Bijlage 1 - concept Gemeenschappelijke Regeling Regiovervoer Midden-Brabant.pdf
Tekst van het document
Gemeenschappelijke Regeling voor het Gemeenschappelijk Orgaan Regiovervoer MiddenBrabant (artikel 8, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen) De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg, en Waalwijk, ieder voor zover het de eigen bevoegdheden betreft, Gelet op het bepaalde in de artikelen 8, 51 en 52 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, besluiten: De hiernavolgende gemeenschappelijke regeling te treffen, genaamd: “Gemeenschappelijke Regeling voor het Gemeenschappelijk Orgaan Regiovervoer Midden-Brabant”, die luidt als volgt: Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen Artikel 1 Definities en bepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen; b. college: het college van burgemeester en wethouders van een van de deelnemende gemeenten; c. deelnemers: de publiekrechtelijke rechtspersonen waartoe de colleges behoren; d. gemeenschappelijk orgaan: het gemeenschappelijk orgaan ingesteld krachtens artikel 3 van deze regeling; e. vervoercentrale: rechtspersoon die op basis van een privaatrechtelijke rechtsverhouding met de deelnemers feitelijk zorgdraagt voor de regie over de uitvoering van het regiovervoer door de vervoerders, inclusief onder meer planning en communicatie met reizigers; f.
regiovervoer: de wettelijke taken van de deelnemers ten aanzien van het vervoer voor inwoners die geen of niet altijd gebruik kunnen en/of moeten maken van regulier openbaar vervoer. De taken van de deelnemers vloeien voort uit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Wet op het primair onderwijs, Wet op het voortgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra, en de Participatiewet; g. vertegenwoordigende organen: de raden van de deelnemende gemeenten; h. vervoerder: rechtspersoon die op basis van een privaatrechtelijke rechtsverhouding met de deelnemers feitelijk zorgdraagt voor de uitvoering van het regiovervoer. Artikel 2 Doel van de regeling Deze regeling heeft tot doel het vaststellen van een organisatiestructuur ten behoeve van de besluitvorming van de deelnemers inzake het regiovervoer. Artikel 3 – Gemeenschappelijk orgaan 1. Er is een gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Het gemeenschappelijk orgaan draagt de naam: “Gemeenschappelijk Orgaan Regiovervoer Midden-Brabant”. 3. Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemers waartoe de colleges behoren. 4. Het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd te Tilburg.
#63296163v 1
Artikel 4 – Dienstverleningsovereenkomst 1. De deelnemers kunnen een Dienstverleningsovereenkomst aangaan, waarin zij afspraken vastleggen over de voorwaarden en condities waaronder een of meerdere deelnemers een bijdrage levert aan de ondersteuning van het gemeenschappelijk orgaan en diens taken rondom de organisatie van het regiovervoer. 2. In de Dienstverleningsovereenkomst wordt bepaald onder welke voorwaarden ook andere publiekrechtelijke rechtspersonen partij kunnen zijn bij de Dienstverleningsovereenkomst. Hoofdstuk 2 – Bestuur (Stuurgroep) Artikel 5 – Inrichting en samenstelling 1. Het gemeenschappelijk orgaan kent een bestuur, dat wordt aangeduid als de Stuurgroep. 2. De Stuurgroep bestaat uit leden van de colleges. Ieder van de colleges wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid aan. 3. De voorzitter van het gemeenschappelijk orgaan wordt door en uit de Stuurgroep aangewezen. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van de Stuurgroep, tekent de stukken die van de Stuurgroep uitgaan, en vertegenwoordigt het gemeenschappelijk orgaan. 4. Het lidmaatschap van de Stuurgroep eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid te zijn van het college uit wiens midden men is aangewezen. 5. Een lid van de Stuurgroep kan op ieder moment ontslag nemen.
Het ontslagnemende lid blijft diens functie vervullen tot het moment dat het college uit wiens midden men is aangewezen een opvolger heeft aangewezen. Artikel 6 – Taken De Stuurgroep heeft de volgende taken: a. het ontwikkelen van beleid op het gebied van regiovervoer, behalve de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraden; b. het besluiten over belangrijke ontwikkelingen binnen het gemeenschappelijk orgaan op strategisch, beleidsmatig of uitvoerend niveau; c. het (organiseren van) inkopen en aanbesteden van het regiovervoer, al dan niet in samenwerking met derden; d. het vaststellen van de begroting en de jaarrekening, alsmede de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening van het gemeenschappelijk orgaan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de wet is bepaald; e. het geven van instructies aan het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant. Artikel 7 – Bevoegdheden 1. Ter uitvoering van de in artikel 6 omschreven taken dragen de colleges aan de Stuurgroep de volgende bevoegdheden over: a. het vaststellen van beleidsstukken, waaronder in ieder geval visies, meerjarenplannen, en jaarplannen; b. Het tot stand brengen van inkoopvisies, bestekken, gunningsbesluiten, en Gunningsbrieven; c.
het vaststellen van uitvoeringsbeleid ten aanzien van het regiovervoer, in ieder geval ten aanzien van de volgende onderwerpen: collectieve regels en afspraken over de organisatie en uitvoering van het regiovervoer: 2
2.
klachten- en incidentenprotocol; vervoerskader; projecten en pilots; maatregelen in verband met pandemieën en crises, en; maatregelen ter bevordering van de efficiëntie. d. het (laten) verzorgen van het contractbeheer, bijvoorbeeld in de vorm van het treffen van maatregelen jegens vervoerders respectievelijk de vervoercentrale; e. het namens de deelnemers besluiten tot het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot de uitvoering van het regiovervoer; f. te besluiten tot afwijken van het inkoop- en aanbestedingsbeleid van de deelnemers; g. het besluiten namens de deelnemers rechtsgedingen te voeren die verband houden met de in ‘e’ bedoelde rechtshandelingen of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten. Een deelnemer kan besluiten aanvullende bevoegdheden over te dragen aan de Stuurgroep.
Artikel 8 – Werkwijze 1. De Stuurgroep vergadert ten minste 2 keer per jaar en verder zo vaak als de voorzitter dit nodig vindt. 2. De leden van de Stuurgroep beschikken over enkelvoudig stemrecht 3. De Stuurgroep besluit in beginsel bij absolute meerderheid van stemmen. 4. In aanvulling op het bepaalde in het vorige lid geldt dat de (voorstellen tot) besluiten genoemd in artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid, kunnen slechts worden aangenomen indien in ieder geval het lid van de deelnemer waarin het gemeenschappelijk orgaan is gevestigd en drie andere leden voor het voorstel stemmen. De besluiten genoemd in artikel 18, tweede en vijfde lid, kunnen slechts bij unanimiteit worden genomen. 5. In afwijking van het bepaalde in lid 3 geldt dat besluiten inzake voorstellen betreffende het vervoer van Wmo-geïndiceerde vervoersgerechtigden en besluiten betreffende het leerlingenvervoer worden genomen bij gewone meerderheid van stemmen. 6. De Stuurgroep kan besluiten derden, in het bijzonder de provincie Noord-Brabant, voor vergaderingen uit te nodigen. 7. De Stuurgroep stelt ten behoeve van zijn vergaderingen en overige werkzaamheden een reglement van orde vast. Hoofdstuk 3 – Ambtelijke organen Artikel 9 – Ambtelijke adviesgroep 1. Er is een ambtelijke adviesgroep, die bestaat uit de door of namens de colleges aangewezen beleidsmedewerkers van iedere deelnemer. 2.
De ambtelijke adviesgroep brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan de Stuurgroep, alsmede aan het Bureau inzake de voorbereiding van besluitvorming door de Stuurgroep. 3. De Stuurgroep kan, op voorstel van de ambtelijke adviesgroep, ten behoeve van vergaderingen en overige werkzaamheden van de ambtelijke adviesgroep een reglement van orde vaststellen. 4. Het staat de ambtelijke adviesgroep vrij om derden, in het bijzonder de provincie NoordBrabant, uit te nodigen voor haar vergaderingen en andere werkzaamheden. Artikel 10 – Bureau Regiovervoer Midden-Brabant 1. Er is een Bureau Regiovervoer Midden-Brabant, dat georganiseerd wordt door één of meerdere deelnemers, aan te wijzen in de Dienstverleningsovereenkomst. De bekostiging van het Bureau 3
2.
3.
4.
Regiovervoer Midden-Brabant wordt geregeld in de Dienstverleningsovereenkomst en valt buiten de begroting van het gemeenschappelijk orgaan. Het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant is de schakel tussen de bestuurlijke aansturing van het samenwerkingsverband door de Stuurgroep, en de uitvoering van de besluiten door de deelnemers en contacten met onder meer de vervoercentrale en vervoerders. Teneinde de bevordering van een coherente gezamenlijke taakuitoefening bereidt het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant besluiten van de Stuurgroep en feitelijke handelingen voor, in het bijzonder ten aanzien van de volgende taken: a. inkoop van regiovervoer; b. planning en control; c. communicatie; d. ontwikkelfunctie; e. relatiebeheer. Het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant verstrekt periodiek rapportages aan de Stuurgroep over de voortgang, kwaliteit, en financiën van het regiovervoer.
Hoofdstuk 4 – Inlichtingen en verantwoording Artikel 11 – Inlichtingen en verantwoording Stuurgroep 1. Een lid van de Stuurgroep is verantwoording schuldig aan het college dat hem of haar heeft aangewezen in verband over het door hem of haar in de Stuurgroep gevoerde bestuur, en verstrekt aan dat college of het vertegenwoordigende orgaan van de betreffende deelnemer de gevraagde inlichtingen. 2. De Stuurgroep geeft de vertegenwoordigende organen uit eigen beweging alle inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. De in dit artikel bedoelde inlichtingen worden schriftelijk en zo spoedig mogelijk verstrekt. Hoofdstuk 5 – Financiën Artikel 12 – Begroting en bijdrage 1. De Stuurgroep stelt jaarlijks vóór 1 juli de begroting vast voor het eerstvolgende begrotingsjaar. 2. In de begroting wordt door de Stuurgroep de financiële bijdrage per deelnemer opgenomen. 3. De Stuurgroep zendt jaarlijks vóór 1 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de vertegenwoordigende organen. Artikel 13 – Jaarrekening 1. De Stuurgroep stelt jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekening over het afgelopen jaar vast. 2. Indien bij de jaarrekening een tekort ontstaat, passen de deelnemers het tekort naar rato bij, uitgaande van de verdeling bedoeld in artikel 12 lid 2.
3.
Indien bij de jaarrekening een batig saldo bestaat, wordt dit batig saldo toegevoegd aan de algemene reserve. Deze reserve mag ten hoogste omvatten 10 procent van de begroting van het jaar. Indien en voor zover toevoeging van een batig saldo zou leiden tot overschrijding van het voornoemde percentage, wordt dat deel van het batig saldo uitgekeerd aan de deelnemers op basis van het bepaalde in artikel 12, lid 2. 4
Hoofdstuk 5 – Archivering Artikel 14 – Archief 1. De Stuurgroep is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van zichzelf, de ambtelijke adviesgroep en het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant en sluit voor de uitvoering daarvan aan bij de regeling omtrent de zorg voor archiefbescheiden van de deelnemer die krachtens de Dienstverleningsovereenkomst de ondersteuning biedt aan het gemeenschappelijk orgaan. 2. De voorzitter van de Stuurgroep is belast met het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid. 3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst de Stuurgroep een archiefbewaarplaats aan, zijnde de archiefbewaarplaats van de deelnemer die krachtens de Dienstverleningsovereenkomst de ondersteuning biedt aan het gemeenschappelijk orgaan. 4. De beheerder van de in het vorige lid aan te wijzen archiefbewaarplaats oefent overeenkomstig de regeling als bedoeld in het eerste lid toezicht uit op het beheer van de in het eerste lid bedoelde archiefbescheiden voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
Geschillen, evaluatie, wijziging, opheffing, toetreding en uittreding Artikel 15 – Geschillen Op geschillen tussen de colleges onderling of tussen de colleges en de Stuurgroep in verband met de samenwerking binnen het gemeenschappelijk orgaan is artikel 28 van de wet van toepassing. Artikel 16 – Evaluatie De werking van deze regeling wordt ten minste eens per vijf jaar geëvalueerd door de Stuurgroep. In het kader van de evaluatie worden de colleges en de vertegenwoordigende organen in de gelegenheid gesteld om gezichtspunten naar voren te brengen. Artikel 17 – Wijziging en opheffing 1. De regeling kan worden gewijzigd door daartoe strekkende besluiten van alle colleges. 2. Het gemeenschappelijk orgaan wordt op voorstel van de Stuurgroep opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges. Het voorstel van de Stuurgroep noemt de datum van opheffing en bevat een regeling van de gevolgen van de opheffing. Artikel 18 – Toetreding en uittreding 1. Een college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan tot de onderhavige regeling toetreden krachtens een in overeenstemming met de wet genomen besluit. 2. Voor toetreding is de instemming van de Stuurgroep vereist. Het instemmingsbesluit bepaalt in ieder geval de dag van toetreding. De Stuurgroep kan voorwaarden verbinden aan de toetreding. 3.
De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 1 januari van het tweede kalenderjaar volgend op de datum van het uittredingsbesluit. 5
4.
5.
De uittredende deelnemer is een uittreedsom verschuldigd die overeenkomt met de bijdrage die voor hem is opgenomen in de begroting voor het jaar voorafgaand aan dat waarin de uittreding in werking treedt, vermeerderd met de eventuele bijdrage van de deelnemer als bedoeld in artikel 13 lid 2. Indien sprake is van meerjarige verplichtingen die mede ten behoeve van de uittredende deelnemer zijn aangegaan en waaraan aan de uittredende deelnemer toerekenbare kosten zijn verbonden die voortduren na het moment waarop de uittreding in werking treedt, wordt de uittreedsom verhoogd met een daarmee corresponderend bedrag. De Stuurgroep kan besluiten tot opheffing van de regeling. Bij opheffing vindt de financiële afwikkeling plaats met inachtneming van de in artikel 12 lid 2 genoemde maatstaf.
Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen Artikel 19 – Inwerkingtreding De regeling treedt in werking op 1 januari 2027 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Artikel 20 – Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: “Gemeenschappelijke Regeling voor het Gemeenschappelijk Orgaan Regiovervoer Midden-Brabant”. Toelichting Met de onderhavige gemeenschappelijke regeling wordt een gemeenschappelijk orgaan ingesteld (in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wgr) ten behoeve van de besluitvorming omtrent het regiovervoer. De instelling van het gemeenschappelijk orgaan volgt op de juridische audit van het regiovervoer, waaruit de aanbeveling is gevolgd om een duidelijke keuze te maken voor een samenwerkingsvorm en deze keuze vast te leggen. De rechtsvorm van het gemeenschappelijk orgaan sluit aan bij de door de deelnemers gewenste organisatiestructuur, te weten een bestuurlijk lichte vorm van samenwerking ten aanzien van één specifieke beleidstaak, waarbij ruimte bestaat voor flexibiliteit. Het gemeenschappelijk orgaan beschikt niet over rechtspersoonlijkheid en kan daardoor niet zelfstandig deelnemen aan het rechtsverkeer. Het kan daarom geen eigen personele organisatie inrichten; de uitvoering van de beslissingen van het gemeenschappelijk orgaan is opgedragen aan de deelnemers en hun medewerkers.
Het gemeenschappelijk orgaan beschikt wel over financiële autonomie en stelt een eigen begroting vast. Artikelsgewijze toelichting Artikel 3 Ingevolge artikel 10 lid 3 van de wet dient de regeling een plaats van vestiging aan te wijzen. De plaats van vestiging is relevant voor de toepassing van wettelijke bepalingen, onder meer ten aanzien van de bekendmaking van de regeling op grond van artikel 26 van de wet. Het aanwijzen van een vestigingsplaats laat onverlet dat er ook op andere locaties gewerkt kan worden. Artikel 4 In het kader van de uitvoering van de taken van het gemeenschappelijk orgaan zullen ook feitelijke werkzaamheden moeten worden verricht. Het gaat dan bijvoorbeeld over het faciliteren van de samenwerking door daarvoor ruimten en voorzieningen ter beschikking te stellen, en om het voeren van de financiële administratie. De deelnemers hebben voor ogen dat hiertoe een Dienstverleningsovereenkomst wordt aangegaan. Naast de deelnemers, kunnen ook afspraken 6
worden gemaakt met andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in het bijzonder de provincie NoordBrabant. Artikel 5 tot en met 8 Bij de Stuurgroep berust het bestuurlijk primaat. In de Stuurgroep zijn alle deelnemers vertegenwoordigd; zij bestaat uit één vertegenwoordiger per deelnemer. In de Stuurgroep vindt alle formele besluitvorming van het samenwerkingsverband plaats. De Stuurgroep is eindverantwoordelijk voor het bereiken van de doelstellingen en de activiteiten die aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen. Tot de taken van de Stuurgroep behoort het vaststellen van beleid op het gebied van het regiovervoer. Tot de taken van de Stuurgroep behoort daarnaast het besluiten tot het sluiten van overeenkomsten met betrekking tot de uitvoering van het regiovervoer. Dit doet de Stuurgroep namens de deelnemers, die als publiekrechtelijke rechtspersonen formeel de contractspartijen zijn. Het gemeenschappelijk orgaan heeft immers geen rechtspersoonlijkheid. Deze taken en daarmee gemoeide bevoegdheden hebben tevens betrekking op de overeenkomsten inzake regiovervoer die op dit moment reeds van kracht zijn. De Stuurgroep is niet bevoegd tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften, zoals verordeningen. Evenmin is de Stuurgroep bevoegd te beslissen op aanvragen van burgers.
Waar in het artikel wordt gesproken over ‘derden’, wordt in het bijzonder gedoeld op vertegenwoordigers van de provincie Noord-Brabant. Als uitgangspunt geldt dat (afgevaardigden van) de provincie Noord-Brabant door de Stuurgroep in de gelegenheid worden gesteld om aanwezig te zijn bij vergaderingen van de Stuurgroep. Om te kunnen beoordelen of deze aanwezigheid wenselijk is, kan de Stuurgroep bijvoorbeeld vooraf de agenda van de betreffende vergadering toezenden aan de provincie Noord-Brabant. Artikel 9 De ambtelijke adviesgroep is belast met de advisering van de Stuurgroep. Zij wordt gevormd door (beleids)medewerkers van de deelnemers, en door hen aangewezen. De ambtelijke adviesgroep heeft geen beslisbevoegdheden. Ook de ambtelijke adviesgroep kan derden uitnodigen om deel te nemen aan vergaderingen, zoals in het bijzonder (afgevaardigden van) de provincie Noord-Brabant. Artikel 10 Gezien de complexiteit van de regelgeving en de ontwikkelingen die zich tussen bijeenkomsten van de Stuurgroep kunnen voordoen bestaat er behoefte aan ondersteuning in het dagelijks bestuur. Deze rol wordt vervuld door het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant, dat de schakel vormt tussen de bestuurlijke aansturing van de samenwerking door de Stuurgroep en de uitvoering van diens beslissingen.
Met de genoemde ‘derden’ wordt in het bijzonder gedoeld op vertegenwoordigers van de provincie Noord-Brabant. Het Bureau Regiovervoer Midden-Brabant is bedoeld als uitvoeringsorganisatie los van de deelnemers en draagt zorg voor de ‘vertaling’ van de beleidsmatige beslissingen naar een coherente gezamenlijke taakuitoefening. Artikel 13 7
De Stuurgroep is bevoegd tot het vaststellen van de jaarrekening en de begroting. Dit kan ook een zogenaamde ‘nul-jaarrekening’ en ‘nul-begroting’ zijn.
8