22-39 Vaststelling bestemmingsplan Heukelomseweg 26- bijlage 1b6 toelichting Vormvrije m.e.r. beoordeling
Tekst van het document
3
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven).
4
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader Planvorming
Bestemmingsplanwijziging en aanvraag omgevingsvergunning Uitbreiding tuincentrum
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
In het plangebied bestaat het voornemen om het bestaande tuincentrum uit te breiden. Daarnaast zullen er meer parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De beoogde uitbouw komt ten zuidoosten van de huidige bebouwing en zal een oppervlakte gaan beslaan van circa 4000 m2. Daarnaast zullen er nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd worden ten oosten van de nieuwe bebouwing. Er zijn nog geen bouwtekeningen voorhanden waarmee een inschatting kan worden gemaakt van de bodemingrepen die gepaard gaan met de bouwwerkzaamheden. In figuur 2 is de locatie van de uitbouw weergegeven.
Figuur 2: Toekomstige indeling in het plangebied. In het grijs de locatie van de beoogde uitbreiding. In het rood het nieuwe bouwvlak en in het roze de bestaande locatie die behouden zal blijven. Bron: Van Santvoort Advies.
5
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplan en omgevingsvergunning
Beleidskader
Bestemmingsplan
Onderzoeksgrens
150 m2 en dieper dan 30 cm –Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Oisterwijk inzake het plangebied staat verwoord in het bestemmingsplan “Buitengebied geconsolideerd” (2017). Hierin heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 4. Deze waarde is gebaseerd op de beleidskaart van de gemeente, waarop staat vastgelegd welke verwachting een bepaald gebied heeft. Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleids- en verwachtingskaart van de gemeente in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (bijlage 1).
In het bestemmingsplan zijn aan deze zone planregels geformuleerd ten behoeve van de herontwikkeling in dergelijke gebieden. Voor gebieden met dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 2500 m2 en 50 cm –Mv.
6
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Zuid-Nederlands zandgebied
Geomorfologie
Dekzandrug (+/- oud bouwlanddek)
Maaiveld
11,3 m +NAP
Bodem
Hoge zwarte enkeerdgronden
Grondwater
VI
Landschap Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). De Centrale Slenk is een door tektonische bewegingen ontstane laagte, die zich tussen de Peelhorst (de lijn Roermond – Milheeze – Lith) en de Kempenhorst in bevindt (Gilze-Rijen - Oosterhout, Berendsen, 2005, de Mulder e.a. 2003). Vanaf het midden van het Pleistoceen (circa 850.000 jaar geleden) hielden de Rijn en de Maas op door de Slenk te stromen. Daarna is de Centrale Slenk opgevuld met sediment, dat geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel wordt gerekend (de Mulder e.a., 2003). Dit leidde uiteindelijk tot een pakket afzettingen dat in dikte varieerde van 15 tot zelfs 35 m (Berendsen, 2005; Schokker, 2003) en bestond uit een complexe afwisseling van zand en leem, onderbroken door veen. Het meeste materiaal bestaat uit fluvio(eolisch), periglaciaal sediment dat door wind en smeltwater is afgezet. Slechts de bovenste meters van dit pakket bestonden daarbij uit dekzand (Formatie van Boxtel, de Mulder e.a., 2003). Dit sediment ontstond als gevolg van het zeer koude klimaat in de laatste ijstijd, het Weichselien, toen sprake was van grootschalige zandverstuivingen. Het zand verstoof vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren en vanuit het drooggelegen Noordzeebekken.
Er was vanwege het barre klimaat geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. De afzetting van het dekzand in de Slenk vond plaats in verschillende fasen, waar hoofdzakelijk bij verminderde aanvoer fijner sediment werd afgezet. Er kon zelfs bodemvorming optreden (Schokker, 2003). Met name in de periode tussen 40.000 en 30.000 jaar geleden en tegen het einde van het Pleistoceen (tussen 15.000 en 10.000 jaar geleden) was er sprake van een kleine klimatologische opleving, waardoor de verstuiving verminderde. Tussen 40.000 en 30.000 jaar geleden, gedurende het Hengelo-Denekamp interstadiaal, leidden de afgenomen verstuiving en de hoge vochtigheid in het gebied ertoe dat fijner sediment (silt) werd ingevangen in ondiepe meren, die toen in het gebied aanwezig waren. Hierdoor kon zich een circa 1,0 tot 2,0 m dikke leemlaag vormen, die geologisch gezien tot het Liempde Laagpakket wordt gerekend (De Mulder e.a., 2003, “Brabants Leem”). Ook kon in die periode lokaal veenvorming optreden en werd klei afgezet nabij beeklopen die het toenmalige landschap van de Slenk doorsneden. Deze klei behoort geologisch gezien tot het Best Laagpakket (als onderdeel van de Formatie van Boxtel; De Mulder e.a. 2003). Tegen het einde van het Weichselien, in het Bølling en Allerød interstadiaal (respectievelijk ca. 14.650 tot 14.000 jaar en ca.
13.000 tot 12.000 jaar geleden), vond eveneens als gevolg van kortdurende warmere omstandigheden veen- en bodemvorming plaats. Bodems uit deze periode worden geologisch gezien gerekend tot de Laag van Usselo (Berendsen, 2005). Tijdens de stadialen in de laatste fase van het Weichselien (de VroegeDryas, maar met name de Late-Dryas, resp. 14.000 tot 13.000 en 12.000 tot 10.000 jaar geleden) was de verstuiving van zand intensief. De grote hoeveelheid zand, die toen nog is verplaatst, heeft geleid tot de vorming van enkele zeer grote dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen. Ook op lokaal niveau zijn grote duinen, ruggen en welvingen gevormd. Deze kunnen soms één tot twee meter boven hun omgeving uitsteken.
7
Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger, waardoor vegetatiegroei kon toenemen. Hierdoor werd de verstuiving van zand aan banden gelegd. Er ontstond zodoende een landschap dat bestond uit dichtbegroeide zandruggen en -koppen met daaromheen vochtige, laaggelegen delen. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een zone met dekzandruggen (+/- oud bouwlanddek), met in het noorden een zone met een dekzandrug (+/- oud bouwlanddek; bijlage 2; kaartcode 3L5 en 3K14). Zo’n 200 tot 300 meter ten noorden en zuiden van het plangebied zijn dalvormige laagtes zonder veen aangegeven (kaartcode 2R2). Deze dalvormige laagtes zijn heden ten dage stroompjes die watervoerend zijn. Ook op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn deze laagtes duidelijk te onderscheiden op 200 meter ten zuiden en 300 meter ten noorden van het plangebied (bijlage 3). Deze bevinden zich op een hoogte van circa 10 m +NAP. Het plangebied bevindt zich op een hoogte van circa 11,3 m +NAP. Rondom het plangebied zijn enkele hoger gelegen gebieden te onderscheiden, die zich op een hoogte van circa 12 m +NAP bevinden.
Het is aan de hand van deze gegevens niet vast te stellen of er hier sprake is van een natuurlijke hoogte in het dekzand, of dat de verschillen komen door het ophogen van het maaiveld (ten behoeve van landbouw en/of bewoning). Bodem en grondwater In het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden voor die zich gevormd hebben in lemig fijn zand (kaartcode zEZ23; bijlage 4). Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een onvergraven humeuze bovengrond, die dikker is dan 50 cm (de Bakker en Schelling, 1989). Een dergelijk humeus, opgebracht dek wordt een plaggendek of oud bouwlanddek genoemd en is ontstaan als gevolg van het bemesten van armere zandgronden met zoden, mest en huisafval. Als gevolg van deze landbouwtechniek was akkerbouw in deze gebieden langer en vaker mogelijk. Deze techniek van bemesting werd reeds in de 13e eeuw toegepast. Onder het bouwlanddek kunnen zich restanten bevinden van de oorspronkelijke (zand)bodem met daarin archeologische resten die dateren uit de periode voor de ophoging. Vaak betreft de zandbodem een podzolbodem, die zich door het voorkomen van een duidelijke uitspoelingslaag (E-horizont) onder een dunne humeuze bovengrond (A-horizont, ca. 5 cm). Onder de uitspoelingslaag zijn vervolgens inspoelingslagen aanwezig (B(h/s)-horizonten en BC-horizonten boven onveranderd moedermateriaal (C-horizont).
Door de aanwezigheid van het oud bouwlanddek kunnen deze bodem en eventueel aanwezige archeologische resten buiten het bereik van de moderne ploeg en graafwerkzaamheden zijn gebleven, waardoor de resten nog goeddeels intact kunnen zijn. Het bouwlanddek heeft zodoende een conserverende werking gehad op de eventueel aanwezige archeologie (Van Doesburg et al., 2007). De grondwatertrap binnen het plangebied is gekarteerd als VI. Dit duidt over het algemeen op relatief droge gronden waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 40 en 80 cm -Mv wordt aangetroffen en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) op een diepte van meer dan 120 cm –Mv. Met dergelijke grondwaterstanden zullen in het plangebied alleen anorganische archeologische resten te verwachten zijn. Onverbrande organische resten zullen als gevolg van oxidatie en zure omstandigheden in de bodem binnen 120 cm –Mv grotendeels zijn verdwenen
8
7. Archeologische verwachting en bekende waarden Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Middelhoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het terrein een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Daarbij hangt de middelhoge verwachting samen met de ligging van het plangebied in een zone met dekzandruggen en oude bouwlanddekken. Bekende waarden In het plangebied zelf heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden en zijn er niet eerder vondsten of waarnemingen gedaan. Ook binnen het onderzoeksgebied (een straal van 500 m rondom het plangebied) zijn geen gegevens bekend, met uitzondering van één vondstmelding. Deze vondstmelding ligt op 450 meter ten oosten van het plangebied en omvat enkele fragmenten aardewerk aangetroffen uit de IJzertijd en de Middeleeuwen. De vondstomstandigheden zijn onbekend, maar betreffen vermoedelijk een veldkartering (vondstmelding 2774837100). Deze vonstmelding is in een lager gelegen gebied geregistreerd, ter hoogte van een dalvormige laagte. In de wijdere omgeving van het plangebied (tot circa 1 km) zijn wel enkele onderzoeken uitgevoerd.
Tijdens deze onderzoeken is vastgesteld dat de ondergrond reeds verstoord is geraakt en dat er geen (intacte) archeologische resten meer aanwezig zullen zijn (Fèber en Marinelli, 2003, onderzoeksmelding 2127573100; Deville e.a., 2010, onderzoeksmelding 2290180100; Exaltus en Orbons, 2012; onderzoeksmelding 2372866100). In de omgeving van het plangebied zijn dus nog geen vindplaatsen bekend en is weinig informatie over vroegere bewoning en gebruik bekend. Het plangebied bevindt zich op een dekzandrug, temidden van twee dalvormige laagtes, die watervoerend zijn. Dit waren over het algemeen aantrekkelijke plaatsen voor bewoning. Er is bij andere onderzoeken echter vastgesteld dat de ondergrond verstoord is geraakt door historisch en recent bodemgebruik, waardoor eventueel aanwezige archeologische waarden niet meer intact zijn. Booronderzoek moet uitwijzen in hoeverre de ondergrond binnen het plangebied nog intact is en of hier mogelijk sprake is van de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied.
9
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Bouwland
Huidig gebruik
Deels buitenterrein tuincentrum en deels weiland
Bodemverstoringen
Door landgebruik
Historische achtergronden Het plangebied bevindt zich in landbouwgebied in de omgeving van buurtschap Heukelom. De naam Heukelom verwijst mogelijk naar een oude woonstede (‘Heem’) op een hoogte (‘heukel’). De eerste vermelding stamt uit 1192 (Berkel en Samplonius, 2006). Het buurtschap bestond uit verspreidde boerderijen op de hogere, maar niet te droge, zandgronden van de dekzandruggen (buurtschapheukelom.nl/geschiedenis). Deze situatie is op historisch kaartmateriaal vanaf de 19de eeuw nog zichtbaar. Het plangebied is op deze kaarten voornamelijk in gebruik als bouwland. Op de oudst geraadpleegde kaart uit 1811-1832, de kadastrale minuut, is het gehele plangebied volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels (OAT) in gebruik als bouwland (figuur 3). Dit blijft onveranderd tot 1980 (figuur 4 – 8). Op een historische kaart uit 1980 is ten noorden van het plangebied enige bebouwing zichtbaar, waarna op een kaart uit 1997 het huidige tuincentrum verschijnt (figuur 9 – 10). Op de historische landschapskaart van De Bont (1993) is het plangebied aangegeven als ongeperceleerde akker die mogelijk al van voor 1000 n.Chr. zijn oorsprong kent. Bodemverstoringen Het plangebied is in het noorden onderdeel van het bestaande tuincentrum en verhard (circa 1500 m2). De rest is momenteel een weiland (circa 4.200 m2). Zover bekend heeft er nooit bebouwing gestaan binnen het plangebied.
In Bodemloket zijn geen gegevens aanwezig ten aanzien van het plangebied (www.bodemloket.nl). Ook is het plangebied niet opgenomen op de Ontgrondingenkaart van Noord Brabant (Bron: Provincie Noord Brabant, 2005). Daarnaast lopen er geen kabels en leidingen door het plangebied (KLIC). De enige bekende vorm van bodemverstoringen die zijn te verwachten in het plangebied hebben te maken met het historisch landgebruik als bouwland. Door ploegen zou de ondergrond verstoord kunnen zijn geraakt.
10
Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-32. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: Beeldbank RCE
Figuur 4: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis
11
Figuur 5: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis
Figuur 6: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1930. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis.nl
12
Figuur 7: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis.nl
Figuur 8: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1980. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis.nl
13
Figuur 9: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1997. Het plangebied is met blauwe lijnen weergegeven. Bron: topotijdreis.nl
Figuur 10: Recente luchtfoto van het plangebied. Bron: PDOK
14
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Middelhoog - Laag
Periode
Laat Paleolithicum – Late Middeleeuwen, Nieuwe tijd
Complextypen
Nederzettingen, sporen van landgebruik
Stratigrafische positie
In de top van het dekzand of in/op een eventueel aanwezig esdek. Vanaf maaiveld
Diepteligging
Aanwezigheid en dichtheid Op basis van het bureauonderzoek geldt er voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen. Het plangebied is namelijk gelegen op een dekzandrug, archeologisch gezien betekent de ligging van het plangebied op een relatief hoger deel dat het vanaf de vorming van het landschap verkozen zou worden voor bewoning doordat de omstandigheden minder nat waren. Daarnaast is de bodem van het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden. Deze bodem is ontstaan door het bemesten van armere zandgronden met zoden, mest en huisafval, waardoor een plaggendek of oud bouwlanddek is ontstaan. Onder het bouwlanddek kunnen zich restanten bevinden van de oorspronkelijke (zand)bodem met daarin archeologische resten die dateren uit de periode voor de ophoging. In de omgeving van het plangebied is nog maar weinig archeologisch onderzoek uitgevoerd en er zijn geen vindplaatsen bekend. Er is dus nog maar weinig bekend over de bewoningsgeschiedenis in de directe omgeving van het plangebied. Dit sluit de resten ervan echter niet uit , daarom is er een middelhoge verwachting op archeologische resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. De verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe tijd is laag.
Op basis van historisch kaartmateriaal is het plangebied enkel in gebruik geweest als bouwland, wat de kans zeer klein maakt dat er bewoningsresten uit de Nieuwe tijd in het gebied aanwezig zijn. Stratigrafische positie Er zijn twee archeologisch relevante niveaus aan te wijzen, namelijk de top van het dekzand voor archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum. In de top van het dekzand kunnen sporen van bodemvorming aanwezig zijn, die indicatief zijn voor zowel de diepteligging van de archeologische resten, als de mate van intactheid ervan. Op het dekzand bevindt zich vermoedelijk een oud bouwlanddek, die een dikte van 50 tot 100 cm kan hebben. Op of in dit esdek kunnen archeologische resten te vinden zijn vanaf de periode dat het in gebruik is genomen als bouwland. Archeologische resten kunnen zich dus al vanaf het maaiveld bevinden. Complextypen In het plangebied worden nederzettingsterreinen verwacht, maar ook sporen van landgebruik of grafvelden kunnen aanwezig zijn. Wat betreft het Laat-Paleolithicum – Neolithicum kunnen zogenaamde extractiekampen, seizoensgebonden plekken waar jagers/verzamelaars gedurende een korte tijd verbleven, aanwezig zijn. Dergelijke plekken kenmerken zich door een strooiing van bekapte stukken vuursteen en (eventueel) haardkuilen.
Uit de latere perioden (tot en met de Late Middeleeuwen) bestaat de kans op het voorkomen van erven, bestaande uit een boerderij, bijgebouwen en waterputten. Deze terreinen kunnen zich kenmerken door een aaneengesloten archeologische laag, die op grond van kleur verschilt van de oorspronkelijk aanwezige lagen of een dichte vondstenstrooiing. De vorming hiervan hangt met name af van de langdurigheid van eventuele 15