CConstaterende datOirschot
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan Kindcentrum de Vliertuin

Besluitvormende raadsvergadering 21 mei 2024, gemeente OirschotBij agendapunt: Kindcentrum de Vliertuin23.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

KINDCENTRUM DE VLIERTUIN Oirschot Bestemmingsplan

1/2

DATUM KENMERK

24-11-2023 NL.IMRO.0823.BPMIKCDEVLIERTUIN-ONTW

PROJECT PROJECTLEIDER

Kindcentrum de Vliertuin S. van Bogget

OPDRACHTGEVER Gemeente Oirschot PROJECTNUMMER 20230709 AUTEUR STATUS

2/2

S. van Bogget ontwerp

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

9

1.1

Aanleiding

9

1.2

Leeswijzer

10

Huidige situatie en beoogde situatie

11

2.1

Bestaande situatie

11

2.2

Beoogde situatie

12

Hoofdstuk 3

Beleidskader

15

3.1

Rijksbeleid

15

3.2

Provinciaal beleid

19

3.3

Gemeentelijk beleid

21

Hoofdstuk 4

Sectorale aspecten

27

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

27

4.2

Water

31

4.3

Ecologie

38

4.4

Besluit M.E.R.

41

4.5

Bodem

42

4.6

Geluid

42

4.7

Luchtkwaliteit

43

4.8

Externe veiligheid

45

4.9

Geurhinder en veehouderij

47

4.10

Gezondheid

49

4.11

Bedrijven en milieuzonering

50

4.12

Verkeer en parkeren

51

Hoofdstuk 5

Juridische regeling

57

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

59

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

6.2

Economische uitvoerbaarheid

59

Hoofdstuk 2

3/107

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 2

Onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 3

Archeologisch verkennend booronderzoek

Bijlage 4

Watertoets

Bijlage 5

Quickscan wet natuurbescherming

Bijlage 6

Onderzoek luchtkwaliteit

Bijlage 7

Stikstofdepositieonderzoek

Bijlage 8

Projectberekening rekenjaar 2024

Bijlage 9

Projectberekening rekenjaar 2025

Bijlage 10

Verkeerssimulatie

Bijlage 11

Aanmeldnotitie vormvrije mer­beoordeling

Bijlage 12

Stedenbouwkundig plan De Vliertuin

Bijlage 13

Verslag omgevingsdialoog

4/107

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

89

Artikel 1

Begrippen

89

Artikel 2

Wijze van meten

95

Bestemmingsregels

97

Artikel 3

Maatschappelijk

97

Artikel 4

Verkeer

98

Artikel 5

Waarde ­ Archeologie 4

99

Hoofdstuk 3

Algemene regels

101

Artikel 6

Anti­dubbeltelregel

101

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

102

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

103

Artikel 9

Algemene wijzigingsregels

104

Artikel 10

Overige regels

105

Overgangs­ en slotregels

107

Overgangsrecht

107

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4 Artikel 11

5/107

6/107

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de oostrand van Middelbeers tussen de kernen Middelbeers en Oostelbeers wordt beoogd op sportpark De Klep een kindcentrum op te richten. Het plangebied is gelegen in de oksel van de Sportparklaan en de provinciale weg N395, ook wel Hertog Janstraat. Het kindcentrum vervangt de huidige basisscholen en kinderdagverblijven die verdeeld zijn over drie locaties in Middelbeers en Oostelbeers. Het kindcentrum zal bestaan uit een basisschool, voorschoolse opvang, buitenschoolse opvang en kinderopvangfunctie. Het nieuw op te richten kindcentrum zal bestaan uit een basisschool met klaslokalen, een leerplein en aula in de binnenruimtes en buitenklassen, speelplein, fietsenstalling en wachtruimte in de buitenruimte. Deze ontwikkeling is onderdeel van het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs gemeente Oirschot 2022­2036. Naast de borging in het Integraal Huisvestingslan Onderwijs hebben gemeente Oirschot, Onderwijsbestuur SKOBOS, Stichting Samenwijs, Beerse Boys, Buurtbeheer Middelbeers, Westelbeers en Dorpsraad Oostelbeers in 2018 een intentieovereenkomst getekend waarin de wens voor een kindcentrum op sportpark De Klep wordt uitgesproken. Ligging Het plangebied ligt aan de oostrand van de kern van Middelbeers. Navolgende figuur geeft een beeld van de ligging.

Ligging plangebied (Bron: Rho Basisviewer)

9/107

De ontwikkeling heeft betrekking een deel van het perceel kadastraal bekend als Oost­ West en Middelbeers, sectie G nummer 2966. Navolgende figuur geeft een overzicht van het plangebied.

Luchtfoto met kadstrale percelen, plangebied met blauw omkaderd (Bron: Rho Basisviewer)

1.2

Leeswijzer

De opzet van de toelichting is als volgt: y In hoofdstuk 2 worden de huidige en toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied beschreven; y In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader; y In hoofdstuk 4 zijn de resultaten vermeld van de toetsing van de realisering van de weg aan milieuaspecten; y Hoofdstuk 5 bevat de juridische regeling en de bestemmingsomschrijving; y Hoofdstuk 6 bevat een toelichting op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

10/107

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie en beoogde situatie

Bestaande situatie

Het plangebied heeft betrekking op een deel van het sportpark De Klep gelegen aan de Sportparklaan en de provinciale weg, aan de oostrand van Middelbeers. Eén deel, direct grenzend aan de provinciale weg, wordt gebruikt door de voetbalvereniging als oefenveld. Het deel grenzend aan de Sportparklaan is een voormalig voetbalveld dat in 2021 deels werd gebruikt ten behoeve van de aanleg van de rotonde N395 en de Sportparklaan. Het gehele plangebied kent in de huidige situatie de enkelbestemming Sport. Het plangebied heeft geen bouwvlak. Het vigerende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Kom Middelbeers' (23 juni 2008), middels verschillende beheersverordeningen (2018 en 2020) opnieuw van toepassing verklaard. In de beheersverordening van 2018 is aan het plangebied de dubbelbestemming 'Archeologie ­ categorie 4' toegekend. Navolgende figuur is een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied.

Uitsnede 'Kom Middelbeers', indicatie plangebied met roze omlijnd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

11/107

Sport De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor sportterreinen, gebouwen ten behoeve van sportieve doeleinden, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals een kantine met de daarbijbehorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Waarde ­ Archeologie 4 De voor ‘Waarde – Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 0,5 m en een verstoringsoppervlakte van meer dan 500 m².

2.2

Beoogde situatie

Met dit bestemmingsplan wordt geregeld dat ter plaatse van De Klep aan de Hertog Janstraat in Middelbeers een kindcentrum wordt toegevoegd. Eerder is hiervoor een stedenbouwkundig plan opgesteld (bijlage 12). Dit stedenbouwkundgi plan vormt de basis voor dit bestemmingsplan. Het kindcentrum Het gebouw voor het kindcentrum wordt ontwikkeld als nieuw kopgebouw van het sportpark. Het schoolgebouw wordt verdeeld over twee verdiepingen plus een kap. De hoofdentree bevindt zich aan de oostzijde, nabij het toekomstige parkeerterrein. Aan de westzijde is een tweede entree aanwezig die vooral voor de kinderopvang gebruikt gaat worden. Rondom het gebouw ligt het schoolplein dat ruimte biedt voor spelen, halen/brengen en buitenklassen en fietsen stallen. Het parkeren voor het park wordt in z’n geheel verplaatst en aangelegd aan de noordzijde, direct te bereiken vanaf de rotonde. Hierdoor wordt het autoverkeer zo dicht mogelijk op bij de bron opgevangen en wordt voorkomen dat het verkeer het gebied en de wijk in gaat. De beoogde locatie biedt voldoende ruimte om de parkeercapaciteit op te vangen. Fietsen en stallen Parallel langs de Sportparklaan wordt een brede vrijliggende fietsstrook aangelegd om de diverse functie op het sportpark per fiets te ontsluiten.

Om het gebruik van de fiets zo aantrekkelijk mogelijk te maken, gebeurd het stallen van de fiets zoveel mogelijk in het gebied, dichtbij de (entree van de) voorzieningen (stallen voor de deur). De fietsstrook wordt begeleid door een dubbele bomenrij en van de Sportparklaan gescheiden door een, over de hele linie, aaneengesloten haag. Daarmee wordt voorkomen dat bezoekers aan de Sportparklaan gaan parkeren en dan het park op gaan. De groene wandelboulevard De wandelboulevard vanaf het parkeerterrein richting het zuiden vormt de centrale as op het park. Deze wordt door bomen en groen begeleid en verbindt de verschillende functies met elkaar. In de huidige situatie is deze route soms smal. Tijdens de gefaseerde ontwikkeling vormt het verbreden en vergroenen van deze route een belangrijk aandachtspunt.

12/107

Overige voorzieningen Om het parkeerterrein aan de noordzijde te realiseren, is verplaatsing van het huidige oefenveld nodig. Deze komt terug op de plek waar nu het parkeerterrein ligt. Daarnaast is het gewenst dat het skatepark ergens terugkomt op het park en dat de speeltoestellen behouden blijven. Voor deze functies is het gebied gereserveerd ten zuiden van de sporthal. In de eindsituatie ontstaat een centraal plein tussen de sporthal, tennis en voetbal en daaraan gekoppeld kunnen aanvullende voorzieningen daar een plek krijgen.

Stedenbouwkundig plan

13/107

Impressie toekomstige situatie Verkeer en parkeren Het plangebied is bereikbaar via de Hertog Janstraat. In samenhang met de oprichting van het kindcentrum wordt het huidige parkeerterrein uitgebreid met extra parkeerplaatsen verplaatst naar de voorzijde van het perceel, aan de provinciale weg. De automobilisten die het terrein betreden worden daarmee direct bij binnenkomst naar het parkeerterrein geleid. Zo wordt het gemotoriseerde verkeer omwille van de verkeersveiligheid meteen gescheiden van het langzaamverkeer binnen het plangebied. In paragraaf 4.12 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.

14/107

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land: y dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; y met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; y waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; y met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; y waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.

y dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; y waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; y dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem­verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

15/107

Voor dit project relevante nationale belangen zijn: a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. b. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. c. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Beoordeling De NOVI wordt gekenmerkt door een hoog abstractie­ en schaalniveau. Eén van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan. Voor het overige is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De in de NOVI genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10.

Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan. Het Barro bevat alleen die regels die voortkomen uit het eerdere ontwerp van de AMvB Ruimte (d.d. 2 juni 2009) en die tevens terugkomen in de SVIR. Het gaat dan om regels ter bescherming van de belangen inzake Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Er is voor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. Deze regels kunnen pas in werking treden als de wet dit provinciaal medebewind en de mogelijkheid om af te wijken van de algemene regels vastlegt. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde (nationaal belang 13) en de EHS (nationaal belang 10). Van deze laatste zullen de artikelen op een later tijdstip aan het Barro worden toegevoegd.

16/107

De overige belangen vanuit de SVIR zullen in de ontwerpwijziging van het Barro terugkomen. Deze zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden. Uitzondering hierop is het nationale belang inzake buisleidingen. Deze wordt eerst beschreven in de Structuurvisie buisleidingen alvorens hiervoor regels in het Barro worden opgenomen. Defensie ­ radarverstoringsgebied Verspreid over Nederland staat een aantal militaire­ en burgerradarstations. Deze dienen voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het civiele luchtverkeer. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen 15 nautische mijl (= 27,8 kilometer) van dit radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en kunnen derhalve niet worden toegestaan, tenzij uit onderzoek is gebleken dat de mate van verstoring aanvaardbaar is. Hiervoor dient door TNO een radarhinderonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek beoordeelt Defensie de aanvaardbaarheid van de verstoring. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen nationale belangen volgens de Barro in het geding. Conclusie rijksbeleid De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor deze ruimtelijke onderbouwing.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, moet in de toelichting worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit de handreiking ladder voor duurzame verstedelijking (bron: Infomil) en jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling van meer dan 500m2 wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Toetsing Het beoogde kindcentrum bestaat uit een school, kinder­ en buitenschoolse opvang. Het kindcentrum vervangt de huidige basisscholen in Middelbeers (Sint Jorisstraat 1) en Oostelbeers (Beukenhaag 1). Deze ontwikkeling is onderdeel van het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs gemeente Oirschot 2022­2036.

Uitgangspunt is een benodigd oppervlakte van ongeveer 2.245 m2 op basis van circa 410 leerlingen. Hiermee worden de beide locaties in de Beerzen samengevoegd tot een nieuw Kindcentrum. Voor het kinderdagverblijfgedeelte van KC De Vliertuin gaat de gemeente uit van 775 m2 op basis van 6 groepen. De nieuwe locatie heeft de bestemming sport en maakt onderdeel uit van de kern Middelbeers. De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het is de bedoeling de vrijgekomen locaties her te bestemmen (waarbij de gedachten in eerste instantie uitgaan naar woningbouw). De herbestemming van de vertreklocaties (totaal circa 4.050 m2 bvo) wordt niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Gelet op de extra oppervlakte van de ontwikkeling van het kindcentrum is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is hierna de behoefte beschreven.

17/107

Beschrijving behoefte De gemeente is wettelijk verplicht om voldoende en geschikte huisvesting beschikbaar te stellen voor de scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Verder blijkt de behoefte aan integrale kindcentra uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA) en het Integraal huisvestingsplan Onderwijs gemeente Oirschot 2022­2036 (IHP). In de Lokale Educatieve Agenda (LEA) zijn de gezamenlijke lokale ambities op het terrein van onderwijs­ en jeugdbeleid opgenomen (versterken van een positief opvoed­ en opgroeiklimaat waarin kinderen/ jongeren zich kunnen ontplooien en ontwikkelen). In de gemeente Oirschot zijn kindcentra gevormd waarbinnen scholen intensief samenwerken met een opvangpartner om de beste ontwikkeling te realiseren voor het kind. Hierbij wordt onder meer ingezet op het creëren van een “doorgaande lijn” in leren en ontwikkelen (0­13 jaar). Hierbij wordt gewerkt vanuit een zelfde pedagogische visie. Het versterken van de doorgaande lijn­ in samenwerking met zorg­ en welzijnspartners is speerpunt van de LEA. Eén gebouw komt de samenwerking binnen een kindcentrum ten goede, hoewel het geen noodzakelijke voorwaarde is. De gemeente erkent dat de samenwerking tussen kindcentra en zorgpartijen en andere partners in het lokale veld (zoals sportverenigingen) kan worden geoptimaliseerd wanneer partners ook samen gehuisvest zijn.

Op deze manier wordt dan­ daar waar mogelijk­ op locatie bijvoorbeeld ruimte geboden voor ontmoeting, beweging en zorg. De gemeente staat inhoudelijk gezien positief tegenover de ontwikkeling en wil hier graag een faciliterende rol in oppakken. Wel moet steeds per situatie bekeken worden wat (financieel) mogelijk is. Het doel van het IHP onderwijs is om als schoolbesturen en gemeente samen een plan voor de toekomst te hebben over hoe om te gaan met de huisvesting voor onderwijs. Het KC is de nieuwbouw voor de school in Middelbeers en Oostelbeers. Beide locaties maken deel uit van BS de Beerze dat valt onder schoolbestuur SKOBOS. Het schoolbestuur heeft aangegeven te streven naar onderwijs op één locatie en bij voorkeur op De Klep. Huisvesting op één locatie is het beste voor goed onderwijs voor de kinderen in Middelbeers, Oostelbeers en Westelbeers. Zij heeft daarvoor een aantal overwegingen benoemd zoals: y verbetering kwaliteit van onderwijs en opvang voor kinderen y werken met meer homogene groepen in plaats van combinatiegroepen y meer (individuele) instructie en begeleiding op niveau y efficiëntere inzet van leerkrachten en medewerkers y combinatie onderwijs en sport Ook de gemeente vindt de locatie op sportpark De Klep het beste scenario voor huisvesting van de BS de Beerze.

y op deze manier wordt dan ­ daar waar mogelijk­ op locatie bijvoorbeeld ruimte geboden voor ontmoeting, beweging en zorg; y de samenwerking tussen partijen wordt verder geoptimaliseerd wanneer partners ook samen gehuisvest zijn. Dit kot de doorgaande ontwikkeling van kinderen (in het bijzonder kwetsbare kinderen) ten goede; y specifiek biedt de huisvesting op het sportpark een extra meerwaarde (verbinding met sport/beweging, kansen voor talentontwikkeling/ bewegingsonderwijs in samenwerking met verenigingen); y er is draagvlak bij de bevolking van Oostelbeers: voor de groep die de voorkeur heeft voor een school in eigen dorp, is scenario KC de Vliertuin op sportpark De Klep nog steeds een acceptabel scenario.

18/107

Op grond van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op de Expertisecentra (WEC) en de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) heeft de gemeente een wettelijke zorgplicht op het gebied van onderwijshuisvesting. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente moet voorzien in adequate huisvesting voor het Primair Onderwijs en het Voortgezet Onderwijs. De gemeente heeft geen zorgplicht voor de voorzieningen voor kinderopvang. De visie van gemeente Oirschot op Integrale Kindcentra is opgenomen in de Lokaal Educatieve Agenda (LEA). De gemeente streeft naar IKC's in alle kernen. Uit leerlingprognoses blijkt dat het aantal leerlingen in het primair onderwijs in Oirschot constant blijft. Er is dus sprake van een blijvende behoefte aan onderwijshuisvesting. Het gebouw is bestemd voor gemiddeld 410 leerlingen. De benodigde capaciteit is berekend op basis van de criteria in de Verordening Voorzieningen huisvesting. Voor de bouw van KC de Vliertuin is een oppervlakte benodigd van circa 2.245 m2 bruto vloeroppervlakte. Hiermee worden de beide locaties in de Beerzen samengevoegd tot een nieuw Integraal Kindcentrum. Vanuit de kinderopvangorganisatie is aangegeven dat er behoefte bestaat aan huisvesting voor 6 groepen. In de berekeningen gaat de gemeente uit van 775 m2 bruto vloeroppervlakte. In de nieuwe situatie is sprake van een efficiënter gebouw.

De huidige oppervlakte van de twee schoollocaties is circa 4.050 m2 bvo, in de toekomst is sprake van een gebouw met een oppervlakte van 3.020 m2 bvo. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Het rijksbeleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord­Brabant Op 14 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten van Noord­Brabant de Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving' vastgesteld. De Omgevingsvisie is overheid bindend en loopt vooruit op de invoering van de Omgevingswet. In de Omgevingsvisie verwoordt de provincie haar visie op de toekomst van Brabant tot aan 2050. Centraal staan hierbij de kernwaarden die de provincie geformuleerd heeft ten aanzien van haar handelen. De kernwaarden zijn: 1. Meerwaarde­creatie; 2. Technische­ en sociale innovatie; 3. Kwaliteit voor kwantiteit; 4. Steeds beter; 5. Pro­actief. Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Beoordeling Bij ruimtelijke ontwikkelingen ligt het accent op de herstructurering en het beheer van het bestaand (cultuurhistorisch waardevol) bebouwd en onbebouwd gebied om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. De initiatiefnemer wenst op een huidig sportcomplex een basisschool toe te voegen, ter vervanging van de twee huidige basisscholen.

De ontwikkeling sluit aan op het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs van de gemeente Oirschot. De

19/107

beoogde ontwikkeling speelt in op een goede omgevingskwaliteit. Hierdoor kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie Noord­Brabant. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Brabant De Interim omgevingsverordening Noord­Brabant (hierna: Iov N­B) is op 25 oktober 2019 vastgesteld. Vanwege de aanstaande invoering van de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N­B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N­B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N­B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen).

Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Beoordeling In de Iov N­B zijn regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Het plangebied ligt binnen het werkgebied 'stedelijk gebied'.

Uitsnede kaart stedelijke ontwikkeling en erfgoed (bron: Interim Omgevingsverordening)

20/107

Uitsnede kaart natuur en stiltegebieden (bron: Interim Omgevingsverordening) Het plangebied ligt op korte afstand van Natuur Netwerk Brabant. In paragraaf 4.3 is uiteengezet dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het NNB.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Oirschot Op 26 september 2017 is door de gemeenteraad de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie is het beleid voor de toekomst van de gemeente Oirschot vastgelegd in acht thema's en vijf gebieden. De thema’s en gebieden en de wijze waarop Oirschot hieraan sturing wil geven, zeggen niet alleen iets over inhoud en rolverdeling, maar ook veel over de identiteit van Oirschot. De visie bestaat uit de ambities die per thema zijn weergegeven en specifiek voor enkele gebieden zijn uitgewerkt. De identiteit Het eigene aan Oirschot Oirschot is een plattelandsgemeente met vele kwaliteiten en gezichten. Het monumentale karakter van de historische bebouwing en de rijkdom van het landschap zijn daarbij algemeen erkend. Op het platteland is de ontstaansgeschiedenis nog af te lezen uit het landschap, met beekdalen en ontginningsgronden in gebruik voor landbouw en recreatie en afgewisseld met natuur. Logisch dat het buitengebied in trek is bij recreanten en toeristen. Dit geldt zeker ook voor het historische centrum van Oirschot, dat een echt onderscheidende kwaliteit heeft.

21/107

Oirschot in de regio Oirschot vertoont niet alleen sterke ruimtelijke en landschappelijke samenhang met de omliggende gemeenten, ook op sociaal, cultureel en economisch vlak geldt dat. Dit vertaalt zich in bestuurlijke samenwerking in de regio De Kempen. Ook sluit Oirschot aan bij het Groene woud, waar de relatie sterk gericht is op erfgoed, natuur en recreatie. Oirschot maakt daarnaast deel uit van de Brainport Regio Eindhoven. In plaats van op overeenkomsten is de samenwerking hier gebaseerd op de onderlinge complementariteit. Aan de ene kant biedt de stad werkgelegenheid, een uitstekend voorzieningenpakket (zoals onderwijs, medische voorzieningen, cultuur, ontspanning, detailhandel) en een knooppunt van vervoersmogelijkheden binnen en buiten de regio (zoals internationale spoor­ en luchtvaart verbindingen). Aan de andere kant biedt Oirschot de stad en de regio een unieke, monumentale en groene omgeving waar de stedeling en de expat kunnen recreëren en ontspannen, maar ook waar de stedeling die op zoek is naar een sub urbaan woonmilieu een goede, gezonde en veilige woonomgeving treft. Als één van de eenentwintig gemeenten werkt Oirschot mee om de Brainportregio verder ontwikkelen tot een economische topregio met internationale allure en regionale eigenheid.

Op die manier zorgen we voor een aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor onze inwoners en dragen we bij aan het vestigingsklimaat voor bedrijven en kennisinstituten.

22/107

Visiekaart omgevingsvisie Oirschot Algemene uitgangspunten Oirschot kijkt vooruit: met de samenleving de kwaliteiten verder uitbouwen en ontwikkelen en nieuwe kwaliteiten toevoegen. De gemeente gaat nog dichter bij de inwoners staan, meer verantwoordelijkheid met ze delen en kansen bieden voor hun initiatieven. Centraal staat het geven van vertrouwen (los laten, ruimte bieden). Dit doet de gemeente door deze algemene uitgangspunten te volgen:

23/107

y y

y y

Draagkracht van het Oirschots landschap ­ Nieuwe ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van behoud en herstel van de natuur­, landschappelijke­ en cultuurhistorische kwaliteiten. Per saldo moet sprake zijn van winst. Duurzame veilige en gezonde ontwikkeling ­ Oirschot wil in ieder geval geen ontwikkelingen die een negatief effect teweeg brengen op duurzaamheid. Ook wordt gestreeft naar economische duurzaamheid. Ontwikkelingen moeten ook op langere termijn bijdragen aan de welvaart. Maatschappelijk draagvlak ­ Het is belangrijk dat initiatieven breed in de samenleving worden gedragen. Samenleving aan zet ­ Met de vaststelling van de omgevingsvisie is een nieuw sturingsfilosofie geïntroduceerd gebaseerd op het volgende: 1. Waar de samenleving initiatieven wil ontplooien, wordt ruimte gegeven, binnen de ambities van de omgevingsvisie en de spelregels die we samen hebben geformuleerd; 2. Waar de gemeente initiatief wil ontplooien, zoekt zij de samenleving op om te bezien of in co­creatie een beter resultaat kan worden geboekt; 3. Indien de samenleving dit niet oppakt, of daar waar de gemeente eigen verantwoordelijkheden heeft neemt de gemeente het voortouw; 4. In alle gevallen is het bijdragen van initiatieven aan de gestelde doelen voorwaarde.

Thema's De omgevingsvisie is een beleidsdocument dat naar de toekomst kijkt waarbij de gemeente (bestuurlijk en ambtelijk) en inwoners hun input hebben geleverd en in de toekomst samen verantwoordelijk zijn voor het verwezenlijken van hun ambities. De thema’s geven een beeld van wat voor Oirschot van belang is voor de ontwikkeling op langere termijn en sluiten aan bij de Kernboodschap: Oirschot: monumentaal, ondernemend en groen: daar voelt de MENS zich thuis. Hierna worden alleen de doelen uit de relevante thema's beschreven die raakvlak hebben met de ontwikkeling aan de Fransebaan 9: Natuur, landschap & cultuurhistorie y De gemeente wil de kwaliteit van de natuur, biodiversiteit, het landschap, de cultuurhistorie en onze monumenten beschermen, herstellen en ontwikkelen; y Verandering moet mogelijk zijn.

De verandering moet wel de kwaliteit per saldo herstellen, waarborgen of versterken, ook als daar financiële inspanningen voor nodig zijn; Veilig en gezonde woon­ en leefomgeving y Voor de huidige en toekomstige bewoners voorzien in een passende, toekomstbestendige woningvoorraad met ruimte voor initiatieven en oog voor het monumentale en groene karakter van de gemeente; y Inspelen op de ontwikkeling van de woonbehoeften op basis van leeftijd, huishoudensomvang, inkomen en vermogen, zodat de woningvoorraad aan blijft sluiten bij de behoeften van de huidige en toekomstige inwoners; Economie en werkgelegenheid y Herontwikkeling, transformatie en inbreiding heeft bij nieuwe bedrijvigheid de voorkeur boven nieuwe uitleglocaties ontwikkelen; y Onder bepaalde voorwaarden kunnen kleine startende ondernemers gebruik maken van vrijkomende agrarische bebouwing.

24/107

Energie, klimaat, water & milieu y Ontwikkelingen aan laten sluiten op de behoeften van nu, zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen; y Oirschot wil in 2040 een klimaatbestendige gemeente zijn; y Milieuoverlast zoveel mogelijk beperken; y Een gemeente waarin het buitengebied in balans is. Scholen Met betrekking tot het op peil houden van het voorzieningenniveau en de aanwezigheid van ontmoetingsplekken voor dorpsbewoners worden de basisscholen in zowel Oostel­ als Middelbeers als belangrijke pijlers gezien. In de Omgevingsvisie wordt expliciet benoemd dat 'Er liggen mogelijkheden voor de dorpen Oostelbeers­Middelbeers om hun krachten te bundelen bijvoorbeeld in de vorm van een gezamenlijke school. De gemeente stimuleert waar mogelijk deze krachtenbundeling.' Beoordeling en conclusie De ontwikkeling ziet toe op de samenvoeging van de twee basisscholen zoals expliciet benoemd in de Omgevingsvisie van de gemeente Oirschot. Het samenvoegen van de scholen levert een bijdrage aan het vitaal en toekomstbestendig houden van de dorpen. De ontwikkeling sluit aan op de ambities uit de omgevingsvisie.

25/107

26/107

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie Beleid en toetsingskader Verdrag van Malta In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan. Beoordeling Het plangebied is op basis van de in 2018 vastgestelde Beheersverordening voor een groot deel bestemd met de dubbelbestemming 'Archeologie ­4'. Dit correspondeert met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 0,5 meter en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². In dat kader is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 3. Navolgend zijn de resultaten beknopt weergegeven. Het bureauonderzoek van Vestigia toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt het natuurlijke landschap kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is over het algemeen voldoende intact om nog archeologische waarden te bevatten. Een E­ en B­horizont ontbreekt grotendeels in het plangebied. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven in het bureauonderzoek van Vestigia, blijft door het booronderzoek grotendeels gehandhaafd. Alleen de verwachting voor Mesolithicum dient te worden bijgesteld naar laag; vondstspreidingen aan het toenmalige maaiveld zullen zijn verstoord. Het is niet uit te sluiten dat in de C­horizont, o.a.

daar waar een mogelijke paleobodem is aangetroffen, op 17,3 meter +NAP bij boring 6 (1,3 meter onder maaiveld), op 17,5 meter +NAP bij boring 8 (1,9 meter onder maaiveld) en 18 meter +NAP bij boring 2 (1,9 meter onder maaiveld), archeologische resten uit het Paleolithicum kunnen worden aangetroffen. Alleen aan de zuidrand van het plangebied, langs de bebouwing ten zuiden van het plangebied, is het bodemprofiel verstoord. In deze strook worden geen archeologische waarden in situ meer verwacht. Al kunnen ook daar in de C­horizont nog archeologische resten uit het Paleolithicum worden aangetroffen.

27/107

In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt (op palen) en er, afgezien van de funderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 50 boven het verwachtte archeologische sporen niveau. Het verwachtte archeologisch niveau zal op ongeveer 90 tot 125 centimeter onder maaiveld liggen. Bodemingrepen tot 40 centimeter onder maaiveld zouden dien ten gevolgen uitgevoerd kunnen worden zonder dat hier archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode.

Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. (...) Over de aan­ of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oirschot), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Oirschot wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Oirschot op de hoogte te stellen. Conclusie Het bovengenoemde advies is akkoord bevonden door het bevoegd gezag. Initiatiefnemer is voornemens archeologievriendelijk te gaan bouwen.

Ter bescherming van de archeologische waarde zal de dubbelbestemming 'Waarde ­ Archeologie 4' gehandhaafd blijven. 4.1.2 Cultuurhistorie Beleid en toetsingskader Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie.

28/107

Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen (of andere ruimtelijke plannen) rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van) het plangebied Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads­ en/of dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000­gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden. Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Erfgoednota Oirschot, erfgoed als identiteit (2018) Erfgoed levert een belangrijke bijdrage aan het gezamenlijk maatschappelijk kapitaal. Erfgoed is een belangrijke identiteitsbepaler en community­builder binnen de gemeente. Erfgoed biedt volop kansen om Oirschot beter te positioneren en economisch nog aantrekkelijker te maken voor het brede publiek. Daarom wil gemeente Oirschot haar cultuurhistorisch erfgoed, zowel het tastbare fysieke erfgoed als de bijbehorende verhalen, duurzaam behouden voor de toekomst. In de erfgoednota is beschreven hoe de gemeente Oirschot, als beheerder van het erfgoed, daar in de periode 2018­2028 aan gaat voldoen.

Het doel is om de bestaande identiteit te versterken en voorwaarden te creëren om die identiteit uit te bouwen, nu en in de toekomst. De volgende erfgoedthema's dragen allemaal bij aan het verhaal en herkenbaarheid van Oirschot: y Religieus Oirschot y Militair Oirschot y Bestuurlijk Oirschot y Ambachtelijk Oirschot y Landschappelijk en agrarisch Oirschot Voor dit bestemmingsplan is het erfgoedthema 'landschappelijk en agrarisch Oirschot' van belang. Het buitengebied van Oirschot heeft van oudsher een agrarisch karakter. Dit is terug te zien in de vele historische boerderijen, boerderijenclusters en agrarische percelen. Verder is er een grote diversiteit aan cultuurlandschappen. De

29/107

landgoederen vervullen hierbinnen een belangrijke rol. Ondergronds zijn verschillende archeologische monumenten bewaard gebleven die een extra dimensie aan het landschap geven. Al deze elementen hangen nauw met elkaar samen en maken dat het buitengebied een aantrekkelijke plaats is om te verblijven en te recreëren. ODZOB erfgoedkaart en cultuurhistorische beleidskaart (2021) Doel van de erfgoedkaart is om het erfgoed een betere bescherming te kunnen geven via het bestemmingsplan en/of verordening, zoals in de Erfgoedwet staat omschreven. Bij de inventarisatie zijn niet alleen de nog zichtbare overblijfselen uit het verleden opgenomen, maar wordt vooral ook een overzicht gegeven van voormalige elementen en structuren met hun landschapsgenetische context, ongeacht de mate waarin deze thans aan de oppervlakte nog zichtbaar zijn. Er zijn een aantal gebruiksvelden waarvoor de erfgoedkaart van belang is: y Bij het maken van toekomstplannen voor grotere of kleinere delen van de gemeente kan men kennis nemen van de aanwezigheid van deze relicten en dank zij die informatie in de planning, overwegen of en hoe die relicten in het nieuwe plan een plaats kunnen krijgen. Men kan zelfs een stap verder gaan en op creatieve wijze hiaten in historische landschappelijke structuren in het plan op moderne wijze aanvullen.

y Voor de archeologie is deze inventarisatie een hulpmiddel bij het herkennen van gebieden en plaatsen die vanuit die afdeling bijzondere aandacht, verkennend en eventueel nader onderzoek vereisen wanneer er activiteiten gepland worden die het voortbestaan van cultuurhistorische relicten of archeologische informatie onmogelijk maken. In een vroeg stadium kunnen de planologen geattendeerd worden op dergelijke waarden die beter ontzien dan verwoest worden. y Vanuit educatief oogpunt kan de inventarisatie van relicten gebruikt worden om het algemene publiek en scholieren te attenderen op bijzondere plekken in hun omgeving, en bij die mensen daarvoor een waardering op te bouwen. Deze inventarisatie is daarvoor niet een kant­en­klaar pakket, maar ze wijst de weg naar meer informatie en attendeert vooral op interessante plekken die via de reconstructie van het historisch landschap in hun vroegere onderlinge samenhang en via de reconstructie van het natuurlijk landschap ook in de samenhang met dat landschap geplaatst kunnen worden. De erfgoedkaart bestaat onder andere uit een een waardenkaart en een beleidskaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn de punten, lijnen en vlakken aangegeven die een hoge tot zeer hoge cultuurhistorische waarde bezitten, alsook de wettelijk beschermde monumenten.

Hiervoor is zoveel mogelijk uitputtend geïnventariseerd wat er aan cultuurhistorie bekend is. De cultuurhistorische beleidskaart is afgeleid van de cultuurhistorische waardenkaart, en geeft de ruimtelijke grondslag voor het beleid op het gebied van cultuurhistorie en monumenten. De cultuurhistorische beleidskaart geeft aan welke gebieden in een bestemmingsplan de (dubbel)bestemming cultuurhistorie (zouden) moeten krijgen. Deze gebieden zijn onderscheiden in objecten en gebieden, waar een op onderdelen verschillend beleid kan worden gehanteerd. Navolgend is de Interactieve erfgoedkaart van gemeente Oirschot weergegeven.

30/107

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Oirschot (ODZOB) Beoordeling Uit raadpleging van de erfgoedkaart en cultuurhistorische beleidskaart blijkt dat binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Wel is het plangebied gelegen binnen de molenbiotoop van Bergmolen Himbergen, er gelden geen beperkingen op basis van deze molen. Het naastgelegen akkercomplex kent een hoge historische waarde, het betreft een provinciaal cultuurhistorisch vlak met aardkundige waarden en historisch groen. De beoogde ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden.

4.2

Water

Beleid en toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke projecten en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk project en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. De locatie ligt in het beheergebied van waterschap De Dommel. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

31/107

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: y Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: y Nationaal Waterplan (NW) y Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) y Waterwet Provinciaal y Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) Provinciaal beleid Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) Op 3 december 2021 heeft Provinciale Staten het nieuwe Regionaal Water en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord­Brabant vastgesteld, dat vervolgens op 22 december 2021 in werking is getreden voor de komende 6 jaar. Hiermee anticipeert de provincie Noord­Brabant Rijksoverheid op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Veilig, schoon en voldoende water en een gezonde bodem zijn de streefdoelen van het programma. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaatrobuust water­ en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord­Brabant. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu­ en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland.

En belangrijk uitgangspunt van het programma is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water­en bodemsysteem in 2050. Het RWP beschrijft de KRW­doelen, de vertaling naar de uitvoering, de randvoorwaarden voor de te behalen doelen en bijgaande onzekerheden en hoe daarmee omgegaan wordt. Dit alles met als doel om in 2027 te voldoen aan de normen van de Europese KRW waarbij de grondwatervoorraad weer in balans is en de hydrologische randvoorwaarden voor natuur op orde zijn. Ook wordt met het RWP voldaan aan de verplichtingen uit de Europese Richtlijn OverstromingsRisico's (ROR). Een rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking, ofwel abiotische en biotische systemen zoveel mogelijk intact laten. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weet de provincie Noord­Brabant dat het roer om moet. Er moet zuinig met water en bodem worden omgegaan, en het water­ en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Om dat te bereiken, beschrijft het plan verschillende ontwikkelingen die van invloed zijn op de opgaven voor water en bodem. Ook worden er 7 handelingsprincipes genoemd vanuit de kernwaarden van de Brabantse Omgevingsvisie.

De aanpak van het RWP is gericht op het optimaal gebruiken van de wettelijke kaders en instrumenten, het sluiten van kringlopen en benutten van de economische waarde, het verbinden met de samenleving, kennisontwikkeling en innovatie en data­gedreven werken.

32/107

Binnen de Waterwet, en de nieuwe Omgevingswet, vormt het RWP van de provincie Noord­Brabant, samen met het Nationaal Waterprogramma en de waterbeheerplannen van de waterschappen, het planstelsel voor het waterbeleid. Provincies leggen op regionaal niveau de strategische doelen vast. In de waterbeheerplannen van de waterschappen worden de voorwaarden voor uitvoering daarvan opgenomen. Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2022­2027 Het water­ en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord­Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water­ en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze­ en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen.

Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022­2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond­ en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: y Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt y Functies passen zich aan het bodem­ en watersysteem aan y Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden.

Juist de voor Midden­Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden­Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: y van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. y van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.

33/107

y

van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden­bergen­afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: y de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; y de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; y het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; y er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m² toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000 m² bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap. Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is opgenomen in de Keur.

In de Algemene Regels en in de Beleidsregels wordt nader beschreven en uitgewerkt waar dit voor staat en welke maatregelen er nodig zijn om daaraan te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvatting voor Hydrologisch neutraal bouwen opgenomen. Neerslag die op een onverharde bodem valt infiltreert voor een (belangrijk) deel in de bodem en komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in een oppervlaktewaterlichaam terecht. Ter plaatsen van verhard oppervlak zal de neerslag niet of nauwelijks in de bodem dringen. Als het verhard oppervlak niet is aangesloten op de riolering, stroomt vrijwel al het water direct af naar het oppervlaktewatersysteem. Dit betekent dat het oppervlaktewatersysteem bij een flinke regenbui een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen en dat infiltratie in de bodem niet of slechts beperkt kan plaatsvinden. Bij het afkoppelen van verhard oppervlak zal de neerslag die valt op de verharding niet meer worden afgevoerd naar de rioolwaterzuivering maar rechtstreeks op de ontvangende waterloop worden geloosd. Ook dit zorgt voor een

34/107

versnelde en/of extra afvoer richting het ontvangende oppervlaktewater. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet daarom zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. Dit houdt in dat de aanvrager/initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Hierbij wordt getoetst aan de trits “vasthouden­bergen­afvoeren”. Wateroverlast door versneld afvoeren van verhard oppervlak moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit kan op twee manieren waarbij de voorkeur uitgaat naar zoveel mogelijk vasthouden aan de bron. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. Dit past het meest bij het principe hydrologisch neutraal ontwikkelen, zowel voor het ontvangend oppervlaktewatersysteem als het grondwatersysteem. Ingeval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening die het water tijdelijk bergt noodzakelijk. Het gaat hier dan om een voorziening die er voor zorgt dat water in ieder geval niet versneld wordt afgevoerd. Beoordeling Ten behoeve van de watertoets is een rapport opgesteld. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 4, de conclusies zijn navolgend beknopt weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oirschot&id=15d0a561-1f3c-4a3e-88ad-034b4e31eb9c