21-110 Bestemmingsplan Heusdensebaan 111- bijlage 1.1 Bestemmingsplan (toelichting en regels)
Tekst van het document
4.10 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Doorwerking plangebied Binnen de planlocatie vindt geen toename aan bebouwing plaats. Er doen zich geen water- en bodemhuishoudkundige bezwaren voor. Het aantal vierkante meter extra verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie is gering. De enige beperkte toename bestaat uit de halfverharding ten behoeve van de nieuwe parkeerplaatsen buiten de huidige woonbestemming. De gewenste ontwikkeling heeft daardoor geen negatieve impact op de waterhuishouding.
Hoofdstuk 4
26
4.11 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. De gemeente Oisterwijk heeft in september 2018 haar archeologiebeleid geactualiseerd in het Beleidsplan Archeologie Gemeente Oisterwijk. Doorwerking plangebied De gemeente Oisterwijk heeft haar Archeologiebeleid vertaald in een Archeologische waarden- en verwachtingskaart en Archeologische beleidskaart.
Het plangebied ligt in een gebied met een lage verwachtingswaarde met betrekking tot archeologie. Voor een gebied met een lage verwachting gelden geen voorschriften. Bovendien betreft het initiatief het gebruik van bestaande bebouwing en het aanleggen van verharding ten behoeve van parkeerplaatsen. Het verstoren van archeologische waarden is dan ook niet aan de orde. Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen van onderhavig planvoornemen.
4.12 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. De provincie Noord-Brabant heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW)
Hoofdstuk 4
27
Doorwerking plangebied Toen de behoefte aan grondareaal groeide werden na de akkercomplexen en de essen ook de verder weg gelegen gronden ontgonnen. Dit werd niet meer gezamenlijk vanuit het dorp gedaan, maar individueel. De grond werd vanuit één of enkele boerderijen ontgonnen, waarbij ieder perceel omgeven werd met beplanting. Hierdoor is een kleinschalig coulisselandschap ontstaan met verspreide boerderijen en veel perceelbeplanting, zoals houtwallen en hagen. In de wijken ten noorden van het centrum van Oisterwijk zijn nog enkele hoeven terug te vinden als historische elementen uit het verleden. Kenmerkende elementen zijn de Oisterwijkse molen en het buurtschap Hoog-Heukelom, met karakteristieke boerderijen uit de 19de eeuw. Tegenwoordig zijn er veel boomkwekerijen in dit gebied aanwezig. De Heusdensebaan is een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde met laanbeplanting van eiken uit 1880-1895. De langgevelboerderij is cultuurhistorisch waardevol, deze boerderij is gesplitst in twee wooneenheden. Met in de invulling van de Vlaamsche Schuur als bed & breakfast wordt het monument in stand gehouden. De inkomsten uit de bed & breakfast en vergaderruimte kunnen worden geïnvesteerd in renovatie en onderhoud van de Vlaamsche Schuur. Het plan doet geen afbreuk aan monumenten of cultuurhistorische waarden in de omgeving, maar draagt daaraan bij.
4.13 M.e.r.-plicht Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt organisatiebureau en een bed & breakfast mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r.. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
Hoofdstuk 4
28
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. Voor de regels is als basis de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Oisterwijk gebruikt. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen de gemeente nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.
inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Het begrip ‘Zakelijke dienstverlening’ is toegevoegd vanwege de zakelijke dienstverlening die wordt vastgelegd ter plaatse van de veldschuur.
Hoofdstuk 5
29
Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd.
Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.
algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria,
Hoofdstuk 5
30
die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. overige regels: Hier is geregeld dat voldoende parkeer- en laad- en losgelegenheid gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.
5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Agrarisch De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van (vollegronds)teeltbedrijven, en - buiten bouwvlakken - niet-intensieve veehouderij en paardenhouderij. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschapselement’ zijn gronden ook bedoeld voor behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van waardevolle landschapselementen en extensief recreatief medegebruik. De realisatie en instandhouding van landschappelijke elementen is geborgd door middel van een specifieke gebruiksregel. Er ligt geen bouwvlak ter plaatse van deze gronden en er zijn dan ook geen gebouwen toegestaan. Erfafscheidingen mogen maximaal 2 meter hoog zijn en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 6 meter. Paardenbakken zijn net als een aantal andere functies/ activiteiten, onder voorwaarden, toegestaan. Wonen – 1 De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor de uitoefening van wonen in een woning met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zakelijke dienstverlening' (ter plaatse van de veldschuur) is zakelijke dienstverlening toegestaan.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - B&B/vergaderlocatie' zijn 3 verblijfsrecreatieve eenheden toegestaan en een vergaderruimte. Ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ is uitsluitend een parkeerterrein toegestaan, om zo te voorkomen dat er op dit gebied gebouwd gaat worden ten dienste van overige functies gelet op de landschappelijke kwaliteit. Achter de buren mag niet geparkeerd worden, dit is geregeld via de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten'. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschapselement’ zijn gronden ook bedoeld voor behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van waardevolle landschapselementen en extensief recreatief medegebruik. De realisatie en instandhouding van landschappelijke elementen is geborgd door middel van een specifieke gebruiksregel. Daarnaast is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat ander gebruik van het perceel dan wonen slechts is toegestaan wanneer voldaan is aan de realisatie en instandhouding van landschappelijke elementen. In de regels zijn een aantal beperkingen van de functies opgenomen.
Zo geldt er een eindtijd voor de zakelijke dienstverlening, is het maximaal aantal motorvoertuigen dat geparkeerd mag worden ten behoeve van de functies op het perceel Heusdensebaan 111 gemaximeerd op 26 en mogen ten behoeve van de nietwoonfuncties op dit perceel maximaal 50 personen aanwezig zijn. De cultuurhistorische waarde van de Vlaamse schuur blijkt door vermelding als gemeentelijk monument in bijlage 4 bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’ van 14 december 2017. Deze cultuurhistorische waarde wordt in
Hoofdstuk 5
31
het voorliggende bestemmingsplan extra beschermd in de afwijkings- en wijzigingsregels en door middel van aanduiding ‘monumentaal’. Het bestemmingsvlak van Heusdensebaan 109 en 111 is in tweeën gesplitst, waarbij de kadastrale eigendomsgrens is aangehouden. Zo is duidelijk dat per adres 1 woning aanwezig is/ mag zijn. De bouwregels uit het vigerende bestemmingsplan zijn overgenomen. Dit geldt ook voor een groot gedeelte van de gebruiksregels. De mogelijkheid tot het uitoefenen van de nevenfuncties zoals die worden genoemd in het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Oisterwijk zijn, gelet op de nieuwe invulling, geschrapt.
Hoofdstuk 5
32
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het gebruik van de veldschuur voor zakelijke dienstverlening is al gaande en wordt voortgezet. Voor de verbouwing van de Vlaamse schuur is een investering nodig, welke terugverdiend wordt door de nieuwe functies (B&B en vergaderruimte). De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar. 6.1.2 Kostenverhaal Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch vastleggen van zakelijke dienstverlening, die deels al vergund is op hetzelfde perceel (organisatiebureau) en het realiseren van een bed & breakfast en vergaderruimte. Er is derhalve geen sprake van een of meerdere bouwplannen als bedoeld in het Bro en dus is kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst af, waarin het verhaal van kosten geregeld is. De overige kosten worden gedekt door de leges De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn worden meerdere stappen gezet: Omgevingsdialoog Vooroverleg + ter inzage voorontwerpbestemmingsplan (inspraak); Ter inzage ontwerpbestemmingsplan (zienswijzen); Vaststellingsprocedure en beroep. Omgevingsdialoog De omgevingsdialoog is in 2 fases gevoerd. Fase 2 heeft plaatsgevonden vanwege de invulling van de Vlaamse schuur die in fase 1 nog niet bekend was. Hier wordt kort op deze 2 fases ingegaan.
Hoofdstuk 6
33
Fase 1 In fase 1 hebben 2 bijeenkomsten plaatsgevonden. Voor het verslag verwijzen we u graag naar bijlage 2. Uit beide bijeenkomsten blijkt dat er niet negatief tegenover de ontwikkelingen wordt gestaan, maar zijn er wel vragen over de invulling van de Vlaamse schuur. Het idee was om hier een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor op te nemen, zodat op een later moment, als een goede invulling gevonden is, een omgevingsvergunning verleend kan worden. Tijdens de dialoog is echter gebleken dat het, voornamelijk vanuit de directe buren, wenselijk is om in deze bestemmingsplanherziening uit te gaan van een ‘totaalplan’. Een plan waarbij een invulling rechtstreeks wordt toegestaan en geen ‘open eindjes’ blijven bestaan. Vandaar dat met de gemeente afstemming plaats heeft gevonden over de invulling met 3 verblijfsrecreatieve eenheden en een vergaderruimte. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is geschrapt. Fase 2 In fase 2 is het plan wederom voorgelegd aan de omgeving, vanwege de concreet geworden invulling van de Vlaamse schuur. Een verslag van de vragen die zijn gesteld en de antwoorden die daarop zijn gegeven is opgenomen in bijlage 2. Er zijn naar aanleiding van de opmerkingen in de omgevingsdialoog een aantal beperkingen toegevoegd in het voorliggende bestemmingsplan, zodat de functies duidelijk begrensd zijn en de omgeving beter weet waar zij aan toe is.
De volgende extra beperkingen zijn opgenomen in het bestemmingsplan: het aantal motorvoertuigen dat geparkeerd mag worden ten behoeve van de functies op het perceel Heusdensebaan 111 is gemaximeerd op 26; ten behoeve van de niet-woonfuncties op het perceel Heusdensebaan 111 mogen maximaal 50 personen aanwezig zijn. Deze beperkingen komen bovenop de beperkingen die al opgenomen waren, namelijk het maximale aantal m2 van de verschillende functies en de eindtijd van de zakelijke dienstverlening (23.00 ’s avonds). Ook is in de regels vastgelegd dat het gebruik van de gebouwen en gronden voor het nieuwe parkeerterrein, de zakelijke dienstverlening en de vergaderruimte/ B&B uitsluitend is toegestaan als overige bouwwerken niet gebruikt worden als organisatiebureau en de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand gehouden. Hierdoor kan geen gebruik gemaakt worden van het vergunde organisatiebureau in de woonboerderij als één of meerdere van de andere functies plaatsvindt. Het vergunde organisatiebureau was niet begrensd in parkeerplaatsen, bezoekers of op andere wijze.
6.2.1 Vooroverleg en inspraak Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provincie Noord-Brabant en waterschap De Dommel zijn geïnformeerd over het planvoornemen en er is vooroverleg met beide instanties gevoerd. Als bijlage zijn beide vooroverlegreactie opgenomen. De provincie Noord-Brabant acht het op grond van artikel 3.73 lid 1 onder b niet mogelijk dat er in het bestemmingsvlak ter plaatse van de woonboerderij een splitsingsmogelijkheid wordt opgenomen aangezien er geen sprake is van een cultuurhistorische waardevolle langgevelboerderij. Omdat er op grond van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied sprake is van één bestemmingsvlak ‘wonen-
Hoofdstuk 6
34
1’ met de aanduiding maximaal 2 wooneenheden. Deze situatie verandert in feite niet door onderhavig bestemmingsplan. Er zijn nog steeds in totaal maximaal 2 wooneenheden toegestaan. Echter is er door het opnemen van de kadastrale grens tussen de percelen Heusdensebaan 109 en 111 op de verbeelding, waarbij aan beide zijden maximaal één wooneenheid is toegestaan (aangeduid middels separate aanduidingsvlakken) het onmogelijk gemaakt dat één eigenaar de 2 toegestane wooneenheden realiseert waardoor er voor de andere eigenaar geen mogelijkheden bestaan. In artikel 4.2 onder b is aangegeven dat per bouwperceel ten hoogste één woning is toegestaan. Extra mogelijkheden voor splitsing zijn dan ook niet gegeven en daarmee is het plan in lijn met de IOV. Uit het vooroverleg met de provincie is verder naar voren gekomen dat de cultuurhistorische waarde van de Vlaamse schuur niet voldoende wordt beschermd in het bestemminsplanontwerp. Aan deze reactie is uitvoering gegeven door de cultuurhistorische waarde op de verbeelding te vermelden en artikel 4.5.1 aan te passen. Als laatste gaf de provincie aan de bestemming ‘Groen – Landschappelijke inpassing’ in het bestemmingsplan ontwerp op te nemen. Een deel van het landschappelijk inpassingsplan is namelijk reeds bestaand groen.
Er is een nadere aanduiding ‘specifieke vorm van groen landschapselement' ter verduidelijking van de doelstellingen voor aanleg en instandhouding opgenomen. Het waterschap De Dommel heeft in een reactie gevraagd het begrip ‘water en waterhuishoudkundige voorzieningen’ op te nemen in de begripsbepalingen en dit begrip toe te voegen aan de bestemmingsomschrijving in artikel 3 Agrarisch en artikel 4 Wonen -1. Aan deze reactie is uitvoering gegeven door het begrip toe te voegen aan de begripsbepalingen en de genoemde artikelen. Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. De gemeente heeft er voor gekozen om dit bestemmingsplan niet voor inspraak ter inzage te leggen vanwege de uitgebreide omgevingsdialoog. 6.2.2 Ontwerpbestemmingsplan Het voorontwerpbestemmingsplan wordt eventueel naar aanleiding van de vooroverlegreacties aangepast, waarna het opnieuw ter inzage wordt gelegd en zienswijzen in kunnen worden gediend. 6.2.3 Vaststellingsprocedure en beroep Het ontwerpbestemmingplan heeft van 19 maart 2021 tot en met 29 april 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht.
Het ontwerpbestemmingsplan wordt dan ook ongewijzigd aan de gemeenteraad aangeboden ter vaststelling op 12 juli 2021. Na de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan wederom zes weken ter inzage gelegd, deze keer voor beroep. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het bestemmingsplan. Als geen beroep wordt ingediend of geen voorlopige voorziening wordt aangevraagd treedt het bestemmingsplan na de beroepstermijn in werking.
Hoofdstuk 6
35
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Quick scan flora en fauna Bijlage 2: Omgevingsdialoog Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Inpassingsplan Bijlage 5: Vooroverlegreacties
Regels
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 9
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Agrarisch Wonen - 1
11 11 13
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Antidubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
16 16 17 19 20 21 22
Hoofdstuk 4 Artikel 11 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
23 23 24
2
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
1.1
Inleidende regels
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan Heusdensebaan 111 met identificatienummer NL.IMRO.0824.BPHeusdensebaan111-VA01 van de gemeente Oisterwijk. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand (nummer NL.IMRO. 0824.BPBuitengeconsolid-gc04) met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge deze regels, ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden, regels worden gesteld. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.6
aan-huis-gebonden beroep
het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, dat in een woning of een bijgebouw bij de woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7
achtererf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.8
agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. (vollegronds)teeltbedrijf: bedrijfsvoering gericht op de teelt van gewassen die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt; b. niet-intensieve veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel; c. paardenhouderij: het fokken van paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en / of melkproductie, handel en / of de gebruiksgerichte paardenhouderij; d. glastuinbouw: bedrijfsvoering (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; e. overig agrarisch bedrijf: het telen van vissen, wormen, insecten en gewassen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) geheel in gebouwen - niet zijnde kassen - plaatsvindt;
4
f.
intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang waarbij de productie (nagenoeg) niet afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel; g. aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers, schelpdieren en vissen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt. 1.9
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.10
bedrijf
een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen. 1.11
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen - of tot stand kunnen komen - op basis van een verleende omgevingsvergunning voor bouwen. 1.12
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.13
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14
bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.15
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.16
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.17
bouwlaag
doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.18
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.19
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
5
1.20
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.23
cultuurhistorische waarde
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en gaafheid; 1.24
dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.25
dakopbouw
een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst. 1.26
dienstverlening
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen. 1.27
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28
hoofdfunctie
functie die gelet op de bestemming en ook feitelijk in ruimtelijk en functioneel opzicht als hoofdfunctie op een perceel kan worden aangemerkt. 1.29
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.30
kantoor
voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
6
1.31
kassen
bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal (ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering) met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen. 1.32
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning of een bijgebouw bij de woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.33
mantelzorg
alle vormen van langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; bij de mogelijk hiervoor benodigde extra woonruimte dient er sprake te zijn van bewoning door één huishouden. 1.34
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.35
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (nagenoeg) geheel gesloten dak. 1.36
peil
a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de bestemming Verkeer - Railverkeer: de bovenkant van de spoorstaaf; c. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.37
teeltondersteunende voorzieningen
voorzieningen of constructies die bij agrarische bedrijven worden toegepast om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te bevorderen, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van producten te verbeteren, nader te onderscheiden in: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: voorzieningen die niet langer dan 6 maanden gedurende een jaar worden geplaatst, te onderscheiden in: 1. lage tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals afdekfolies, acryldoek, insectengaas, tunnels met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m; 2. hoge tijdelijke voorzieningen: voorzieningen zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m; b. permanente teeltondersteunende voorzieningen, te onderscheiden in: 1. lage permanente voorzieningen: voorzieningen zoals containervelden; 2. hoge permanente voorzieningen; voorzieningen zoals kassen, tunnelkassen, rolkassen, gaaskassen, stellingen en regenkappen met een bouwhoogte van meer dan 1,5 m. 1.38
voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.
7
1.39
voorgevellijn
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een hoofdgebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.40
voorzieningen voor opslag
voorzieningen voor de opslag van onder andere voer, (kunst)mest, water, warmte, CO2 of daarmee vergelijkbare stoffen, nader te onderscheiden in: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals mestsilo's, voedersilo's, sleufsilo's, watertanks en CO2-opslagtanks; b. geen bouwwerken zijnde, zoals mestzakken, verhardingen of foliebassins. 1.41
Woning
Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.42
water en waterhuishoudkundige voorzieningen
Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc. 1.43
Zakelijke dienstverlening
Dienstverlening die voornamelijk geleverd wordt aan bedrijven en instellingen, waaronder een organisatiebureau waarbij cursussen worden georganiseerd en gegeven. 1.44
zijerf
de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel.
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2
bouwhoogte van een antenne-installatie
a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.3
bouwhoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan het hoogste punt dat de rotorbladen kunnen innemen. 2.4
bouwhoogte van andere bouwwerken
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.6
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien een bouwwerk met betrekking tot deze constructiedelen over verschillende hoogten beschikt, wordt als volgt gemeten: a. indien zich aan de voorgevelzijde een goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de hoogte aan de voorgevelzijde; b. indien zich - ingeval van een lessenaarsdak - aan de voorgevelzijde van het gebouw geen goot/druiplijn, boeibord of een ander, daarmee gelijk te stellen constructiedeel bevindt, wordt uitgegaan van de laagste hoogte. 2.7
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.9
vloeroppervlakte
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
9
2.10
bouwdiepte van gebouwen bij ondergronds bouwen
vanaf het peil tot de bovenkant van de ondergronds en laagstgelegen vloer. 2.11
oppervlakte en inhoud bij ondergronds bouwen
de oppervlakte dan wel inhoud van ondergrondse gebouwen wordt bij de in hoofdstuk 2 opgenomen maximaal toelaatbare oppervlakte - dan wel inhoudsmaten meegeteld voor zover niet op dezelfde plaats boven peil een gebouw aanwezig is.
10
Hoofdstuk 2 Artikel 3
3.1
Bestemmingsregels
Agrarisch
Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van (vollegronds)teeltbedrijven, en - buiten bouwvlakken - niet-intensieve veehouderij en paardenhouderij; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement' tevens: 1. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen; 2. extensief recreatief medegebruik; en tevens voor: c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen; 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1
Bouwwerken
Uitsluitend de volgende bouwwerken zijn toegestaan: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van overkappingen en voorzieningen voor opslag; c. hobbymatig gebruikte paardenbakken, waarbij de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 2 m mag bedragen en waarbij sprake moet zijn van landschappelijke inpassing; d. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn ten hoogste 1 m mag bedragen tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft; e. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 6 m. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. paardenbakken zijn uitsluitend toegestaan: 1. grenzend aan en in aansluiting op een bouwvlak indien het een hobbymatig gebruikte paardenbak is; 2. grenzend aan bestemmingsvlakken van andere bestemmingen waar een woning toegestaan en aanwezig is, met dien verstande dat sprake is van een hobbymatig gebruikte paardenbak en de paardenbak gerealiseerd wordt in aansluiting op het bestemmingsvlak dat daadwerkelijk door de gebruikers van de paardenbak wordt bewoond; b. bij een paardenbak is het gebruikmaken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten, niet toegestaan; c. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in kassen is niet toegestaan, tenzij de kassen (gevel en dak) aan de binnenzijde volledig zijn afgeschermd tegen horizontale en verticale lichtuitstraling;
11
d. het gebruik van groeibevorderende of conditionerende belichting, zoals assimilatiebelichting of cyclische belichting in boog- en gaaskassen is niet toegestaan; e. het gebruik van voorzieningen voor opslag en installaties (waaronder biomassa- en mestvergistingsinstallaties), anders dan ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf, is niet toegestaan; f. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn slechts toegestaan voor een periode van minder dan 6 maanden per jaar; g. voorzieningen voor opslag, niet zijnde bouwwerken, zoals mestbassins en bassins voor de opslag van andere stoffen zoals water, zijn buiten bouwvlakken niet toegestaan; h. erfverhardingen zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij geldt: i. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn niet toegestaan.
3.3.2
Landschappelijke inpassing
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement' dienen de groenvoorzieningen die ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijk inpassing noodzakelijk zijn, binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan te zijn aangelegd, conform hetgeen beschreven als de landschappelijke inpassing als opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing, en daarna duurzaam in stand gehouden en behouden te worden.
12
Artikel 4
4.1
Wonen - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen b. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zakelijke dienstverlening': zakelijke dienstverlening tot uiterlijk 23.00 's avonds; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - B&B/vergaderlocatie': ten behoeve van 3 verblijfsrecreatieve eenheden (logies met ontbijt); e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - B&B/vergaderlocatie': een vergaderruimte van maximaal 80 m2, die ook gebruikt mag worden ten behoeve van de verblijfsrecreatieve eenheden; f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein': uitsluitend een parkeerterrein met bijbehorende voorzieningen; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - uilenkast': tevens voor een uilenkast met een maximale hoogte van 6 meter; h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement' tevens: 1. behoud, herstel en/of duurzame ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen; 2. extensief recreatief medegebruik; i. ter plaatse van de aanduiding 'monumentaal' tevens de instandhouding van de aanwezige cultuurhistorische waarden; j.
ten behoeve van de functies op het perceel Heusdensebaan 111, genoemd in artikel 4.1 onder a, b, c, d en e, mogen maximaal 26 motorvoertuigen geparkeerd worden; k. ten behoeve van de functies op het perceel Heusdensebaan 111, genoemd in artikel 4.1 onder b, c, d en e mogen maximaal 50 personen aanwezig zijn; l. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, nutsvoorzieningen, tuinen, erven, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen hoofdgebouwen (woningen) met bijbehorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', waarbij geldt dat per bouwperceel ten hoogste één woning is toegestaan; c. de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, bedragen, met in acht name van het bepaalde onder d en e, ten hoogste: bouwwerk
goothoogte bouwhoogte
hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en bijbehorende overkappingen op de gronden niet aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - landhuis'
6m
10 m
oppervlakte
inhoud 600 m³
13
bijgebouwen en overkappingen (vrijstaand of aangebouwd aan een bijgebouw) bij de woning
3,5 m
6m
erfafscheidingen voor de voorgevel
1 m tenzij het een transparante erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2 m betreft
erfafscheidingen elders
2m
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
3m
ten hoogste 40% van het zijen achtererf met een maximum van 100 m²
d. de goothoogte van woningen mag worden overschreden door dakkapellen, indien: 1. de afstand tot de dakvoet, de nok en de zijkanten van het dakvlak ten minste 0,5 m bedraagt; 2. de bouwhoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, ten hoogste 1,5 m bedraagt; 3. de breedte van dakkapellen aan de voor- of zijkant van de woning ten hoogste 50% van het dakvlak bedraagt; 4. de breedte van dakkapellen aan de achterkant van de woning ten hoogste 70% van het dakvlak bedraagt; e. met dien verstande dat voor de bijbehorende aangebouwde overkappingen bij hoofdgebouwen de volgende regels gelden: 1. de diepte van overkappingen aan de voor- en zijgevel mag ten hoogste 2 m bedragen; 2. de diepte van overkappingen aan de achtergevel mag ten hoogste 4 m bedragen. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1
Gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn in het hoofdgebouw (inclusief aan- en uitbouwen) en in bijgebouwen toegestaan; de vloeroppervlakte ten behoeve van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt ten hoogste 40% van de vloeroppervlakte van hoofd- en bijgebouwen met een maximum van 80 m²; b. zelfstandige bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan; c. permanente bewoning van verblijfsrecreatieve eenheden is niet toegestaan; d. het gebruik van een gebouw ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan; e. bij een paardenbak is het gebruik maken van een geluidsinstallatie, of verlichting door middel van lichtmasten niet toegestaan; f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein uitgesloten' is het gebruik voor parkeren niet toegestaan.
14
4.3.2
Landschappelijke inpassing
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement' dienen de groenvoorzieningen die ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijk inpassing noodzakelijk zijn, binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan te zijn aangelegd, conform hetgeen beschreven als de landschappelijke inpassing als opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing , en daarna duurzaam in stand gehouden en behouden te worden.
4.3.3
Voorwaardelijke verplichting
Het gebruik van de gronden met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - zakelijke dienstverlening', 'specifieke vorm van bedrijf - B&B/vergaderlocatie' en 'specifieke vorm van verkeer - parkeerterrein' dat wordt toegestaan conform lid 4.1 c, 4.1 d, 4.1 e en/ of 4.1 f mag uitsluitend plaatsvinden als de landschappelijke inpassing als opgenomen in bijlage Landschappelijke inpassing is gerealiseerd en deze duurzaam in stand wordt gehouden en als het gebruik van overige gebouwen binnen het bestemmingsvlak als organisatiebureau niet plaatsvindt. 4.4
Afwijken van de gebruiksregels
4.4.1
Afwijking mantelzorg
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.3 d voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende: a. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat; b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is; c. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan; d. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 m; e. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 4.2; f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen
4.4.2
Afwijking landschappelijke inpassing
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.3.3 indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het in bijlage Landschappelijke inpassing opgenomen landschappelijk inpassingsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat deze landschapsmaatregelen: a. minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingsplan opgenomen landschapsmaatregelen; b. voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het landschappelijk inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald; c. zijn afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken.
15
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels
Antidubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen, waarvoor omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, buiten beschouwing.
16
Artikel 6
6.1
Algemene bouwregels
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van plankaart en bestemmingsregels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt. 6.2
Bestaande maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. de op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden; c. ingeval van herbouw is het bepaalde onder a en b slechts van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken zoals opgenomen in lid 11 niet van toepassing.
6.2.1
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.2 onder c voor: a. het toestaan van herbouw van een gebouw met dezelfde inhoud dan wel oppervlakte of kleiner, indien de afstand tot perceelsgrenzen: 1. gelijk blijft of wordt verkleind bij een maximummaat; 2. gelijk blijft of wordt vergroot bij een minimummaat; b. het toestaan van uitbreiding van een gebouw tot ten hoogste de maximum diepte, inhoud of oppervlakte, indien de afstand tot perceelsgrenzen: 1. gelijk blijft of wordt verkleind bij een maximummaat; 2. gelijk blijft of wordt vergroot bij een minimummaat; c. afwijking is toegestaan voor zover geen sprake is van een onevenredige aantasting van: 1. de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 6.3
Afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen
6.3.1
Aan te houden afstanden tot wegen bij planwijziging
Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg - ter beperking van geluidshinder - in geen geval minder bedragen dan de in de tabel aangegeven afstanden. 48 dB-contour (in meters uit de wegas)
17
Heusdensebaan
6.3.2
50
Verkleining van de afstand tot wegen bij planwijziging
Nieuwe woningen ingevolge planwijziging mogen op een kleinere afstand tot de weg worden gebouwd dan in de tabel van lid 6.3.1 is aangegeven, indien blijkt dat op die afstand aan de hogere grenswaarde, voor zover hiervoor ontheffing is verleend bij de vaststelling van het plan, uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. 6.3.3
Afstand tot wegen bij herbouw
Ingeval van herbouw van een woning elders binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak mag de afstand van de voorgevel van de nieuwe woning tot de wegas van de wegvakken zoals genoemd in lid 6.3.1, niet minder worden dan de afstand genoemd in de tabel. Indien de afstand van de bestaande woning tot de wegas al minder is dan de afstand genoemd in de tabel, dan mag de te herbouwen woning niet dichter naar de weg worden gebouwd. 6.3.4
Aan te houden afstanden tot spoorwegen bij planwijziging
Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de spoorweg - ter beperking van geluidshinder - in geen geval minder bedragen dan de in de tabel aangegeven afstanden. spoorwegvak
55 dB-contour (in meters uit het hart van de spoorbaan)
trajectnummer 710 (Tilburg - Eindhoven)
525
6.3.5
Verkleining van de afstand tot spoorwegen bij planwijziging
Nieuwe woningen ingevolge planwijziging mogen op een kleinere afstand tot de weg worden gebouwd dan in de tabel van lid 6.3.4 is aangegeven, indien blijkt dat op die afstand aan de hogere grenswaarde, voor zover hiervoor ontheffing is verleend bij de vaststelling van het plan, uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. 6.3.6
Afstand tot spoorwegen bij herbouw
Ingeval van herbouw van een woning elders binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak mag de afstand van de voorgevel van de nieuwe woning tot het hart van het spoorwegvak zoals genoemd in lid 6.3.4, niet minder worden dan de afstand genoemd in de tabel. Indien de afstand van de bestaande woning tot het hart van het spoorvak al minder is dan de afstand genoemd in de tabel, dan mag de te herbouwen woning niet dichter naar de spoorbaan worden gebouwd. 6.4
Ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak of een bestemmingsvlak waar gebouwen zijn toegestaan; b. de oppervlakte dan wel inhoud van ondergrondse gebouwen wordt bij de in hoofdstuk 2 opgenomen maximaal toelaatbare oppervlakte - dan wel inhoudsmaten meegeteld voor zover niet op dezelfde plaats boven peil een gebouw aanwezig is; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen bedraagt maximaal 3 m onder peil.
18
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
De algemene gebruiksregels luiden als volgt: a. het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, de bestemmingsomschrijving en de overige regels; b. het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor afwijken van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.
19
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning voor afwijken kan worden verleend - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%, met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor afwijken niet wordt verleend voor afwijkingen van de voorgeschreven inhoudsmaten van woningen, dienstwoningen en bedrijfswoningen; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. c. afwijking wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
20
Artikel 9
9.1
Algemene wijzigingsregels
Overschrijding bestemmingsgrenzen
Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. 9.2
Veiligheidszone leiding
Burgemeester en wethouders wijzigen de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - leiding': a. indien de wetgeving ten aanzien van de externe veiligheid van buisleiding of buisleidingstroken daartoe aanleiding geeft; en/of b. indien een aanpassing van de plaatsgebonden risicocontour daartoe aanleiding geeft.
21
Artikel 10
10.1
Overige regels
Voldoende parkeer- en laad- en losgelegenheid
Ten behoeve van het voorzien in voldoende parkeer- en laad- en losgelegenheid, gelden de volgende regels: a. bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of planologisch strijdig gebruik, dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de op 24 augustus 2016 vastgestelde 'Nota Parkeernormen 2016' van de gemeente Oisterwijk; b. indien het gebruik van een gebouw en/of gronden daar aanleiding toe geeft, dient te worden voorzien in voldoende ruimte voor laden en lossen; c. het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a. en toestaan, dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en in stand wordt gehouden op eigen terrein, indien: 1. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of; 2. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm; 3. afwijken van de regels, zoals bedoeld onder c., is slechts mogelijk indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de parkeersituatie in de openbare ruimte; de woon- en leefsituatie. d.
het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a., in die zin dat meer parkeerplaatsen worden geëist dan het aantal dat als voldoende parkeergelegenheid wordt beschouwd, indien het voorgenomen gebruik van het bouwwerk daartoe aanleiding geeft; e. indien het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen ofwel laden en lossen als bedoeld onder a. en b. gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning rekening gehouden met die wijziging; f. parkeergelegenheid die gerealiseerd is om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient in stand te worden gehouden.