CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1e. Stikstofberekening

RAAD 28 mei 2026, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bindend advies BOPA bedrijfsverzamelgebouw De Sonman - Aangenomen5.259 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening De Sonman te Moergestel Auteur: NOX Advies, Dhr. M.H. van der Wielen Datum: 10 februari 2026 Bijlagen: Aerius-berekeningen

1

Inleiding

Aan De Sonman te Moergestel bestaat het voornemen om een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren met bijbehorende ontsluiting en verhardingen. Het pand heeft een totale oppervlakte van circa 3.200 m2 bvo.

Afbeelding 1: Impressie toekomstige situatie (bron: Van Empel)

Onderzocht dient te worden of significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kunnen optreden als gevolg van de uitbreiding en het gebruik van deze bedrijfshal. Het projectgebied ligt op een afstand van circa 1,8 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Stikstofgevoelige habitat ligt op ruimere afstand. Om te bepalen of er significante stikstofgevolgen op de

instandhoudingsdoelstellingen door het project kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd (versie Aerius 2025.2) voor de bouw- en gebruiksfase. De Aerius-berekening is bijgevoegd. In deze memo worden de uitgangspunten en conclusie beschreven.

2

Wettelijk kader

Stikstofoxiden (NOx) komen vooral vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld door het verkeer of stookinstallaties. Ammoniak (NH3) komt grotendeels vrij uit de landbouw en met name uit mest. In de Habitatrichtlijn worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000gebieden is door een overbelasting van NOx en NH3 een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en leefgebieden.

Afbeelding 2: Ligging projectgebied en ligging Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)

In de Omgevingswet is de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos geregeld. In de Omgevingswet staat in artikel 5.1, 1e lid, sub e dat een vergunning nodig is voor een Natura 2000activiteit. De definitie van een Natura 2000-activiteit luidt:

“activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000- gebied.” Bij plannen en projecten dient derhalve bepaald te worden of sprake is van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Indien een plan geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000gebieden kan worden uitgesloten dat het project een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitat in de Natura 2000-gebieden.

3

Referentiesituatie

In een passende beoordeling mag de referentiesituatie afgezet worden tegen het toekomstige gebruik. In dit stikstofonderzoek (voortoets) is daarom geen referentiesituatie ingevoerd.

4

Bouwfase

In de (tijdelijke) bouwfase wordt NOx- en NH3-emissie gegenereerd door mobiele werktuigen, bouwverkeer en stationaire emissies. Het gehanteerde rekenjaar betreft 2026. De bouwfase duurt circa 14 maanden. Worst-case is ervan uitgegaan dat alle ureninzet plaatsvindt binnen 12 aaneengesloten maanden. Mobiele werktuigen De ureninzet van mobiele werktuigen is ingeschat op basis van vergelijkbare projecten en op basis van een inschatting van de ontwikkelaar. Op dit moment is nog geen aannemer in beeld, waardoor nog geen gedetailleerde inzet van het materieel aangeleverd kan worden. Voor het grondverzet is een graafmachine ingevoerd (231 belaste uren). Een heistelling is niet noodzakelijk gelet op de bodemopbouw. Wel is rekening gehouden met een boorstelling (35 belaste uren). Voor het hijsen van materiaal is rekening gehouden met een mobiele kraan (95 belaste uren) en voor het werken op hoogte is een hoogwerker ingevoerd voor 230 belaste uren. Voor de fundering en vloer is rekening gehouden met een betonstorter (30 belaste uren) en vlindermachine (16 belaste uren). Voor de aanleg van de ontsluiting is een asfaltploeg (wals, asfaltfreesmachine, asfaltmachine) voor 12 belaste uren ingevoerd. De emissiebronnen en urenaantallen, zoals weergegeven in tabel 1, worden maximaal van toepassing geacht op de bouwfase in dit project. Het gaat om belaste uren (vollast en stationair).

Er is daarnaast rekening gehouden met 50 uur aan onvoorziene werktuigen. Voor de inzet van de mobiele werktuigen wordt uitgegaan van stageklasse IV. Het wordt aannemelijk geacht dat de machines ten tijde van de bouw van het bouwjaar 2014 of later zijn. Tevens is rekening gehouden met 6% AdBlue. Het brandstofverbruik is ingeschat op basis van de formule B =0.095* Pmax + 0.54. Hierbij is Pmax het maximale vermogen van het werktuig in kW en B het

brandstofverbruik in l/uur. Deze formule is afkomstig uit het AUB rapport van TNO (Ligterink et al 2021)1 en is een algemene schatting voor een gemiddelde belasting over alle vermogensklassen.

Tabel 1: Geschatte maximale ureninzet aan mobiele werktuigen voor de realisatie van het project in 14 maanden

Bouwverkeer In de bouwfase wordt uitgegaan van maximaal 800 zware vrachtwagenbewegingen per jaar voor aanvoer van materiaal en materieel. Tevens is rekening gehouden met 1.500 lichte verkeersbewegingen per jaar voor bouwpersoneel en leveringen met bestelbusjes. Ten aanzien van de rijroute is het uitgangspunt dat het bouwverkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld op de Schoolstraat. Dit is een voldoende drukke ontsluitingsweg met ruim 13.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal2, waar het bouwverkeer niet meer herleidbaar zal zijn tussen

1

Ligterink et al., 2021. ‘AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen’. TNO_2021_R12305. 2 Centraal Instituut Monitoring luchtkwaliteit

het overige verkeer. Rondom het bouwterrein en op De Sonman wordt uitgegaan van stagnerend verkeer om langzaam rijden en manoeuvreren te simuleren op de bouwplaats. Voor het bouwpersoneel is rekening gehouden met koude starts. Een ‘koude start’ is het fenomeen dat voertuigen met een koude motor meer emissie uitstoten dan voertuigen met een warme motor. Aangenomen wordt dat van de 750 vertrekkende auto’s en bestelbussen op deze locatie, alle voertuigen een koude start hebben. Er is geen rekening gehouden met koude starts voor wat betreft het vrachtverkeer omdat aangenomen wordt dat het vrachtverkeer binnen 2 uur weer vertrekt. Wel is uitgegaan van stationair draaien van vrachtwagens. Stationaire emissies Er zal redelijkerwijs tevens sprake zijn van stationaire emissies van (vracht)verkeer ten tijde van de bouw ten behoeve van laden en lossen. Uitgangspunt is dat de vrachtwagens tijdens het laden en lossen gemiddeld 10 minuten stationair draaien. Het gaat om maximaal 400 zware vrachtwagens, die maximaal 67 uur op jaarbasis stationair draaien. Op basis van de Instructie gegevensinvoer Aerius (bijlage 1) is de emissiefactor van een zware vrachtwagen in 2026 0,99 g NH3/uur en 74 g NOx/uur. Per saldo is dus sprake van een geschatte emissie van 0,067 kg NH3/jaar en 5 kg NOx/jaar als gevolg van stationair draaien van zwaar verkeer.

Deze bron is in Aerius ingevoerd als overige bron met een emissiehoogte van 1 meter en spreiding van 0,5 meter.

5

Gebruiksfase

In de gebruiksfase kunnen bij een bedrijf stikstofemissies aan de orde zijn door stookinstallaties, mobiele werktuigen, verkeersbewegingen, stationaire emissies en overige emissies. Op dit moment is nog onduidelijk welke bedrijven zich zullen vestigen in het bedrijfsverzamelgebouw. Duidelijk is wel dat i.i.g. Donkers Vermeer Fietsen B.V. zich zal vestigen in het pand. Stookinstallaties Het bedrijfspand is niet gasgestookt. Om die reden komt er geen stikstofemissie vrij bij het gebruik van stookinstallaties. Mobiele werktuigen In de toekomst is het gebruik van mobiele werktuigen niet aannemelijk in de bedrijfsunits van het bedrijfsverzamelgebouw. De bedrijfsunits zijn relatief kleinschalig zonder buitenterrein waardoor deze niet geschikt zijn voor het stallen en gebruiken van mobiele werktuigen op diesel op deze locatie. Eventueel aanwezige apparaten of machines zullen elektrisch zijn en worden aangesloten op de reguliere stroomvoorziening. Stikstofemissie als gevolg van mobiele werktuigen is daarom niet aan de orde.

Verkeersaantrekkende werking Om een inschatting te maken van de verkeersaantrekkende werking is gebruik gemaakt van de CROW-kentallen ‘Parkeerkencijfers 2024’. 3 Aangesloten is bij de functie van een bedrijfsverzamelgebouw. Dit betreft volgens de CROW een gelijkwaardige mix van kantoren (zonder baliefunctie), arbeidsextensieve en arbeidsintensieve bedrijven. Een gedeelte van het bedrijfsgebouw wordt ingevuld met commerciële voorzieningen (kantoren zonder baliefunctie), waardoor deze functie representatief wordt geacht. Gemeente Oisterwijk is een weinig stedelijke gemeente op basis van de CBS- stedelijkheidsgraad. De verkeersgeneratie in rest bebouwde kom bedraagt dan maximaal 7,85 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Het totaal oppervlak van het bedrijfsverzamelgebouw bedraagt maximaal 32 x 7,85 = 251 verkeersbewegingen per werkdag. Uitgangspunt is dat de bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw 5 tot 6 dagen per week, gedurende 50 weken per jaar in bedrijf zijn. Dit komt neer op gemiddeld 5,5 x 50 = 275 dagen per jaar, oftewel 69.025 bewegingen per jaar. Uitgangspunt is dat maximaal 5% van deze bewegingen vrachtverkeer betreft.4 Omdat het gaat om relatief kleinschalige bedrijfsunits zal uitsluitend licht en middelzwaar verkeer (tot 20 ton) aan de orde zijn. Worst-case is toch gerekend met 3 zware vrachtwagens per maand (72 zware bewegingen per jaar).

De verkeersgeneratie van het bedrijfsverzamelgebouw wordt dus geschat op 65.574 lichte, 3.379 middelzware en 72 zware bewegingen per jaar. Voor de lengte van de rijlijn is het uitgangspunt dat op de straat De Sonman circa 15 tot 30 km/uur wordt gereden (normaal rijdend verkeer) en op het bedrijfsperceel van het bedrijfsverzamelgebouw stagnerend verkeer aan de orde is. Het verkeer gaat op de Schoolstraat op in het heersende verkeersbeeld. De Schoolstraat is een voldoende drukke ontsluitingsweg met ruim 13.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal, waardoor de toename als gevolg van het project circa 1,5% bedraagt en dus enkele procentpunten omvat. Uitgangspunt is dat alle lichte voertuigen van personeel een koude start veroorzaken bij vertrek. Het bedrijfsverzamelgebouw kan arbeidsextensieve bedrijven, arbeidsintensieve bedrijven en kantoren zonder baliefunctie bevatten. Kantoren zonder baliefunctie kennen relatief veel personeel. Bij de arbeidsextensieve bedrijven, maar ook arbeidsintensieve bedrijven zullen ook bezoekers, afnemers en leveranciers het terrein bezoeken. Omdat deze lichte verkeersbewegingen binnen 2 uur weer het terrein verlaten, genereren deze voertuigen geen koude start. Uitgangspunt is dat van alle vertrekkende lichte verkeerbewegingen maximaal 80% een koude start genereert. Het komt neer op 26.229 koude starts per jaar.

3

Parkeerkencijfers 2024, CROW, Publicatie 744 ‘Voor lichte bedrijvigheid/bedrijfshallen geldt gemiddeld 0,1 – 0,4 vrachtbewegingen per 100 m2 bvo per werkdag. Dit zijn inclusief in- en uitritten van vrachtwagens, bestelwagens en servicevoertuigen. Circa 3.200 m2 bvo levert 3,2 – 12,8 vrachtbewegingen per werkdag. 4

Stationaire emissies Leveranciers laten hun bestelbus of vrachtwagenmotor bij laden en lossen van goederen niet stationair draaien. Hier is geen enkele noodzaak toe. Moderne vrachtwagens beschikken ook over een start-stop-systeem, waardoor het aannemelijk is dat stationaire emissies in de toekomstige gebruiksfase niet aan de orde zijn. Om die reden is geen rekening gehouden met stationaire emissies.

6

Resultaten

De berekende emissie NOx en NH3 bedraagt in de bouwfase respectievelijk circa 62 en 2 kg/jaar. In de gebruiksfase is dat circa 12 kg NOx/jaar en 1 kg NH3/jaar .

Afbeelding 2: Resultaten berekening bouwfase (bron: Aerius)

Afbeelding 3: Resultaten berekening gebruiksfase (bron: Aerius)

Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,01 mol N/ha/jaar in de bouwfase. Het betreft een tijdelijke depositietoename.

In de gebruiksfase wordt een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar berekend. Ook op hexagonen met een hersteldoel wordt een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar berekend. In bijlagen 1 en 2 zijn de Aeriusberekeningen opgenomen. Binnen 25 kilometer liggen tevens buitenlandse Natura 2000-gebieden. Daarom zijn eigen rekenpunten gelegd op deze gebieden. De rekenresultaten op deze eigen rekenpunten wordt weergegeven in afbeelding 4. Het project heeft daarmee geen relevante stikstofeffecten op buitenlandse Natura 2000gebieden.

Afbeelding 4: Resultaten eigen rekenpunten op buitenlandse Natura 2000-gebieden (bron: Aerius)

7

Conclusie

In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de bouw en het gebruik van een bedrijfsverzamelgebouw aan De Sonman te Moergestel. Het pand heeft een totale oppervlakte van circa 3.200 m2 bvo. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in de bouwfase leidt tot een depositieresultaat van 0,01 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden op basis van deze voortoets vooralsnog niet uit te sluiten. Een ecologische voortoets wordt uitgevoerd om te bepalen of deze tijdelijke depositietoename gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Voor de gebruiksfase is een resultaat berekend van 0,00 mol N/ha/jaar. Indien de ecologische voortoets uitwijst dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde Natura 2000-gebieden dan zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect stikstofdepositie. Een passende beoordeling is dan niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt in dat geval geen belemmeringen voor het project.

8

Bijlagen

Bijlage 1: Aerius-berekening bouwfase (2026) Bijlage 2: Aerius-berekening gebruiksfase (2027)

Bijlage 1

Projectberekening

Projectberekening

₃

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

ₓ

2/8

Projectberekening

₃

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

ₓ

3/8

Projectberekening

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

4/8

Projectberekening

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

5/8

Projectberekening

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

6/8

Projectberekening

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₃

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

7/8

Projectberekening

ₓ ₃

RehU669SyWmM (10 februari 2026)

8/8

Bijlage 2

Projectberekening

Projectberekening

₃

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

ₓ

2/8

Projectberekening

₃

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

ₓ

3/8

Projectberekening

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

4/8

Projectberekening

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

5/8

Projectberekening

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

6/8

Projectberekening

ₓ ₂ ₃

ₓ ₃

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

7/8

Projectberekening

ₓ ₂ ₃

RTJgcCzyTtYr (10 februari 2026)

8/8

NOX Advies B.V. Valkenierslaan 6 5062 CN, Oisterwijk www.noxadvies.nl info@noxadvies.nl

KvK-nummer: 91479282

Voortoets Natura-2000 t.b.v. een bedrijfsverzamelgebouw aan de De Sonman te Moergestel

Opdrachtgever:

DV A58 Vastgoed B.V.

Opsteller: Kwaliteitscontrole: Datum: Kenmerk:

Ecologisch adviesbureau Eceau Drs. M. Spronk Ing. T.J.P. den Otter 2 maart 2026 2026.38

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van de Omgevingswet. Desondanks accepteert Ecologisch adviesbureau Eceau op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke ondernemingen die de opdrachtgever naar aanleiding van onderhavig ecologisch onderzoek uitvoert. Onderhavige rapportage of delen daarvan mogen niet zonder toestemming van zowel de opdrachtgever en Ecologisch adviesbureau Eceau gebruikt worden door derden of verspreid worden naar derden. Openbaarmaking, kopiëring en elke andere toepassing inbegrepen, het mag enkel gebruikt worden door de ontwikkelaar en de opdrachtgever voor wie het is ontwikkeld.

Inhoudsopgave 1.

Voornemen en planlocatie..................................................................................................... 2

2.

Aanleiding .............................................................................................................................. 3 2.1.

Ingreep ............................................................................................................................... 3

2.2.

Doel .................................................................................................................................... 3

3.

Ecologisch onderzoek............................................................................................................. 4 3.1.

Oriëntatie........................................................................................................................... 4

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage ..................................................................................... 4

4.

Effectenbeoordeling .............................................................................................................. 5 4.1.

Doelstellingen .................................................................................................................... 5

4.2.

Effectenbeoordeling N-depositie uit de lucht ................................................................... 6

5.

Conclusie en vervolg .............................................................................................................. 9 5.1.

Vervolgstappen .................................................................................................................. 9

Bronnen .......................................................................................................................................... 10

1

1. Voornemen en planlocatie De initiatiefnemer is voornemens om aan de De Sonman te Moergestel een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren. De geplande werkzaamheden betreffen de realisatie van nieuwe bebouwing op de planlocatie, die momenteel in gebruik is als een net onderhouden grasveld. Het plangebied is gelegen in het zuiden van Moergestel. In noordelijke richting bevindt zich stedelijk gebied. In westelijke richting zijn grotere houtopstanden aanwezig. Op grotere afstand ten zuiden ligt een meer open agrarisch landschap. In noordelijke en noordoostelijke richting is het Natura 2000gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ gelegen. In figuur 1 is de ligging schematisch weergegeven.

Figuur 1

Schematische weergave van het plangebied, de rode arcering weergeeft de ligging van het plangebied binnen Moergestel (kaart: openbasiskaart.nl; uitsnede: PDOK)

2

2. Aanleiding Bij ruimtelijke ingrepen, tijdelijke voornemen en evenementen waarbij het redelijkerwijs aan te nemen is dat beschermde soorten of gebieden potentieel (negatieve) effecten ondervinden is men verplicht aan te tonen dat het beoogde voornemen niet in strijd is met de Omgevingswet. Op basis van eerdere beoordelingen door derden, kon worden geconcludeerd dat niet op voorhand uitgesloten kan worden of significant negatieve effecten optreden op de doelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden, betreffende een mogelijke verhoging in stikstofdepositie. In vervolg daarvan is een Aerius-berekening opgesteld, met als resultaat een zeer minimale tijdelijke verhoging van depositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden gedurende de aanlegfase. Naar aanleiding van het bovenstaande is een Voortoets Natura 2000 benodigd. Onderhavige rapportage betreft het benodigde onderzoek.

2.1.

Ingreep

De initiatiefnemer is voornemens een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren aan de De Sonman te Moergestel. Er kan worden gesteld dat de volgende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden ten behoeve van de ingreep: Bouwwerkzaamheden; (Mogelijk) kappen van bomen; Verwijderen terreininrichting; Herinrichting en overige revitalisatiewerkzaamheden aan het terrein. In het kader van de te verrichten werkzaamheden komen overige zaken en effecten tevens aan de orde, waaronder: Transport puin, en(groen)afval; Transport nieuwe materialen; (Eventueel) plaatsen bouwverlichting; (Eventueel) plaatsen bouwkeet; Akoestische, trillings en optische verstoring naar de directe omgeving.

2.2.

Doel

Van het voornemen is het vooralsnog onbekend of er een negatief effect optreed op de aangewezen doelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen.’ Middels voorliggende Voortoets Natura 2000 is een mogelijk effect op de doelstellingen van de voornoemde Natura 2000-gebieden onderzocht. De toetsing is gericht op mogelijke significant negatieve effecten op gevoelige (doel)habitattypen en (doel)habitatrichtlijnsoorten. Uit het onderzoek zijn drie resultaten mogelijk, namelijk: Significant negatieve effecten zijn uitgesloten. In deze situatie is geen vergunning op grond van een Natura 2000-activiteit conform de Omgevingswet benodigd; Er is mogelijk een negatief effect, maar niet significant. In deze situatie is een vergunning benodigd en dient een verslechteringstoets uitgevoerd te worden ter onderbouwing; Er is een wezenlijke kans op óf er is sprake van een significant negatief effect. In deze situatie is een vergunning benodigd en dient een passende beoordeling uitgevoerd te worden. Onderhavige rapportage kan voor de initiatiefnemer als bewijsstuk dienen dat het geadviseerde onderzoek is verricht ten behoeve van de Omgevingswet.

3

3. Ecologisch onderzoek De Voortoets Natura 2000 is op te delen in enkele stappen: Oriëntatie; Bureau-onderzoek; Rapportage.

3.1.

Oriëntatie

Bij de oriëntatie van het onderzoek wordt een globale indruk verkregen van de locatie middels spreidingsdata van (doel)soorten, luchtfoto’s, kaarten en aangeleverde data vanuit de opdrachtgever. Aanvullend hierop is met name de reeds uitgevoerde Aerius-berekening van grote waarde. De relevante berekening is uitgevoerd op 10 februari 2026.

3.2.

Bureau-onderzoek en rapportage

Het bureau-onderzoek wordt onder andere vormgegeven door middel van het raadplegen van naslagwerken, informatiebronnen, kaartdatabases en andere (externe) hulpmiddelen een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied aan de hand van het vigerend beleid. Bij het uitwerken van de rapportage worden de vergaarde data bij de oriëntatie, de (eventuele) vooronderzoeken en de informatie uit het bureau-onderzoek (waaronder de habitat- en soortprofielen geconformeerd aan het relevante Natura 2000-gebied) vervolgens samen getoetst. Daaruit volgend wordt duidelijk of bij de uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van de Omgevingswet in het kader van Natura 2000-activiteiten, indien er geen vervolgstappen of maatregelen worden genomen. Op basis van deze toetsing worden aanbevelingen gedaan voor een eventueel vervolgtraject, maatregelen ter voorkoming van overtreding of een combinatie van beide.

4

4. Effectenbeoordeling 4.1.

Doelstellingen

In de Omgevingswet is het Europese beleid van gebiedsbescherming opgenomen, namelijk middels de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden van Europa vormen de basis voor het behoudt en de bevordering van de Europese biodiversiteit. Dit betreft het Natura 2000-gebied ‘‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, gelegen op een afstand van circa 1,8 km van het plangebied (zie figuur 3).

Figuur 3

Ligging van het plangebied (binnen groene cirkel) ten opzichte van Natura 2000gebieden (rode arcering) (bron: noord-brabant.map.arcgis.com)

Voor alle Natura 2000-gebieden, waaronder de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen,’ zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld. In het aanwijzingsbesluit staan de kwalificerende natuurwaarden welke kenmerkend zijn voor het gebied en welke instandhoudingsdoelstellingen aan de orde zijn. Voor de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ zijn de habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Zandverstuivingen (H2330), Zeer Zwakgebufferde Vennen (H3110), Zwakgebufferde Vennen (H3130), Zure Vennen (H3160), Vochtige heiden (H4010A), Droge heiden (H4030), Blauwgraslanden (H6410), Actieve hoogvenen (H7110B*), Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150), Galigaanmoerassen (H7210*), Beuken-eikenbossen met hulst (H9120), Oude eikenbossen (H9190), Hoogveenbossen (H91D0*) en Vochtige alluviale bossen (H91E0C*) aangewezen. Daarnaast zijn zes habitatrichtlijnsoorten aangewezen voor het gebied, betreffende de Gevlekte witsnuitlibel (H1042), Gestreepte waterroofkever (H1082), Kleine modderkruiper (H1149), Beek/Rivierdonderpad (H1163), Kamsalamander (H1166) en de Drijvende waterweegbree (H1831). Tenslotte zijn voor het gebied enkele broedvogels aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, betreffende de Dodaars (A004) en Roodborsttapuit (A276), en een niet-broedvogel Taigarietgans (A701). Binnen dit gebied is een verhoging in stikstofdepositie vastgesteld.

Voor alle overige Natura 2000gebieden is geen sprake van een verhoging van stikstofdepositie. Aanvullend kan een ander effect per definitie op alle Natura 2000-geebieden uitgesloten worden door de afstand tot de planlocatie.

5

4.2.

Effectenbeoordeling N-depositie uit de lucht

Het voornemen aan de De Sonman te Moergestel bestaat uit een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren op een afstand van ca. 1,8km van het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen.’ De reikwijdte van verstoringsfactoren van een dergelijke werkzaamheden is relatief beperkt. Doordat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied kan er per definitie gesteld worden dat verstoring door Oppervlakteverlies, Versnippering, Verontreiniging en Verstoring door mechanische effecten uitgesloten is. Daarnaast is er geen sprake van Verdroging, Verstoring door geluid, Verstoring door licht, Verstoring door trilling en Optische verstoring als gevolge van de relatief grote afstand tot het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, dan betreft dit een effect op grote afstand, betreffende een verreikende effect door Verzuring door Ndepositie uit de lucht en/of Vermesting door N-depositie uit de lucht. Vermesting door stikstofdepositie uit de lucht heeft als gevolg dat de limitatie van groei binnen habitattypen wordt opgeheven als de kritieke waarde wordt overschreden, waardoor het bestaande habitattype op den duur door successie gewijzigd wordt naar een habitattype van een verder stadium. Daarnaast kan een verhoging in stikstofdepositie leiden tot verzuring van de bodem of het water.

Dit resulteert in het afnemen van de buffercapaciteit van dergelijke gebieden met een uiteindelijke verzuring van het gebied als gevolg. Verzuring van een leefgebied leidt tot het verschuiven van plantengemeenschappen naar samenstellingen van zuurminnende beplanting en het verdwijnen van bijzondere vaatplanten, en aanvullend tot het verdwijnen van bijzondere of kwetsbare fauna die (voor een deel van) de levenscyclus afhankelijk zijn van een gunstige zuurtegraad. Uit de Aerius-berekeningen is gebleken dat bij de realisatiefase op een hexagoon met het hoogste verschil tussen de huidige situatie en gedurende de uitvoering 0,01 mol/ha/jaar bij de ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ betreft. Aanvullend betreft de ontwikkeling een herinrichting van een bestaand grasveld, waarbij een bedrijfsverzamelgebouw wordt gerealiseerd. Hoewel de functie van het projectgebied wijzigt, leidt deze functiewijziging gezien de aard van het gebruik niet tot een toename van permanente stikstofemissies, zoals is gebleken uit de Aerius-berekening aangaande de gebruiksfase. Effecten in de gebruiksfase kunnen derhalve worden uitgesloten. Voor de aanwezige habitattypen zijn thans overschrijdingen van het KDW aanwezig variërend van ca. 500 mol/ha/jaar (Zwakgebufferde vennen) overschrijding tot ca. 1857 mol/ha/jaar (Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)) overschrijding, zie tabel 1.

De ontwikkeling resulteert zelf derhalve niet tot het overgaan van geen overschrijding naar wel een overschrijding van de KDW, echter wel in een verhoging van de reeds aanwezige overschrijding. De toename op de habitattypen zal 0,01 mol/ha/jaar zijn. Uitgaande van de laagste KDW overschrijding en de hoogste (tijdelijke) verhoging in depositie, betekend dit een toename van 0,06% of minder. De combinatie van een verwaarloosbare verhoging in hoeveelheid stikstofdepositie, een tijdelijke uitvoeringsduur en de thans aanwezige stikstofdepositiewaarden, maakt het dat de uitvoering van de ontwikkeling geen invloed heeft op de aanwezige habitattypen en niet zal leiden tot negatieve effecten en met zekerheid niet tot significant negatieve effecten.

6

Figuur 1

Weergaves: Habitattype: codering van het habitattype binnen de twee Natura 2000-gebieden KDW: Kritische Depositie Waarde Hoogste totale depositie (cumulatief): De hoogste totale depositie op hexagonen waar onderhavig project invloed op heeft Overschrijding (cumulatief): Thans aanwezige overschrijding van het KDW, los van onderhavig project Projectaandeel: Percentage van het aandeel van onderhavig project op de overschrijding van de KDW’s %-Areaal projectaandeel: Percentages van het areaal aan aanwezige habitattypen in de twee Natura 2000-gebieden, waar onderhavig project invloed op heeft Habitattype KDW Hoogste totale Overschrijding Project%-Areaal project depositie (cumulatief) (cumulatief) aandeel (%) -aandeel (%) 50,42 0,0 19,7 H91E0C 1857 1907,42 876,87 0,0 22,8 ZGH9190 1071 1947,87 1242,04 0,0 6,9 H3160 714 1956,04 1201,86 0,0 1,8 H4030 714 1915,86 1410,72 0,0 9,3 H3130 500 1910,72 523,92 0,0 19,9 H9120 1071 1594,92 1216,92 0,0 9,2 H2310 714 1930,92 ZGH91E0C 16,26 0,1 3,5 1857 1873,26 1295,59 0,0 18,9 ZGH3130 500 1795,59 822,71 0,0 1,0 H4010A 1071 1893,71 201,94 0,0 24,0 LG03 1786 1987,94 1001,17 0,0 2,4 ZGH3160 714 1715,17 1131,52 0,0 0,2 H7150 714 1845,52

Bovendien komt de depositie van 1,00 mol/ha/jaar overeen met ca. 0,03% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof om het voortbestaan van de natuurlijke habitats te waarborgen, wat vertaald naar 0,0003% bij 0,01 mol/ha/jaar. Aanvullend ligt de hoeveelheid stikstofdepositie ruim onder de afrondingsmarge die is aangehouden bij het opstellen van de KDW’s. De KDW is namelijk afgerond op hele kilogrammen en omgerekend naar mol, wat resulteert in een marge van ca. 35,00 mol/ha/jaar. Een dermate klein verschil, namelijk 0,01 mol/ha/jaar, heeft geen meetbaar gevolg in groeisnelheid van individuele planten, concurrentiepositie van soorten of soortensamenstelling van de aangewezen doelhabitattypen. Een (significante) verhoging van stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting van de bodem en het (oppervlakte)water, waardoor de biodiversiteit kan afnemen. Stikstofgevoelige planten, ofwel soorten van voedselarme(re) condities verdwijnen en worden verdrongen door snelgroeiende grassen en soorten van eutrofe omstandigheden, waaronder brandnetels en braam. Dit resulteert in een verstoring van het natuurlijke evenwicht met monotone structuren. Insecten, vogels en vissen hebben derhalve minder voedsel en minder potentiële nestlocaties. Eveneens worden bomen en planten kwetsbaarder voor droogte en infecties.

Om hierop in te spelen zal de noodzaak er zijn om aanvullende beheersmaatregelen toe te passen. Dit kan onder andere plaggen en maaien betreffen (fysiek ingrijpend, verwijdering voedselrijke toplaag), bekalking om bodemverzuring tegen te gaan en/of hydrologisch herstel om de effecten van stikstof in te perken. Het project betreft een toevoeging aan de overschrijdingen van 0,01 mol/ha/jaar of minder op slechts delen van de aanwezige habitattypen. Om de groei van dominante en snelgroeiende stikstofminnende plantensoorten (zoals grassen of brandnetels) significant te stimuleren, is een veelvoud van deze hoeveelheid nodig. Dergelijke uiterst minimale hoeveelheden worden volledig opgenomen in de natuurlijke stikstofkringloop, zonder dat dit leidt tot extra biomassaproductie die soorten van voedselarme omstandigheden zou kunnen verdringen. In het kader van vermesting en verzuring heeft de bodem een bufferend vermogen. Een toename van 0,01 mol is dermate minimaal

7

dat er geen meetbare verlaging van de pH-waarde vastgesteld kan worden of de beschikbaarheid van toxische metalen (zoals aluminium) te vergroten. Bij tijdelijke projecten is de periode van depositie te kort om de chemische samenstelling van de bodem blijvend te veranderen. De hoeveelheid stikstof die met regulier beheer (zoals het afvoeren van maaisel en plaggen) uit een gebied wordt verwijderd, is duizenden malen groter dan de toevoeging van 0,01 mol/ha/jaar. Een tijdelijke toename van 0,01 mol/ha/jaar is dermate klein dat het resultaat van het natuurbeheer niet negatief beïnvloedt wordt. De natuurdoelen worden door deze minimale toename niet minder haalbaar. Aanvullend is de ontwikkeling slechts tijdelijk van aard en zal de stikstofdepositie na afronding van het project wederkeren naar de oorspronkelijke hoeveelheid.. De aangewezen habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten welke gebruik maken van stikstofgevoelige leefgebieden betreffen de gevlekte witsnuitlibel, gestreepte waterroofkever, kleine modderkruiper, beek/rivierdonderpad, kamsalamander, drijvende waterweegbree, dodaars, roodborsttapuit en de taigarietgans. Doordat er geen significante effecten op (o.a.

deze) habitattypen verwacht worden, en in het verlengde daarvan verandering in soortensamenstelling en plantengemeenschappen, worden eveneens geen effecten verwacht op dier- en plantensoorten die voorkomen in dergelijke habitattypen. Daarnaast is de te verwachten verhoging in stikstofdepositie slechts kortstondig aanwezig. Significant negatieve effecten zijn uitgesloten op de doelhabitattypen van de Natura 2000gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Aanvullend zijn geen mechanische, optische of andere verstoringsvormen te verwachten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Derhalve kunnen effecten op aanwezige doelhabitattypen en doelhabitatrichtlijn van deze gebieden uitgesloten worden.

8

5. Conclusie en vervolg Ten aanzien van het beoogde voornemen om een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren aan de De Sonman te Moergestel, is een Voortoets Natura 2000 uitgevoerd, met als zwaartepunt de Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen´. Het voornemen en alle bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot (significant) negatieve effecten. In het kader van Natura 2000gebieden is geen vergunning benodigd.

5.1.

Vervolgstappen

Er zijn geen aanleidingen aangetroffen die het noodzakelijk maken dat vervolgstappen genomen dienen te worden. Het uitvoeren van een verslechteringstoets of het opstellen van een passende beoordeling zijn niet benodigd. Naar aanleiding van de bevindingen van de Voortoets Natura 2000 is het uitvoeren van een verslechteringstoets niet aan de orde; Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek is het opstellen van een Passende beoordeling niet benodigd.

9

Bronnen Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitats, Psammofiele heide met Calluna en Genista (H2310). Verkorte naam: Stuifzandheiden met struikhei. H2310 versie 18 december 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitats, Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea (H3130). Verkorte naam: Zwakgebufferde vennen. H3130 versie 1 september 2008, met erratum 24 maart 2009. Ministerie van LNV, 2008. Droge Europese heide (H4030). Verkorte naam: Droge heiden. H4030 versie 1 september 2008 Ministerie van LNV, 2008. Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion (H7150). Verkorte naam: Pioniervegetaties met snavelbiezen. H7150 versie 1 september 2008, met erratum 24 maart 2009 Ministerie van LNV, 2008. Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en soms ook Taxus in de ondergroei (Quercion robori-petraeae of Ilici-Fagenion) (H9120). Verkorte naam: Beukeneikenbossen met hulst. H9120 versie 1 september 2008 Natura 2000-ministerie. (z.d.). Kampina en Oisterwijkse Vennen. https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-brabant/kampina-en-oisterwijksevennen/kampina-en-oisterwijkse-vennen-doelstelling Provincie Noord-Brabant, 2017. Gebiedsanalyse Kampina en Oisterwijkse vennen (133). Programma Aanpak Stikstof (PAS). Versie 15 december 2017. Ministerie van LNV, 2008.

Profielen Habitatsoorten, Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) H1042. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitatsoorten, Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus) H1082. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitatsoorten, Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) H1149. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitatsoorten, Beek/Rivierdonderpad (Cottus gobio) H1163. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitatsoorten, Kamsalamander (Triturus cristatus) H1166. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Habitatsoorten, Drijvende waterweegbree (Luronium natans) H1831. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Broedvogels, Dodaars (Tachybaptus ruficollis) A004. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Broedvogels, Roodborsttapuit (Saxicola rubicola) A276. 1 september 2008. Ministerie van LNV, 2008. Profielen Niet-broedvogels, Taigarietgans (Anser fabalis) A701. 1 september 2008. Websites, geraadpleegd 2026 atlasleefomgeving.nl bij12.nl grondwatertools.nl noord-brabant.maps.arcgis.com noord-brabant.tercera-ro.nl wetten.overheid.nl www.natura2000.nl www.ndff.nl www.netwerkgroenebureaus.nl www.rvo.nl www.synbiosys.alterra.nl (effectenindicator) www.telmee.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl

10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16731643/1