Bijlage 2 Was-wordt-lijst
Tekst van het document
Was-wordt-tabel Wijziging Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021 De gewijzigde of verwijderde tekst in de ‘bestaande tekst’ en de gewijzigde of toegevoegde tekst in de ‘nieuwe tekst’ zijn groen gemaakt. Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
- college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen (rolstoelen);
Nieuwe tekst - burgemeester: de burgemeester van de gemeente Oisterwijk; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
Artikel 1:2, vierde lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
4. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
4. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 1:4, derde lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 1:5, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 1:6, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. 1
Artikel 2:10, tweede, vierde en vijfde lid, worden als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving en de verkeersveiligheid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, reclameborden en bouwobjecten. 4. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit gebruik ziet op het in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente opslaan van roerende zaken of voor het als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen.
2. Het college kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving en de verkeersveiligheid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, reclameborden en bouwobjecten. 4. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit gebruik ziet op het in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente opslaan van roerende zaken of op het in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toestaan of gedogen dat daar roerende zaken worden opgeslagen. 5. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor bouwobjecten onder voorwaarde dat: a. deze niet langer dan 29 dagen worden geplaatst; b. het gezamenlijk oppervlak niet groter is dan 20m² en c. in de drie maanden voorafgaand aan de melding niet eerder gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om omgevingsvergunningsvrij bouwobjecten te plaatsen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden op een bepaald terrein en d. de plaatsing voldoet aan de nadere regels die het college heeft gesteld ten aanzien van bouwobjecten op grond van het tweede lid.
De melding dient ten minste twee weken voor de plaatsing te worden ingediend bij het college door middel van een door het college vastgesteld formulier. Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.
5. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor bouwobjecten onder voorwaarde dat: a. deze niet langer dan 29 dagen worden geplaatst; b. het gezamenlijk oppervlak niet groter is dan 20m² en c. in de drie maanden voorafgaand aan de melding niet eerder gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om omgevingsvergunningsvrij bouwobjecten te plaatsen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden op een bepaald terrein en d. de plaatsing voldoet aan de nadere regels die het college heeft gesteld ten aanzien van bouwobjecten op grond van het tweede lid. De melding dient ten minste twee weken voor de plaatsing te worden ingediend bij het bevoegd gezag door middel van een door dit gezag vastgesteld formulier. Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad.
Artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, en het vierde lid, worden als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. De vergunning wordt verleend:
2. De vergunning wordt verleend:
2
a. als omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan; of 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Oisterwijk incl. toelichting 2009, en eventuele opvolgers hiervan.
a. als omgevingsvergunning op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan; of 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de AVOI gemeente Oisterwijk 2009, met dien verstande dat indien deze verordening wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
Artikel 2:23, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht..
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 2:24, derde lid, sub c, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
c. geen muziek ten gehore wordt gebracht op maandag tot en met donderdag voor 09.00 uur en na 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag voor 09.00 en na 01.00 uur en op zondag voor 13.00 uur en na 23.00 uur en de maximaal toelaatbare gevelbelasting op het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw niet meer dan bedraagt: 75 dB(A) en 85 dB(C) tussen 10.00 en 19.00 uur; 70 dB(A) en 80 dB(C) tussen 19.00 en 23.00 uur; 65 dB(A) en 75 dB(C) tussen 23.00 en 01.00 uur.
c. geen muziek ten gehore wordt gebracht op maandag tot en met donderdag voor 09.00 uur en na 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag voor 09.00 en na 01.00 uur en op zondag voor 13.00 uur en na 23.00 uur en de maximaal toelaatbare gevelbelasting op het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw niet meer bedraagt dan: 70 dB(A) en 83 dB(C) tussen 9.00 en 19.00 uur; 70 dB(A) en 80 dB(C) tussen 19.00 en 23.00 uur en 65 dB(A) en 75 dB(C) tussen 23.00 en 01.00 uur.
Toelichting wijziging: Geluid bij een meldingsplichtig klein evenement is aangepast in die zin dat de maximaal toelaatbare gevelbelasting op het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw verlaagd is voor de dagperiode. Het geluid in deze periode was voor een meldingsplichtig klein evenement namelijk ruimer dan voor een vergunningplichtig evenement. Dit wordt nu door de wijziging “gelijk getrokken”.
3
Artikel 2:26, derde en vierde lid, komen te vervallen. Oude tekst
Nieuwe tekst
3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 4. Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting wijziging: Deze leden zijn uit de APV geschrapt naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946. Artikel 2:34 wordt verplaatst naar afdeling 15 (Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester) van hoofdstuk 2 en met een gewijzigde redactie vernummerd naar artikel 2:81. Artikel 2:81 komt als volgt te luiden: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. Exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. Beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die de algemene of onmiddellijke leiding hebben over de bedrijfsmatige activiteiten; c. Bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit, de activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die plaatsvindt in een voor publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebieden, gebouwen, bij die gebouwen behorende erven en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of dreigt te
2. De burgemeester kan gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer
4
bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.
4. De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid in afwijking van artikel 1:8 weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; f. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de aanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd
komen staan. Een gebouw en/of een bij dat gebouw behorend erf wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of dreigt te komen staan. Een aanwijzing van een gebied, gebouw of een bij dat gebouw behorend erf kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat of dreigt te komen staan. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebied, gebouw en/of een bij dat gebouw behorend erf voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten, of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. De burgemeester stelt een formulier vast voor het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid in afwijking van artikel 1:8 weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; d. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan; f. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van
5
of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 6. De burgemeester kan de sluiting van het bedrijf bevelen indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt uitgeoefend.
de aanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd, of; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd, of; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is. 7. De burgemeester kan onverminderd het bepaalde in artikel 2:80 een besluit nemen tot de sluiting van het gebouw of erf waar een bedrijf wordt uitgeoefend indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid of in strijd met de vergunning van deze bepaling wordt uitgeoefend of als één van de situaties bedoeld in het zesde lid onder a
6
7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid bij de burgemeester in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, indien een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot
tot en met i, van toepassing is. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het gebouw of erf waarop zijn besluit ziet. 8. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zevende lid van deze bepaling gesloten gebouw of erf waar een bedrijf wordt uitgeoefend te betreden of daarin/daarop te verblijven. 9. De sluiting als bedoeld in het zevende lid kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 10. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, dient de exploitant onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning als bedoeld in het derde lid bij de burgemeester in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de eerder verleende vergunning intrekken. Een vergunning als bedoeld in het derde lid vervalt, indien een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden. 11.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in het bedrijf aanwezig is. 12. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem
7
weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 12. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing
aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 13. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Aan artikel 2:34a wordt tussen ‘slijtersbedrijf’ en ‘zwak-alcoholhoudende drank’ ‘slijtlokaliteit’ toegevoegd. Het artikel komt te luiden: Oude tekst
Nieuwe tekst
In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
In deze afdeling wordt verstaan onder: - alcoholhoudende drank; - horecabedrijf; - horecalokaliteit; - inrichting; - paracommerciële rechtspersoon; - sterke drank; - slijtersbedrijf; - slijtlokaliteit; - zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34e wordt nieuw toegevoegd, en komt te luiden: Nieuwe tekst Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld. Toelichting wijziging: In de Alcoholwet is opgenomen dat het voor slijters verboden is in hun slijterij een proeverij te organiseren, tenzij daarvoor bij verordening vrijstelling wordt verleend. De voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 6.1 van het Alcoholbesluit. Artikel 2:50a, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in
8
openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Toelichting wijziging: Het colorverbod zoals opgenomen in artikel 2:50a van de APV is geschrapt naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1946. Hiervoor in de plaats zijn in dit artikel regels opgenomen over messen en andere voorwerpen als steekwapen. Het doel van deze nieuwe regels is bescherming te bieden tegen mogelijke aantasting van de openbare orde en veiligheid. Na artikel 2:53 wordt een nieuw artikel 2:54 ingevoegd. Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:54 (Vervallen)
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden. b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;
9
d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 van deze verordening zijn aangewezen. Toelichting wijziging: Het verbod heeft als doel het voorkomen en tegengaan van hinder en overlast, brandgevaar, verontreiniging van de openbare ruimte en risico's voor de volksgezondheid. Het slapen op openbare plaatsen draagt bij aan de verloedering van de stad. Ook het ontbreken van sanitaire voorzieningen ter plekke draagt daaraan bij. Artikel 2:60, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
1. Het is verboden op door het college, ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.
1. Het is verboden op door het college, ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven.
Artikel 2:65 wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.
Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1. van het hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Artikel 2:74b komt te vervallen. Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74b Lachgas
Artikel 2:74b 10
1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
(Vervallen)
Toelichting wijziging: Lachgas is per 01 januari 2023 toegevoegd aan lijst II van de Opiumwet. Dit heeft als gevolg dat artikel 2:74b uit de APV op grond van artikel 122 van de Gemeentewet van rechtswege is komen te vervallen. Door de toevoeging van lachgas aan lijst II, heeft de burgemeester wel op basis van artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid gekregen om bij het aantreffen van lachgas met bestuursdwang op te treden. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een
11
orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegevens als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid van dit artikel opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid van dit artikel opgelegd verbod. 5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid van dit artikel.
Toelichting wijziging: Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Afhankelijk van hoe de bepaling wordt ingevuld, kan de gebiedsontzegging bijvoorbeeld worden toegepast bij overlast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik, samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging etc. De bepaling is inhoudelijk gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn: - Vervanging van het ‘bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden’ door ‘het opleggen van een tijdelijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn’. Juridisch gezien is een gebiedsontzegging namelijk niet een bevel waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht), maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waarvan het niet nakomen een overtreding is. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. - Samenvoeging van het huidige tweede en derde lid. - Toevoeging van een voorrangsbepaling als de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
12
Na artikel 2:79 wordt een nieuw artikel 2:80 ingevoegd: Oude tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, tweede lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Toelichting wijziging: Dit nieuwe artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt. Artikel 4:10, aanhef en onder o, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
o. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 lid 1 aanhef en onder a van de Omgevingswet.
o. vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet.
13
Artikel 4:11a wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:11a Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:11a Vergunning voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:13, eerst lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. e. afvalstoffen.
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. e. afvalstoffen.
Artikel 5:5, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:10 komt te vervallen. Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan
Artikel 5:10 (Vervallen)
14
1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Toelichting wijziging: Artikel 5:10 over het verbod om te parkeren anders dan op de rijbaan (‘bermparkeren’) vervalt. Zowel het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) als het ministerie van Verkeer en Waterstaat vinden dat de bepaling in strijd is met hogere regelgeving, namelijk artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. In verband hiermee is feitelijke handhaving/strafbaarstelling onmogelijk en is de bepaling een dode letter en kan deze dus vervallen. Artikel 5:12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Artikel 5:15, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2. Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag voor zonsopgang en na zonsondergang.
Artikel 5:15 Ventverbod 1. Het is verboden te venten op a. door het college in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen; b. door het college in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen dagen en tijdstippen; c. zondag en maandag tot en met zaterdag voor zonsopgang en na zonsondergang. 2. Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3. Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
15
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.
4. Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Het verbod zoals bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.
Toelichting wijziging: Bij de deregulering van 2007 is de ventvergunning geschrapt en vervangen door een algemene regel waarbij het slechts verboden was om bij het venten de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu te verstoren. Ervaringen uit de praktijk leren echter dat dit een moeilijk te hanteren norm is. Daarom is het artikel weer aangepast en is de mogelijkheid opgenomen om een ventverbod in te stellen in aangewezen gebieden en op aangewezen dagen en tijden. Het aanwijzen van gebieden, dagen en tijden schept duidelijkheid: op die plaatsen en momenten mag niet gevent worden, daarbuiten wel. Op aanvraag kan ontheffing worden verleend van het ventverbod. Op zondag en maandag tot en met zaterdag voor zonsopgang en na zonsondergang is venten sowieso verboden. Artikel 5:24, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd: Oude tekst
Nieuwe tekst
5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Verordening water Noord-Brabant, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Oisterwijk incl. toelichting 2009, en eventuele opvolgers daarvan.
5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
De toelichting bij de APV, voor zover betrekking hebbend op de hiervoor genoemde afzonderlijke wijzigingen, wordt overigens ook aangepast.
16