.126, lid 2 en art. 11.129, lid 1 Bal).
Als een houtopstand zich binnen de bebouwingscontour houtkap bevindt, is niet de Omgevingswet van toepassing, maar de gemeentelijke verordening (APV of Bomenverordening) van de gemeente binnen welke grenzen de betreffende houtopstand is gelegen.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
6/19
SWECO
5
Overig natuurbeleid
5.1
Toetsingskader
7
Het overige natuurbeleid bestaat uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN), beschermde gebieden buiten het NNN en het gemeentelijk beleid. Het NNN is een samenhangend netwerk van natuur- en landbouwgebieden met waarden van (inter-)nationaal belang. De aanwijzing hiervan is per provincie geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44 Ow. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform art. 7.7 Bkl. Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, lid 2 Bkl, dat instructieregels bevat. De regels verzekeren dat kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruit gaan, dat de samenhang tussen gebieden wordt behouden en dat nadelige gevolgen van activiteiten binnen het NNN tijdig worden gecompenseerd. Het NNN voor Noord-Brabant is vastgelegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant als het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het NNB wordt beschermd krachtens art. 5.30, lid 1, onderdeel a en b van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, welke stelt dat een Omgevingsplan van toepassing op het NNB a) strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken2 en daarbij b) regels bevat gericht op de bescherming van deze ecologische waarden en kenmerken en ook rekening houdt met andere aanwezige waarden en kenmerken3.
Bij de bepaling van de effecten van de voorgenomen ingreep op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB zijn drie onderdelen van belang, te weten; Er mag geen significante aantasting van de ecologische waarden en kenmerken plaatsvinden. Ecologische waarden en kenmerken zijn, onder andere: • bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; • de aanwezigheid van bijzondere soorten; • robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNB; • de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Er mag geen significante vermindering van de oppervlakte van het NNB plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling mag niet leiden tot een significant verminderde samenhang van het NNB. Daarnaast kent de provincie Noord-Brabant beleid ten aanzien van ecologische verbindingszones (art. 5.40 Omgevingsverordening), attentiezones waterhuishouding (art. 5.41 Omgevingsverordening), behoud en herstel van watersystemen (art. 5.42 Omgevingsverordening) en Groenblauwe waarden (art. 5.46 Omgevingsverordening).
In de provincie Noord-Brabant is externe werking van toepassing (art. 5.31 Omgevingsverordening). Het beleid betreffende het NNB en overige beschermde gebieden wordt nader beschreven in bijlage 1.
2
Ecologische waarden en kenmerken zijn de aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde. 3 Cultuurhistorische waarden en kenmerken zijn de waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. Landschappelijke waarden zijn de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
7/19
SWECO
5.2
7
Resultaten
De ligging van het zoekgebied ten opzichte van het NNB is weergegeven in figuur 5-1. Binnen het zoekgebied liggen verschillende gebieden die behoren bij het NNB, bijvoorbeeld het gebied langs de Reusel, het Hildsven, het Blekven, de Rosep en de graslanden aan de zuidkant van het zoekgebied. In figuur 5-2 is het NNB verder in detail weergegeven, hier zijn de natuurbeheertypen zichtbaar. Natuurnetwerk Nederland I
| Zoekgebied
\
I
\ Heikant
« Hoéfk.
Gi
Hgiliget
park Moergestel
PrH
H.
/ Natuurnetwerk Nederland Moergestel Opdrachtgever: Projectnummer: 51029506
d
% Brok:
270
Esri Nederlar
Map Contributors
Figuur 5-1:
SWECO
Status: Definitief Datum: 19-5-2025 Schaal: 1:25.000 Formaat: A4 540
1.080
A N
eSweco Nederland B.V. AM rechten voorbehouden
Ligging van het zoekgebied t.o.v. het Natuurnetwerk Brabant.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
8/19
SWECO
\ Heikant
* Hoef Groot
N\
A2k Moergestel
beheertype ■ L01.01 ■ L01.02 ■ L01.03 ■ L01.07 ■ L01.08 □ L01.16 ■ L02.02 □ N03.01 ■ N04.02 ■ NOS.04 ■ N06.04 ■ N06.05 ■ N06.06 ■ N07.01
7
• N10.01 ■ N 10.02 ■ Nll.01 [ N 12.02 ■ N12.05 ■ N12.06 ■ N13.01 ■ N14.01 I N 14.02 ■ N 14.03 ■ N 15.02 ■ N16.03 ■ N 16.04 ■ N 17.06 • Zoekgebied
H.
5.1.2.e
Natuurbeheertypen
-1
Moergestel Opdrachtgever: Projectnummer: 51029506
Bi
K Figuur 5-2:
SWECO
Status: Definitief Datum: 19-5-2025 Schaal: 1:25.000 Formaat: A4
Esri Nederlar
••
X
A N
Map Contributors
• Sweco Nedertand B V Ale rechten voorbehouden
Ligging van het zoekgebied t.o.v. de natuurbeheertypen van het Natuurnetwerk Brabant.
Het doorlopen van het ‘nee, tenzij-principe’ noodzakelijk (art. 5.34 Omgevingsverordening). Hierbij dient te worden aangetoond, dat er sprake is van groot openbaar belang, er geen alternatieve locatie voorhanden is, er geen andere oplossingen voorhanden zijn, de negatieve effecten worden beperkt en dat bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan compensatie. Indirecte aantasting van het NNB (externe werking) dient gemitigeerd te worden, als dit niet mogelijk is moet gecompenseerd worden.
Overige provinciaal beschermde gebieden
In figuur 5-3 is de ligging van het zoekgebied ten opzichte van overige provinciaal beschermde gebieden weergegeven. Bijna het gehele zoekgebied is onderdeel van één of meerdere van deze gebieden, enkel het zuidoosten is geen onderdeel van overige provinciaal beschermde gebieden.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
9/19
SWECO
9
7
Attentiezone waterhuishouding
Behoud en herstel watersystemen H Ecologische Verbindingszones
2 3.52
% Groenblauwe waarden Natte natuurparels | Zoekgebied
KS.i,P
efkens
...1 wpark Moergestel
233Papen De Sonian
I
9
Heivel
Overige data V
Moergestel Opdrachtgever: Projectnummer: 51029506
/ /
Brot
1,080 meter
270
(2
Figuur 5-3:
V
2
SWECO
Status: Definitief Datum: 19-5-2025 Schaal: 1:25.000 Formaat: A4
Esri Nederland-Community Map Contributors
A N
• Sweco Nederland B V Ale 1
Ligging van het zoekgebied t.o.v. overige provinciaal beschermde gebieden.
Ecologische verbindingszone De regels omtrent een EVZ zijn opgenomen in artikel 5.40 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. In stedelijk gebied heeft de EVZ een breedte van ten minste 50 meter, in overige gebieden is dit minimaal 25 meter. Het is van belang dat het functioneren van de ecologische verbinding niet wordt aangetast. Attentiezone waterhuishouding (en natte natuurparels) De regels omtrent de attentiezone waterhuishouding zijn opgenomen in artikel 5.41 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, hieronder worden de relevante delen toegelicht. Een attentiezone waterhuishouding beschermd de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen NNB. Hierin worden in art. 5.41 lid 2 regels gesteld over het verzetten van grond, aanleg van drainage, verlagen van de grondwaterstand en het aanbrengen van verharde oppervlakten.
Doel van de attentiezone is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door verandering van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. Behoud en herstel van watersystemen De regels omtrent Behoud en herstel van watersystemen zijn opgenomen in artikel 5.42 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het beleid voor Behoud en herstel van watersystemen richt zich op het beschermen, beheren en herstellen van watersystemen. Omgevingsplannen beperken bebouwing, verharding en ophoging van gronden. Uitzonderingen zijn mogelijk als er geen alternatieven zijn en het waterschap geen bezwaren heeft.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
10/19
SWECO
7
Groenblauwe waarden De regels omtrent de Groenblauwe waarden zijn opgenomen in artikel 5.46 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De Groenblauwe waarden verbinden natuur- en watergebieden en bieden ruimte voor recreatie, extensieve landbouw en multifunctioneel landgebruik. Beleid richt zich op het versterken van een klimaatbestendig watersysteem en natuurontwikkeling.
Gemeentelijk beleid
6
De gemeente Oisterwijk heeft de bescherming van houtopstanden vastgelegd in het Beleidskader Groene Kaart Gemeente Oisterwijk. In onderstaande kaart zijn alle beschermde houtopstanden opgenomen aan de oostzijde van Moergestel (figuur 6-1). Alle waardevolle bomen in de gemeente krijgen met dit beleid bescherming. W)
%»Ee <r' 69
‘0)
V
-
‘ë ?c 98
E.e "9
209
Xo, ,ooN
"g"
Legenda
D;
□
,09, • e25 c.
^111
o
Beschermde houtopstanden
0’0 —= ou \bo c•
8e8Seke6s
boomstructuren (met daarin de bestaande bomen aangegeven)
[5
b* •
-Hguddee
ED
Oj
OS
ae
I
0)
Ansen
EeF# 188
g
P
7
&ce5oj
G
0332/ 33
6\0-•L
(34,2 /0 0 & , 2 Fe
Ss 5,
nevenstructuur gemeentelijke bomen
•
waardevolle bomen
I molenbiotoop
bebouwde kom
LI
T
E g™-» Oisterwijk
kaart Moergestel
28
33%%
•
L □
r
0
ne nlel45l t-t
hoofd structuur gemeentelijke bomen
•
28. OÜ
2
• boomvlakken (met daarin indicatief bestaande bomen aangegeven)
O
0
K
19 soptember 2017
0°
|dr
BTL 1 I l il
Figuur 6-1:
/
// /
Advies
Groene kaart gemeente Oisterwijk.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
11/19
SWECO
Bijlage 1
7
Omgevingswet
Omgevingswet: Natura 2000-gebieden Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau bevinden (kwalitatief en kwantitatief) kunnen behoudsdoelstellingen bestaan. Voor habitattypen en leefgebieden van soorten die nog niet het gewenste niveau hebben bereikt, kunnen uitbreidings- en/of verbeterdoelstellingen bestaan.
In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel als mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, lid 1 Bal). Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen (verslechterende of significant verstorende gevolgen) op instandhoudingsdoelstellen op grond van objectieve gegevens op voorhand uitgesloten kunnen worden (art. 11.6, lid 2 Bal). Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, lid 2, onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, lid 2, onder f). Daarnaast dient de effectiviteit van de maatregelen gemonitord te worden. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000beheerplan worden uitgevoerd. Verqunninqplicht projecten
Een activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt aangeduid met een ‘Natura 2000-activiteit'. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een ‘Natura 2000-activiteit' en andere activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels vooreen Natura 2000-activiteit. Er dient getoetst te worden of een activiteit (al dan niet significante) negatieve gevolgen kan hebben. Wanneer na een eerste verkennende effectbeoordeling effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: • Een voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Er zijn dan geen vervolgstappen nodig.
Indien er sprake is van een Natura 2000-activiteit die niet vergunningsvrij is en/ of significante effecten niet kunnen worden uitgesloten, volgt een Passende Beoordeling. •
Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project zijn uit te sluiten rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl. Als significante gevolgen ondanks mitigatie niet uit te sluiten zijn, volgt een ADC-toets.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
12/19
SWECO
7
ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen Alternatieven zijn met minder grote effecten, er sprake is van een Dwingende reden van groot openbaar belang en in afdoende Compensatie is voorzien (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof dienen bij Natura 2000-activiteiten getoetst te worden door middel van de Aerius Calculator (art. 4.15 Or).
Als uit de voortoets blijkt dat het niet gaat om een ‘Natura 2000-activiteit' of als het een vergunningsvrij geval betreft, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben vooreen Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied’. Ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht van toepassing. Vastlegging van toetsing aan de specifieke zorgplicht wordt sterk aangeraden.
Mogelijkheid tot vaststelling plannen De term ‘Natura 2000-activiteit' geldt alléén voor projecten. Een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in art. 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen worden vastgesteld als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl). In het Bal zijn een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: •
• •
In een programma (bijv. Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal. In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal. In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.
Omgevingswet: soortenbescherming Bescherming van soorten wordt in de Omgevingswet geregeld in hoofdstuk 5. Alle activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild voorkomende dieren of planten zijn zogeheten flora- en fauna-activiteiten (bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet).
Indien er sprake is van schadelijke handelingen, leidt dit tot een vergunningplichtig geval. De schadelijke handelingen komen voort uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en Internationale Verdragen en betreffen de volgende handelingen: •
Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Bal): • Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 Vrl. • •
Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels. Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels.
• •
Het opzettelijk storen van vogels. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.
•
Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
13/19
SWECO
7
Schadelijke handelingen Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal): • Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levend dieren Hrl bijlage IV, onder a, Bern bijlage II, Bonn bijlage I (ex. Vogels art. I Vrl). • •
Het opzettelijk verstoren van dieren. Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren.
•
Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren. Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage I verdrag van Bern, in hun natuurlijk verspreidingsgebied.
•
•
Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.
Schadelijke handelingen andere soorten (art. 11.54 Bal): • Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A. • •
•
•
Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet voor bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.
Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden, en dat exemplaren niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Er is een indicatieve landelijke lijst opgesteld4, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Noord-Brabant geldt de landelijke lijst. Onderzoeken naar het voorkomen van soorten uit de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn hebben een geldigheidsduur van driejaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd.
Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van soorten van categorie 1 t/m 4 in principe altijd jaarrond beschermd zijn, en nesten van soorten van categorie 5 enkel wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen. Zie Tekstbox 1 voor een toelichting per categorie. Ook voor soorten van categorieën 1 t/m 4 kunnen zich uitzonderings situaties voordoen waarbij een nest geen jaarronde beschermd behoeft. Dit wordt beoordeeld door een ecoloog. Soorten van categorie 1 t/m 4 zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd indien er onvoldoende alternatieven zijn.
4
RVO, 2021. Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
14/19
SWECO
Tekstbox 1
7
Vogels met jaarrond beschermde nesten.
Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van de Ow jaarrond: 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
3.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).
Op soorten van de volgende categorie gelden de verbodsbepalingen van de Ow niet jaarrond: 5.
Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd.
Voor Andere soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van deze soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verstoring van deze soorten is geen schadelijke handeling die leidt tot een vergunningplichtig geval. Ten aanzien van de Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies, dan wel ministerie van LVVN) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie onder voorwaarden vrij te stellen. Voor provincie Noord-Brabant zijn deze soorten genoemd in onderstaande tabel (tabel 1). Onderzoeken naar het voorkomen van Andere soorten hebben een geldigheidsduur van vijfjaar. Na deze termijn dient het onderzoek te worden geactualiseerd. Tabel 1. Vrijgestelde soorten in provincie Noord-Brabant (Omgevingsverordening Noord-Brabant).
Zoogdieren
Amfibieën
Aardmuis
Ondergrondse woelmuis
Bruine kikker
Bosmuis
Ree
Gewone pad
Dwergmuis
Rosse woelmuis
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Meerkikker
Egel
Veldmuis
Middelste groene kikker
Gewone bosspitsmuis
Vos
Haas
Wild zwijn
Huisspitsmuis
Woelrat
Konijn
Een aantal uitzonderingen op de vergunningplicht en de vergunningsvrije gevallen zijn benoemd. Er geldt geen vergunningplicht wanneer: •
•
Schadelijke handelingen uitgevoerd worden ten behoeve van instandhoudings- en passende maatregelen in het kader van het bereiken van Natura-2000 doelstellingen (zie art. 11.37, lid 2 onder b, art. 11.46, lid 2 onder b en art. 11.54 lid 2 onder c Bal); Flora- en fauna-activiteiten aangewezen zijn in een programma (bijvoorbeeld in een Natura 2000-beheerplan);
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
15/19
SWECO
7
Flora- en fauna-activiteiten zijn aangewezen in een omgevingsverordening (bijvoorbeeld door de provincie vrijgestelde soorten en handelingen); Flora- en fauna-activiteiten zijn aangewezen in een ministeriële regeling (bijvoorbeeld door de Minister van LVVN vrijgestelde soorten en handelingen); Flora- en fauna-activiteiten aantoonbaar worden uitgevoerd conform een per ministeriële regeling aangewezen gedragscode. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld of voor voorgenomen schadelijke handelingen geldt een vergunningplicht. Een omgevingsvergunning kan enkel worden verleend als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan (art. 8.74I Bkl): • De activiteit nodig is vanwege bepaalde belangen.
• •
Geen andere bevredigende oplossing mogelijk is. De activiteit niet nadelig is voor de gunstige staat van instandhouding van populaties.
•
Verder geldt in geval van populatiebeheer een aanvullende beoordelingsregel.
Voor vogels gelden zwaardere belangen dan voor soorten van Habitatrichtlijn of verdragen, en voor andere soorten. Voor andere soorten wordt ook vergunning verleend voor activiteiten in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud en voor een zelf nader te specificeren ‘Algemeen belang’.
Specifieke zorgplicht Voor alle flora- en fauna-activiteiten is een specifieke zorgplicht opgenomen (art. 11.27 Bal). Deze houdt in dat iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, nadelige gevolgen zo veel als mogelijk dient te voorkomen, beperken of ongedaan te maken (art. 11.27, 1 e lid Bal). Om te voldoen aan de specifieke zorgplicht dient eenieder onderzoek te doen naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn (art. 11.27, 2e lid Bal). Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende:
•
Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in art. 4, 2e lid Vrl.
• •
Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl. Nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal).
•
Dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten.
Rode lijst soorten De rode lijsten hebben geen juridische status. Rode lijst-soorten vallen derhalve niet automatisch onder specifieke beschermingsregels. Voor rode lijst-soorten van nationaal belang, zoals vermeld in Bijlage IX van het Bal, gelden wel specifieke beschermings regels. Soms kan het verrichten van activiteiten nadelig zijn voor een rode lijstsoort. De activiteit is dan een flora- en fauna-activiteit waarvoor de specifieke zorgplicht geldt.
Natuurnetwerk Nederland De juridische basis voor het NNN ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro); in de Ow is dit opgenomen in het Bkl art. 7.7. De verantwoordelijkheden voor het NNN veranderen niet: voor NNN op het land zijn provincies verantwoordelijk, voor NNN grote wateren is het Rijk verantwoordelijk. De bescherming van het NNN vindt plaats via het omgevingsplan. In een omgevingsverordening staan regels hierover met betrekking tot omgevingsplannen, omgevingsvergunningen vooreen afwijkactiviteit en projectbesluiten van gedeputeerde staten of van een waterschap die het belang dienen van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. In het Bkl staan instructieregels waar bestuursorganen aan moeten voldoen bij het vaststellen van onder andere de omgevingsverordeningen. In deze verordeningen
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
16/19
SWECO
7
worden NNN-gebieden aangewezen met hun wezenlijke kenmerken en waarden en beschermingsregime. Het Bkl schrijft verder voor dat de provinciale regels niet alleen zijn gericht op bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, maar ook op verbetering van die waarden. In het Bkl is geen afwegingskader voorgeschreven voor beoordeling van nieuwe activiteiten die schade kunnen toebrengen aan NNN-gebieden. Kwaliteit en de oppervlakte van het NNN mogen in de betreffende provincie niet achteruit gaan en aan de samenhang tussen de gebieden (inclusief de samenhang met gebieden in aangrenzende provincies) mag geen afbreuk worden gedaan. Het is aan de provincie te bepalen welke regels passend zijn om aan deze resultaatsverplichting te voldoen. Mogelijk vertaalt zich dit in meer gedetailleerde voorschriften t.a.v. NNN in omgevingsverordeningen. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Het NNB hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland (NNN) en met het Europese net van natuurgebieden (Natura 2000). Het NNB wordt beschermd krachtens art.
5.30, lid 1, onderdeel a en b van de Omgevingsverordening Noord-Brabant, welke stelt dat een omgevingsplan van toepassing op het NNB a) strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en daarbij b) regels bevat gericht op de bescherming van deze ecologische waarden en kenmerken en ook rekening houdt met andere aanwezige waarden en kenmerken
Bij de bepaling van de effecten van de voorgenomen ingreep op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB zijn drie onderdelen van belang, te weten; •
Er mag geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvinden. Wezenlijke kenmerken en waarden zijn, onder andere: • bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; • •
• •
de aanwezigheid van bijzondere soorten; robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNB;
• de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Er mag geen significante vermindering van de oppervlakte van het NNN plaatsvinden.
De voorgenomen ontwikkeling mag niet leiden tot een significant verminderde samenhang van het NNN.
Mocht uit de effectenanalyse blijken dat de voorgenomen ontwikkeling blijvende negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB teweegbrengt, zal bepaald moeten worden of de ontwikkeling alsnog plaats kan vinden krachtens art. 5.32 van de Omgevingsverordening. Deze laat middels afwijkende regels ontwikkelingen in het NNB alsnog toe, als is voldaan aan de voorwaarden gesteld voor: • Nieuwe ontwikkelingen in het Natuur Netwerk Brabant, overeenkomstig art. 5.33. • •
Het ‘Nee, tenzij’-principe, overeenkomstig art. 5.34. De saldo-benadering, overeenkomstig art. 5.35.
•
Een kleinschalige uitbreiding met beperkte gevolgen, overeenkomstig art. 5.36.
Ecologische verbindinqszones
De ecologische verbindingszones (EVZ’s) vormen een essentiële bouwsteen van het Natuurnetwerk Brabant. Deze gaan versnippering van de Brabantse natuur tegen, doordat zij natuurgebieden verbinden waarbij zij ervoor zorgen dat flora en fauna niet geïsoleerd raken en tevens functioneren als trekroutes en/of als (tijdelijk) leef- en voortplantingsgebied.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
17/19
SWECO
7
Een omgevingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone strekt tot verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van ten minste 50 m in ‘Stedelijk Gebied’ en in ‘Landelijk gebied waar een stedelijke ontwikkeling is voorzien’ en ten minste 25 m in alle overige gebieden (art. 5.40 van de Omgevingsverordening). Daarnaast stelt deze regels om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone. Zo kan de oprichting van bebouwing en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten worden beperkt. Art. 5.30 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de bescherming van een gerealiseerde ecologische verbindingszone. Groenblauwe waarden
Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden. De groenblauwe waarden zijn gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Binnen de groenblauwe waarden is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, met een meer extensief karakter en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe waarden zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. De versterking van de binnen de groenblauwe waarden aanwezige leefgebieden voor plant- en diersoorten vraagt daarbij specifieke aandacht. De Groenblauwe waarden worden beschermd krachtens art.
5.46 van de Omgevingsverordening, welke stelt dat een omgevingsplan van toepassing op de Groenblauwe waarden a) strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken, b, c) beschrijving en regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied stelt en d) borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Attentiezone waterhuishouding
Een omgevingsplan ter plaatse van Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Hierin worden in art. 5.41 lid 2 regels gesteld over het verzetten van grond, aanleg van drainage, verlagen van de grondwaterstand en het aanbrengen van verharde oppervlakten. Behoud en herstel van watersystemen
Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Hierin worden in art. 5.42 lid 2 regels gesteld die het oprichten van bebouwing, het aanbrengen van verharde oppervlakten en het ophogen van gronden beperken.
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
18/19
SWECO
Bijlage 2
7
Instandhoudingsdoelstellingen
Hieronder volgt een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 6.2:
Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen voor het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen.
Habitatcode
Habitattype
Status doel
H2310 H2330 H3110 H3130 H3160 H4010A H4030 H6410 H7110B H7150 H7210 H9120 H9190 H91D0 H91E0C
Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zeer zwakgebufferde vennen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen (heideveentjes) Pioniervegetaties met snavelbiezen Galigaanmoerassen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Hoogveenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
Oppervlakte1
Kwaliteit1
= (<)
1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >, achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan: = (<), oppervlak staat op uitbreiding, maar mag achteruit gaan ten gunste van ander habitattype: > (<).
Tabel 6.3:
Instandhoudingsdoelstellingen habitatrichtlijnsoorten voor het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen.
Soortcode
Soort
Status doel
H1831 H1082 H1042 H1166 H1149 H1163
Drijvende waterweegbree Gestreepte waterroofkever Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper Rivierdonderpad
definitief definitief definitief definitief definitief definitief
Populatie
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander leefgebied toegestaan: = (<).
Tabel 6.4:
Instandhoudingsdoelstellingen broedvogels voor het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen.
Soortcode
Soort
Status doel
A004 A276
Dodaars Roodborsttapuit
definitief definitief
Aantal broedparen
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
30 35
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten
gunste van ander leefgebied toegestaan: = (<).
Tabel 6.5:
Instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels voor het Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen.
Soortcode
Soort
Status doel
A701
Taigarietgans
definitief
Populatie
Instandhoudingsdoelstelling
100
Slaap- en rustplaats
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >, vestigend: +, achteruitgang ten gunste van ander leefgebied toegestaan: = (<).
Documentreferentie Notitie bureauonderzoek ecologie ontsluiting Moergestel
19/19