Beantwoording onderzoeksvragen, conclusie en aanbevelingen
Tekst van het document
Beantwoording onderzoeksvragen Centrale onderzoeksvraag Welke middelen zet de gemeente Oisterwijk in om armoede en sociale ongelijkheid tegen te gaan en in hoeverre zijn deze doeltreffend en doelmatig?
In de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid staat de term ‘bestaanszekerheid’ centraal. Armoede gaat in de visie van de gemeente niet alleen om de financiële situatie van inwoners, maar hangt ook samen met onderwerpen als eenzaamheid en gezondheid. De gemeente wil een ruimhartig minimabeleid voeren en heeft dan ook een aanzienlijk aantal minimaregelingen voor inwoners ingericht. Daarnaast zet de gemeente diverse middelen in om de bestaanszekerheid van inwoners te versterken. Zo is een centraal aanspreekpunt voor inwoners met problemen op dit gebied ingericht, het Loket Wegwijs. Daarnaast is er in de gemeentelijke aanpak veel aandacht voor preventie (maatregelen die moeten voorkomen dat problemen ontstaan) en vroegsignalering (maatregelen die helpen om problemen tijdig in beeld te krijgen bij de gemeente). Centrale doelen van de gemeente op het gebied van bestaanszekerheid zijn: sociale inclusie waarbij inwoners mee kunnen doen; een duidelijk en begrijpelijk beleid; sociale veerkracht en integrale samenwerking tussen alle betrokken organisaties. Deze doelen worden voor een belangrijk deel behaald, of er worden maatregelen ingezet om de doelen op termijn ook te gaan bereiken. Tegelijkertijd zijn er ook knelpunten. Zo is het bereik van de diverse minimaregelingen laag, hoewel dit in andere gemeenten in Nederland niet anders is.
Ook is het de vraag of inwoners met een minder groot sociaal netwerk, een relatief lager inkomen en lager opleidingsniveau voldoende in beeld zijn. Daarnaast zijn er kansen om de samenwerking met maatschappelijke partners te versterken. Deelvragen beleid 1. Welke ambities en doelstellingen heeft de gemeente vastgesteld ten aanzien van armoede en sociale ongelijkheid?
De belangrijkste ambitie van de gemeente Oisterwijk ten aanzien van armoede en sociale ongelijkheid is het streven dat iedereen kan meedoen, en dat daarmee sociale ongelijkheid zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Oisterwijk zet in op inclusief, dichtbij, integraal en duidelijk en begrijpelijk zijn. Dit houdt bijvoorbeeld in dat het duidelijk moet zijn voor een inwoner waar hij of zij terecht kan met een hulpvraag. Ook wordt de ambitie benoemd om hulp zo dichtbij mogelijk te zoeken; het liefst in het eigen netwerk van de inwoner en anders in de buurt. De visie van de gemeente Oisterwijk is ‘samenredzaam’ zijn: samen ervoor zorgen dat problemen opgelost worden, zodat iedereen kan ‘meedoen’. Daarnaast streeft de gemeente Oisterwijk ernaar dat geen enkele inwoner een inkomen onder het bijstandsniveau heeft. 2. Welke (beleids-)instrumenten past de gemeente toe om armoede en sociale ongelijkheid tegen te gaan?
Gemeente Oisterwijk zet verschillende minimaregelingen als instrumenten in om armoede en ongelijkheid tegen te gaan. In de folder minimaregelingen staat een opsomming van de meest
voorkomende instrumenten: de collectieve zorgverzekering, individuele inkomenstoeslag, bijzondere bijstand, declaratiefonds en studietoeslag. Diverse minimaregelingen zijn ook uitgewerkt in beleidsregels, zoals de beleidsregels voor bijzondere bijstand, de verordening declaratiefonds en het beleidsplan schuldhulpverlening. 3. Hoe zijn in de gemeente rollen en verantwoordelijkheden verdeeld in de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid?
In de gemeente Oisterwijk is de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid belegd bij het team Sociaal Domein. In de aanpak is er een belangrijke rol weggelegd voor maatschappelijke partners. Het Loket Wegwijs is een centrale plek waar inwoners met problemen op het gebied van armoede en ongelijkheid terecht kunnen. Het Loket Wegwijs is een samenwerking tussen de gemeente, MEE en Farent. Er zijn korte lijnen tussen de beleidsmedewerkers en de medewerkers/consulenten die direct in contact staan met de inwoners. Deelvragen uitvoering en praktijk 4. Hoe werken betrokken gemeentelijke afdelingen samen op het gebied van armoede en sociale ongelijkheid?
Loket Wegwijs is de centrale toegang van de gemeente Oisterwijk. Hier werken verschillende afdelingen van de gemeente samen met partners. Uit de interviews blijkt dat er sprake is van een hecht team binnen de organisatie dat elkaar regelmatig spreekt bij periodieke overleggen, zowel intern als met maatschappelijke partners. Problemen die zich in de uitvoeringspraktijk voordoen worden vaak gaandeweg opgelost. Een voorbeeld hiervan is de regeling omtrent tandartskosten. Deze is tot stand gekomen naar aanleiding van signalen van inwoners. Destijds is intern overlegd of inwoners een tegemoetkoming konden krijgen van de gemeente. De Participatiewet biedt niet de gelegenheid om zorgkosten te vergoeden, deze regeling betreft nu nog een werkafspraak die nog nader moet worden uitgewerkt in een beleidsregel. 5. Hoe werkt de gemeente samen met maatschappelijke partners in de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid? Hoe is die samenwerking georganiseerd?
De gemeente werkt binnen het Loket Wegwijs samen met MEE en Farent. Het Loket gaat over allerlei vraagstukken binnen de Wmo, Jeugdwet en binnen het domein werk en inkomen. Medewerkers van MEE en Farent van team Entree worden gezien als collega's, niet als externe partners waarmee wordt samengewerkt. Dat zegt iets over de goede samenwerking. De gemeente ziet zichzelf als een aanjager of regisseur van het netwerk met maatschappelijke partners omtrent bestaanszekerheid. Deze netwerksamenwerking levert ook veel op, met name qua kennisdeling. Ten aanzien van schuldhulpverlening voert de gemeente een aantal keer per jaar overleg met Team Vroeg Eropaf (van Loket Wegwijs), Over Rood en Kredietbank Nederland. Er wordt daarbij o.a. gekeken hoeveel inwoners een beroep doen op schuldhulpverlening en in hoeverre er sprake is van doorstroom. Zowel de gemeente als de maatschappelijke partners ervaren de samenwerking als goed.
6. Welke inspanning wordt geleverd door gemeente en maatschappelijk partners om alle inwoners in beeld te krijgen die gebruik zouden moeten en kunnen maken van regelingen op het gebied van armoede en sociale ongelijkheid?
Inwoners die gebruik zouden moeten en kunnen maken van regelingen op het gebied van armoede en sociale ongelijkheid komen op verschillende manieren in beeld bij de gemeente Oisterwijk. Maatschappelijke partners spelen hier een grote rol in. Stichting Sociaal Huis Oisterwijk organiseert activiteiten en momenten om gezamenlijk te eten. Op deze manier wordt het vertrouwen van de doelgroep gewonnen, waardoor verborgen armoede beter gevonden wordt. Ook Farent zet zich in op het gebied van vroegsignalering. De gemeente informeert inwoners over minimaregelingen via een folder, waarin op een laagdrempelige manier wordt uitgelegd wie gebruik kunnen maken van minimaregelingen en hoe de regelingen aangevraagd kunnen worden. In de folder wordt verwezen naar de website van de gemeente en Loket Wegwijs, voor eventuele hulp bij een aanvraag. In Oisterwijk nemen maatschappelijke partners veel verantwoordelijkheid bij het in beeld krijgen van inwoners. Een mogelijk risico van deze situatie is de afhankelijkheid van individuele vrijwilligers bij de maatschappelijke partners. Als een vrijwilliger van een maatschappelijke partner minder actief wordt of wegvalt, heeft dit veel gevolgen voor het contact tussen de doelgroep van het armoede- en sociale ongelijkheidbeleid en de maatschappelijke partners en de gemeente. 7.
Hoe ziet de toegang tot de gemeentelijke dienstverlening ten aanzien van armoede en sociale ongelijkheid er vanuit het perspectief van de cliënt uit?
Er is een centrale toegang in de vorm van Loket Wegwijs. Inwoners worden zo veel mogelijk via Loket Wegwijs verder geholpen. Dit werkt echter vooral goed voor het deel van de doelgroep dat zelfstandig hulp kan zoeken en bereid is om hulp te vragen. Voor eenzamen of zorgmijders is het een stuk lastiger om toegang te krijgen tot de juiste ondersteuning. De gemeente en maatschappelijke partners hebben onderling goed contact en verwijzen naar elkaar door. Op die manier zijn de partners ook een toegang tot de gemeentelijke dienstverlening. De gemeente heeft een ‘sociale kaart’ opgesteld: een intern werkdocument dat medewerkers van de gemeente kunnen gebruiken om te bepalen hoe een hulpvraag van een inwoner opvolging moet krijgen. In de sociale kaart is per onderwerp een aantal mogelijke situaties uitgewerkt, waarbij wordt aangegeven naar welke organisatie de betrokken inwoner het beste kan worden doorverwezen en welke informatie de medewerker hierover aan de inwoner kan geven. Door middel van de sociale kaart kunnen inwoners door medewerkers goed worden geïnformeerd en meegenomen in de te zetten stappen. 8. In hoeverre worden eenzaamheid onder en de gezondheid van de Oisterwijkse inwoners door de gemeente en haar samenwerkingspartners betrokken in de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid?
Financiële zorgen gaan in veel gevallen gepaard met eenzaamheid en gezondheidsproblemen. Inwoners die te maken hebben met eenzaamheid en/of gezondheidsproblemen zijn lastig in beeld te brengen voor gemeenten, in Oisterwijk is dat niet anders. Inwoners uit deze doelgroep hebben vaak geen eigen netwerk waar ze een beroep op kunnen doen voor een hulpvraag. Ook heeft deze doelgroep meer problemen met het vinden van online informatie. Dit maakt dat het voor hen erg lastig is om erachter te komen waar ze terecht kunnen voor de juiste hulp. Als gevolg daarvan komen
zij op afstand te staan van de samenleving. Daarnaast is er het element van schaamte over de situatie, waar deze doelgroep vaak mee kampt. Zowel de gemeente als maatschappelijke partners geven aan dat het lastig is inwoners te bereiken die met eenzaamheid of langdurige gezondheidsproblemen te maken hebben. Soms wordt er echter een oplossing gevonden in laagdrempelig contact. Zo wordt door Stichting Sociaal Huis het initiatief genomen om mensen uit de doelgroep te verbinden door bijeenkomsten waar samen wordt gegeten, en kan van daaruit de situatie verder in beeld worden gebracht. Daarmee wordt echter slechts een gedeelte van de doelgroep bereikt. 9. Wat zijn ervaren knelpunten in de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid, en wat gaat er goed?
Er is beperkte zekerheid over het bereik van de regelingen, mede omdat een deel van de doelgroep niet in beeld is. Informatie hierover wordt overzichtelijk gedeeld via de monitor Sociaal Domein. Er is echter geen actueel dashboard. De gemeente vertrouwt sterk op de onderlinge samenwerking en korte lijntjes tussen de medewerkers en maatschappelijke partners. Deze weten elkaar goed te vinden. Er zijn echter veel wisselingen geweest binnen het ambtenarenbestand, wat invloed heeft gehad op de continuïteit van de samenwerking. Er ligt een risico in deze manier van werken. Wanneer bepaalde personen met een spilfunctie wegvallen is de samenwerking niet altijd ingebed in vastgelegde afspraken of processen en moeten onderlinge contacten opnieuw worden opgebouwd. De gemeente is aangesloten bij regionaal samenwerkingsverband Maatpact. Dit biedt vooral adviezen en is niet geschikt om snel geld vrij te maken. Partners geven aan dat het effectiever is om een fonds aan te schrijven. 10. Welke mogelijkheden voor de aanpak van armoede en sociale ongelijkheid worden momenteel niet door de gemeente opgepakt?
De gemeente Oisterwijk maakt momenteel geen gebruik van de mogelijkheid om ervaringsdeskundigen in te zetten: inwoners die zelf te maken hebben gehad met armoede en ongelijkheid die meehelpen om inwoners in beeld te krijgen bij de gemeente. Ook hanteert de gemeente momenteel geen wijk- of dorpsgerichte aanpak in het armoedebeleid. Er liggen kansen om hier in de komende jaren meer werk van te maken. Deelvragen monitoring, evaluatie en lessen 11. Hoe en in welke mate heeft de gemeente inzicht in het behalen van doelen?
De gemeente heeft inzicht in het bereik van minimaregelingen via de KWIZ-monitor en de monitor Sociaal Domein. Daarnaast worden binnen Loket Wegwijs gegevens vastgelegd om in beeld te brengen hoeveel er wordt doorverwezen en wat voor vragen er binnenkomen. De gemeente Oisterwijk verzamelt op deze manier concrete data over de uitvoering van het beleid. De gegevens van (maatschappelijke) partners zijn hier echter nog niet in opgenomen. Ook is een deel van de doelgroep van de regelingen nog niet in beeld. Dit kan een vertekend beeld schetsen van het bereik.
12. Hoe wordt kwantitatieve en kwalitatieve informatie gebruikt in de analyse van de effectiviteit van het beleid?
De gemeente verzamelt data over de uitvoering van het beleid. Dit wordt ingezet voor concrete doelen zoals het afschalen van intakes binnen Loket Wegwijs. Er kan echter nog een stap gezet worden als het gaat om data gedreven werken. Dit zou bijvoorbeeld betekenen dat de beschikbare data wordt gebruikt om vaker bij te sturen op de uitvoering en het gevoerde beleid. 13. In hoeverre bereikt de gemeente de door haar gestelde doelen voor de aanpak van armoede en kansenongelijkheid en hoe doelmatig is die aanpak?
Uit de kwantitatieve monitoring via de KWIZ-monitor en de monitor Sociaal Domein komt naar voren dat het bereik van de verschillende minimaregelingen kan worden vergroot. Oisterwijk is daar niet uniek in en volgt hierin het landelijk beeld over het bereik van minimaregelingen. Een belangrijke ambitie van de gemeente is meer ‘datagedreven werken’: op basis van monitoringsresultaten actief bijsturen in het gevoerde beleid. Om die reden wil de gemeente gebruik gaan maken van dashboards voor de Participatiewet en de Wet Inburgering, zodat er meer inzicht komt over de doelmatigheid van het beleid. In opdracht van de gemeente heeft KWIZ in beeld gebracht welke extra kosten worden gemaakt als de gemeente het bereik van de regelingen wil verhogen. 14. Welke lessen zijn voor de gemeente te formuleren voor de toekomstige aanpak van armoede en kansenongelijkheid?
Hiervoor verwijzen we u naar de conclusies en aanbevelingen. Deelvragen rol van de gemeenteraad 15. In hoeverre heeft de gemeenteraad voldoende zicht op de effectiviteit en efficiëntie van het beleid om zijn kaderstellende en controlerende taken uit te kunnen voeren? 16. Hoe vervult de raad zijn kaderstellende en controlerende rol op dit moment als het gaat om armoede en kansenongelijkheid, en hoe zou die rol er in de toekomst uit moeten zien?
De gemeenteraad van Oisterwijk vergadert momenteel vaker over het ruimtelijk domein dan over het sociaal domein. Ook worden de raadsinstrumenten weinig ingezet voor het sociaal domein: tussen 2016 en 2023 zijn er slechts drie moties, vier toezeggingen en geen schriftelijke vragen ingediend met betrekking op armoede, sociale ongelijkheid en eenzaamheid. Het college verzekert de raad regelmatig dat het goed gaat in Oisterwijk; en de raad vertrouwt het college genoeg om dit aan te nemen. Vertrouwen is iets moois, maar er zijn mogelijkheden om als raad meer positie in te nemen op het gebied van armoede en sociale ongelijkheid. In de aanbevelingen wordt hier verder op ingegaan. De informatievoorziening aan de raad is goed op orde. In 2023 is er bijvoorbeeld een werkbezoek aan de Voedselbank georganiseerd. Daarnaast wordt jaarlijks de Sociale Dialoog georganiseerd, waar de
raad in gesprek kan gaan met inwoners, maatschappelijke partners en iedereen die belangstelling heeft voor het sociaal domein.
Conclusies en aanbevelingen De onderzoekers hebben tijdens het onderzoek gesproken met ambtenaren, vrijwilligers en professionals en zijn onder de indruk van de inzet van al deze betrokkenen. Ook is gesproken met raadsleden en de portefeuillehouder. Onderstaande conclusies en aanbevelingen richten zich op het verbeteren van de uitvoering en het beleid op het gebied van armoede en ongelijkheid, en richt zich geenszins op de gepleegde inzet. De conclusies zijn ingedeeld aan de hand van de onderzoeksaspecten. In de conclusies komen we ook terug op Dennis, Shannah en Omar: drie (fictieve) personen die te maken hebben met armoede en ongelijkheid. Zij worden nader voorgesteld in de nota van bevindingen. Zouden zij in de gemeente Oisterwijk geholpen worden? Of zitten er knelpunten in de wijze waarop de gemeente werkt?
Conclusies 1) Oisterwijk heeft met een ambitieus beleid flinke stappen gezet om de bestaanszekerheid van inwoners te versterken Sinds 2019 staan bestaanszekerheid en samenredzaamheid centraal in de Oisterwijkse aanpak. De gemeente heeft in de afgelopen jaren veel stappen gezet die bedoeld zijn om de bestaanszekerheid van inwoners te vergroten. De gemeente wil een ruimhartig minimabeleid voeren en heeft dit vertaald in een groot aantal minimaregelingen. Er is een integraal beleidskader opgesteld voor het sociaal domein, waarin het uitgangspunt is dat mensen die hulp nodig hebben worden bereikt en kunnen meedoen in de samenleving. Het meest zichtbare resultaat is het Loket Wegwijs als centraal aanspreekpunt voor inwoners met ondersteuningsvragen. Ook is er gewerkt aan een integrale werkwijze waarbij verschillende medewerkers van de gemeente en maatschappelijke partners veel samen optrekken. Kortom: er wordt door de gemeente en maatschappelijke partners veel gedaan om inwoners te informeren, te adviseren en te ondersteunen bij vragen of problemen rond bestaanszekerheid. 2) Het beroep van de gemeente op samenredzaamheid heeft een keerzijde De gemeente Oisterwijk wil ruimhartig zijn, maar benadrukt ook de zelfredzaamheid van inwoners ook wel samenredzaamheid.
Een groot deel van de Oisterwijkse inwoners kan een beroep doen op de samenredzaamheid waar de gemeente in haar beleid veel de nadruk op legt. Veel Oisterwijkers zijn in staat om hulp te vinden binnen het eigen netwerk of weten de weg te vinden naar de juiste instanties. Tegelijkertijd zijn er ook inwoners voor wie dit niet geldt: inwoners die minder beroep kunnen doen op een sociaal netwerk door economische of sociale uitdagingen. Deze inwoners hebben ook vaak te maken met gevoelens van schaamte of eenzaamheid en zijn minder snel geneigd om hulp te vragen, laat staan om een beroep te doen op de overheid. De sociale samenhang en de samenredzaamheid van inwoners kan voor deze groep mensen worden overschat. De gemeente en maatschappelijke partners hebben aandacht voor deze inwoners, maar worstelen ermee hoe die inwoners het beste bereikt kunnen worden. Dit is een uitdaging die ook in andere gemeenten speelt. Hoe gaat het nu met Shannah? “Ik ben Shannah, 26 jaar, zeven maanden zwanger en woon in een huis met slechte isolatie met een hoge energierekening waardoor ik mijn rekeningen niet meer kan betalen. De kraamzorg zegt dat mijn huis niet goed is voor de baby. Ik weet niet waar
ik naartoe moet. Ik heb geen contact met mijn ouders en ook niet met de vader van de baby.“ In de situatie van Shannah spelen er meerdere complexe problemen tegelijkertijd. Wanneer Shannah zich bij het Loket Wegwijs met haar situatie zou melden, zijn er verschillende mogelijkheden om haar te helpen. Dat is wel onder meer afhankelijk van haar precieze woonsituatie. Bij een sociale huurwoning is het in overleg met de wooncorporatie mogelijk om de kosten (gedeeltelijk) te vergoeden. Bij een particuliere huurwoning kan eventueel een beroep gedaan worden op diverse regelingen. In beperkte gevallen past de gemeente maatwerk toe, waardoor Shannah mogelijk ook in dat geval geholpen kan worden.
3) De samenwerking tussen de gemeente en maatschappelijke partners is intensief en gaat goed, maar kent ook kwetsbaarheden De gemeente werkt in de aanpak voor bestaanszekerheid nauw samen met maatschappelijke partners. De onderlinge contacten en samenwerking worden door zowel de gemeente als maatschappelijke partners als positief ervaren. Er zijn korte lijntjes en periodiek vindt er overleg plaats over de gezamenlijke aanpak. De samenwerking tussen de gemeente en de maatschappelijke partners bevat tegelijkertijd kwetsbaarheden:
De kennis en ervaring over de huidige aanpak is belegd bij een beperkt aantal personen. Op het moment dat medewerkers of vrijwilligers wegvallen, of wanneer er veel persoonlijke wisselingen zijn, valt een groot deel van die kennis en ervaring weg. Het is daarom belangrijk om als gemeente en maatschappelijke partners maatregelen te nemen die de continuïteit van kennis en ervaring voldoende borgen. Maatschappelijke partners van de gemeente hebben verschillende rollen, doelen en werkwijzen. Er is de afgelopen jaren gewerkt aan integraliteit en eenduidigheid, maar het is de vraag of de onderlinge bekendheid, afstemming en samenwerking optimaal is. De gemeente kan een rol spelen als facilitator van de onderlinge samenwerking. De gemeente doet een beroep op maatschappelijke partners als brug tussen de gemeenschap en de overheid. Tegelijkertijd is het de vraag of inwoners die lastig door de gemeente bereikt worden wél bij maatschappelijke partners aankloppen voor hulp. Met name inwoners die te maken hebben met eenzaamheid of schaamte over hun situatie zijn ook voor maatschappelijke partners lastig in beeld te krijgen. Hoe gaat het nu met Omar? “Mijn naam is Omar, 74 jaar, en ik heb een klein pensioentje. Ik kan niet zo goed met geld omgaan en heb al best veel schulden gemaakt. Er zijn al weleens mensen van de gemeente bij mij langs geweest maar meestal stuur ik ze snel weer weg.
Mijn Nederlands is niet zo goed.” Omar heeft moeite met de Nederlandse taal en hij heeft weinig vertrouwen in de overheid. De communicatie van de gemeente Oisterwijk is in het Nederlands, vooral lezen is voor Omar een uitdaging. De gemeente Oisterwijk heeft aandacht voor begrijpelijke communicatie die past bij verschillende doelgroepen. Omar is een voorbeeld van één van de inwoners die nu buiten het zicht van de gemeente vallen en ondanks de diverse regelingen niet worden bereikt. Omar zou geholpen kunnen worden door een ervaringsdeskundige die actief is in zijn wijk. Hij kan dan op een laagdrempelige manier hulpvragen stellen aan iemand die hij wel durft te vertrouwen.
4) Het bereik van de minimaregelingen kan worden vergroot, maar dan moeten er wel keuzes worden gemaakt Oisterwijk doet veel om in beeld te krijgen of de aanpak voor bestaanszekerheid ook echt werkt. Door middel van eigen evaluaties en extern kwantitatief onderzoek zijn verschillende verbeterpunten naar voren gekomen. Het meest zichtbare verbeterpunt is het bereik van de minimaregelingen. Hoewel het bereik van de energietoeslag naar schatting hoog is (81 procent van de doelgroep), wordt met de overige regelingen naar schatting (veel) minder dan de helft van de potentiële doelgroep bereikt. Dit komt overeen met het landelijke beeld dat minimaregelingen vaak een relatief laag bereik hebben. Het bereik kan mogelijk vergroot worden, bijvoorbeeld door een hogere inkomensgrens te hanteren of door bepaalde regelingen automatisch toe te kennen aan inwoners die aanspraak maken op bijstand. Hier gaan echter wel kosten mee gepaard.
Hoe gaat het nu met Dennis? “Mijn naam is Dennis. Ik ben een alleenstaande man van 32 met een dochter van 11 en ben een halfjaar geleden ontslagen. Ik had weinig spaargeld en ontvang geen uitkering. Ik heb nog geen nieuwe baan gevonden. Ik heb al een paar maanden mijn huur en energierekening niet betaald. Een incassobureau heeft me al twee brieven gestuurd. Ik heb weinig vertrouwen in de overheid en krijg hier heel veel stress van. Kan de gemeente mij helpen?” Bij inwoners die net als Dennis beperkt vertrouwen in de overheid hebben is het belang dat de gemeente hem op een zorgvuldige manier ondersteunt. Dennis zou in Oisterwijk in eerste instantie door een klantmanager werk en inkomen en een participatiecoach worden geholpen. Dennis wordt dan begeleid bij het vinden van een baan en er wordt schuldhulpverlening geboden. Voor de dochter van Dennis kan een beroep worden gedaan op verschillende regelingen, zoals stichting leergeld en het declaratiefonds voor sport. Met de Oisterwijkse aanpak kunnen mensen als Dennis zeker geholpen worden, mits zij tijdig in beeld komen bij de gemeente.
5) De raad wordt actief meegenomen in de aanpak, maar worstelt met de eigen rol De huidige aanpak op het gebied van bestaanszekerheid wordt door de raad gesteund. Dit blijkt ook uit de initiatieven die de raad in de vorm van moties heeft genomen om de ruimhartigheid van het beleid te vergroten. De raad wordt door het college en de organisatie actief geïnformeerd over de aanpak, onder andere via de Sociale Dialoog en de monitor Sociaal Domein. Tegelijkertijd worstelt de raad met de eigen rol bij dit onderwerp. De aandacht van de raad gaat momenteel voornamelijk uit naar het ruimtelijk domein, waardoor het sociaal domein minder aandacht krijgt. Dit komt ten dele doordat de raad op dit gebied meer op afstand staat van de uitvoering en het lastig vindt om inzicht te krijgen in de knelpunten van het beleid en vervolgens bij te sturen.
Aanbevelingen Aanbevelingen aan de raad 1) Voer het onderlinge gesprek over de prioriteiten voor bestaanszekerheid De raad heeft in 2022 (in het beleidsplan schuldhulpverlening) voor het laatst overkoepelende kaders gesteld op het gebied van bestaanszekerheid. Er is een wens bij de raad om meer inzicht te krijgen in het gevoerde beleid. De eerste stap die de raad daarin kan zetten is het onderlinge gesprek aangaan over bestaanszekerheid. Vragen die daarbij aan de orde kunnen komen zijn: Wat zijn voor de raad de belangrijkste prioriteiten op dit gebied? Is daar in de huidige aanpak voldoende aandacht voor? Hoe kijkt de raad naar het huidige bereik van de minimaregelingen? Als de raad wil dat het bereik wordt vergroot, op welke manier zou dat dan moeten? En welke investering zou daarmee gepaard moeten gaan? Voer vervolgens het gesprek met het college over hoe de raadsprioriteiten gerealiseerd kunnen worden. 2) Ga met het college in gesprek over de gewenste informatievoorziening over bestaanszekerheid De raad wordt momenteel al op veel manieren geïnformeerd over de voortgang van het beleid. De Sociale Dialoog en de monitor Sociaal Domein zijn in ieder geval effectieve middelen om te informeren en aanleiding om het onderlinge gesprek te voeren. Uit dit onderzoek komt de vraag naar voren of die informatievoorziening aansluit bij de wensen van de raad.
Voer daarom met het college het gesprek over welke vormen van informatievoorziening passen bij de informatiebehoefte van de
raad. Het gaat dan met name over hoe de informatievoorziening zo kan worden toegespitst dat deze antwoorden geeft op de vragen die er momenteel bij de raad leven. Vraag het college om in de informatievoorziening vooral stil te staan bij de prioriteiten van de raad voor bestaanszekerheid. Een periodieke update (door de wethouder, de organisatie of maatschappelijke partners) in een raadsontmoeting, bijvoorbeeld eens per kwartaal, kan een mogelijke aanvulling zijn op de huidige informatievoorziening en vergroot de betrokkenheid van de raad.
3) Durf gebruik te maken van het raadsinstrumentarium en focus daarbij op de prioriteiten voor de raad De raad heeft tot nu toe beperkt gebruik gemaakt van het raadsinstrumentarium op het gebied van bestaanszekerheid. Het raadsinstrumentarium; het stellen van schriftelijke vragen en het bijsturen met moties en amendementen; kan bij uitstek het middel zijn voor de raad om meer inzicht in en grip op het beleid voor bestaanszekerheid te krijgen. Dit wil niet zeggen dat de raad volgens een bepaalde frequentie schriftelijke vragen zou moeten stellen of amendementen en moties indienen. Zet het instrumentarium vooral in met een focus op wat voor de raad prioriteit heeft: stel vooral daar (nadere) vragen over of stuur met amendementen of moties bij wanneer er op het gebied van die prioriteiten knelpunten zijn. Aanbevelingen aan het college 4) Neem gericht regie in de samenwerking met maatschappelijke partners Maatschappelijke partners vervullen een cruciale rol in het armoede- en ongelijkheidsbeleid van de gemeente Oisterwijk. Tegelijkertijd ervaren partners niet altijd de regie en steun die van een gemeente verwacht mag worden. Dat geldt nadrukkelijk niet voor financiële ondersteuning, maar gaat eerder over kennisondersteuning en het faciliteren van de onderlinge samenwerking. Zorg dat er onderling heldere afspraken zijn over wat je als partners van elkaar verwacht en nodig hebt.
Probeer als gemeente een bijdrage te leveren aan het uitwisselen van informatie tussen maatschappelijke partners en het faciliteren van de samenwerking. Doe dat op een gerichte manier: niet alles kan door de gemeente worden opgepakt. Initieer als gemeente bijvoorbeeld een bijeenkomst waarbij de onderlinge samenwerking en wederzijdse verwachtingen worden besproken, of laat de volgende Sociale Dialoog in het teken staan van die onderlinge samenwerking en hoe die kan worden versterkt. 5) Ontwikkel een werkwijze specifiek gericht op inwoners die nu lastig worden bereikt Inwoners die te maken hebben met armoede en ongelijkheid hebben vaak minder vertrouwen in de overheid. Om sociaal beleid effectief te maken, moet het alle doelgroepen bereiken, inclusief degenen die wantrouwend staan tegenover de overheid. De gemeente Oisterwijk is niet de enige gemeente die hiermee worstelt. De volgende beleidsinstrumenten kunnen worden ingezet om mensen met weinig vertrouwen in de overheid te bereiken, deze worden ook in andere gemeenten ingezet:
Ervaringsdeskundigheid in vroegsignalering: zet een ervaringsdeskundige in om huisbezoeken af te leggen in het kader van vroegsignalering. Deze persoon komt niet ‘namens de gemeente’ en wordt in de praktijk sneller vertrouwd, omdat deze zelf bekend is met problemen op het gebied van armoede en ongelijkheid. Dit is een mogelijkheid die ook al eerder in Oisterwijk is overwogen, maar tot nu toe niet is toegepast. Om de ervaringsdeskundigheid nog specifieker te maken kan deze wijk- of dorpsgericht ingezet worden. Als er een of meerdere ervaringsdeskundigen per wijk of dorp zijn, kan er vertrouwen en herkenning opgebouwd worden. In de gemeente Venray wordt bijvoorbeeld ook op die manier gewerkt met ervaringsdeskundigen. Wijk- of dorpsgericht werken: zet in op een wijkgerichte aanpak. De gemeente Oisterwijk bestaat uit meerdere dorpen met een verschillende samenstelling. Een wijk- of dorpsgerichte aanpak is een middel om in kaart te brengen wat er speelt per wijk of dorp, zodat de gemeente passende maatregelen kan nemen. Een wijkgerichte aanpak kan in het bijzonder behulpzaam zijn wanneer deze gepaard gaat met een doelgroepgerichte aanpak, waarbij de
gemeente zich voornamelijk richt op doelgroepen die momenteel minder goed in beeld zijn. Dit past bij de ambitie van Oisterwijk om hulp zo dicht mogelijk bij inwoners te organiseren. Voorzieningenwijzer op laagdrempelige punten in de wijk: zet in op het gebruik van de Voorzieningenwijzer. Hierdoor kan snel inzichtelijk worden welke lokale regelingen gelden voor de inwoner en waar in het lokale netwerk de inwoner daarvoor terecht kan. De gemeente Hoorn gaat hier bijvoorbeeld mee aan de slag, in andere gemeenten wordt de implementatie van deze tool breder opgepakt. Bijvoorbeeld door in elk buurthuis, wijkpunt of bestaand inlooppunt vrijwilligers op te leiden om met inwoners deze Voorzieningenwijzer te doorlopen. Meertalige communicatie: communiceer in meerdere talen dan alleen Nederlands. Een deel van de doelgroep spreekt weinig of slecht Nederlands en ondanks dat taalkennis een eis is in de Participatiewet, leidt louter Nederlandstalige communicatie ertoe dat deze groep niet bereikt wordt. Het vergroten van bereik door anderstalige informatie wordt door meerdere gemeenten toegepast. Een kanttekening is dat dit de verwachting kan wekken dat overige dienstverlening van de gemeente ook meertalig kan. Het is belangrijk hier helder over te zijn.
De inzet van bovenstaande instrumenten past niet voor elke gemeente. De rekenkamer beveelt aan om met name de eerste twee punten op te pakken.