Bijlage 2 Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakerstraat 12
Tekst van het document
Nota zienswijzen Bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
Inhoudsopgave
Pagina 1. INLEIDING........................................................................................................................... 3 2. Zienswijzen........................................................................................................................ 4 2.1 Provincie Noord-Brabant................................................................................................... 4 3. Ambtshalve aanpassingen.................................................................................................. 8
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
2
1.
INLEIDING
Het ontwerp van het bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12 met bijbehorende stukken heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening ter inzage gelegen van 22 december 2023 tot en met 15 februari 2024. Ook is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar gemaakt via de gemeentelijke website en de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende de periode van tervisielegging is één schriftelijke zienswijze ingediend. Deze zienswijze is binnen de gestelde termijn binnengekomen en is derhalve ontvankelijk. In hoofdstuk 2 van deze nota is de reactie samengevat en beantwoord.
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
3
2.
Zienswijzen
Gedurende de periode van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan is één schriftelijke zienswijze ingediend door de onderstaande instantie:
De provincie Noord-Brabant.
Hierna is de zienswijze samengevat weergegeven en beantwoord. Dat de zienswijze is samengevat, betekent overigens niet dat deze slechts gedeeltelijk is beoordeeld. Bij de beantwoording van de zienswijze is de volledige reactie betrokken.
2.1
Provincie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant vraagt aandacht voor de volgende punten: 1. Op de verbeelding is voor de locatie aan de Molenakkerstraat 12 te zien dat naast de beoogde woonbestemming een agrarisch bouwvlak blijft liggen. Dit kan niet. Dit bouwvlak dient verwijderd te worden. Beantwoording: Met de beoogde ontwikkeling wordt onder meer de varkenshouderij aan de Molenakkerstraat 12 beëindigd en wordt de bedrijfswoning met aanhorigheden herbestemd naar wonen. De woonbestemming kent een omvang van circa 2.200 m 2. Het resterende deel van het plangebied is beoogd te herbestemmen naar reguliere agrarische gronden zonder bouwvlak. Het bouwvlak is echter abusievelijk niet verwijderd. Dit betreft een omissie en is hersteld. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 2. In artikel 4 wordt ruimte geboden voor allerlei nevenfuncties boven 100 m 2 en zelfs tot 1.000 m2 oppervlakte. Dit is niet mogelijk als er binnen de planlocatie wordt gesloopt en slechts een woning van 600 m3 en een bijgebouw van 100 m2 resteert, zoals blijkt uit de planregels. Deze regeling dient hierop aangepast te worden. Beantwoording: Naar aanleiding van de zienswijze van de provincie is tabel 4.1 waarin de toegestane nevenfuncties en de maximale oppervlakte wordt weergegeven, gewijzigd. Enkele nevenfuncties zijn verwijderd en de oppervlakte is aangepast.
Met betrekking tot de constatering van de provincie dat het bestemmingsplan slechts een woning toestaat van 600 m3 en bijgebouwen tot 100 m 2 dient opgemerkt te worden dat het bestemmingsplan een bestaande matenregeling bevat. Deze bestaande matenregeling schrijft, beknopt weergegeven, voor dat indien de bestaande maten meer bedragen dan wordt voorgeschreven in de planregels deze als ten hoogste toelaatbaar dienen te worden aangehouden. Op grond van deze bestaande matenregeling blijft binnen de planlocatie een
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
4
bijgebouw met een omvang van circa 170 m2 aanwezig. Verder is ook de bestaande matenregeling van toepassing voor de woning aangezien de huidige woning de maximale inhoutsmaat van 600 m3 overschrijdt. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 3. In de toelichting wordt onder paragraaf 2.1 aangegeven dat op het adres aan de Servennenstraat 11 sprake is van 67 stuks rundvee en 9.270 vleesvarkens. Omdat de SRV ziet op beëindiging van de varkenshouderij is niet bekend wat het met rundvee gebeurt. In de plantregels is hier niets over opgenomen aangezien ter plaatse enkel een vollegrondsteeltbedrijf is toegestaan. Het is nodig om nader te duiden wat met de rundveetak gebeurt. Beantwoording: Van het houden van dieren binnen de locatie aan de Servennenstraat 11 te Moergestel is in de beoogde situatie geen sprake. In overeenstemming met de beëindiging van het houden van varkens, zal in de beoogde situatie ter plaatse van de planlocatie ook geen rundvee worden gehouden. Binnen de planlocatie aan de Servennenstraat 11 wordt enkel een agrarisch bedrijf in de hoedanigheid van grondgebonden teelbedrijf toegestaan in combinatie met statische opslag en agrarische technische werkzaamheden. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 4.
De SRV hanteert in artikel 1 de juridisch toepasselijke begripsomschrijving wat precies wordt verstaan onder een intensieve veehouderij. Daar staat: intensieve veehouderij: een landbouwonderneming voor het houden van varkens, pluimvee, konijnen, vleeskalveren, vleesstieren, geiten of nertsen. Het beëindigen van de IVbestemming impliceert naast de varkens ook het afstoten van andere diersoorten. Het is daarom nodig dat in het bestemmingsplan wordt gedefinieerd wat het begrip intensieve veehouderij inhoudt. Beantwoording: De begripsbepaling is aangepast met het begrip intensieve veehouderij conform artikel 1 van de SRV. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 5. In de bepalingen voor de bestemmingen “Wonen – 2” en “Agrarisch” ontbreekt een gebruiksverbod dat ter plaatse geen intensieve veehouderij mag worden gehouden, dat omschakeling naar een intensieve veehouderij niet mogelijk is en dat het in gebruik nemen van bebouwing voor een intensieve veehouderij is uitgesloten. Ook is het wenselijk dat voor beide locaties een verbod voor mestbewerking wordt opgenomen. Beantwoording:
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
5
Naar aanleiding van de zienswijze is aan de bestemmingen “Wonen – 2” en “Agrarisch” onder de specifieke gebruiksregels strijdig gebruik een gebruiksverbod voor wat betreft intensieve veehouderij opgenomen. Ook is een verbod voor mestbewerking opgenomen. Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 6. De vraag kan gesteld worden of er nog sprake is van een agrarisch bedrijf of eerder van een agrarisch technisch- of verwant bedrijf of zelfs een industrieel bedrijf. Geconstateerd is dat de mestopslag er nog blijkt te staan, terwijl er sprake is van een sloopverplichting in het kader van de SRV. Naast de agrarische bestemming (grondgebonden teelt) blijven er extra toe te voegen (neven)functionaliteiten behouden. Met de beoogde bedrijfsopzet kan de vraag gesteld worden of dit niet op termijn leidt tot splitsing van het bouwperceel. De beoogde (neven)activiteiten roepen vragen op of deze activiteiten passen binnen provinciaal beleid en in hoeverre het hier gaat om mestbewerking of industriële activiteiten die niet thuishoren in het buitengebied. De volgende vragen bestaan: - Statische opslag: hoeveel wat en waar wordt opgeslagen. - Bewerken voerstromen (mengen) ondanks dat hier geen sprake zou zijn van afval missen wij een gedegen onderbouwing van het productieproces en de hoeveelheden, in-/uit emissies etc. - Mestopslag.
Er is sprake van een te gemakkelijke onderbouwing vanuit geur. In feite ontstaat er nieuwe bedrijfsactiviteit (afvalstof) "mestopslag afkomstig van derden". Worden er geen werkzaamheden mee verricht behoudens laden en lossen? Wel mengen? Straks misschien meer? Ook dit onderdeel is een industrieel bedrijfsproces waarvoor strenge milieueisen ten aanzien van geur gelden (potdicht principe) en ook hier ontbreekt een procesonderbouwing (hoeveel/tonjr. in-/uit.). Verzocht wordt om nader te onderbouwen aan de hand van het inzicht waar initiatiefnemer zijn hoofdbron van inkomsten vandaan haalt, in hoeverre deze planologisch en milieuhygiënisch inpasbaar zijn en in hoeverre deze bedrijfsactiviteiten passen in het landelijke gebied. Beantwoording: 18 april jl. heeft een overleg plaatsgevonden met de provincie Noord-Brabant en is onder meer dit onderdeel van de zienswijze doorgesproken. Tijdens dit overleg is een nadere toelichting gegeven van de agrarisch technische werkzaamheden die zowel in de huidige als de beoogde situatie plaatsvinden. Het gaat hierbij om het transporteren van mest en het opwaarderen van restproducten. Echter, waar deze werkzaamheden voorheen ten behoeve van de eigen veehouderij plaatsvonden, worden deze in de beoogde situatie voor andere veehouderijen uitgevoerd.
Ook is aangegeven dat de vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie die als bijlage aan de toelichting is opgenomen een uitvoerige beschrijving bevat van de werkzaamheden. Gedurende het overleg met de provincie zijn de volgende zaken afgesproken met betrekking tot dit onderdeel van de zienswijze:
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
6
-
-
-
In de bestemmingsomschrijving in artikel 3.1 is een nadere beschrijving opgenomen van de bedrijfsactiviteiten, waaronder van het agrarisch technisch hulp- en nevenbedrijf zodat de toegestane werkzaamheden meer zijn gespecificeerd; In de planregels is expliciet opgenomen dat de overige activiteiten binnen de planlocatie enkel mogen plaatsvinden in combinatie met het grondgebonden teeltbedrijf. Hiermee wordt eventuele splitsing voorkomen; In de tabel onder artikel 3.2.1 onder c zijn biomassa- en mestvergistingsinstallaties als toegestaan bouwwerk verwijderd; Artikel 3.4 onder g is aangepast zodat mestbewerking expliciet is uitgesloten.
Conclusie: De zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan. 7. Het bestemmingsplan bevat geen voorwaardelijke verplichting voor de vereiste landschappelijke inpassing. Daarmee is de kwaliteitsverbetering onvoldoende geborgd. Overigens is de landschappelijke inpassing minimaal vormgegeven. Beantwoording: De opmerking van de provincie dat het bestemmingsplan geen voorwaardelijke verplichtingen bevat voor wat betreft landschappelijke inpassing kan niet worden gevolgd. In artikel 11.2 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee is geborgd dat de landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inrichtingsplan wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Deze voorwaardelijke verplichting is zowel opgenomen voor de bestemming “Wonen – 2” als de bestemming “Agrarisch”. Hiermee is de kwaliteitsverbetering in voldoende mate geborgd. Verder kan de opmerking dat de landschappelijke inpassing minimaal is vormgegeven nadrukkelijk niet worden gevolgd. De beoogde landschappelijke inpassing voor beide locaties is door ons beoordeeld en akkoord bevonden. Conclusie: De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
7
3.
Ambtshalve aanpassingen
In hoofdstuk 2 is aangegeven of (en zo ja, hoe) de zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. In sommige gevallen is er tevens aanleiding tot aanvullende aanpassingen zonder dat daar een zienswijze aan ten grondslag ligt. Dit betreffen de zogenaamde ambtshalve wijzigingen. Het bestemmingsplan is hierbij op de onderstaande onderdelen aangepast: 1. In de toelichting wordt hoofdstuk 5 (paragraaf 5.2.3) aangevuld met de beschrijving van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; 2. De nota zienswijzen wordt als bijlage toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan.
Nota zienswijzen bestemmingsplan Servennenstraat 11 en Molenakkerstraat 12
8