21-113 OVVGB pluimveehouderij Rosepdreef 9 Oisterwijk - beantwoording technische vragen_TOEGEVOEGD OP 2-06-2021
Tekst van het document
Technische vragen 21-113 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de wijziging van de pluimveehouderij aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk
Nr
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
1
Dhr. de Kort (PRO)
Binnen welke straal heeft dit bedrijf invloed op zijn omgeving?
Antwoord: De invloed van het bedrijf op de omgeving is niet in een eenduidige straal te beschrijven. Dit is afhankelijk van de stof die geëmitteerd wordt en het hinderaspect. De straal van de effecten waarop het bedrijf invloed op de omgeving heeft, is verschillend per milieuaspect (zoals geurbelasting, geluidbelasting, fijnstofbelasting, stikstof depositie enz.). Alle milieueffecten als gevolg van dit plan zijn gedetailleerd in beeld gebracht en zijn gecontroleerd door de OMWB. Voor de effecten per milieuaspect verwijzen we naar de inhoud van de bij de aanvraag gevoegde milieuonderzoeken en gegevens. De milieueffecten als gevolg van dit plan zullen in de aangevraagde omgevings-vergunning voor de activiteit milieu worden getoetst aan de van toepassing zijnde milieu wet- en regelgeving. In het onderstaande wordt beknopt ten aanzien van de geur-, fijnstof- en ammoniakemissie het een en ander uiteengezet. Voor de aanvraag zijn verschillende berekeningen gemaakt (geur, fijnstof en ammoniak). Uit de geurberekening blijkt dat er rekenkundig sprake is van een geurbelasting van 0,1 OUe/m3 op de bebouwde kom van Oisterwijk (norm 3 Oue/m3). De hoogste geurbelasting wordt berekend op een woning in de directe nabijheid en bedraagt 5,8 OUe/m3 (norm 14 OUe/m3). Gelet hierop wordt ruimschoots voldaan aan alle wettelijke normen.
De uitgevoerde berekening laat bovendien zien dat de beoogde ontwikkeling in het geval van beide varianten tot een afname van de geuremissie leidt.
Technische vragen 21-113 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de wijziging van de pluimveehouderij aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk In de fijnstofberekening is enkel de totale concentratie berekend. Dit is de achtergrondconcentratie en de bijdrage van het bedrijf in de beoogde situatie opgeteld. Er is geen dubbeltelling toegepast om de vergunde emissie in de achtergrondconcentratie te verdisconteren. De fijnstofconcentratie voldoet ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden. De hoogste concentratie bedraagt 19,37 µg/m3 ter plaatse van de woning Rosepdreef 13 (in de situatie dat er vleeskuikens worden gehouden). De uitgevoerde berekening laat bovendien zien dat de beoogde ontwikkeling in het geval van beide varianten tot een afname van de fijnstofemissie leidt. De ammoniakemissie neemt door de beoogde ontwikkeling in beide situaties af. Dit resulteert dan ook in een lagere stikstofdepositie op de beschermde Natura2000-gebieden. Voor de aangevraagde situatie is reeds een vergunning in het kader van de bescherming van de Natura2000-gebieden verleend door de provincie Noord-Brabant. Deze vergunning is onderdeel van de aanvraag. 2
Dhr. de Kort (PRO)
In een artikel uit december 2011 op maatlatduurzameveehouderije.nl (https://www.maatlatduurzameveehouderij.nl/61/m/ praktijkvoorbeeld/83/details.html) lezen wij dat een eerder verplaatsing van dit bedrijf is mislukt. o Naar welke locatie wilde dit bedrijf verplaatsen? o Waarom is dit mislukt?
Antwoord: Of het bedrijf in het verleden plannen heeft gehad om te verplaatsen is niet relevant voor de beoordeling van dit verzoek. Er is een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het wijzigen van de inrichting aan de locatie Rosepdreef 9. Het plan zoals aangevraagd dient inhoudelijk te worden beoordeeld. Verplaatsing maakt geen onderdeel uit van dit plan en is derhalve niet relevant.
3
Dhr. de Kort (PRO)
Het zusterbedrijf aan de Floraweg 3 is rond het jaar 2000 gestart en een aantal keren uitgebreid.
Antwoord:
Technische vragen 21-113 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de wijziging van de pluimveehouderij aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk Welke gemeentelijke besluitvorming heeft daarover plaatsgevonden in het verleden? Speelden hierin ook het argument van verhuizing van het bedrijf aan de Rosepdreef 9?
Deze vraag gaat over een andere veehouderijlocatie dan waar deze aanvraag omgevingsvergunning over gaat en is derhalve niet relevant voor de beoordeling van dit verzoek.
In de eventuele voorziene omschakeling van vleeskalkoenen naar vleeskuikens word het Stalsysteem aangepast. o Wat is het verschil tussen 'F 4.5; stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)' , toegepast voor de kalkoenen, en 'E 5.11; stal met lucht mengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7) met 13% fijnstofreductie (BLW 2012.03.V6)' wat toegepast zal worden na omschakeling naar kuikens? o Welke verschillen in emissie van Fijnstof, Geur en NH3 hebben deze stalsystemen? o Op basis waarvan zijn deze emissies bepaald? o Welke investering is nodig om deze wijziging in stalsysteem mogelijk te maken?
Antwoord: De stalsysteembeschrijvingen van beide opties zijn bij de aanvraag gevoegd. Voor de beschrijving en de werking van de systemen verwijzen we naar deze beschrijvingen. Het belangrijkste verschil tussen beide opties is, dat wanneer er vleeskuikens worden gehouden, de stallen zullen worden voorzien van een warmtewisselaar.
o
o
4
Dhr. de Kort (PRO)
Het stalsysteem bij de vleeskalkoenen wordt primair geplaatst om de emissies te reduceren (ammoniak). De heaters zorgen voor een droger stalklimaat en dan ook een drogere mest waardoor er sprake is van minder emissie van ammoniak. Wanneer er in de stallen vleeskuikens worden gehouden worden er op het bedrijf warmtewisselaars geplaatst. De vleeskuikens hebben een hogere warmtebehoefte waardoor de stallen ook bijverwarmd moeten worden. Door de warmte van de uitgaande stallucht terug te winnen in de inkomende lucht levert dit een energiebesparing op. Daarnaast zorgen de warmtewisselaars voor een reductie van ammoniak (door een drogere stallucht) en fijnstof (door condensatie in de warmtewisselaar). Een overzicht van de emissiefactoren per stal in de beoogde situatie is opgenomen op pagina 10 van de ruimtelijke
Technische vragen 21-113 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de wijziging van de pluimveehouderij aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk onderbouwing (tabel 2 en 3). Deze emissiefactoren zijn afkomstig van de wettelijke emissielijsten en zijn gebaseerd op metingen aan soortgelijke stallen en huisvestingsystemen. Welke investering nodig is om de wijziging in het stalsysteem mogelijk te maken is niet relevant. Dit betreft een bedrijfseconomisch aspect wat niet in onze beoordeling wordt meegenomen. 5
Dhr. de Kort (PRO)
Binnen welke termijn moet de eventuele omschakeling naar vleeskuikens gerealiseerd zijn?
Antwoord: De optie om vleeskuikens te houden hoeft niet gerealiseerd te worden. Het is aan de ondernemer zelf om te bepalen wanneer hij vleeskuikens wil gaan houden. Met de verlening van deze vergunning wordt de ondernemer dan ook niet verplicht om deze dieren te gaan houden. Dit is een keuzemogelijkheid die de initiatiefnemer wenst te hebben om bij geval van besmettelijke dierziekten bij de kalkoenen (die gevoelig zijn voor een besmettelijke bacterie), na ruiming van de kalkoenen en ontsmetting van de stallen, vleeskuikens in deze stallen te kunnen houden (die minder gevoelig zijn voor deze ziekte). Het betreft dus een of/of vergunning voor het houden van of kalkoenen, of het houden van vleeskuikens. Het betreft een optie in bedrijfseconomisch belang om na een dierziekte bij de kalkoenen hierna toch (andere) dieren te kunnen houden in de stalruimte.