CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

B-Team- Inbreng voor raad 14 oktober over het bestemmingsplan ruimte-voor-ruimtekavel Merodelaan- Analyse Quickscan flora en fauna Merodelaan_NAGEKOMEN 12 okt 2021

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Schriftelijke inbreng inwoners / belanghebbenden1.367 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Analyse Quickscan flora en fauna Merodelaan ong. te Oisterwijk (2009/087/AP-01, versie 0)

Groenblauwe mantel De Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant regelt de bescherming en ontwikkeling van de Groenblauwe mantel en de ontwikkelingsmogelijkheden voor functies. De Groenblauwe mantel is nodig voor de bescherming, maar vooral ook de ontwikkeling van natuur- en waterfuncties. Dit geldt zowel voor de aanliggende groenblauwe kerngebieden als het mantelgebied zelf. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, mits ze gunstig zijn voor de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. De waarden in de Groenblauwe mantel zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. In paragraaf 2.1 van de Quick scan flora en fauna wordt ingegaan op mogelijke effecten op beschermde gebieden. Er ontbreekt echter een effectanalyse waarin wordt ingegaan op de ligging van het bestemmingsplan binnen de aanduiding als Groenblauwe mantel. Het B-team Oisterwijk maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de woningbouwlocatie binnen de Groenblauwe mantel.

Met het onderzoeksrapport wordt onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen zijn op landschapselementen en bijzondere planten en dieren. Het B-team vraagt zich af hoe (door landschappelijke inpassing) de ontwikkeling de waarden van de Groenblauwe mantel niet negatief beïnvloedt. De aanduiding van de Groenblauwe mantel toont aan dat het van belang is de landschappelijke waarden te koesteren en versterken waar mogelijk. Het planvoornemen voorziet niet in versterking, maar gaat juist ten koste van het Groenblauwe mantel.

Ligging planvoornemen (rode kruis) binnen de Groenblauwe mantel als blauwe arcering (Bron: Interim omgevingsverordening) Beschermde vogels Een verdere analyse van het natuurrapport roept nog meer vragen op. Er zijn namelijk een tweetal veldbezoeken uitgevoerd op 18 september en 16 oktober 2020. In het onderzoeksrapport is

aangeduid dat met name voor vogels die in het ‘stedelijk’ en ‘bosrijk’ gebied voorkomen, binnen en rond het plangebied gunstige biotopen aanwezig zijn. In het onderzoeksrapport wordt echter beperkt ingegaan op beschikbare informatie afkomstig uit bronnen zoals het NDFF (Nationale Databank Flora en Faunagegevens), vogelatlassen dan wel informatie van derden zoals een regionale vogel- of uilenwerkgroep. Opvallend is het ontbreken van bekende broedgevallen van de gekraagde roodstaart (categorie 5 mogelijk jaarrond beschermde verblijfplaatsen) en diverse waarnemingen dat de huismus (categorie 2 jaarrond beschermde verblijfplaatsen) die voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Een duidelijke indicatie dat de bestaande inrichting van het plangebied mogelijk een functioneel leefgebied van de huismus maakt. De vernietiging van de nestplek zelf of een geringe aantasting van een deel van het leefgebied kan al een aantasting van de voortplantingsplaats en vaste rust- of verblijfplaatsen of van de bijbehorende de essentiële functionele leefomgeving opleveren. Afhankelijk van de plaatselijke situatie kan een afname van het oppervlak van geschikt leefgebied in het ene geval wel en in het andere geval niet leiden tot een relevante aantasting van de functionaliteit.

Het is van belang om te weten in welke mate de functionaliteit verloren gaat, welk effect dit heeft op de verblijfplaats en of het om een tijdelijk of permanent effect gaat. In de Quickscan flora en fauna wordt niet ingegaan op de mogelijk aanwezigheid van de huismus, terwijl de soort binnen een straal van 200 meter van het plangebied is waargenomen. Dit terwijl de inrichting van het plangebied geschikt leefgebied voor de soort vormt. Er is geen nader onderzoek uitgevoerd om de functionaliteit van het plangebied voor de huismus te bepalen. De gekraagde roodstaart wordt niet genoemd. Voor de steenuil geldt een vergelijkbare benadering. Binnen het plangebied bevindt zich een steenuilkast evenals geschikt leefgebied voor de soort. De steenuilkast is gecontroleerd op sporen van aanwezigheid van de steenuil en middels cameraonderzoek is bewoning uitgesloten. De onderzoekers kiezen voor een onderzoeksmethode die echter nog geen inzicht geeft in het leefgebied van de steenuil. De locatie is uitermate geschikt voor de steenuil, hetgeen ook de reden is waarom de steenuilkast er hangt. Het gebruik van de steenuilkast is beoordeeld op aanwezigheid van marters en steenuil. Deze is ongeschikt bevonden voor de steenuil tijdens het onderzoek, vanwege het gebruik door andere vogels. Dit is naar ons idee zeer kort door de bocht onderzoek.

Steenuilkasten worden regelmatig schoon gemaakt, waardoor deze kunnen dienen als nest- of rustplaats voor de soort. Het onderzoek toont slechts een momentopname, waarbij geen rekening is gehouden met het feit dat de steenuilenkast later schoon gemaakt zal worden en daarmee prima weer functioneel kan zijn voor de steenuil. Het B-team maakt zich zorgen dat met alleen een tijdelijk beeld van de steenuilkast, geen representatief beeld van het voorkomen van de steenuil wordt gegeven. Ook ontbreekt een goede analyse van aanwezigheid van leefgebied van de steenuil, dan wel de gekraagde roodstaart, huismus of andere typische vogels van ‘stedelijk’ en ‘bosrijk’ gebied. Dit baat ons zorgen. De locatie inclusief de omgeving, het beekdal van de Achterste stroom is geschikt voor soorten als de steenuil en raakt steeds verder ingeklemd tussen bos en bebouwing. De populatie steenuilen binnen de gemeente Oisterwijk staat onder druk en met name door bebouwing in het buitengebied en beekdalen. De analyse toont een beperkt palet aan (beschermde) soorten. Zorgvuldig onderzoek achten wij dan ook van belang.

Das Voor de das is door de betrokken ecoloog gesteld dat het plangebied als foerageergebied kan dienen voor de soort, echter dat het plangebied geen deel uitmaakt van het essentieel leefgebied van de soort. De onderbouwing hiervoor is dat het plangebied te klein is en er in de omgeving geschikter foerageergebied van de soort aanwezig is. Naar ons idee ontbreekt de redenatie hiervoor. Er is namelijk niet onderzocht op welke wijze het plangebied en de directe omgeving worden gebruikt. Er wordt tevens geen inzicht gegeven in de ligging van essentiële verblijfplaatsen van de das en het bijbehorend leefgebied. De grootte van een totaal territorium is afhankelijk van het voedselaanbod en dus van de kwaliteit van het leefgebied. De grootte varieert van 30 tot 150 hectare in optimaal gebied, en van 150 tot 600 hectare in marginaal gebied. Het foerageergebied ligt tot ongeveer 1,5 tot 12 kilometer van de burcht (Bij12, 2017). Voor een hoofdburcht is het van essentieel belang, dat er binnen een straal van 500 meter voldoende voedselaanbod (primair voedselgebied zoals grasland met voldoende aanbod van regenwormen) en beschutting aanwezig is (blijft). Omdat elke (hoofd)burcht als kraamburcht gebruikt kan worden, moeten de eisen, die aan kraamburchten gesteld worden, gelden voor alle (hoofd)burchten.

Omdat een das tijdens de voortplantingsperiode (december tot en met juni) aan de kraamburcht gebonden is, is het voor het garanderen van de voortplantingsfunctie van die kraamburcht noodzakelijk, dat er in de directe nabijheid voldoende voedsel beschikbaar is. Voor de lokale gunstige staat van instandhouding zijn de foerageermogelijkheden binnen een straal van 500 meter dus van groot belang. Het onderzoeksrapport onderbouwt onvoldoende op welke afstand tot het plangebied burchten aanwezig zijn,hoe groot de territoria van dassen in de omgeving zijn, dan wel inzicht in het belang van het plangebied als onderdeel van het leefgebied. Als B-team maken we ons zorgen over het behoud van dassenleefgebied. De wijze waarop de onderbouwing is geformuleerd in het natuuronderzoek neemt de zorg niet weg. Er lijkt onzorgvuldig onderzoek te zijn uitgevoerd, waardoor sprake is van een mogelijke aantasting van essentieel leefgebied van de das. Hierdoor worden mogelijkerwijs zelfs verbodsbepalingen inzake de Wet natuurbescherming overtreden en kan naar ons idee niet zondermeer het bestemmingsplan worden vastgesteld. Algemene beschouwing Het onderzoeksrapport concludeert dat voor diverse soorten het plangebied weliswaar een foerageer- en of leefgebied vormt, maar dat voldoende leefgebied voorhanden is in de directe omgeving.

Hierbij wordt steevast aangeduid dat in de directe omgeving geschikter leefgebied aanwezig is, waaronder geschikte delen in het beekdal. Deze redenatie baat ons zorgen. De rek is namelijk op in het beekdal van de Achterste stroom. De toenemende bebouwingsdruk maakt ‘uitwijken’ steeds moeilijker en we concluderen dat een verdere achteruitgang van biodiversiteit het logisch vervolg is. Sterker nog, het is zoeken naar waar de rek zit terwijl de druk op biodiversiteit nog nooit zo hoog is geweest als op dit moment.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10654560/3