21-36 Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021 - raadsvoorstel
Tekst van het document
Raadsvoorstel Onderwerp: Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021
Zaaknummer: 89254
Raadsvergadering d.d. 28 januari 2021
Raadsvoorstelnr: 21/36
Afdeling
Contactpersoon/email
Advies, Ondersteuning en Veiligheid
rene.wesel@oisterwijk.nl
(AOV)
Voorstel Wij stellen u voor De Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021 vast te stellen Inleiding Op 1 januari 2021 werd het dorp Haaren bij de gemeente Oisterwijk gevoegd. Dat betekent dat we nu met twee Algemene plaatselijke verordeningen werken. Dat is voor zowel onze toezichthouders als de politie en onze vergunningverleners niet goed werkbaar. We kunnen dit oplossen door een nieuwe Algemene plaatselijke verordening vast te stellen, die geldig is voor de gehele nieuwe gemeente Oisterwijk. Daartoe zijn beide algemene plaatselijke verordeningen vergeleken en is tot een nieuwe verordening gekomen. Om onze eigen werkprocessen zoveel mogelijk aan te kunnen blijven houden is vaak voor de Oisterwijkse versie van de verordening gekozen. In sommige gevallen is de Algemene plaatselijke verordening Oisterwijk echter ook aangepast aan de Haarense verordening of situatie. In een enkel geval is er sprake van overgangsrecht, zodat de Haarense regelgeving tijdelijk op het voormalige Haarense grondgebied van kracht blijft totdat een definitief besluit genomen is. Daarmee wordt ook voorkomen dat ondernemers per direct nieuwe vergunningen aan moeten vragen. Daarnaast zijn de laatste voorstellen tot aanpassing van de Algemene plaatselijke verordening, zoals de VNG die elke zomer doet, in dit voorstel meegenomen.
Argumenten Onder dit kopje zijn de argumenten opgenomen die voor de gehele Algemene plaatselijke verordening gelden. In het overzicht van wijzigingen is per gewijzigd artikel aangegeven waarom deze wijziging wordt voorgesteld. 1.1 Dit voorstel biedt duidelijkheid over de nieuwe regelgeving Door zo snel mogelijk een nieuwe Apv van toepassing te laten zijn, is het voor alle burgers, ondernemers en toezichthouders duidelijk welke regelgeving er in de nieuwe gemeente Oisterwijk geldt. Er hoeft dan, behoudens het uitdrukkelijk opgenomen overgangsrecht, geen twijfel meer te bestaan over of een regel al wel of niet van toepassing is op het nieuwe grondgebied van de gemeente Oisterwijk of dat daar de Haarense regelgeving nog geldt. Het is daarom van belang deze nieuwe regelgeving zo snel mogelijk in te laten gaan.
1
1.2 Met één gezamenlijke verordening vergemakkelijken we het werk voor de ambtelijke organisatie Als u nu geen nieuwe verordening vaststelt, blijft de huidige verordening van de gemeente Haaren voorlopig gelden op haar grondgebied. Dat betekent dat onze ambtenaren voor langere tijd vergunning- en ontheffingaanvragen op grond van de Algemene plaatselijke verordening moeten toetsen aan de Haarense regelgeving. In de praktijk houdt dat in dat voor bijvoorbeeld exploitatievergunningen, kapvergunningen en uitritvergunningen net andere indieningsvereisten en toetsingscriteria gelden. Zelfs als de criteria inhoudelijk hetzelfde zijn, kan het zo zijn dat in de vergunning naar een ander artikel of artikellid verwezen moet worden. Het is onwenselijk twee verschillende werkwijzen te hanteren in één ambtelijke organisatie. 1.3 Onze Algemene plaatselijke verordening is weer helemaal bij de tijd Door gelijk de voorstellen tot wijziging van de VNG te verwerken in dit voorstel, is onze Algemene plaatselijke verordening weer aangepast aan de nieuwste (juridische) inzichten, waardoor we minder risico lopen in eventuele juridische procedures. Kanttekeningen 1.1 Over sommige onderwerpen moet nog een keuze worden gemaakt Over met name de regelgeving voor paracommerciële horeca moeten nog keuzes worden gemaakt.
Voorlopig geldt de huidige regelgeving van de gemeente Haaren nog tot 1 januari 2022 voor de paracommerciële horeca op grondgebied van de huidige gemeente Haaren. Dit is geregeld in artikel 2:34b van de APV (zie ook bijlage 1). Mogelijk komt er dus nog een nieuw voorstel tot aanpassing van de APV in de loop van 2021 om ook dit beleid te harmoniseren. Ook zijn de artikelen over het verbod om carbid te schieten weer uit de Algemene plaatselijke verordening verwijderd, omdat deze op 10 december 2020 specifiek vanwege de situatie rondom corona zijn toegevoegd. Mocht er toch behoefte zijn om dit verbod permanent op te nemen, dan komt ook daar een nieuw voorstel over. Financiën Dit voorstel heeft geen financiële consequenties. Communicatie De vastgestelde Algemene plaatselijke verordening wordt bekendgemaakt in ons digitaal gemeenteblad.
Bijlagen - Bijlage 1: Wijzigingen ‘Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021’ - Bijlage 2: Raadsbesluit ‘Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021’
Oisterwijk 8 december 2020, Het college, de secretaris a.i.,
de burgemeester,
2
Marc Knaapen
Hans Janssen
3
Raadsbesluit Voorstel tot Vaststelling van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021
De raad van de gemeente Oisterwijk, gelezen het voorstel van het college d.d. 8 december 2020, afdeling Advies, Ondersteuning en Veiligheid (AOV), raadsvoorstel nr. 21/36;
gelet op Het toevoegen van het dorp Haaren bij de gemeente Oisterwijk; De wenselijkheid om nieuwe aanpassingen op advies van de VNG door te voeren in onze verordening; De bevoegdheid die art. 147 van de Gemeentewet aan de gemeenteraad verleent om verordeningen vast te stellen; besluit vast te stellen: De Algemene plaatselijke verordening gemeente Oisterwijk 2021
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities Artikel 1:2 Beslistermijn Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
4
Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Afdeling 4. Vertoningen op openbare plaatsen Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Artikel 2:14 Winkelwagentjes Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:22 Detectieverbod Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Definities Artikel 2:25 Evenementenvergunning Artikel 2:26 Ordeverstoring Afdeling 8.
Toezicht op openbare inrichtingen, smart- of growshops en andere voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:27 Definities Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Artikel 2:28a Gedragseisen leidinggevende Artikel 2:28b Inrichtingseisen Artikel 2:28c Intrekking vergunning exploitatie openbare inrichting Artikel 2:28d Aanwezigheid leidinggevende openbare inrichting Artikel 2:28e Wijziging vergunning exploitatie openbare inrichting en vervallen vergunning Artikel 2:28f Exploitatie smart- of headshop Artikel 2:28g Gedragseisen leidinggevende Artikel 2:28h Intrekking vergunning exploitatie smart- of headshop
5
Artikel 2:28i Aanwezigheid leidinggevende smart- of headshop Artikel 2:28j Wijziging vergunning exploitatie smart- of headshop en vervallen vergunning Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Verboden gedragingen Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen, smart- of headhops en andere voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Afdeling 8a. Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Afdeling 8b. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Artikel 2:34d Aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:37 Nachtregister Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Kansspelautomaten Afdeling 11.
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:42 Plakken en kladden Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:48a Verbod meevoeren of bijhebben van glazen drinkgerei op wegen Artikel 2.48b Verbod verstrekken drank in drinkgerei van glas en flessen van glas Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Artikel 2:53 (Vervallen) Artikel 2:54 (Vervallen)
6
Artikel 2:55 (Vervallen) Artikel 2:56 (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 2:61 (Vervallen) Artikel 2:62 Loslopend vee Artikel 2:63 (Vervallen) Artikel 2:64 Bijen Artikel 2:65 Bedelarij Afdeling 12. Bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Artikel 2:69 (Vervallen) Artikel 2:70 (Vervallen) Afdeling 13. Consumentenvuurwerk Artikel 2:71 Definitie Artikel 2:72 (Vervallen) Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Artikel 2:74b Lachgas Afdeling 15. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie en dergelijke Afdeling 1.
Definities Artikel 3:1 Definities Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3:4 Seksinrichtingen Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder
7
Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Artikel 3:9 Straatprostitutie Artikel 3:10 Sekswinkels Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Afdeling 3. Beslistermijn: weigeringsgronden Artikel 3:12 Beslissingstermijn Artikel 3:13 Weigeringsgronden Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie Artikel 3:15 Wijziging beheer Afdeling 5. Overgangsbepaling Artikel 3:16 (Vervallen) Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken geluidhinder Artikel 4:1 Definities Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten Artikel 4:4 (Vervallen) Artikel 4:5 Overige geluidhinder Artikel 4:6 (Vervallen) Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Artikel 4:9a Verbod ballonnen op te laten Afdeling 3.
Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Definities Artikel 4:11a Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Artikel 4:11b Criteria Artikel 4:11c Hardheidsclausule Artikel 4:11d Beperking geldigheidsduur Artikel 4:11e Bijzondere vergunningvoorschriften Artikel 4:11f Herplant-/instandhoudingsplicht Artikel 4:12a Bestrijding van boomziekten Artikel 4:12b Bescherming publieke houtopstanden
8
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Artikel 4:14 (Vervallen) Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Artikel 4:16 (Vervallen) Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (Vervallen) Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen Artikel 5:7 Reclamevoertuigen Artikel 5:8 Grote voertuigen Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5:12 Overlast van fietsen of bromfietsen Afdeling 2. Collecteren Artikel 5:13 (Vervallen) Afdeling 3. Venten en incidentele detailhandel Artikel 5:14 Definitie Artikel 5:15 Ventverbod Artikel 5:16 Kennisgeving incidentele detailhandel Afdeling 4.
Standplaatsen Artikel 5:17 Definitie Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen Artikel 5:21 (Vervallen) Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5:22 Definitie Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt
9
Afdeling 6. Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:25 (Vervallen) Artikel 5:26 (Vervallen) Artikel 5:27 (Vervallen) Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken Artikel 5:29 (Vervallen) Artikel 5:30 (Vervallen) Artikel 5:31 (Vervallen) Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling 8. Vuurverbod Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Afdeling 9. Asverstrooiing Artikel 5:35 (Vervallen) Artikel 5:36 (Vervallen) Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepalingen Artikel 6:6 Inwerkingtreding Artikel 6:7 Citeertitel Toelichting Lijst met afkortingen Bijlage 1 formulier met aanvullende vragen over de aard van de inrichting (zoals bedoeld in artikel 26 lid 2 onder a, van de Drank- en Horecawet in samenhang gelezen met artikel 2:34d van deze verordening)
10
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwobjecten: objecten die functioneel zijn voor bouw-, onderhoud of sloopactiviteiten zoals containers, bouwmaterialen, steigers, schaftketen en chemische toiletten. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels
en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen (rolstoelen); weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 1:2 Beslistermijn 1. 2. 3. 4.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als
11
bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11a, eerste en tweede lid. Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1.
2.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1.
2.
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu; e. de verkeersveiligheid.
12
2.
3.
Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan tien weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan de gevraagde vergunning of ontheffing ook worden geweigerd als daardoor onvoldoende tijd aanwezig is voor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 worden geweigerd als deze niet minimaal twaalf weken voor het tijdstip, waarop het evenement plaatsvindt, is aangevraagd en daardoor onvoldoende tijd aanwezig is voor een verantwoorde beoordeling van de aanvraag.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. 2.
3.
4. 5.
6.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van de ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 (Vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt;
13
3. 4.
5.
b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.
Artikel 2:4 (Vervallen) Artikel 2:5 (Vervallen) Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.
2. 3.
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis-verspreiden van, of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
Afdeling 4 Vertoningen op openbare plaatsen Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
14
1.
2. 3. 4.
Het is verboden, binnen de bebouwde kom, ten behoeve van publiek, als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1.
2.
3. 4.
5.
6.
7.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, het de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan belemmert, dan wel het een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of het van toepassing zijnde beeldkwaliteitsplan. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving en de verkeersveiligheid nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, reclameborden en bouwobjecten. Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In afwijking van het vierde lid bestaat een meldingsplicht voor bouwobjecten onder voorwaarde dat: a. deze niet langer dan 29 dagen worden geplaatst; b. het gezamenlijk oppervlak niet groter is dan 20m² en c.
in de drie maanden voorafgaand aan de melding niet eerder gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om omgevingsvergunningsvrij bouwobjecten te plaatsen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden op een bepaald terrein en d. de plaatsing voldoet aan de nadere regels die het college heeft gesteld ten aanzien van bouwobjecten op grond van het tweede lid. De melding dient ten minste twee weken voor de plaatsing te worden ingediend bij het bevoegd gezag door middel van een door dit gezag vastgesteld formulier. Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Verordening Wegen Noord-Brabant.
15
8.
Op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.
2.
3. 4.
5.
Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Verordening Wegen Noord-Brabant de Telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Oisterwijk 2009. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
2.
3. 4. 5.
Het is verboden een uitweg te maken of te laten maken naar de weg of verandering te brengen of te laten brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: a. daarvan niet van tevoren via een door het college vastgesteld formulier melding is gedaan aan het college, onder indiening van de op het formulier gevraagde bijlagen; b. het college het (laten) maken of het (laten) veranderen van de uitweg heeft verboden. Het college verbiedt het (laten) maken of het (laten) veranderen van de uitweg als: a. daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; b. dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen acht weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de verordening Wegen Noord-Brabant. Van de melding zoals bedoeld in het eerste lid, het verbod zoals bedoeld in het tweede lid, de van rechtswege gegeven instemming zoals bedoeld in het derde lid en van een
16
eventuele instemming, al dan niet onder voorschriften, met de melding door het college binnen 8 weken na ontvangst ervan wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad. Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid 1. 2.
Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien in artikel 427, aanhef en onder 4, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
2.
De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de, in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes, direct te verwijderen of te doen verwijderen. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1.
2.
Kelderingangen en andere, lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk, mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
17
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. 2.
3.
4.
Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan. Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarbij het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2:19
(Vervallen)
Artikel 2:20
(Vervallen)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
2. 3.
4.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op situaties waarop het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Artikel 2:22 Detectieverbod 1.
Het is verboden zich op het grondgebied van de gemeente te bevinden met een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van wapens en munitie of munten, explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke.
18
2.
3. 4.
5.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod als de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu niet in gevaar in gevaar wordt gebracht. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet is verstrekt. Het in het eerste lid bedoelde verbod is voorts niet van toepassing op een persoon of organisatie die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen van vakbekwaamheid op het niveau van opruimer explosieven. Op de ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1.
2.
Het is verboden: a. Voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen. b. Bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Definities 1.
2.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. voorstellingen in een bioscoopgebouw en voorstellingen in een (open lucht) theater, schouwburg of cultuurcentrum, muziekvoorstellingen in de open lucht uitgezonderd; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. activiteiten die plaatsvinden in een horecalokaliteit als bedoeld in de Drank- en Horecawet, activiteiten in een horecalokaliteit van een paracommerciële rechtspersoon in de zin van de Drank- en Horecawet uitgezonderd; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder f. h. activiteiten zoals bedoeld in artikel 5:32 eerste lid op door het college aangewezen terreinen. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid;
19
3.
b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of – gala’s. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen; b. de activiteiten plaatsvinden op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 en 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 01.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 23.00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht op maandag tot en met donderdag voor 09.00 uur en na 23.00 uur, op vrijdag en zaterdag voor 09.00 en na 01.00 uur en op zondag voor 13.00 uur en na 23.00 uur en de maximaal toelaatbare gevelbelasting op het dichtstbijzijnde gevoelige gebouw niet meer dan bedraagt: 75 dB(A) en 85 dB(C) tussen 10.00 en 19.00 uur; 70 dB(A) en 80 dB(C) tussen 19.00 en 23.00 uur; 65 dB(A) en 75 dB(C) tussen 23.00 en 01.00 uur; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 vierkante meter per object.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. 2.
3.
4.
5. 6. 7.
8.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 4 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester middels een meldingsformulier. Van de melding wordt kennis gegeven in het elektronisch gemeenteblad. De burgemeester kan binnen 7 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
20
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. 2.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. De burgemeester kan, ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde bij een evenement, aan horecagelegenheden de verplichting opleggen dat ze slechts gebruik maakt van plastic glazen.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen, smart- of growshops en andere voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:27 Definities 1.
2.
3.
4.
5.
6.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Onder een smartshop wordt in deze afdeling verstaan een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet smartdrugs, ecodrugs, smartproducts en of nieuwe psychoactieve stoffen, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn.
Onder een headshop wordt in deze afdeling verstaan een voor publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet substanties, voorwerpen of gegevens, die gebruikt kunnen worden voor het gebruik van een middel als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet en die verwant zijn aan de drugscultuur, gerelateerde literatuur en accessoires worden aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of voorhanden zijn. Onder een leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico een openbare inrichting of een smart- of headshop wordt geëxploiteerd, de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting of een smart- of headshop en de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting of een smart- of headshop. Onder bezoeker wordt in deze afdeling verstaan een ieder die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de openbare inrichting of smart- of headshop, toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening en personen wier aanwezigheid in de openbare inrichting of smart- of headshop wegens dringende redenen noodzakelijk is.
21
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. 2. 3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester stelt een formulier vast voor het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of indien de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven. De burgemeester weigert de vergunning voor de openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt eveneens als niet voldaan is aan één of meer van de in artikel 2:28a en 2:28b van deze verordening genoemde eisen. De burgemeester weigert de vergunning voor de openbare inrichting die horecabedrijf is als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet eveneens als de leidinggevende van de openbare inrichting niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet.
De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting. Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in elk geval rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van de openbare inrichting in de periode van drie jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een openbare inrichting heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, die op grond van het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.
Een vergunning ten aanzien van een openbare inrichting waarvan de vergunning op grond van artikel 2:28c, derde lid, van deze verordening is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling, mits ondergeschikt aan en enkel gericht op de gebruikers van de zorginstelling; c. museum, mits ondergeschikt aan en enkel gericht op de gebruikers van het museum; d. een bed en breakfast of e. bedrijfskantine of – restaurant.
22
11.
12. 13.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of drugshandel hebben voorgedaan in of bij de openbare inrichting; of b. de inrichting zich na de inwerkingtreding van deze bepaling nieuw in de gemeente Oisterwijk vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 2:28, derde, vierde, vijfde, zesde, achtste en negende lid. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het elfde lid onder a. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Artikel 2:28a Gedragseisen leidinggevende
1.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28, voor de openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, dient de leidinggevende aan de volgende eisen te voldoen: a. hij dient te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat Besluit luidt ten tijde van de aanvraag; b. hij dient niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet te zijn; c. hij dient niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. hij dient de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben
2.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder d van het eerst lid.
Artikel 2:28b Inrichtingseisen 1.
2. 3.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28, voor de openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, dient te worden voldaan aan de inrichtingseisen zoals opgenomen in het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet, zoals dat Besluit luidt ten tijde van de aanvraag, met uitzondering van de eis met betrekking tot de vloeroppervlakte van de horecalokaliteit. Ten aanzien van de openbare inrichtingen als bedoeld in het eerste lid geldt, dat tenminste één horecalokaliteit een vloeroppervlakte dient te hebben van 25 m². De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 2:28c Intrekking vergunning exploitatie openbare inrichting 1.
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting waarin geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt worden ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan één of meer van de in de artikelen 2:28a en 2:28b van deze verordening gestelde eisen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting ook intrekken, indien:
23
3.
a. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet of bij activiteiten als bedoeld in artikel 2:30, tweede lid, van deze verordening b. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon-en leefklimaat daaronder begrepen. Indien de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor dezelfde openbare inrichting gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Artikel 2:28d Aanwezigheid leidinggevende openbare inrichting Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is. Artikel 2:28e Wijziging vergunning exploitatie openbare inrichting en vervallen vergunning 1.
2.
3.
4.
Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting dient te komen, dient de leidinggevende onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een openbare inrichting bij de burgemeester in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting intrekken. Een vergunning voor de exploitatie van de openbare inrichting vervalt indien: a. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren; c. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden. Als binnen veertien dagen nadat de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde openbare inrichting wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.
Artikel 2:28f Exploitatie smart- of headshop 1. 2. 3.
Het is verboden een inrichting te exploiteren als smart- of headshop zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester stelt een formulier vast voor het indienen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de inrichting als smart- of headshop in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit of indien de aanvrager geen verklaring omtrent
24
4. 5.
6.
7.
8.
9.
het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is afgegeven. De burgemeester weigert de vergunning indien de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 2:28g van deze verordening gestelde gedragseisen. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van deze inrichting. Bij de toepassing van de in het vijfde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester in elk geval rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting als smart- of headshop.
De burgemeester kan de vergunning eveneens weigeren, indien één of meer leidinggevenden van de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting binnen drie jaar voor indiening van de aanvraag om een vergunning een inrichting heeft geëxploiteerd als smart- of headshop of daar leiding aan heeft gegeven, die op grond van het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, dan wel op basis van artikel 13 b Opiumwet gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. Een vergunning ten aanzien van een als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 2:28h, derde lid, van deze verordening is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28g Gedragseisen leidinggevende 1.
2.
Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 2:28f van deze verordening moet de leidinggevende aan de volgende eisen voldoen: a. hij dient niet onder curatele te staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij te zijn ontzet; b. hij dient niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; c. hij dient de leeftijd van éénentwintig jaren bereikt te hebben. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het bepaalde onder c van het eerst lid.
Artikel 2:28h Intrekking vergunning exploitatie smart- of headshop 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt een vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken, indien niet langer voldaan wordt aan de in artikel 2:28g van deze verordening gestelde gedragseisen of het bepaalde in artikel 2:28i van deze verordening niet in acht wordt genomen.
25
2.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning ook intrekken, indien: a. aannemelijk is dat de leidinggevende betrokken is bij of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten als bedoeld in artikel 13b Opiumwet. b. zich een incident gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en/of drugshandel heeft voorgedaan in of bij de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting; c. dit anderszins noodzakelijk is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen. Als de vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop ingetrokken is in het belang van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, kan de burgemeester bepalen, dat een nieuwe vergunning voor de exploitatie van dezelfde smart- of headshop gedurende een bij de intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar kan worden geweigerd.
Artikel 2:28i Aanwezigheid leidinggevende smart- of headshop Het is verboden de als smart- of headshop geëxploiteerde inrichting geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig is. Artikel 2:28j Wijziging vergunning exploitatie smart- of headshop en vervallen vergunning 1.
2.
3.
4.
Als er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging in de vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop dient te komen, dient de leidinggevende onverwijld een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van een smart- of headshop bij de burgemeester in te dienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand nadat de veranderde omstandigheden zich hebben voorgedaan, is ingediend, kan de burgemeester de verleende vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop intrekken. Een vergunning voor de exploitatie van de smart- of headshop vervalt indien: a. gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning; b. de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren; c. een vergunning, strekkende ter vervanging van eerstbedoelde vergunning is verleend en door bekendmaking in werking is getreden. Indien binnen veertien dagen nadat de leidinggevende deze hoedanigheid heeft verloren een ontvankelijke aanvraag om een vergunning voor de exploitatie van dezelfde smartof headshop wordt ingediend, blijft het bepaalde in het derde, onder b buiten toepassing, tot het moment dat op die aanvraag is beslist.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. 2.
Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02:00 uur en 06:00 uur, met uitzondering van 1 januari van ieder jaar. Tijdens de vier carnavalsdagen (zaterdag tot en met dinsdag) zijn openbare inrichtingen gesloten tussen 03:00 uur en 06:00 uur.
26
3.
4. 5. 6. 7.
8.
Tijdens de vijf reguliere zomerkermisdagen in de dorpskern Oisterwijk (zaterdag tot en met woensdag) zijn openbare inrichtingen in Oisterwijk en Heukelom gesloten tussen 03:00 uur en 06:00 uur. Tijdens de vier reguliere zomerkermisdagen in de dorpskern Moergestel (zaterdag tot en met dinsdag) zijn openbare inrichtingen in Moergestel gesloten tussen 03:00 uur en 06:00 uur. Tijdens de vijf reguliere zomerkermisdagen in de dorpskern Haaren zijn openbare inrichtingen in Haaren gesloten tussen 03.00 uur en 06.00 uur. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, tiende lid, aanhef en onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste en het vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
2.
3.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of voor een of meer openbare inrichtingen en andere voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven tijdelijk sluiting bevelen. De burgemeester kan in elk geval de tijdelijke sluiting bevelen van een of meer openbare inrichtingen en andere voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als: a. daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de Kansspelen. b. daar door misdrijf verkregen voorwerpen zijn verworven, voorhanden zijn, of worden overgedragen dan wel bewaard of verborgen. c. daar wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn, waarvoor geen ontheffing, vergunning dan wel verlof is verleend. d. zich daar een ernstig strafbaar feit heeft voorgedaan en daarvan geen melding is gemaakt dan wel het opsporingsonderzoek is belemmerd. e. zich daar andere feiten hebben voorgedaan, die de verwachting wettigen, dat het geopend blijven gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of gezondheid. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.