CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-29 Gedragscode politieke ambtsdragers - bijlage 3 Stappenplan onderzoek integriteitsschendingen politiek ambtsdragers

RAAD 29 september 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-29 Gedragscode politieke ambtsdragers4.475 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stappenplan onderzoek integriteitsschendingen politiek ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022

Inleiding Gedragscodes zijn voor gemeenten verplicht op grond van de Gemeentewet. Politieke ambtsdragers zijn op de naleving van gedragscodes aanspreekbaar. In Oisterwijk kennen we de “gedragscode politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk 2022”. Wanneer politieke ambtsdragers zich niet aan deze code houden kan dat gevolgen hebben voor hun functioneren en positie. Het rechtskarakter van een gedragscode is dat van een interne regeling in aanvulling op de wettelijke regels. De Gemeentewet laat de gemeente ruimte bij de inhoudelijke invulling. Naast deze code bestaan er voorschriften die in wet of elders geregeld zijn, bijvoorbeeld over fraude, valsheid in geschrifte en over nevenfuncties. In het navolgende stappenplan staat aangegeven welke stappen moeten worden gezet wanneer integriteit mogelijk geschonden wordt of daarvan het sterke vermoeden bestaat. Het protocol kan worden beschouwd als een extra onderdeel van het integriteitsbeleid. Het biedt houvast en uniformiteit bij de aanpak van vermeende of daadwerkelijke schendingen na een melding of vermoeden. 1. Algemeen 1.1 Onder politieke ambtsdragers wordt verstaan: de burgemeester, de leden van het college, de raadsleden. Commissieleden /niet-zijnde raadsleden vallen strikt genomen niet onder deze definitie maar vallen ook onder de werking van dit protocol analoog aan de politieke ambtsdragers.

Met commissieleden worden die burgers bedoeld die door de raad als zodanig zijn benoemd. 1.2 In gevallen waarin dit stappenplan niet voorziet of waarbij de toepassing niet eenduidig is, vindt bespreking plaats in het presidium. 1.3 Het stappenplan is openbaar en door derden te raadplegen. 1.4 Uitgangspunt bij het gebruik van dit stappenplan zijn de 'Gedragscode politieke ambtsdragers Oisterwijk’ en het bijbehorende factsheet. 1.5 De burgemeester, de leden van het college, de raadsleden en de commissieleden/nietzijnde raadsleden ontvangen bij hun aantreden een exemplaar van de gedragscode, het factsheet en het stappenplan. 2. Melding 2.1 Meldingen van vermeende integriteitsschendingen worden gedaan bij de burgemeester, die deze in behandeling neemt en de griffier c.q. de gemeentesecretaris in kennis stelt van de melding. 2.2 Meldingen over de burgemeester worden gedaan bij de vice- voorzitter van de raad - die in de plaats treedt van de burgemeester bij het zetten van de stappen volgens het stappenplan en bij de locoburgemeester. 3. Vooronderzoek 3.1 Bij twijfel over het wel of niet instellen van een feitenonderzoek kan de burgemeester besluiten een vooronderzoek te doen om te bepalen of er een feitenonderzoek nodig is. 3.2 Van de bevindingen uit het vooronderzoek wordt verslag gedaan aan het presidium dan wel het college.

3.3 Het presidium dan wel het college bepaalt of het vooronderzoek aanleiding geeft voor een feitenonderzoek. 3.4 De betrokken politieke ambtsdrager wordt over het doen van het vooronderzoek en over de uitkomst van het onderzoek geïnformeerd. 3.5 De melder wordt geïnformeerd als wordt besloten geen feitenonderzoek in te stellen.

1

3.6 Bij het vermoeden van een opzettelijk valse beschuldiging onderneemt de burgemeester actie tegen de melder in de vorm van een feitenonderzoek richting de melder of een aangifte bij de politie. 4. Feitenonderzoek 4.1 De burgemeester geeft opdracht tot een feitenonderzoek aan een interne of externe onafhankelijke onderzoekscommissie. 4.2 Een interne onderzoekscommissie bestaat uit de burgemeester, een vertegenwoordiger namens het presidium en de griffier. De commissie wordt ambtelijk ondersteund door een deskundige op dit terrein. 4.3 Als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokken politieke ambtsdrager te klein is om voldoende objectief onderzoek te garanderen, dan wordt een externe onderzoekscommissie ingesteld. 4.4 Een externe onderzoekscommissie bestaat uit personen van buiten de organisatie. 4.5 De externe commissie stelt een multidisciplinair team samen, opdat de juiste kennis voor het doen van het feitenonderzoek aanwezig is. 4.6 Het presidium - en in het geval het een wethouder betreft ook het college - wordt door de burgemeester op de hoogte gehouden van het verloop van het onderzoek. 5. Opdrachtverstrekking 5.1 De burgemeester komt een schriftelijke onderzoeksopdracht met de onderzoeker(s) overeen. In de opdracht staan in ieder geval vermeld de aanleiding, de onderzoeksopdracht en de verwachte duur en kosten van het onderzoek.

5.2 De betrokken politieke ambtsdrager wordt coaching door een onafhankelijk bureau tijdens het onderzoekstraject aangeboden. 6. Kennisgeving aan betrokkene 6.1 De betrokken politieke ambtsdrager wordt over het instellen van een feitenonderzoek per brief geïnformeerd. 6.2 In de brief is in ieder geval opgenomen: a. een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van het onderzoek; b. de melding dat betrokkene en getuigen kunnen worden gehoord; c. de melding dat als andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de omvang, aard en ernst van de integriteitsbreuk, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden. 7. Horen van betrokkenen en getuigen 7.1 De betrokken politieke ambtsdrager en getuigen kunnen worden gehoord. 7.2 De gesprekken worden gehouden door minimaal twee onderzoekers. 7.3 Er wordt een gespreksverslag opgemaakt en “voor gezien” ondertekend door de onderzoekers en de getuigen/betrokkene. 7.4 De gehoorde krijgt de mogelijkheid om binnen vijf werkdagen schriftelijk te reageren op het verslag. 7.5 Als de gehoorde weigert te tekenen wordt daarvan melding gemaakt in het verslag. Als de gehoorde dat wil, wordt er een schriftelijke weergave van de afwijkende mening van de gehoorde bij het verslag gedaan. 8.

Aangifte 8.1 Als er een vermoeden is van een misdrijf doet de burgemeester na overleg met het presidium aangifte bij de politie. 8.2 Vanaf dat moment wordt alle informatie voorgelegd aan de politie eventueel na overleg met de officier van justitie.

2

9. Communicatie 9.1 De burgemeester zorgt voor de interne en externe communicatie, zowel bij de start als bij de afronding van het onderzoek. 9.2 De burgemeester ziet er op toe dat tijdens het onderzoekstraject de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Beschadiging van de politiek ambtsdrager dient voorkomen te worden. 10. Onderzoeksrapportage 10.1 De burgemeester bespreekt het rapport met het Presidium. Indien het een wethouder betreft ook met het college. Bepaald wordt hoe met het rapport en de bevindingen wordt omgegaan en welke communicatie zowel intern als extern zal worden aangehouden. 10.2 De burgemeester biedt de onderzoeksrapportage aan de raad aan. De rapportage bevat alle informatie die nodig is om een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending 10.3 Het rapport is voorzien van conclusies en aanbevelingen, die opgesteld zijn op basis van het feitenonderzoek door een onafhankelijk onderzoeker. 10.4 De raad beoordeelt of het rapport aanleiding geeft om aangifte te doen of zijn gevoelens tot uitdrukking te brengen in een motie. 10.5 De burgemeester stuurt de betrokkenen een afschrift van de onderzoeksrapportage. 10.6 De gespreksverslagen zullen niet voor derden of andere betrokkenen ter inzage worden gelegd. 11. Registratie integriteitsschendingen 11.1 11.2

De vermoedens van schendingen, de aard van de daarop volgende onderzoeken en de afdoeningen worden gearchiveerd. Jaarlijks worden het college en de raad schriftelijk geïnformeerd over het gevoerde integriteitsbeleid.

Toelichting stappenplan integriteitsschendingen politieke ambtsdragers 1. Algemeen In gevallen waarbij het feitenonderzoek duidelijk maakt dat een politieke ambtsdrager wat te verwijten valt, vindt bespreking plaats in de gemeenteraad. Voor commissieleden vindt bespreking plaats in het presidium en voor de leden van het college vindt bespreking plaats in het college. Voor de gemeentesecretaris en de griffier geldt het ambtelijk stappenplan. 2. Melding In dit stappenplan wordt ervan uitgegaan dat de burgemeester verantwoordelijk is voor het behandelen van de melding van integriteitsschendingen door politieke ambtsdragers. De burgemeester kan door een melding, door eigen waarneming of door berichtgeving van buiten de organisatie kennis nemen van een vermeende integriteitsschending. In voorkomend geval zal hij dienen te beslissen of de bij hem bekend geworden informatie aanleiding is om: - een vooronderzoek te (laten) verrichten; - een feitenonderzoek te (laten) verrichten; - aangifte te doen. Is sprake van een melding, waarneming of berichtgeving over een vermeende integriteitsschending door de burgemeester, dan treedt de plaatsvervangend voorzitter van de gemeenteraad in de plaats van de burgemeester bij alle te zetten stappen in het stappenplan. 3.

Vooronderzoek Feiten en omstandigheden zoals die bekend worden aan de burgemeester zijn niet altijd aanleiding een feitenonderzoek in te stellen. Het starten van een feitenonderzoek heeft grote gevolgen voor zowel de betrokkene als de organisatie. Daarom is aanbevelenswaardig eerst een vooronderzoek te verrichten om het voorhanden zijnde feitenmateriaal te analyseren (de

3

melder kan bijvoorbeeld worden gehoord) alvorens eventueel te besluiten tot een feitenonderzoek. Hiermee kan worden ondervangen, dat de melding gebaseerd blijkt te zijn op niet op waarheid gestoelde geruchten. De betrokken politieke ambtsdrager wordt door de burgemeester en de griffier, dan wel de gemeentesecretaris, in dit traject altijd ondervraagd. Wanneer het vooronderzoek hiertoe aanleiding geeft, kan in aansluiting hierop een feitenonderzoek worden ingesteld en/of aangifte worden gedaan. Ook kan worden besloten dat geen verder onderzoek noodzakelijk is. Van het vooronderzoek wordt een rapport van bevindingen opgemaakt, indien de uitkomst rechtvaardigt dat een feitenonderzoek plaats zal vinden. In de overige gevallen wordt de uitkomst gemeld aan het presidium dan wel het college. Wanneer er wordt besloten geen feitenonderzoek te verrichten, zal dit standpunt door de burgemeester ook aan de eventuele melder moeten worden medegedeeld. Als het vermoeden bestaat dat opzettelijk een valse beschuldiging heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld uit rancune), is het aangewezen dat de burgemeester hiertegen actie onderneemt. Dit kan eventueel leiden tot een feitenonderzoek jegens de melder. De uitkomst daarvan kan vervolgens leiden tot aangifte bij de politie. 4.

Feitenonderzoek In een feitenonderzoek wordt het waarheidsgehalte van signalen en/of vermoedens beoordeeld door na te gaan of deze op redelijke grond zijn gebaseerd. Concreet betekent dit dat een onderzoek wordt ingesteld naar de handelwijze van betrokkene. Betrokkene en/of getuigen kunnen gehoord worden en eventueel andere onderzoeksmethoden (bijvoorbeeld: doorzoeken werkomgeving of observatie) kunnen worden aangewend om alle relevante feiten omtrent het vermoeden van de integriteitsschending in kaart te brengen. Interne onderzoekscommissie De burgemeester kan besluiten naar aanleiding van de integriteitsschending een interne onderzoekscommissie in te stellen. Een interne commissie bestaat uit minstens drie personen. Dat zijn de burgemeester en een vertegenwoordiger namens het presidium en de griffier als het gaat om raadsleden; de burgemeester, een wethouder en de gemeentesecretaris als het gaat om een wethouder. De commissie wordt ambtelijk ondersteund met een functionaris die deskundig is op het terrein van integriteitsvraagstukken. De commissie kan een multidisciplinair team samenstellen waarin de benodigde kennis en expertise met het doen van feitenonderzoek aanwezig is. Hierbij kan worden gedacht aan juridische, financiële of ICT expertise van buiten de organisatie.

Dit is ook zinvol in verband met de benodigde objectiviteit en onafhankelijkheid bij het doen van het feitenonderzoek. Het instellen van een interne onderzoekscommissie zal niet altijd mogelijk of wenselijk zijn. Met name als geen voldoende en/of geschikte mensen hiervoor te vinden zijn of als de afstand tussen de interne onderzoekers en de betrokkene persoonlijk of zakelijk te klein is om een voldoende objectief onderzoek te garanderen. Dit kan immers leiden tot (politieke) spanningen en verstoorde verhoudingen in de toekomst. Externe onderzoekscommissie De burgemeester kan daarom in overleg met het presidium c.q. het college kiezen voor een externe onderzoekscommissie. Het laten verrichten van het onderzoek door een externe partij (zoals een forensisch accountant of een particulier recherchebureau) is een manier om voldoende onderzoekscapaciteit, kennis en expertise te verkrijgen. Wel moet rekening worden gehouden met de consequenties die de commerciële achtergrond van een externe partij met zich meebrengt. Procedures omtrent de wijze van onderzoek door een externe partij kunnen op sommige punten afwijken van relevante regelgeving binnen de overheid. Een forensische accountant doet bijvoorbeeld geen onderzoek, wanneer de betrokkene niet mee wenst te werken. 5.

Opdrachtverstrekking Het besluit wie het onderzoek naar de integriteitsschending zal uitvoeren, is afhankelijk van de aard van de integriteitsschending, de benodigde onafhankelijkheid, de benodigde objectiviteit en aanwezige kennis en expertise. Afhankelijk van deze factoren kan het

4

feitenonderzoek worden uitgevoerd door een interne commissie, een externe commissie of een externe partij (bijvoorbeeld: een forensisch accountant of een particulier recherchebureau). Een onderzoek, waarbij ook een lid van de gemeenteraad wordt ingeschakeld is minder wenselijk vanwege de mogelijk optredende politieke partijbelangen. In de opdrachtverstrekking met een externe partij dient aandacht te worden besteed aan de lengte en intensiteit van het onderzoek. Gedurende het proces dient dit te worden gecontroleerd en zo nodig worden bijgestuurd. Aandachtspunt hierbij is dat voor veel organisaties met weinig ervaring op het gebied van feitenonderzoek het moeilijk is in te schatten hoe lang een onderzoek zal duren en hoeveel menskracht hiervoor nodig is. Dit bemoeilijkt het maken van concrete afspraken tussen opdrachtgever en de externe partij. Een externe partij heeft minder zicht op de interne verhoudingen en ontwikkelingen binnen een organisatie. Voordeel van het inhuren van een externe partij is dat wellicht minder druk kan worden uitgeoefend op de onderzoeker. De burgemeester komt schriftelijk een onderzoeksopdracht met de gekozen onderzoekers overeen. De opdrachtverstrekking bevat ten minste de volgende punten. a. De aanleiding. b. Een duidelijk omschreven opdracht. c. De vermoedelijke duur van het onderzoek. d.

De met het onderzoek gemoeide kosten (eventueel afgescheiden in een apart offertedeel). Ad b. De opdracht of de reikwijdte van het onderzoek kan wanneer noodzakelijk worden uitgebreid. Gedurende het onderzoek kan het voorkomen dat de integriteitsschending omvangrijker of complexer is dan vooraf kon worden ingeschat. In voorkomend geval zal steeds in overleg met de opdrachtgever moeten worden besloten over een eventuele uitbreiding van het onderzoek (bijvoorbeeld capaciteit, gebruikmaking bevoegdheden, meer mensen horen enz.). Een eventuele uitbreiding van het onderzoek wordt schriftelijk vastgelegd. Ad c. De burgemeester dient op adequate wijze te reageren op een vermoeden van een integriteitsschending. Dit betekent, dat hij de verantwoordelijkheid heeft daadkrachtig een feitenonderzoek op te pakken. Zonder afbreuk te doen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek dient het feitenonderzoek dan ook binnen afzienbare tijd te zijn gedaan. Wanneer het onderzoek wordt verricht door een externe partij zijn er enkele aanvullende aandachtspunten. Vastgesteld zal moeten worden van welke bevoegdheden de externe partij gebruik kan maken. Ook moet worden overeengekomen dat binnen de grenzen van het door de gemeente Oisterwijk opgestelde stappenplan zal worden gewerkt.

Het is tevens verstandig vast te stellen hoe lang het onderzoek mag duren en hoeveel onderzoekscapaciteit passend is om in te zetten. 6. Kennisgeving aan betrokkene Voordat het feitenonderzoek kan worden gestart, zal de betrokken politieke ambtsdrager schriftelijk in kennis moeten worden gesteld over het feit dat er een feitenonderzoek naar zijn gedragingen wordt ingesteld. Daarnaast kan het wenselijk zijn dat deze mededeling hem tevens mondeling wordt gedaan. Dit kan op het moment dat de burgemeester de schriftelijke kennisgeving in persoon uitreikt. Niet in alle gevallen zal het wenselijk zijn dat betrokkene onmiddellijk wordt geïnformeerd. Wanneer het onderzoeksbelang dit meebrengt, kan de schriftelijke kennisgeving worden opgeschort. De kennisgeving aan betrokkene dat een feitenonderzoek naar hem wordt ingesteld, bevat de volgende onderwerpen. a. Een omschrijving van het handelen of nalaten dat aanleiding is tot het instellen van een onderzoek. b. Een mededeling dat betrokkene en eventuele getuige(n) kunnen worden gehoord. Gedacht kan worden aan de situatie dat betrokkene, doordat hij in kennis wordt gesteld van het feitenonderzoek, mogelijk bewijsmateriaal kan/zal vernietigen.

5

c.

De mededeling dat wanneer andere feiten en omstandigheden bekend worden die van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de omvang, aard en ernst van de integriteitbreuk, het onderzoek zich kan uitstrekken tot die feiten en omstandigheden. Het onderzoek dient zorgvuldig plaats te vinden. Dit houdt in dat alle belangen (de belangen van betrokkene, het belang van het onderzoek, het belang van de organisatie en de belangen van getuigen) worden gewogen. Zorgvuldig onderzoek heeft dan betrekking op de vraag hoe belangen dienen te worden afgewogen. Er dient zodanig rekening te worden gehouden met de persoonlijke belangen van betrokkene dat zo min mogelijk inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Zorgvuldigheid heeft evenzeer betrekking op het feit dat achteraf verantwoording moet kunnen worden afgelegd over alle beslissingen en (onderzoeks)handelingen voorafgaand aan en gedurende het onderzoek. Teneinde dit mogelijk te maken, dienen de burgemeester en de onderzoekers hun beslissingen en handelingen behoorlijk te documenteren. Sterk samenhangend met zorgvuldigheid is het uitgangspunt dat onderzoekers zich dienen te onthouden van onoorbare handelingen. Op verschillende plaatsen wordt dit punt in dit stappenplan nader uitgewerkt.

Zo komt in de paragraaf over ‘het horen van betrokkene’ aan de orde dat onderzoekers zich dienen te onthouden van fysieke druk en het misleiden van betrokkene. 7. Horen van betrokkene en getuigen Gedurende het feitenonderzoek kan betrokkene worden gehoord. Het horen dient op zorgvuldige wijze te geschieden. Dit houdt in dat de betrokkene voor het gesprek dient te worden geïnformeerd over de aard en mogelijke duur van het gesprek. Betrokkene kan zich tijdens het gesprek laten bijstaan door een raadsman. Ook dienen onderzoekers zich voor, tijdens en na het gesprek te onthouden van enige vorm van druk of dwang. Dit houdt verband met het feit dat betrokkene in vrijheid zijn verklaring moet kunnen afleggen. Dat betrokkene door middel van het afleggen van verklaringen medewerking moet verlenen aan het feitenonderzoek, is niet in enig voorschrift neergelegd. Wel mag van een politieke ambtsdrager, aan wiens integriteit extra hoge eisen mogen worden gesteld, worden verwacht dat hij openheid van zaken geeft in een situatie waarin gerechtvaardigde twijfel is gerezen aan zijn integriteit. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te bevorderen en te zorgen dat het gesprek als bewijs kan worden geaccepteerd, is het noodzakelijk gesprekken in koppels van twee onderzoekers te voeren. Van het gesprek wordt door de onderzoekers verslag gemaakt.

Onderzoekers kunnen zowel mensen van binnen de organisatie als van buiten de organisatie als getuige horen. De getuigen werkzaam binnen de organisatie, zijn verplicht mee te werken aan het feitenonderzoek. De medewerking houdt in dat de getuige verplicht is informatie te verschaffen ten behoeve van het onderzoek. De informatie die de getuige verstrekt, dient op waarheid te berusten. Voor het gesprek plaatsvindt, dienen de politieke ambtsdrager en de getuigen op de hoogte te worden gesteld van de aard en de mogelijke duur van het gesprek. Daarnaast dient hen te worden meegedeeld dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman. Het collectief horen van getuigen is geen betrouwbare methode voor het verkrijgen van objectieve informatie. Door de onderzoekers wordt van het gesprek een verslag gemaakt. Duidelijk moet zijn wie wat heeft verklaard, hetgeen impliceert dat verklaringen moeten zijn voorzien van de naam van de getuige en diens handtekening respectievelijk een datum. Het anoniem afleggen van een verklaring is niet ten principale verboden, doch een dergelijke verklaring is alleen toelaatbaar in combinatie met ander, verifieerbaar bewijsmateriaal, en alleen indien het handhaven van de anonimiteit op zeer zwaarwegende gronden noodzakelijk is. Aan anonieme verklaringen wordt over het algemeen slechts aanvullende bewijskracht toegekend.

Het feitencomplex mag niet enkel bestaan uit een anoniem afgelegde verklaring. Tijdens het feitenonderzoek zal van de verschillende onderzoekshandelingen verslag moeten worden opgemaakt. Een goede verslaglegging is een solide schriftelijke basis, waarmee de burgemeester en de onderzoekers zich een oordeel kunnen vormen over de vermoedelijke integriteitsschending. Het onderzoek dient voor alle partijen inzichtelijk te zijn en de rechtmatigheid en de kwaliteit van het onderzoek moet kunnen worden getoetst. Een adequate verslaglegging maakt inzichtelijk in hoeverre overeenstemming of verschil van mening bestaat tussen de

6

verschillende partijen omtrent de toedracht, feiten en omstandigheden met betrekking tot het vermoeden van de integriteitsschending. Aandachtspunten verslaglegging a. Verslaglegging van de gesprekken Van de gesprekken met de betrokkene(n) en de getuigen dient door de onderzoekers verslag te worden opgemaakt. Het interview dient met twee personen te worden afgenomen. Het verslag dient een zo getrouw mogelijke weergave te zijn van hetgeen tijdens het gesprek aan de orde is geweest. Hierna kan het verslag worden voorgelegd aan de betrokkene/de getuige(n). Willen de verslagen voldoende bewijskracht hebben, dienen deze door degene die aan het gesprek hebben deelgenomen te worden ondertekend. Dit betekent dat het verslag moet worden ondertekend door zowel onderzoekers als degenen die zijn geïnterviewd (betrokkene en getuige(n)). De ondertekening houdt in dat op elke pagina van het gespreksverslag een paraaf gezet wordt. Hierbij dient de mogelijkheid aan betrokkene(n) of getuige(n) te worden geboden commentaar te geven op de gespreksverslag. Weigert een betrokkene het gespreksverslag te ondertekenen, dan wordt daarvan door de onderzoekers in het verslag, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Het verslag wordt aan het dossier toegevoegd.

Er kan worden gekozen om aanstonds een verslag op te maken en dit onmiddellijk na het beëindigen van het gesprek te laten ondertekenen. Groot voordeel van een dergelijke werkwijze is dat het praktisch is, in die zin dat het wellicht minder aanleiding zal geven tot discussies over de tekst van het verslag. Er kan ook worden gekozen het verslag op een later moment (doch wel zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen binnen enkele werkdagen) op te maken en ter ondertekening aan betrokkene/getuige(n) op te sturen. Betrokkene/getuige(n) worden hiermee in de gelegenheid gesteld te reageren op het verslag. Er dient hierbij een termijn (5 werkdagen) te worden gesteld om het verslag terug te sturen met schriftelijke opmerkingen. In het geval dat onderzoekers en de betrokkene/getuige(n) het niet eens kunnen worden over de tekst van het verslag kan een rapport aan het verslag worden toegevoegd, waarin de afwijkende opinie van betrokkene/getuige(n) wordt opgenomen. 8. Aangifte Als de inschatting is dat er vermoedelijk een misdrijf heeft plaatsgevonden, dient aangifte te worden gedaan. De onderzoekers plegen hiertoe overleg met de burgemeester, die vervolgens na overleg met het presidium of het college de beschikbare gegevens aan de politie voorlegt, eventueel na overleg met de Officier van Justitie. Alle op dat moment bekende informatie wordt aan de politie ter beschikking gesteld.

Let op, de aangifte kan al plaatsvinden na de vooronderzoekfase. 9. Communicatie In dit stappenplan zijn verschillende momenten genoemd, wanneer communicatie plaatsvindt tussen de burgemeester (of onderzoekers) en de betrokkene. Deze momenten zijn onder meer: - de schriftelijke kennisgeving aan de betrokkene dat een feitenonderzoek naar hem is gestart; - het horen van betrokkene zelf; - het eventueel ter inzage geven van bepaalde onderzoeksresultaten; - de mededeling dat het onderzoek naar hem is afgesloten. Naast bovengenoemde contactmomenten kan er behoefte zijn aan verdere informatieuitwisseling. Betrokkene zal informatie willen hebben omtrent de gang van zaken tijdens het onderzoek en de voortgang van het onderzoek. Dit kan conflicteren met het onderzoeksbelang. Voorstelbaar is dat het voor de bewijsvergaring niet bevorderlijk is om alle informatie lopende het onderzoek aan betrokkene te verstrekken. De burgemeester en de onderzoekers zullen zorgvuldig moeten omgaan met het verstrekken van informatie. Daarom wordt de communicatie vanuit één kanaal verstrekt, te weten de burgemeester.

7

Communicatie intern Informatieverschaffing aan college en raad is belangrijk. In de eerste plaats om ongewenste geruchtenvorming tegen te gaan en in de tweede plaats om als gemeente te laten zien dat wordt opgetreden tegen (vermeende) integriteitsschendingen. Het spreekt vanzelf dat de communicatie zorgvuldig dient te geschieden. Er zal rekening moeten worden gehouden met de verschillende belangen. Belangen die moeten worden afgewogen, zijn onder meer de persoonlijke levenssfeer van betrokkene, het onderzoeksbelang, het voorkomen van onrust binnen de organisatie en het openbaar of besloten behandelen van de uitkomsten van het onderzoek. Deze informatie wordt vanuit één kanaal verstrekt, te weten de burgemeester. Communicatie extern De burgemeester zal zich bewust moeten zijn van de rol die de media kunnen spelen tijdens een feitenonderzoek. Hij dient met ondersteuning van de afdeling communicatie in overleg met het presidium, het college, de griffier of de directie op een verantwoorde manier informatie te verstrekken. De aard van de integriteitsschending en het onderzoeksbelang spelen hierbij een rol.

De burgemeester staat voor de taak een balans te vinden tussen enerzijds het belang van het onderzoek en het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van betrokkene en anderzijds het belang van transparantie en het voorkomen dat het idee ontstaat dat de zaak ‘in de doofpot’ verdwijnt. Er kan en mag niet te krampachtig worden omgegaan met het verstrekken van informatie. Wel moet er voor worden gewaakt het onderzoek te frustreren door het voorbarig naar buiten brengen van informatie. Onnodige beschadiging van personen moet worden voorkomen. Informatieverstrekking aan de media dient plaats te vinden via één kanaal, te weten het team communicatie. Kortom, komt er een vraag van de media, dan gelden de volgende gedragsregels: - de persvraag wordt gemeld bij de burgemeester; - de burgemeester bereidt in overleg met de afdeling communicatie de beantwoording voor; - de vraag wordt gepast, transparant en zakelijk beantwoord; - voor de inhoudelijke check van het antwoord kan de burgemeester advies inwinnen bij deskundigen; - de burgemeester draagt zorg voor de mondelinge en schriftelijke beantwoording van de vraag. 10. Onderzoeksrapportage De onderzoeksfase eindigt met het aanbieden van het onderzoeksrapport aan de burgemeester.

Dit rapport behoort alle informatie te bevatten die voor de burgemeester nodig is om zich een oordeel te kunnen vormen over het vermoeden van integriteitsschending. Ook betrokkene zal zich een oordeel moeten kunnen vormen over het onderzoek en eventueel het onderzoek op zijn rechtmatigheid moeten kunnen (laten) toetsen. Hiervoor is een deugdelijke rapportage nodig. Inhoud rapportage In de rapportage dienen de volgende aspecten in ieder geval aan de orde komen: - De onderzoeksopdracht met eventuele uitbreidingen, mocht dit tijdens het onderzoek naar de integriteitsschending noodzakelijk zijn gebleken. Betrokkene kan zijn eventuele bedenkingen bijvoorbeeld naar voren brengen tijdens de verantwoordings c.q. de zienswijzeprocedure. - Een beschrijving van de casus, waarin helder naar voren wordt gebracht wat de uitgangspunten voor het onderzoek geweest zijn en welke feiten en omstandigheden hierbij een rol hebben gespeeld. - De relevante regelgeving. - Onderzoeksresultaten. Geen aanbevelingen omtrent het beoordelen van het feitencomplex in het rapport Het is de taak van de burgemeester om op basis van de onderzoeksgegevens een oordeel te vormen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de integriteitsschending.

8

De onderzoekers dienen zich te onthouden van het geven van een opvatting over welke consequenties zouden moeten worden verbonden aan de door hen onderzochte feiten. Het is de taak van de onderzoekers om het feitencomplex objectief vast te stellen. Door het spanningsveld tussen objectief (descriptief) onderzoek en het vormen van een (normatief) oordeel moeten deze taken gescheiden worden gehouden. Aanbieding rapport aan de burgemeester Nadat de inhoud van het rapport is vastgesteld door de onderzoekers, kan het worden aangeboden aan de burgemeester. Hij zal primair moeten bezien of de vastgestelde feiten in het rapport al dan niet aanleiding geven tot het kwalificeren van de feiten als ongewenst handelen. Hij zal vervolgens aan het college, de raad of het seniorenconvent ter overweging moeten voorleggen of het onderzoeksrapport aanleiding geeft maatregelen te formuleren. Besluitvorming Op basis van de Gedragscode integriteit politieke ambtsdragers gemeente Oisterwijk kan alles wat strafrechtelijk niet aan de kaak kan worden gesteld, in de openbaarheid als hoogst bedenkelijk worden aangemerkt. Men kan elkaar daarop aanspreken en er een oordeel over hebben. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan worden besloten: a. het dossier te sluiten omdat er geen integriteitsschending heeft plaatsgevonden; b. aangifte te doen bij de politie; c.

al of niet een motie van treurnis of wantrouwen aan te nemen.

Oisterwijk, De Gemeenteraad

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11758547/1