Bijlage 2. Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes.doc
Tekst van het document
Het waterschap heeft geen inspanningsverplichting om de bebouwing te beschermen tijdens die hoogwatersituatie. In paragraaf 4.10 is een kaart opgenomen met de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstanden. Ten aanzien van bebouwing is het ook van belang om naar de gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG) te kijken. Deze zijn voor een deel van het plangebied volgens dezelfde bron 20-40cm-mv (andere data laat drogere omstandigheden zien). Meestal wordt voor bebouwing gestreefd naar een GHG van 70cm-mv. Ook hier geldt daarom dat bij uitbouw of eventuele herbouw rekening moet worden gehouden met mogelijk hoge grondwaterstanden. Door het toepassen van een voldoende hoog bouwpeil en waterdichte ondergrondse constructies kan grondwateroverlast worden voorkomen. Beantwoording: Naar aanleiding van de zienswijze van het waterschap is in de onderbouwing meer aandacht besteed aan de ligging van De Noenes grenzend aan het Helvoirts Broek en de impact op grondwaterstanden. Ook is een kaart met de GHG opgenomen in de onderbouwing. Daar komt bij dat in het landschapsplan juist rekening is gehouden met de ligging van het plangebied grenzend aan het Helvoirts Broek en hoge grondwaterstanden. Daarom worden in het overgangsgebied richting het Helvoirts Broek conform het landschapsplan juist retentie-/moeraszones voorgesteld.
Dit om ervoor te zorgen dat regenwater kan worden opgevangen en niet rechtstreeks in het Helvoirts Broek terecht komt. Een en ander heeft tevens een positief effect op eventuele wateroverlast. Verder dient opgemerkt te worden dat het gehele plangebied is voorzien van de aanduiding ‘overige zone – waterhuishouding’. Dit vanwege de ligging nabij het Natuur Netwerk Brabant. Binnen deze aanduiding is het onder meer verboden om zonder omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen. Deze
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
23
omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien de verwachten gevolgen geen onevenredige schade aanrichten aan de waterhuishouding en hydrologische instandhoudingsdoelstellingen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Hiermee is geborgd dat bij een bouwplan aandacht wordt besteed aan onder meer waterhuishouding. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 4. Het regionale waterbergingsgebied uit de Provinciale Omgevingsverordening is ter hoogte van Broeksteeg 5 niet op de verbeelding opgenomen. Wij verzoeken u deze toe te voegen. Dit draagt bij aan de bewustwording van het mogelijk kunnen overstromen van dit deel van het perceel en zorgt voor behoud van het waterbergend vermogen. Beantwoording: Het regionale waterbergingsgebied uit de provinciale Omgevingsverordening is naar aanleiding van de zienswijze tevens ter hoogte van de Broeksteeg 5 opgenomen. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 5. In de landschapsvisie is een aantal mooie maatregelen opgenomen om het totale gebied te verbeteren. Ten aanzien van de moeraszone wil ik wel opmerken dat als deze als retentie gebruikt gaan worden, deze boven de gemiddelde grondwaterstand (GHG) moet worden aangelegd. De voorgestelde maximale diepte van 50cm is dan mogelijk te diep. Beantwoording: Voor kennisgeving aangenomen.
Hier zal bij een verdere uitwerking rekening mee gehouden worden. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan.
2.12 Provincie Noord-Brabant 1. Permanente bewoning van recreatieparken is in strijd met de Omgevingsverordening. Om de gewenste transformatie te realiseren kan op basis van een gedegen ontwikkelrichting een verzoek bij de provincie worden ingediend om de begrenzing van het plangebied te wijzigen in ‘bebouwd gebied’(artikel 5.57 OV). Dit verzoek is nog niet gedaan. Wij beschouwen de indiening van dit conceptplan als een dergelijk verzoek. We wijzen er verder op dat het verzoek tot wijziging van de aanduiding van het plangebied in “Bebouwd gebied” meegenomen kan worden in de ‘winterronde’, waarvan vaststelling rond februari/ maart 2026 plaatsvindt.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
24
Beantwoording: Naar aanleiding van de zienswijze van de provincie is een verzoek ingediend om de begrenzing van het plangebied van onderhavig TAM-Omgevingsplan te wijzigen in ‘bebouwd gebied’. De herbegrenzing wordt meegenomen in de eerstvolgende aanpassingsronde in december 2025 met vaststelling in het eerste of tweede kwartaal van 2026. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 2. De vereiste kwaliteitsverbetering die noodzakelijk is voor het plan is niet goed geborgd. Een voorwaardelijke verplichting voor de realisering van het Landschapsplan ontbreekt in de planregels. Dit geldt ook voor de maatregelen welke door het waterschap zullen worden uitgevoerd. Evenmin zijn regels opgenomen voor het tijdpad waarbinnen het Landschapsplan en de maatregelen van het waterschap moeten zijn uitgevoerd, de instandhouding en de monitoring. Beantwoording: Naar aanleiding van de zienswijze van de provincie heeft afstemming met de provincie plaatsgevonden en is een aanvullende voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Deze voorwaardelijke schrijft voor dat het gebruik van woningen voor permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding 'Wonen' is slechts toegestaan als de in bijlage 1 opgenomen landschappelijke maatregelen of soortgelijke landschappelijke maatregelen binnen tien jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-Omgevingsplan worden uitgevoerd en in stand worden gehouden. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 3. Bovendien is het Landschapsplan nog onvoldoende geconcretiseerd. Er is nu slechts nog sprake van een Landschapsvisie. Bij deze concretiseringsslag zien wij graag nog een nadere uitwerking van de te investeren kostenposten. Een kostenpost voor de afrastering van het natuurgebied, is niet aanvaardbaar. Beantwoording: Het standpunt dat het landschapsplan onvoldoende concreet zou zijn waardoor enkel sprake zou zijn van een landschapsvisie, kan nadrukkelijk niet worden gevolgd. De inhoud van het landschapsplan is vergelijkbaar met inpassingsplannen die bij andere ruimtelijke procedures zijn opgesteld en zijn goedgekeurd. In het landschapsplan zijn concrete maatregelen ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap opgenomen.
Het gaat hierbij onder meer om de aanleg en onderhoud van nieuwe (laan)bomen, aanleg en onderhoud van nieuwe houtwallen, aanleg en beheer van poelen/wadi’s/retentiemoeraszones, de aanleg van recreatieve voorzieningen, de aankoop van een tweetal t.b.v. omvorming van het agrarische gebruik naar natuur inclusief aanleg en beheer en het verwijderen van exoten en inzaaien met bloemenmengsel in bermen. De beoogde landschappelijke maatregelen zijn vervolgens gespecifieerd. Denk hierbij aan aantal stuks, soorten, maatvoering, etc. Vervolgens zijn de beoogde landschappelijke maatregelen tevens uitgewerkt zodat sprake is van te investeren kostenposten. Het standpunt van de
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
25
provincie dat het landschapsplan geconcretiseerd moet worden, waarbij tevens een nadere uitwerking moet plaatsvinden van de te investeren kostenposten kan dan ook nadrukkelijk niet worden gevolgd. Voor een complete nadere uitwerking wordt verwezen naar het landschapsplan die zowel als bijlage aan de onderbouwing als bij de regels is opgenomen. Verder dient met betrekking tot de beoogde afrastering opgemerkt te worden dat een en ander op verzoek van het Brabants Landschap is opgenomen om natuurwaarden ter plaatse te beschermen en ongewenste betreding en verstoring te voorkomen. De voorgestelde afrastering maakt hierbij onderdeel uit van de beoogde recreatieve voorzieningen. In de beleidsregel omgevingsrecht van de provincie Noord-Brabant is expliciet opgenomen dat extensieve recreatieve voorzieningen bij de fysieke tegenprestatie voor omgevingskwaliteit mag worden betrokken. Daarnaast zijn ook in de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant maatregelen voor rasters en recreatieve voorzieningen opgenomen. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 4. De na te streven landschapselementen uit de Visie zijn niet opgenomen in het plangebied, althans niet opgenomen op de Verbeelding en daarmee niet planologisch beschermd.
Bovendien is een deel van de toe te voegen maatregelen gelegen buiten het plangebied en is niet duidelijk, in hoeverre de onderliggende vigerende bestemmingen voldoende planologische bescherming bieden, ook met het oog op de hierin opgenomen omgevingsvergunningstelsels voor werkzaamheden. Wij vragen hier nader inzicht in te geven. Beantwoording: Met een voorwaardelijke verplichting is ten eerste geborgd dat de landschapselementen conform het landschapsplan worden gerealiseerd en duurzaam in stand worden gehouden. Ten tweede zijn de gronden waar wordt voorzien in noemenswaardige landschapselementen, waaronder houtwallen, poelen/wadi’s/retentie-moeraszones, conform het landschapsplan nagenoeg volledig reeds voorzien van een natuurfunctie. Het gaat hierbij zowel om de gronden die binnen het plangebied van het TAM-Omgevingsplan vallen als daarbuiten. Hiermee is de aanleg en instandhouding van de in het landschapsplan op te nemen landschapselementen voldoende geborgd. Ter plaatse van de gronden die worden aangekocht en worden omgezet naar natuur wordt de huidige agrarische functie bovendien omgezet naar een natuurfunctie. Ook worden de gronden die in particulier eigendom blijven, maar waar wel landschappelijke maatregelen plaatsvinden, omgezet naar een natuurfunctie.
Voor zover de landschapselementen niet zijn beoogd ter plaatse van gronden met een natuurfunctie en bijvoorbeeld buiten het plangebied zijn gelegen, zijn deze beoogd binnen gronden die zijn voorzien van de functie “Agrarisch met waarden – Landschaps- en Natuurwaarden 2”. De onderhavige gronden zijn hierbij tevens voorzien van diverse functieaanduidingen, waaronder ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – natuurontwikkelingsgebied’ en ‘specifieke vorm van agrarische met waarden – kwetsbare soorten’. Op grond hiervan zijn de onderhavige gronden tevens bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschaps- en natuurwaarden. Hierbinnen is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning diverse werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren. Het gaat hierbij onder meer om het verzetten van grond,
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
26
bodemingrepen, het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander houtgewas, alsook de aanleg daarvan. Hiermee is geborgd dat de landschapselementen conform het landschapsplan duurzaam in stand worden gehouden. Daar komt bij dat niet alle landschappelijke maatregelen komen te landen binnen het landschapsplan. Voor een gedeelte van het bedrag is een samenwerkingsovereenkomst met het waterschap aangegaan ten behoeve van herinrichting van de Ruijsbossche Waterloop. Het resterende deel zal gestort worden in de algehele voorziening kwaliteitsverbetering van het landschap en zal worden ingezet voor landschapsprojecten in het kader van de groenblauwe dooradering die voortvloeien uit het Koersdocument Oostflank en de GGA’s Kampina en Oisterwijkse vennen en Loonse en Drunense duinen. Gelet hierop is op dit moment voor een gedeelte van de benodigde kwaliteitsverbetering van het landschap nog niet bekend waar deze maatregelen komen te landen. Nu deze later worden uitgewerkt en geen onderdeel uitmaken van het plangebied van De Noenes, bestaat geen mogelijkheid om deze mee te nemen als een natuurfunctie in onderhavig TAM-Omgevingsplan. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 5. Bovendien vragen wij nader inzicht in de uitvoerbaarheid van het Landschapsplan.
Niet duidelijk is wie eigenaar is van de gronden waar de landschapsverbeterende maatregelen worden gerealiseerd en hoe het beheer en de instandhouding hiervan planologisch is geborgd. Zoals eerder aangegeven, is dit niet geregeld in voorliggend plan. Ook missen wij dit zelfde inzicht voor de investering van het resterende bedrag, namelijk in de herinrichting van het beekdal van de Ruijsbossche waterloop. In de toelichting (blz. 38) is aangegeven dat er momenteel nog gesprekken plaatsvinden met grondeigenaren. Voor zover niet haalbaar worden gelden in een groenfonds gestort en wordt het onder meer ingezet voor groenblauwe dooradering zo veel mogelijk in de omgeving van de Noenes. Uitgangspunt is en blijft dat de vereiste kwaliteitsverbeterende maatregelen binnen 5 jaar dienen te zijn gerealiseerd. Wij verzoeken u de monitoring en sturing hierop adequaat vorm te geven. Beantwoording: De landschappelijke maatregelen conform het landschapsplan zijn in hoofdzaak aan de orde op gronden van Brabants Landschap. Brabants Landschap zal het beheer op zich nemen. Verder wordt een tweetal percelen aangekocht in het kader van het landschapsplan en de realisatie van landschappelijke maatregelen aldaar. Brabants Landschap zal ook hiervan het beheer op zich nemen.
Wanneer het TAM-Omgevingsplan onherroepelijk in werking is getreden zal de uitvoering, monitoring en sturing verder worden vormgegeven. Hierbij zal tevens rekening mee gehouden worden met de verplichting dat de vereiste kwaliteitsverbeterende landschappelijke maatregelen binnen 10 jaar dienen te zijn gerealiseerd conform de voorwaardelijke verplichting die is afgestemd met de provincie. Met betrekking tot de beoogde herinrichting van het beekdal van de Ruijsbossche waterloop dient opgemerkt te worden dat conform een met het waterschap afgesloten samenwerkingsovereenkomst hiervoor een bedrag van € 300.000,00 is gereserveerd.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
27
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het ontwerp voor de beoogde herinrichting van het beekdal van de Ruijsbossche waterloop. Hierbij wordt uitgegaan van de realisatie van een drietal stapstenen in het beekdal van de Ruijsbossche waterloop, waarbij bij elke stapsteen landschappelijke maatregelen zijn beoogd. In het onderstaande is een globale beschrijving per stapsteen opgenomen: Stapsteen 1 (ter plaatse van het perceel kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie E, nummer 6050): - Ontgraving en realisatie van twee poelen; - Aanplant van struweel (Gelderse roos, grauwe wilg, hazelaar en eenstijlige meidoorn; - Aanplant van boswilg; - Het inzaaien van bloemrijk grasland. Stapsteen 2 (ter plaatse van deel waterloop ter hoogte van Helvoirtseweg 7 tot Roonsestraat): - Ontgraving waterloop en realisatie poel; - Aanplant van struweel (Gelderse roos, grauwe wilg, hazelaar en eenstijlige meidoorn; - Aanplant van boswilg; - Inzaaien van bloemrijk grasland; - Realisatie van marterhopen. Stapsteen 3 (ter plaatse van deel waterloop ter hoogte Roonsestraat tot ter hoogte van Helvoirtseweg 29a): - Ontgraving waterloop en realisatie poel; - Aanplant van struweel (Gelderse roos, grauwe wilg, hazelaar en eenstijlige meidoorn); - Aanplant van boswilg; - Inzaaien van bloemrijk grasland; - Realisatie van takkenrillen; - Realisatie van marterhopen.
De afgelopen tijd is de laatste hand gelegd aan het ontwerp, waarna het definitief ontwerp is afgerond. Hierbij wordt nog een bestek opgemaakt waar het landschapsplan onderdeel vanuit maakt. Het waterschap zal vervolgens een omgevingsvergunningaanvraag indienen bij de gemeente. Dit omdat o.a. ten behoeve van het beoogde grondverzet, aanleg poelen en de beoogde aanplant een omgevingsvergunning nodig is. Volgens planning wordt in 2026 met de uitvoering gestart. De exacte kosten zijn op dit moment nog niet bekend. Enkel ligt vast dat de gemeentelijke bijdrage ten behoeve van de herinrichting van het beekdal van de Ruijsbossche waterloop conform de afgesloten samenwerkingsovereenkomst een bedrag van € 300.000,00 omvat. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 6. De gebieden die volgens de cultuurhistorische waardenkaart als cultuurhistorisch waardevol zijn aangeduid hebben de aanduiding 15.4 Overige zone cultuurhistorisch
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
28
vlak onder artikel 15 gebiedsaanduidingen. Hierin zijn regels gesteld met het oog op, het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden en kenmerken; en de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorisch waarden en kenmerken. De aandacht voor cultuurhistorie is nog wat onderbelicht. We vragen er zorg voor te dragen dat de verbeteringsmaatregelen op de historisch correcte plaats terecht komen, zoals aangegeven op de historisch topografisch kaarten en foto's, welke leidend zijn voor de inrichting, herstel van het historisch cultuurlandschap. Beantwoording: De gronden behorende tot het plangebied die zijn gelegen binnen het cultuurhistorisch waardevol gebied het Helvoirts Broek zijn in het TAM-Omgevingsplan voorzien van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – cultuurhistorisch vlak’. Vanwege voornoemde gebiedsaanduiding zijn regels opgenomen met het oog op het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van cultuurhistorische waarden en kenmerken. Hierbij is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen alleen kan worden verleend indien de verwachten gevolgen geen onevenredige schade aanrichten aan de wezenlijke cultuurhistorische waarden en kenmerken van het betreffende gebied, zoals opgenomen in de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
Binnen dit cultuurhistorisch waardevol gebied zijn conform het landschapsplan met name houtwallen en een recreatieve en educatieve voorziening voorzien, alsook een tweetal poelen. De onderhavige gronden behoren tot het eigendom van het Brabants Landschap. Gelet op de beperkte aard en schaal van de voorgestelde landschappelijke maatregelen kan geconcludeerd worden dat hierdoor geen cultuurhistorische waarden in het geding komen. Verder is in het landschapsplan rekening gehouden met de historische context van het gebied. Zo zijn in het landschapsplan onder meer historische kaarten opgenomen die laten zien dat het Helvoirts Broek in de 19e eeuw een moerassige ruigte was en de Noenes voor een groot gedeelte was ingericht met kleine bospercelen en enkele kleine weilandjes. Met het landschapsplan wordt hier onder meer invulling aan gegeven door historische laanstructuren te versterken en te herstellen. Ook ligt binnen het aangrenzende Helvoirts Broek een natuurambitie om de historische situatie te herstellen. Door onder meer (een gedeelte van de) sloten in het agrarische beekdal dicht te gooien, zal ter plaatse een verhoging in het grondwaterpeil plaatsvinden. Aan de hand van deze verhoging van het grondwaterpeil wordt de historische situatie weer hersteld en ontstaat weer een meer moerasachtig gebied, zoals het in het verleden was.
Deze verhoging van het grondwaterpeil is bovendien ook van ecologische meerwaarde. De beoogde realisatie van houtwallen langs de randen van het Helvoirts Broek heeft een positief effect op het herstel van het Helvoirts Broek als moerasachtig gebied aangezien hierdoor onder meer verstoring wordt voorkomen. Tot slot wordt ook met de realisatie van enkele retentie-moeraszones recht gedaan aan de historische context van het gebied aangezien De Noenes en omringende gronden van oudsher een moerasachtig en nat gebied zijn. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
29
7. Onderhavig plan, gaat om het legaliseren van een bestaande situatie, waarbij de extra investeringen in het landschap in principe een positieve bijdrage kunnen hebben. De bebouwing staat er al en op voldoende grote percelen dat infiltratie van regenwater mogelijk is. Uit de stukken blijkt dat er veel aandacht is voor de ligging naast Helvoirts Broek (natte natuurparel, waterbergingsgebied), o.a. door aanleg van poelen, moeraszones etc. Er is voldoende ruimte voor waterberging. Bij toename van bebouwing moet worden gecompenseerd op eigen terrein op grond van artikel 8.11 en 8.12 van het plan. Er is voldoende aandacht voor de groene en blauwe waarden in het gebied. Wij vragen nog nader aandacht op de volgende onderdelen: - Goed overleg met Brabants Landschap (eigenaar van de naastgelegen Natte Natuurparel Helvoirts Broek) is nodig, over zowel de inrichtingsmaatregelen uit het landschapsplan (liggen de poelen, houtwallen e.d. op de goede plek), als over de (toekomstige) gewenste grondwaterstand, om zeker te weten dat de – wateroverlast voor de – bebouwing geen belemmering gaat zijn voor een hogere grondwaterstand. - Tevens vragen we opnieuw aandacht voor voldoende waarborgen in het plan dat de maatregelen zoals geschetst in het inrichtingsplan ook echt uitgevoerd gaan worden, in stand gehouden en gemonitord en gekoppeld aan een termijn.
- Afstemming met het waterschap (watertoets), ook over de eventueel hogere grondwaterstanden die nodig zijn voor het Helvoirts Broek. - Wat is de huidige grondwaterstand, en is in de toekomst nog een verhoging te verwachten bijv. door maatregelen in Helvoirts Broek (of zijn die al afgerond?). En zo ja, of dat dan gevolgen heeft voor de (permanente) bewoning? - Het advies van het Waterschap ontbreekt nog bij het plan. Beantwoording: Het plan heeft inderdaad een positief effect op de waterhuishoudkundige situatie. Zo zijn in het landschapsplan in de bufferzone (overgangsgebied richting het Helvoirts Broek) diverse maatregelen opgenomen die leiden tot een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Het gaat hierbij onder meer retentie-/moeraszones en poelen. Verder dient een eventuele toename van bebouwing dient gecompenseerd te worden op eigen terrein. Zo is onder meer een voorwaardelijke verplichting opgenomen die voorschrijft dat een omgevingsvergunning voor bouwen alleen kan worden verleend en het gebruik van nieuwe gebouwen en/of overkappingen alleen is toegestaan als voorzien wordt in voldoende waterberging. Ook is naar aanleiding van een zienswijze van het waterschap een aanvullende voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan de verplichting geldt dat hemelwater van het riool wordt gehaald.
Het voorgaande resulteert in een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Als reactie op de aandachtspunten kan opgemerkt worden dat een goede afstemming met het Brabants Landschap heeft plaatsgevonden. Dit zowel in het kader van de totstandkoming van het landschapsplan als in het kader van het gehele traject. Bovendien is ook een intentieovereenkomst aangegaan met het onder meer het Brabants Landschap waarin diverse afspraken vastliggen. Ook is het ontwerpplan voorgelegd aan het waterschap, waarna het waterschap een zienswijze heeft ingediend. Naar aanleiding van deze zienswijze worden enkele zaken aangescherpt en/of toegevoegd. De binnengekomen zienswijze gaat deels over het verhogen van de grondwaterstand en de gevolgen daarvan voor De Noenes. Tot slot wordt voor wat betreft het voldoende waarborgen dat de landschappelijke maatregelen worden aangelegd en in stand worden gehouden, verwezen naar punt 5 van de zienswijze van de provincie.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
30
Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 8. Op blz. 25 van de toelichting bij dit plan is een figuur opgenomen met Kaartbeeld herbegrenzing NNB de Noenes. Op dit kaartbeeld hebben een aantal percelen de aanduiding ‘NNB potentieel’. Op zich bestaat geen bezwaar tegen de op deze percelen gelegde natuurbestemming. Deze percelen kunnen echter niet toegevoegd kunnen worden aan het NNB, omdat deze percelen te geïsoleerd liggen van overige NNB gebieden. Voor de snippers NNB welke nu nog niet goed begrensd zijn, vanwege beperkte verschillen met de kadastrale ondergrond zullen wij deze corrigeren door een ambtshalve kaartaanpassing. Beantwoording: Het kaartbeeld herbegrenzing van het Natuur Netwerk Brabant is gewijzigd. NNB potentieel is verwijderd uit het kaartbeeld. Verder is voor kennisgeving aangenomen dat de snippers NNB die niet goed begrensd zijn, worden gecorrigeerd door een ambtshalve kaartaanpassing. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan. 9. Wij vragen nog expliciet naar artikel 16 (Afwijkende maatvoeringen) en artikel 17 en artikel 18 (Overgangsrecht bouwen en gebruik) te kijken. Juist, omdat dit plan beoogd een specifieke regeling te treffen voor dit gebied, voor het thans strijdige gebruik en bouwen zouden deze bepalingen geschrapt moeten worden.
Voor het overige wijzen we nog op : - Onder artikel 8.5 wordt gesproken over functie-aanduiding tuin, maar dat is niet zichtbaar op de Verbeelding ? - Onder artikel 8.8.4 is een regeling opgenomen over bijgebouwen bij bouwpercelen. Hoe wordt omvang van bouwperceel bepaald ? De Verbeelding geeft dit niet aan. Er is alleen sprake van functie-aanduiding wonen en functieaanduiding recreatie. - Onder artikel 8.11 en artikel 8.12 zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor een bewoners om eigen waterberging realiseren ? Wij vragen ons af of dit haalbaar, handhaafbaar en wenselijk is. Beantwoording: De opmerking dat artikel 16 (afwijkende maatvoeringen) en artikel 17 en 18 (overgangsrecht bouwen en gebruik) verwijderd zouden moeten, kan nadrukkelijk niet worden gevolgd. Immers, artikel 16 gaat alleen uit van bebouwing die rechtens aanwezig mag zijn. Hiermee wordt dus geen nieuwe bebouwing vergund die niet reeds rechtens aanwezig mag zijn. Verder dient met betrekking tot de overgangsrechtelijke bepalingen opgemerkt te worden dat tot op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet het opnemen van eerbiedigend overgangsrecht verplicht was. Standaard overgangsrecht gaat uit van het recht om bestaand legaal gebruik, ondanks een wijziging van het
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
31
planologisch regime, voort te mogen zetten en om bestaande legale bouwwerken, ondanks een wijziging van het planologisch regime, te mogen handhaven. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag het overgangsrecht nu zelf vormgegeven worden. Echter, het is hierbij wenselijk om aan te sluiten bij het eerder verplichte overgangsrecht. Dit omdat hiermee rekening wordt gehouden met het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat sprake is van een wijziging in het planologische regime die voor burgers en bedrijven onevenredig nadelig uitvalt. Door overgangsrechtelijke bepalingen op te nemen, wordt geborgd dat geen sprake is onevenredige nadelige wijziging. Zonder het opnemen van overgangsrechtelijke bepalingen zijn wij van mening dat het TAM-Omgevingsplan onvoldoende rechtszekerheid en evenredigheid biedt. Aangezien onder de Omgevingswet het overgangsrecht zelf vormgegeven kan worden, zou het ook mogelijk zijn geweest om in de plaats van standaardovergangsrecht andersoortig overgangsrecht op te nemen. Echter, dit zou betekenen dat hiervoor nieuwe regels gemaakt moeten worden waarvan de effecten momenteel nog niet compleet bekend zijn. Vandaar is gekozen om in onderhavig TAM-Omgevingsplan niet te sleutelen aan het overgangsrecht, maar de standaardovergangsrechtelijke bepalingen van toepassing te laten zijn.
Ten aanzien van de overige opmerkingen het volgende: - De functieaanduiding ‘Tuin’ is wel degelijk opgenomen op de verbeelding. Een en ander is van toepassing ter plaatse van gronden met een bosfunctie die behoren bij reguliere en bestaande woonfuncties binnen het plangebied; - De maximale omvang voor bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de oppervlakte van een bouwperceel. Conform de begripsbepaling wordt onder een bouwperceel het navolgende verstaan: ‘Een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens dit hoofdstuk een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten’. In de regel betreft dit dus gronden met een bosfunctie die behoren tot een aanduidingsvlak ‘wonen’. - De voorwaardelijke verplichtingen voor wat betreft waterberging zijn wenselijk en haalbaar. Een en ander ligt hiermee in lijn met het gemeentelijk waterbeleid. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het TAM-Omgevingsplan.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
32
3.
Ambtshalve aanpassingen
In hoofdstuk 2 is aangegeven of (en zo ja, hoe) de zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerp TAM-Omgevingsplan. In sommige gevallen is er tevens aanleiding tot aanvullende aanpassingen zonder dat daar een zienswijze aan ten grondslag ligt. Dit betreffen de zogenaamde ambtshalve wijzigingen. Het TAM-Omgevingsplan is hierbij op de onderstaande onderdelen aangepast: 1. In de toelichting wordt hoofdstuk 6 (paragraaf 6.2.2) aangevuld met de beschrijving van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-Omgevingsplan; 2. De nota zienswijzen wordt als bijlage toegevoegd aan de motivering van het TAMOmgevingsplan; 3. De regels zijn naar aanleiding van een juridische check aangescherpt. Dit zodat de regels meer aansluiten bij de systematiek van de Omgevingswet en meer in lijn liggen met de voorgestelde structuur voor het Omgevingsplan.
Nota zienswijzen TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a De Noenes
33