CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-170 VVGB varkenshouderij Oisterwijksebaan 6 - Inbreng inwoners - Brabantse Milieufederatie - bijlage

RAAD 15 december 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Schriftelijke inbreng inwoners4.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Tilburg, 8 maart 2022

Aan: Gemeente Oisterwijk t.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 10101 5060 GA Oisterwijk Cc Gemeenteraad van Oisterwijk

Kenmerk: Ow 07-2049-hg Onderwerp: zienswijze ontwerpbeschikking omgevingsvergunning Oisterwijksebaan 6 te Heukelom

Geacht College, Vanaf 28 januari 2022 ligt ter inzage de ontwerpbeschikking op de aanvraag van 18 november 2016 voor een omgevingsvergunning (Activiteit; Bouwen, Milieu, Strijdig gebruik bestemmingsplan) voor het veranderen en uitbreiden van de varkenshouderij aan de Oisterwijksebaan 6 te Heukelom. De onderhavige ontwerpvergunning ziet op het uitbreiden van een varkenshouderijbedrijf met 2.447 mestvarkens naar 5.016 vleesvarkens, met 367 zeugen naar 1.710 zeugen, 4.876 biggen naar 11.417 gespeende biggen, 6 beren en 114 stuks jongvee. Daarnaast worden de stallen voorzien van of aangesloten op een luchtwassersysteem BWL2009.12 V 2. Tegen deze ontwerpbeschikking dient de Brabantse Milieufederatie, mede namens Vereniging B-Team Oisterwijk, de navolgende zienswijze in. Aanvraag De aanvraag dateert van november 2016, ruim 5 jaar geleden. Een aanvraag van zo lang geleden had geactualiseerd moeten worden. Dit omdat het voorgestelde stalsysteem met combiluchtwassysteem geen actueel stalsysteem is en er studies gedaan zijn naar de effectiviteit van de werking van deze stalsystemen. In hoeverre worden hier de Beste Bestaande Technieken (BBT) toegepast? Tevens correspondeert de aanvraag niet meer met wat de aanvrager kennelijk beoogt. De aanvraag gaat nog steeds over 114 stuks jongvee. Die aanvraag maakt overigens wel deel uit van de vergunning.

Dat betekent dat het jongvee/mestvee niet is meegenomen in de beoordeling. MER Het gaat hier om een IPPC-bedrijf, waarvoor een uitbreiding met onder andere 4.876 gespeende biggen en 2.447 mestvarkens wordt aangevraagd. Omdat de drempelwaarde van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage wordt overschreden, geldt er voor deze activiteit een m.e.r-plicht. Er is geen MER gemaakt, waardoor de aanvraag niet compleet is. Bovendien is gezien de ligging van de veehouderij nabij N2000-gebieden een MER en passende beoordeling verplicht. Geurhinder De uitbreiding van de veehouderij zorgt voor een toename 44.678,5 Odour Units (van 88.722,3 naar 133.400,8 OU). Dit is een stijging van 50%. Bovendien wordt bij de berekening van de geurbelasting niet gerekend met de huidige gezondheidskundige advieswaarden van de GGD. Deze normen zijn aangescherpt en in overeenstemming met het advies van de WHO. De geurnormen die gebruikt zijn voor de berekening van de geurhinder in deze beschikking liggen meer dan 2 keer zo hoog dan de gezondheidskundige advieswaarden. In het bestreden besluit wordt aangegeven dat gebruik zal worden gemaakt van een luchtwassersysteem dat in de Regeling ammoniak en veehouderij wordt aangeduid als BWL 2009.12 V12. Naar de werking van dit systeem is door de Universiteit van Wageningen uitgebreid onderzoek verricht.

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat uit de onderzochte systemen in geen van de gevallen het beloofde rendement voor geurverwijdering werd behaald (Wageningen UR Livestock Research Wageningen, november 2021). In dit rapport wordt wederom bevestigd dat er een aantal technische problemen bestaan bij de werking van de biologische combi-luchtwasser en dat dit grote gevolgen heeft voor de emissie van ammoniak en geur. Het aanvullende GGD-advies d.d. 29-10-2021 refereert aan een rapport van de WUR uit 2018. In november 2021 is een nieuw rapport over de werking van combi-luchtwassers uitgekomen met nieuwe inzichten over deze luchtwassers. Hierdoor zijn de adviezen van de GGD niet meer actueel te noemen. Citaat uit het rapport, p. 59-60: ‘4.1.1. Storingen aan de waswaterpomp. Wanneer de pomp uitgeschakeld was daalde het rendement tot nul, maar ook na het weer inschakelen van de pomp was er sprake van een aanhoudend negatief effect van enkele dagen op het ammoniakverwijderingsrendement. Zelfs wanneer de pH weer tot onder de 7,5 was gedaald bleef het ammoniakrendement lager dan voordat de waswaterpomp was stilgevallen. Pas na een periode van ongeveer een week na het herstarten van de waswaterpomp kwam het ammoniakverwijderingsrendement weer terug op het oude niveau. Deze storingen in de biologische combi-wassers hebben mogelijk ook een negatief effect gehad op de geurverwijdering.

Bij locatie #3 was de geurverwijdering voor de storing beduidend hoger (rond de 70%) dan na de storing (20-30%), daarnaast lijkt de geurverwijdering langzamer te herstellen van de storingen dan de ammoniakverwijdering. Door het geringe aantal metingen kan deze observatie echter niet met zekerheid worden vastgesteld, maar lijkt wel een belangrijk aandachtspunt om geurverwijdering door biologische combi-wassers te garanderen. 4.1.2 Schoonmaken van het pakket. Het schoonmaken van het pakkingsmateriaal lijkt een vergelijkbaar negatief effect te hebben gehad op het ammoniakverwijderingsrendement als het stilvallen van de waswaterpomp. Ook in dit geval daalde het ammoniakrendement tijdens het schoonmaken naar nul en was er geen sprake van een snel herstel van het rendement na schoonmaken. Schoonmaken van het pakkingsmateriaal lijkt een nog langer aanhoudend negatief effect te hebben dan het stilvallen van de waswaterpomp; na een week tijd was het rendement slechts hersteld tot ongeveer een derde van het rendement dat behaald werd voordat het schoonmaken van het pakket plaatsvond (locatie #3). Het schoonmaken (en dus het uitzetten van de luchtwasser) lijkt verder hetzelfde effect op geurverwijdering te hebben als het stilvallen van de waswaterpomp.’ Uit het onderzoek blijkt dat het zeker een tot twee weken duurt voordat de luchtwasser weer op volle sterkte functioneert.

Dit zorgt voor extra emissie van ammoniak, fijnstof en geur die niet is meeberekend in de vergunning. Tenminste had rekening moeten worden gehouden met het stilzetten van de luchtwasser op grond van onderhoud en schoonmaak van het pakket. Daarnaast had ook een ‘storingsmarge’ opgenomen moeten worden in de berekening van emissies. Nu dit niet is gedaan is de berekening van geurhinder niet compleet. In het kader van de geurnormen moet een kinderdagverblijf als een gevoelig object worden beoordeeld. Dat is in het onderhavige geval niet, dan wel onvoldoende meegewogen. Tevens vragen wij ons af waarom het pand Oisterwijksebaan 6a te Heukelom niet is meegenomen in de beoordeling van de geurhinder. Er is hier sprake van een categorie III omgeving met een aantal burgerwoningen en met enkele (mini)campings, te weten kampeerboerderij Heukeloms Hoefke aan de Laag Heukelomseweg 5 en Camping het Karrewiel aan de Laag Heukelomseweg 3a in Heukelom. Fijnstof In de bij de aanvraag behorende gegevens wordt aangegeven dat de fijnstof in de omgeving zal toenemen doch dat deze binnen de wettelijke norm blijft. In dat kader wijzen wij erop dat een en ander afhangt van de werking van de beoogde luchtwassers. Ook hier moet gewezen worden op het rapport van de Universiteit Wageningen.

Hieruit blijkt dat luchtwassers onvoldoende werken en dat er voorts veel storingen voorkomen, waardoor fijnstof alsnog in de omgeving kan komen. De aanwezigheid van een kinderdagverblijf in de directe omgeving van het veehouderijbedrijf is niet meegewogen.

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Het bevoegd gezag moet dus bepalen of de middelingstijd van de norm zich verhoudt tot de verblijfstijd. De verblijfstijd vergelijkt men met een jaar, dag of uur. Dit is afhankelijk van het soort grenswaarde. Voor fijnstof gelden twee normen: een jaargemiddelde norm en een daggemiddelde norm. Bij de fijnstof toetsing voor veehouderijen blijkt in de praktijk dat de luchtkwaliteit eerst de dagnorm overschrijdt. De luchtkwaliteit overschrijdt soms ook de jaarnorm, maar nooit los van de dagnorm. De dagnorm is daarmee het meest bepalend. Voor fijnstof geldt dan ook een middelingstijd van een dag. De verblijfstijd moet in verhouding staan tot een dag. Wel heeft de wetgever er in de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit (https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/regelgeving/wet-milieubeheer/beoordelen/regeling-beoordeling/) iets over vastgelegd. In deze toelichting staan een aantal voorbeelden van plekken waar de blootstelling in verhouding staat tot een etmaal. Dit kan het bevoegd gezag helpen om de afweging te maken. Daartoe behoren ook de plekken waar mensen het hele jaar door regelmatig verblijven. Of in ieder geval een groot deel van het jaar. Daarbij valt te denken aan: • • • • • •

woningen, andere voor wonen bestemde gebouwen, woonboten; kinderopvang; basisscholen en scholen voor middelbaar en hoger onderwijs; verzorgings- en bejaardentehuizen; revalidatie-instellingen; alle gebouwen niet zijnde (hoofdzakelijk) een werkplek, waar sprake is van een langdurig verblijf door personen. Denk bijvoorbeeld aan penitentiaire inrichtingen, asielzoekerscentra en dergelijke.

Daarnaast blijkt uit de ontwerpbeschikking dat de norm voor fijnstof op de woning Spoordijk 3 wordt overschreden. Ook hebben wij gelet op het bovenstaande onze twijfels of op het perceel van het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8 nog wordt voldaan aan de fijnstofnorm. Fijnstof kan leiden tot de verspreiding van zoönosen en endotoxinen. Nu de fijnstofnorm niet wordt gehaald, is er een gevaar voor de leef- en woonomgeving Oisterwijksebaan en Spoordijk. VVGB natuur en stikstof De hoogste bijdrage ammoniak bedraagt 6,39 mol/ha/jr. Het bedrijf ligt op 1.035 m afstand van N2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Dit maakt dat het bedrijf een piekbelaster is. De Kampina en Oisterwijkse Vennen zijn overbelaste gebieden, waarvoor op korte termijn antiverslechteringsmaatregelen getroffen moeten worden. Het is niet te begrijpen dat deze veehouderij toegestaan wordt uit te breiden gezien de enorme overschrijding van de kritische depositie waarde (KDW) en gelet op de reductiedoelstellingen zoals neergelegd in de Stikstofwet d.d. 10 maart 2021. In 2025, al over een kleine 3 jaar, moet een areaal van 40% van de stikstofgevoelige habitats waar momenteel een overschrijding is van de KDW onder de KDW komen. Hiervoor wordt door rijk en provincie een pakket maatregelen voorbereid waaronder uitkoopregelingen voor boerderijen in de buurt van N2000-gebieden.

Het is dan ook niet uit te leggen aan de bevolking dat u een veehouderij in de nabijheid van een N2000-gebied toestaat om uit te breiden terwijl het een feit is dat er wetenschappelijk twijfel bestaat over de werking van emissie reducerende stalsystemen waardoor berekening van de te verwachten ammoniakuitstoot en depositie veel te laag uitpakt. De provincie constateert in de geweigerde verklaring van geen bedenkingen dat er sprake zou zijn van een interne saldering en er dus geen vergunningplicht geldt op basis van de Wet Natuurbescherming. Dat is naar onze mening niet juist. Op de eerste plaats is er sprake van een forse toename van het aantal dieren op het bedrijf. Zo neemt de veestapel toe met 2.447 mestvarkens, 367 zeugen en 4.876 biggen. Deze toename van het aantal dieren leidt tot meer mest hetgeen moet worden afgevoerd en verwerkt buiten de inrichting. Bovendien constateren wij dat de 114 stuks runderen, die volgens de Rav-factor als mestvee moeten worden berekend, ten onrechte niet zijn meegenomen in de VVGB, terwijl dit aantal dieren wel is aangevraagd. De aanvraag maakt deel uit van de beschikking en dus schiet de VVGB hierin tekort. Ook moet er meer veevoer worden aangevoerd en meer varkens worden afgevoerd. Dit leidt tot meer vrachtverkeer op en buiten het bedrijf.

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Verder zijn er ook meer verkeersbewegingen te verwachten van bezoekers, zoals dierenartsen, adviseurs, controleurs et cetera. Ook dit leidt tot een toename van de NOx-emissie met bijna 455 kg/jr. en een toename van de depositie van stikstof op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarnaast moet ook worden gewezen op de conclusie van het rapport van de Universiteit van Wageningen van november 2021 (Verbeterpunten Combi-luchtwassers). De WUR constateert in het rapport dat de beloofde rendementen in het terugdringen van ammoniak door de beoogde luchtwassers niet worden gehaald. Er wordt een aantal oorzaken benoemd: technische mankementen door nalatig onderhoud, of onoordeelkundig gebruik, temperatuur onder het vriespunt, onderhoud aan de luchtwasser, onjuiste EC en pH-waarde. Dit resulteerde in een veel lager ammoniakverwijderingsrendement dan de waarde van 85% waarvan uitgegaan wordt in de Rav. Uit het onderzoek blijkt ook dat het zeker een tot twee weken duurt voordat de luchtwasser weer op volle sterkte functioneert. Dit zorgt voor (wederom) extra emissie en depositie van ammoniak die niet is meeberekend in de vergunning. Tenminste had rekening moeten worden gehouden met het stilzetten van de luchtwasser op grond van verplicht onderhoud en schoonmaak van het pakket. Daarnaast had ook een ‘storingsmarge’ opgenomen moeten worden in de berekening van emissies.

Nu dit niet is gedaan, is de berekening van ammoniakemissie niet compleet. In diverse uitspraken is al aangegeven dat bij de beoordeling van aanvragen niet zonder meer mag worden uitgegaan van de RAV (onder meer ECLI NL Rechtbank Oost Brabant 2021:1601). In de beoordeling van de provincie welke ten grondslag ligt aan het oordeel dat er sprake is van interne saldering wordt klakkeloos uitgegaan van de normen van de RAV. Dat mag dus niet. De provincie had hierover een eigen oordeel moeten vellen. Er is dus onvoldoende onderzocht of de uitbreiding significant negatieve effecten kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Ten onrechte gaat de provincie er van uit dat sprake is van intern salderen en dat er geen vergunningplicht is op grond van art. 2.7, tweede lid van de Wnb. Referentiesituatie In het WebBVB is te zien dat de vergunning met het adres Oisterwijksebaan 6 Heukelom op 1-1-2011 is ingetrokken en is overgegaan op het adres op Spoordijk 6 te Heukelom. De omgevingsvergunning wordt echter afgegeven voor het adres Oisterwijksebaan 6. Wat is de juiste referentiesituatie nu dit bedrijf niet meer is gerealiseerd op dit adres? Verplichte monitoring Luchtwassystemen moeten een meet- en registratiesysteem (elektronische monitoring) hebben, zie https://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/luchtwassers/opbouw/uitvoering-0/ .

De GGD adviseert om de monitoring uit te breiden op basis van de suggesties in het WUR onderzoek. In de omgevingsvergunning blijkt niet dat er op enige wijze gehoor is gegeven aan dit advies terwijl toch vaststaat dat een juiste werking van luchtwassers cruciaal is voor de werkelijke geur- en ammoniakemissie. Afvoer kadavers Uit de aanvraag blijkt dat de afvoer van kadavers plaatsvindt door deze onder een kadaverkap aan de weg te leggen. In de aanvraag is aangegeven dat er 6.500 kg aan kadavers per jaar aan de weg wordt gelegd. Dat is vanuit een oogpunt van volksgezondheid natuurlijk volstrekt onaanvaardbaar. Op de eerste plaats ligt het bedrijf aan een heel druk fietspad (Oisterwijksebaan en Spoordijk) terwijl daarnaast in de directe omgeving van het veehouderijbedrijf een kinderdagverblijf aanwezig is. Gevaar voor infectieziekten en insecten is zeker niet ondenkbaar om over stankhinder nog maar te zwijgen. Toename verhard oppervlak De bebouwing op het perceel neemt toe van 1.300 m² naar 3.700 m². De locatie ligt vrij dicht bij de EVZ Voorste Stroom en breuken (Formatie van Oosterhout). In dit verband vragen wij ons af of voldoende gekeken is naar de ontwatering welke deze verstening met zich meebrengt en de effecten van afkomend water voor aanliggende percelen. Ook zal de inzijgingsmogelijkheid voor regenwater verder afnemen en daarvoor is geen voorziening getroffen.

Een toename zoals wordt vergund is significant te noemen en invloed op de waterhuishouding is dan ook niet uit te sluiten. Verkeersbewegingen Het aantal vervoersbewegingen wordt in de aanvraag te laag ingeschat. Zo wordt er aangegeven dat er twee werknemers zijn en dat er per dag 35 bezoekers zijn. Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Daarmee lijkt het erop dat deze veehouderij meer lijkt op een dierentuin dan op een varkenshouderij. Verder zal de aan- en afvoer van mest, voer en van varkens naar onze mening hoger zijn dan wordt aangenomen. Motivering afwijking In de Raadsinformatiebrief geeft u onder meer aan dat de veehouderij van grote waarde is voor de welvaart, voor werk en voedselzekerheid. Niet duidelijk wordt waaraan u deze waarde ontleend. Immers bestaat welvaart niet uitsluitend uit financieel gewin, maar wordt hiertoe ook een gezonde woon- en leefomgeving en een schoon milieu als randvoorwaarde voor de natuur gerekend. Ten aanzien van werk heeft het bedrijf niet echt een significante bijdrage. In de aanvraag wordt immers aangegeven dat er slechts twee werknemers aanwezig zijn. Laat staan dat hiermee is onderbouwd dat dit bedrijf een significante bijdrage levert aan de werkgelegenheid op lokaal niveau. Voedselzekerheid is en kan geen argument zijn nu ongeveer 80% van onze vleesproductie voor de export is bedoeld. In de motivering is geen aandacht besteed aan het veehouderijbeleid van uw gemeente. Waarom wordt de veehouderij aan Oisterwijksebaan 2 gesaneerd, terwijl de onderhavige veehouderij nog kan worden uitgebreid? In het bestemmingsplan Buitengebied Oisterwijk is er een dierstandstill opgenomen en er mag niet meer bebouwd worden dan de bestaande oppervlaktemaat.

Echter middels afwijken van het bestemmingsplan wil de gemeente dit beleid ontwijken. De bestaande bebouwing voor de veehouderij neemt toe en ook de dieraantallen nemen fors toe. Moet de besluitvorming voor deze grote uitbreiding van een IPPC-veehouderij niet aan de gemeenteraad worden voorgelegd? De veehouderij ligt in de Groenblauwe mantel, pal tegen de attentiezone waterhuishouding en vlakbij het waterbergingsgebied Voorste Stroom. Als wordt afgeweken van het bestemmingsplan, moet worden getoetst aan de Interim Omgevingsverordening (Iov). Er blijkt uit de ontwerpbeschikking dat daaraan niet is getoetst, bijvoorbeeld aan art. 2.73 en niet aan de waarden van de Groenblauwe mantel (art. 3.32). Ziekten Uit de aanvraag blijkt dat de initiatiefnemer naast varkens ook jongvee wil gaan houden. Een dergelijke combinatie op een bedrijf is zeer ongebruikelijk. Rundveehouders zijn beducht voor de overdracht van de ziekte van Aujezky. Ziekte van Aujeszky | DGZ https://www.gddiergezondheid.nl/nl/Diergezondheid/Dierziekten/Ziekte-van-Aujeszky Dit is een ziekte die bij varkens voorkomt maar ook kan worden overgedragen op runderen en mensen. Daarnaast kan het virus meerdere kilometers via de lucht worden verspreid en wordt het virus verspreid via transportmiddelen, mensen, voorwerpen en dergelijke. De kans op een uitbraak is gelet op de intensiteit van de inrichting niet ondenkbaar.

Bovendien bestaat er ook gevaar voor de overdracht van besmettelijke ziekten als gevolg van zoönose en endotoxine. Deze deeltjes kunnen zich hechten aan fijnstof en zich op deze wijze in de omgeving verspreiden. Brandveiligheid en calamiteiten Met enige regelmaat wordt Nederland opgeschrikt door grote branden in kippen- en varkenshouderijen. Vaak zijn er in dat geval veel dierenslachtoffers te betreuren. De Onderzoeksraad voor Veiligheid constateert dat binnen de varkenshouderij maatregelen om brand te voorkomen te kort schieten (zie https://www.onderzoeksraad.nl/nl/page/15347/stalbranden en ook https://edepot.wur.nl/246894) Bovendien schiet ook de kennis over het voorkomen van branden tekort. De toenmalige minister heeft naar aanleiding van de rapporten aangegeven te komen met een verscherping van de maatregelen. De combinatie van mestgassen, goedkope (lees: brandbare) materialen en luchtwassers maakt de luchtdichte stallen extreem brandgevaarlijk. Een klein vonkje is vaak al genoeg. In de intensieve varkenshouderij zijn varkens bij voorbaat kansloos, ze kunnen geen kant op. Nu kunnen we – deels terecht – naar de overheid wijzen. Natuurlijk moeten er strengere regels komen die stallen brandveiliger maken. Technische maatregelen zijn mede de oorzaak van stalbranden.

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Ventilatiesystemen en luchtwassers zijn vaak de oorzaak van stalbranden. Ook het gebruik van brandgevaarlijke materialen komt nog veel voor. Uit de aanvraag blijkt dat initiatiefnemer voor brandveiligheid uitsluitend terugvalt op mobiele brandblussers. Dat is voor een grote inrichting als de onderhavige volstrekt onvoldoende. Tenminste zou in het bedrijf een sprinklerinstallatie aanwezig moeten zijn en zou er een vrije uitloop moeten zijn voor de dieren. Mestputten De mestputten hebben een capaciteit van 15.000 m3. Het gaat om een enorme opslagcapaciteit voor 15.000 m3 drijfmest, waarvoor het calamiteitenrisico hoog is en de gevolgen van het gebruik niet zijn te negeren. Er zijn geen voorschriften opgenomen noch in de bouwvoorschriften noch in de milieuvoorschriften, gericht op het voorkomen van gevolgen voor het milieu van de mestopslag. De inrichting beschikt over emissiearme vloeren. Kenmerk van deze vloeren is dat deze slechts kleine openingen kennen, om op deze manier het emitterend oppervlak zoveel mogelijk te beperken. Door een dergelijke hoeveelheid drijfmest op te slaan in een nagenoeg afgesloten ruimte bestaat het gevaar dat zich grote hoeveelheden methaangas gaan ophopen in deze mestkelders. Dat kan leiden tot explosies. Uiteraard bestaat hierbij niet alleen gevaar voor de inrichting, maar ook voor woningen en opstallen in de directe omgeving van de inrichting.

Bovendien is er het gevaar dat bij het overpompen van mest ammoniak en het giftige methaangas vrij komen. Dit levert een gevaar op voor de werknemers in de stal. Verder draagt een dergelijke grote hoeveelheid methaangas bij aan een vergroting van het broeikaseffect. Methaangas is een zeer krachtig broeikasgas dat 20x keer krachtiger is dan bijvoorbeeld CO2. Zoals bekend uit de Urgendazaak dient Nederland de uitstoot van broeikasgassen fors terug te dringen. Verlening van deze vergunning draagt daar zeker niet aan bij. Voorts bestaat het gevaar voor lekkage van de mestkelders. Hierbij kunnen grote hoeveelheden drijfmest vrijkomen en oppervlaktewater en bodem verontreinigen. Staldering Op de Oisterwijksebaan 6 komt er maximaal 4.612 m² uitbreiding staloppervlakte voor het houden van varkens. Er wordt gestaldeerd met circa 1.750 m² oppervlakte aan stallen aan de Waalwijksebaan 2 te Udenhout. Deze stallen worden gesloopt. Het gewijzigde bestemmingsplan De Zandleij 2012, 17e herziening (Waalwijkseweg 2) is op 1 november 2021 vastgesteld en onherroepelijk geworden. En er wordt gestaldeerd met 3.784 vierkante meter nog te slopen staloppervlak aan de Eendekooistraat 15 te Zundert voor deze uitbreiding. Hiervoor is geen besluit aangetroffen dat de stallen gesloopt gaan worden. Er is een nieuwe stal meegerekend die weer is teruggebouwd, waarschijnlijk is dat voor rundvee.

Echter door de sloop van stallen vindt er geen kwaliteitsverbetering plaats van het buitengebied. De gesloopte veestallen, als die er al zouden zijn, worden dubbel ingezet: voor de uitbreiding van stallen elders en voor een rundveestal op de oude locatie. Dat is in strijd met de Interim Omgevingverordening (IOV), nu er dus te weinig vierkante meters voor staldering worden ingezet. Immers indien er niet wordt gesloopt maar hergebruik of herbouw plaatsvindt moet er voor 200% worden gestaldeerd. Bovendien is de bestemming van het perceel niet gewijzigd. Dat is nog altijd direct te gebruiken voor intensieve veehouderij. Dit is in strijd met de IOV, waarin is bepaald dat de dierenverblijven van de hokdierhouderij feitelijk en juridisch zijn beëindigd. De toepassing van de stalderingsregeling schiet tekort. BZV In het kader van de Interim omgevingsverordening moet je punten scoren op grond van de BZV om te mogen uitbreiden. In het bestemmingsplan van Oisterwijk mag je sowieso niet uitbreiden in aantal dieren, behalve via een omgevingsvergunning afwijken. Daarvoor moet dan ook getoetst worden aan de BZV. Waarin is deze intensieve veehouderij duurzaam?

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

Nu wordt er alleen voldaan aan het ‘keurmerk IKB varken’. Maar die categorie wordt meermalen ingevuld en dan komt hij aan de benodigde score. Op geen enkel ander aspect wordt gescoord, niet op zoönosen, niet op schurftvrij, niet op hygiëne, niet op landschappelijke inpassing, niet op waterinzijging, niks. Die ene categorie ‘keurmerk IKB varken’ wordt verschillende keren ingevuld en dubbel geteld en ook nog een paar (oude) Maatlat duurzame veehouderij worden erbij opgeteld. Eigenlijk is dit bedrijf alleen maar een milieulast in plaats van een duurzame veehouderij. Haalbaarheid van de uitbreiding Wij twijfelen aan de haalbaarheid van het plan, niet alleen om bovengenoemde redenen, maar ook vanwege de kwaliteit van de leefomgeving en de financiële haalbaarheid. https://www.agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=2263&indicatorID=2051&sectorID=2259| De varkensprijzen zijn weer flink gedaald en de voerprijzen en energiekosten zijn flink gestegen. Dit bedrijf ligt op circa 1.000 meter van N2000-gebieden. Daarmee ligt het niet gunstig voor ontwikkelingen op de lange termijn. Banken zullen niet gemakkelijk investeren in een bedrijf dat om meerdere redenen op een verkeerde locatie ligt.

Wij verzoeken u, mede namens Vereniging B-Team Oisterwijk en de N2000-natuurgebieden Kampina en Oisterwijkse Vennen, de vergunning te weigeren en deze piekbelaster aan te melden voor sanering. Met duurzame groet,

Femke Dingemans, directeur Brabantse Milieufederatie

Bijlagen: Ow 07-2049-hg bijlage 1 Machtiging B-Team Ow 07-2049-hg bijlage 2 statuten B-team Ow 07-2049-hg bijlage 3 uittreksel_handelsregister_61789607

Stichting Brabantse Milieufederatie | Spoorlaan 434 | 5038 CH Tilburg 013-535 6225 | bmf@brabantsemilieufederatie.nl | www.brabantsemilieufederatie.nl KvK: 41095498 | Triodos: NL22 TRIO 0212 4972 51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12101393/1