CConstaterende datOirschot
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.7 Archeologisch onderzoek

Besluitvormende raadsvergadering 5 november 2024, gemeente OirschotBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Beerseweg 8'12.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transect rapport 4556 Oirschot, Beerseweg 8 Gemeente Oirschot (NB) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Auteur

J.P.M. de Wit

Versie

Versie 1.2

Projectcode

22120013

Datum

18-10-2023

Opdrachtgever

Van Dun Advies

Uitvoerder

Transect b.v.

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Veldonderzoek

T. Nales (Senior KNA Prospector) J.P.M. de Wit

Onderzoeksmelding

5335521100

Bevoegde overheid

Gemeente Oirschot

Adviseur bevoegde overheid

Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB)

Status

Nog te beoordelen

Beheer documentatie

Transect, Nieuwegein

Voorblad

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (21-02-2023)

Autorisatie Naam Drs T. Nales (Senior KNA Prospector)

Datum

Paraaf

18-10-2023

ISSN: 2211-7067

© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Samenvatting In opdracht van Van Dun Advies heeft Transect in februari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied (circa 2030 m2) aan de Beerseweg 8 in Oirschot (gemeente Oirschot). De aanleiding voor het onderzoek vormt een aanpassing van het bestemmingsplan om de realisatie van een woning, bijgebouw en schuur in het gebied mogelijk te maken. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen ligt. Bovenop het dekzand is in het plangebied al dan niet een oud bouwlanddek aanwezig dat een dikte van circa 30 tot 80 cm heeft. Doordat het plangebied in een overgangsgebied ligt van een mogelijk watervoerende dalvormige laagte naar een zone met dekzandwelvingen, vormde het gebied een aantrekkelijke bewoningslocatie sinds het Laat-Paleolithicum.

Vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum concentreerden zich voornamelijk op dergelijke overgangszones in de nabijheid van open water, vanwaar voor deze periodes een hoge archeologische verwachting geldt. De eerste landbouwnederzettingen uit het Neolithicum vormden zich op de hogere, droge delen van het landschap, waarop landbouw plaats kon vinden. Aangezien het plangebied in dergelijke zone ligt geldt ook voor de periodes Neolithicum-Vroege Middeleeuwen een hoge archeologische verwachting. Op basis van historische kaarten en de gemeentelijke beleidskaart worden in het plangebied resten van bewoning vanaf de Late Middeleeuwen verwacht. Het gehucht Dun, waarin het plangebied gelegen kent zijn oorsprong in de 14 e eeuw. Aan de hand het kadastrale Minuutplan blijkt dat in het plangebied in het begin van de 19 e eeuw reeds bebouwing aanwezig was. De aanwezigheid van bebouwing van vóór het begin van de 19e eeuw kan echter niet worden uitgesloten. Er geldt daarom ook een hoge verwachting op resten uit de periode Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd. Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat het bodemprofiel in het plangebied uit fluvioeolische afzettingen onder een humeuze toplaag bestaat. De top van de fluvioeolische afzettingen is opgenomen in de bovenliggende humeuze toplaag, hetgeen viel af te leiden uit de zandbrokken en kiezels, die in de laag aanwezig waren.

Er kan worden aangenomen dat de top van de fluvioeolische afzettingen derhalve (ondiep) is verstoord. In het plangebied is ter plaatse van de te verwachtte historische bebouwing waarschijnlijk een moderne verstoring in de vorm van een mestput aanwezig. Er zijn echter geen kaarten of foto’s van de aanleg van deze put aangetroffen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek is de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek op vindplaatsen uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd bevestigd. De archeologische verwachting op resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum is bij te stellen naar laag. Eventuele aanwezige waarden zullen, omdat de top van de fluvioeolische afzettingen is vergraven, verstoord zijn. In het plangebied worden nog wel (diepere) grondsporen en resten verwacht uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen. Voor de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd worden in het plangebied naast voorgangers van de bestaande bebouwing ook resten en grondsporen verwacht van erf-gerelateerde resten zoals bijgebouwen, waterputten, (afval)kuilen, etc. Deze worden direct vanaf de moderne bouwvoor in het plangebied verwacht. Omdat niet duidelijk is in hoeverre in het plangebied een mestkelder aanwezig is, blijft ook een hoge verwachting op intacte funderingsresten van de historische bebouwing uit 1811 gehandhaafd.

Advies In het plangebied is op basis van het onderzoek een hoge verwachting op archeologische resten uit de periodes Neolithicum-Nieuwe Tijd vastgesteld. In de ondergrond worden huisplattegronden, funderingsresten en voornamelijk erf-gerelateerde resten verwacht in relatie tot het gehucht Dun. Het archeologische niveau wordt aangetroffen vanaf een diepte van 65-110 cm -Mv (15,0-14,7 m +NAP). Archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen vanaf een diepte van 25-60 cm -Mv (15,8-15,2 m +NAP) aangetroffen worden. In het kader van de bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van een nieuwbouwwoning in het plangebied adviseren wij in het toekomstige bestemmingsplan de bestaande hoge verwachting te blijven hanteren. Aangezien nog onduidelijk is waar de toekomstige bebouwing gerealiseerd zal worden en tot welke diepte bodemingrepen daarmee gepaard gaan, adviseren wij in het plangebied een proefsleuvenonderzoek te laten plaatsvinden (BRL4000, KNA Protocol 4003: IVO-P). Archeologische vindplaatsen kunnen namelijk vanaf 25 cm -Mv (15,8 m +NAP) aangetroffen worden. Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan vervolgens bepaald worden of de ondergrondse sloop van de bestaande gebouwen in het plangebied onder archeologische begeleiding plaats moet vinden (BRL4000, KNA Protocol 4003: IVO-P, variant archeologische begeleiding).

Voor een dergelijk gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) nodig dat op voorhand van de werkzaamheden door de bevoegde overheid (gemeente Oirschot) goedgekeurd moet zijn. Bij de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing voorzien wij geen nieuwe bodemverstoringen. De bovengrondse sloop tot op het vloeroppervlak kan daarom zonder archeologisch vervolgonderzoek plaatsvinden. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Oirschot) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

Selectieadvies Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (d.d. 07-06-2023) Gezien de hoge archeologische verwachting voor het hele plangebied in relatie tot de geplande ontwikkeling, is hier een karterend en waarderend archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (conform protocol Proefsleuven KNA 4.1 en de richtlijnen van de gemeente Oirschot) noodzakelijk. Dit dient plaats te vinden voordat de aanwezige gebouwen vanaf maaiveld gesloopt gaan worden. Doel van dit vervolgonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting die gebaseerd is op het reeds uitgevoerde bureau- en booronderzoek. Dit vervolgonderzoek dient plaats te vinden overal waar in het plangebied bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld (hierbij is een buffer aangehouden van 30 cm boven het hoogste verwachte archeologische niveau) gepland zijn of mogelijk worden gemaakt door middel van het nieuwe bestemmingsplan, zoals sloopwerkzaamheden, aanleg kabels/leidingen, vergunningvrij mogelijkheden en aanplant groen of waterberging.

Wij adviseren dit proefsleuvenonderzoek uit te voeren voor vaststelling van het bestemmingsplan zodat, conform artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 38a van de Monumentenwet (opgenomen in de Erfgoedwet 2016), de onderzoeksresultaten verwerkt kunnen worden in het plan, bijvoorbeeld door bestemmingen te kiezen die goed samengaan met de archeologische waarden. Daarbij ligt het voor de hand om conform de doelstelling van het Verdrag van Malta te streven naar het behoud van archeologische waarden in situ. Is behoud in situ niet mogelijk, dan dienen er

voorwaarden te worden gesteld voor een zo zorgvuldig mogelijke omgang met de archeologische waarden. Het proefsleuvenonderzoek dient plaats te vinden aan de hand van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) en uitgevoerd te worden door een archeologisch bedrijf gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologische opgravingen. In dit Programma van Eisen (PvE) staan het onderzoeksgebied, het doel, de vraagstelling en de uitvoeringswijze van het archeologisch veldonderzoek en specialistisch onderzoek verwoord, alsook de randvoorwaarden van het onderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit inventariserende vooronderzoek(en) beslist de gemeente of de archeologische waarden in voldoende mate zijn vastgesteld. De kosten die samenhangen met het toezicht en de handhaving (waaronder beoordeling PvE en rapport) op het archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de aanvrager. Indien hierbij archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze veilig gesteld te worden door mogelijke planaanpassing en als dat niet mogelijk door het opgraven van de aanwezige archeologische resten. Het besluit hierover ligt bij de gemeente.

Inhoud 1.

Aanleiding

1

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

2

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

3

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

5

5.

Beleidskader

6

6.

Landschap, geomorfologie en bodem

7

7.

Beschrijving bekende archeologische kenmerken

10

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

18

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

25

10. Resultaten veldonderzoek

28

11. Beantwoording onderzoeksvragen

31

12. Conclusie en Advies

32

13. Geraadpleegde bronnen

35

Bijlage 1: Plantekening

38

Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Oirschot

39

Bijlage 3: Cultuurhistorische waarden- en beleidskaart van de gemeente Oirschot

40

Bijlage 4: Geomorfologie

42

Bijlage 5: Geomorfologie

44

Bijlage 6: Hoogtekaart

45

Bijlage 7: Bodemkaart

47

Bijlage 8: Archeologische informatie

48

Bijlage 9: Boorpuntenkaart

49

Bijlage 10: Foto’s van boringen

50

Bijlage 11: Boorbeschrijvingen

51

1. Aanleiding In opdracht van Van Dun Advies heeft Transect1 in februari 2023 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Beerseweg 8 in Oirschot (gemeente Oirschot). De aanleiding voor het onderzoek vormt een aanpassing van het bestemmingsplan om de realisatie van een woning, bijgebouw en schuur in het gebied mogelijk te maken. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oirschot (bijlage 2) geldt in het zuidwesten van het plangebied (472 m2) een Waarde – Archeologie 4. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 500 m2 en dieper dan 50 cm -Mv reiken. In het noordoosten van het plangebied (1560 m2) geldt een Waarde – Archeologie 3. Bij deze aanduiding is een onderzoek verplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. In het plangebied zal daarom voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan een archeologisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (De Wit, 2023).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door

middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

1

2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologische en geomorfologische kaarten geraadpleegd. Ook is er navraag gedaan bij de heemkundekring De Heerlijkheid Oirschot (via algemeen contactformulier website, d.d. 15-2-2023).

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: • Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? •

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

•

In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?

•

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?

Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegde overheid een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1).

2

3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente

Oirschot

Plaats

Oirschot

Toponiem

Beerseweg 8

Kaartblad

51A

Centrumcoördinaat

148.589 / 389.430

Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied ligt aan de Beerseweg 8 in Oirschot (gemeente Oirschot). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien valt het plangebied binnen het perceel OST00 Sectie K nummer 508. De begrenzing wordt gevormd door de grenzen van het gebied waarover de bestemmingsplanwijziging wordt uitgevoerd. Dit gebied heeft een oppervlakte van circa 2030 m 2.

3

Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven, bron: www.pdok.nl).

4

4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader

Bestemmingsplanwijziging

Oppervlakte plangebied

2030 m2

Planvorming

Realisatie nieuwbouw woning en tweetal bijgebouwen

Omvang verstoringen

Circa 300 m2 sloop bijgebouwen Circa 750 m2 Nieuwbouw woning Circa 150 m2 Nieuwbouw Aanbouw Circa 87 m2 Nieuwbouw losstaand bijgebouw

Bodemverstorende werkzaamheden

Graafwerkzaamheden

Diepte verstoring

Onbekend (>50 cm)

Het voornemen bestaat om in het plangebied een nieuwbouwwoning (750 m 2) met aanbouw (150 m2) en separaat bijgebouw (87 m2) te realiseren. Het plangebied is in eigendom van een particulier en zal na de bestemmingsplanwijziging tevens in particulier bezit blijven. Voor de toekomstige bebouwing zal de bestaande aanbouw en schuren gesloopt moeten worden (circa 300 m 2). Een inrichtingstekening van de toekomstige situatie is weergegeven in bijlage 1. Om de herontwikkeling mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging nodig, aangezien de bestemming van het plangebied van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ gewijzigd dient te worden. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan dient een archeologisch rapport met de waardestelling van het gebied overlegd te worden. Bij de toekomstige ontwikkelingen zullen naar verwachting het bodemarchief en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden aangetast worden. Door de toekomstige ontwikkelingen worden geen negatieve gevolgen op het grondwaterpeil voorzien.

5

5. Beleidskader Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Oirschot (2021)

Onderzoeksgrens

250 m2 en dieper dan 30 cm –Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2024 in werking zal treden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oirschot (bijlage 2) geldt in het zuidwesten van het plangebied (472 m2) een Waarde – Archeologie 4. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen, die groter zijn dan 500 m2 en dieper dan 50 cm -Mv reiken. In het noordoosten van het plangebied (1560 m 2) geldt een Waarde – Archeologie 3. Deze waardes zijn gebaseerd op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van gemeente Oirschot (OZDOB, 2021).

Het noordoosten van het plangebied ligt op deze kaart in een gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern. Het zuidwesten ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting. In het kader van een bestemmingsplanwijzing dient op voorhand van het vaststellen van de wijziging een archeologisch rapport overlegd te worden (hoofdstuk 4). In het kader van een bestemmingsplanwijziging dient de aanvrager een rapport aan de gemeente te overleggen, waarin de archeologische waarde van het plangebied naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Afhankelijk van de uitkomsten van het archeologisch (voor-)onderzoek dat hiervoor nodig is, kunnen aan de ontwikkeling regels worden verbonden ter behoud van belangrijke archeologische waarden. Deze kunnen bestaan uit technische aanpassingen of een veiligstellende opgraving. Het archeologisch vooronderzoek kan hiertoe worden uitgebreid met een al dan niet gecombineerd karterend en waarderend onderzoek, zodat op basis van de KNAwaarderingssystematiek een waardestelling kan worden opgemaakt.

6

6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio

Zuid-Nederlands zandgebied

Geomorfologie

Dekzandwelvingen (kaartcode: 3L51)

Maaiveld

15,5-16,2 m +NAP

Bodem

Laarpodzolgronden (kaartcode: cHn21) en enkeerdgronden (kaartcode: zEZ23)

Grondwater

GWT-VI

Landschapsgenese Het plangebied ligt landschappelijk gezien in het Zuid-Nederlandse zandgebied en maakt deel uit van de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). De Centrale Slenk is een door tektonische bewegingen ontstane laagte, die zich tussen de Peelhorst (de lijn Roermond – Milheeze – Lith) en de Kempenhorst in bevindt (Gilze-Rijen – Oosterhout; Berendsen, 2005, de Mulder et al., 2003). Vanaf het midden van het Pleistoceen (circa 850000 jaar geleden) hielden de Rijn en de Maas op door de Slenk te stromen. Hierdoor werd het gebied niet langer opgevuld met sediment vanuit rivieren. Afzettingen die zich in deze periode vormden waren van meer terrestrische aard. Deze afzettingen vormden uiteindelijk een pakket met een dikte van circa 35 m (Berendsen, 2005; Schokker, 2003). Slechts de bovenste meters van dit pakket bestonden uit dekzand (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Dit dekzand is voornamelijk afgezet als het gevolg van een zeer koud klimaat tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien. In die periode konden sterke verstuivingen van zand optreden, met name tussen 50000 en 15000 jaar geleden (het Pleniglaciaal). Er was namelijk vanwege het barre klimaat toen geen vegetatie aanwezig die dergelijke verstuivingen kon voorkomen. Het zand verstoof dan met name vanuit de drooggevallen beddingen van beken en rivieren, maar ook vanuit het drooggelegen Noordzeebekken.

De afzetting van het dekzand in de Slenk vond plaats in verschillende fasen. In de periode waarin het dekzand werd afgezet kon verder in perioden van verminderde afvoer fijner sediment worden afgezet, of zelfs bodemvorming optreden (Schokker, 2003). Met name in de periode tussen 40000 en 30000 jaar geleden verminderde de verstuivingen in het gebied. Er was toen sprake van een kleine klimatologische opleving (het Hengelo-Denekamp interstadiaal). De Slenk vernatte, en in het vochtige gebied kwamen permafrost en ondiepe kleine meren voor (Schokker, 2003). De afgenomen mate van verstuiving en de vochtigheid van het gebied leidden er ook toe dat silt verstoof en werd ingevangen in de meren in het gebied. De silt-afzettingen vormden een circa 1,0 tot 2,0 m dikke leemlaag, die geologisch gezien tot het Liempde Laagpakket wordt gerekend (De Mulder et al., 2003). Ook kon in die periode lokaal veenvorming optreden en werd klei afgezet nabij kleine beeklopen die het landschap van de toenmalige Slenk doorsneden. Deze klei behoort geologisch gezien tot het Best Laagpakket (Formatie van Boxtel; De Mulder et al., 2003). Na het Hengelo-Denekamp Interstadiaal verslechterde het klimaat en trad verdroging op, waardoor de intensiteit van verstuivingen opnieuw toenam. In deze periode werd opnieuw een dikke laag dekzand afgezet.

Vooral in de laatste fasen van het Weichselien (tijdens de Vroege en Late Dryas), waren de verstuiving en afzetting van zand erg sterk. Verstuivingen leidden in die periode tot de vorming van enkele zeer grote dekzandruggen, die dwars door Noord-Brabant lopen. Deze grote ruggen liggen dwars op de Centrale Slenk (Berendsen, 2005). Ook op lokaal niveau hebben zich duinen, ruggen en welvingen gevormd. Deze kunnen soms zelfs wel één tot twee meter boven hun omgeving uitsteken. Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 10000 jaar geleden) trad een drastische klimaatsverbetering op. De gemiddelde jaartemperaturen stegen en het werd vochtiger. Hierdoor kon vegetatiegroei 7

toenemen en werden zandverstuiving aan banden gelegd. In de top van het dekzand kon zo bodemvorming (podzolering) optreden. Er ontstond toen geleidelijk aan een landschap met daarin dichtbegroeide zandruggen en –koppen, met daartussen relatief vochtige, laaggelegen delen, waar zich veen kon ontwikkelen (Berendsen, 2005). Dwars door dit landschap lag een sterk vertakt systeem van beken (waaronder de Grote Beerze), die zorgden voor de ontwatering van de Slenk. De Grote Beerze ligt op ongeveer 2,0 km ten westen van het plangebied. Door de dichte vegetatie trok bewoning in het Mesolithicum naar open plekken in het landschap, zoals de oevers van beekdalen. Bewoning concentreerde zich verder op de leemrijke zandgronden. De lemigheid maakte het gebied al vroeg in de prehistorie aantrekkelijk voor landbouw (en bewoning). Deze plekken waren namelijk relatief gezien het meest vruchtbaar en kenden de beste vochthuishouding. Omdat de gronden echter snel uitputten, werden boerderijen regelmatig verplaatst naar de directe omgeving ervan. Het resultaat is dat op diverse plekken in de prehistorie agrarische activiteit is geweest in de vorm van akkers (landgebruik) en nederzettingen. De migratie door het landschap wordt ook wel aangeduid als “zwervende erven” en is een kenmerkend archeologisch fenomeen in het Brabantse zandlandschap.

De afstand van de erfverplaatsing nam vanaf de Late IJzertijd af (Ball en Jansen, 2018). In de loop van de 13e eeuw werden de bewoonde gebieden vrijwel volledig ontgonnen. Hierdoor veranderden de gebieden in heidevelden, die pas relatief laat in cultuur werden gebracht. De ontwatering van de natte gebieden leidde ook tot een verdroging van hoger gelegen gronden. Daar traden in de middeleeuwen opnieuw verstuivingen op. Ook leidde de verdroging tot een aanpassing in de landbouwstrategie, waarbij door middel van plaggenbemesting en het aanbrengen van potstalmest en beerputafval de gronden vruchtbaar gehouden moesten worden (Van Doesburg et al., 2007; Berendsen, 2005). Geologie Volgens boring B51A0759 uit het Dinoloket van TNO (circa 25 m ten zuidwesten van het plangebied; 148530, 389400 (RD), bron: www.dinoloket.nl) bestaat de ondergrond in het plangebied uit een antropogene bouwlanddek (tot 0,8 m -Mv; 14,8 m +NAP) op dekzand van het Laagpakket van Wierden (als onderdeel van Formatie van Boxtel; tot 2,7 m -Mv; 12,9 m +NAP) op afzettingen van de Formatie van Boxtel (tot 4,0 m -Mv; 11,6 m +NAP). Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op dekzandwelvingen (kaartcode 3L51, bijlage 4, www.pdok.nl).

Circa 150 m ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een vlakte van verspoeld dekzand (kaartcode 2M51) die overgaat in een dalvormige laagte (kaartcode 22R23) op een afstand van circa 350 m ten zuidwesten van het plangebied. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Op basis van het AHN valt af te leiden dat het maaiveld in het plangebied op een hoogte van 15,5 tot 16,2 m +NAP ligt (bijlage 5, versie 4, www.ahn.nl). Het maaiveldniveau van het weiland rondom de bebouwing betreft een hoogte van circa 15,7 m +NAP. Rondom de bebouwing is een verhoging waar te nemen, waarbij het maaiveld op een hoogte van 16,0 tot 16,2 m +NAP ligt. In het midden van het plangebied is tevens een verhoging waar te nemen over een oppervlak van circa 170 m2. De top van deze verhoging ligt op een hoogte van 16,2 m +NAP.

8

Bodem en grondwatertrap Volgens de bodemkaart (bijlage 6, www.pdok.nl) zijn in het plangebied laarpodzolgronden (kaartcode cHn21; circa 1930 m2) en enkeerdgronden (kaartcode zEZ23; circa 100 m2) te verwachten. Laarpodzolen enkeerdgronden zijn gronden die over het algemeen op middelhoge zandgronden, ter plaatse van bouwlanden, gevormd zijn (Berendsen, 2005). Door het bemesten van de bouwlanden met potstalmest, vermengd met (heide)plaggen of plaggen uit de beekdalen, konden bouwlanddekken ontstaan. Afhankelijk van de dikte van dit bouwlanddek wordt de bodem enkeerdgronden of laarpodzolgronden genoemd. Enkeerdgronden kenmerken zich door een meer dan 50 cm dikke, donkere humeuze bovenlaag (De Bakker, 1966; De Bakker en Schelling, 1989). Laarpodzolgronden kenmerken zich door een humeuze bovenlaag van 30 tot 50 cm dikte (De Bakker, 1966). In het dekzand onder het plaggendek kunnen de oorspronkelijke in- en uitspoelingslagen (E- en Bhorizonten) en zelfs eventuele archeologische vindplaatsen nog grotendeels of volledig intact aanwezig zijn (Berendsen, 2008). Archeologisch gezien zijn enkeerd- en laarpodzolgronden bijzonder, doordat het aangebrachte humeuze dek het oude, begraven oppervlak van vóór de Late Middeleeuwen – en daarmee het archeologisch relevante niveau – heeft behoed voor tal van verstoringen (van Doesburg et al., 2007).

De grondwatertrap in het plangebied is VI (op de bodemkaart). Dit houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen 40 en 80 cm -Mv voorkomt. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) komt daarentegen beneden 120 cm -Mv te liggen. De wisselingen in grondwaterstanden leiden ertoe dat organische resten, zoals bot- of plantenmateriaal, ondieper dan 120 cm -Mv worden aangetast als gevolg van oxidatie. Er kunnen wel anorganische resten, zoals vuursteen en aardewerk, of verbrande organische resten worden aangetroffen. Dieper dan 120 cm -Mv kunnen theoretisch gezien wel organische resten worden aangetroffen.

9

7. Beschrijving bekende archeologische kenmerken Wettelijk beschermd monument

Nee

AMK terrein

Nee

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog (historische kern), Hoog

Archeologische waarden en/of informatie

Nee

Wettelijk beschermde status Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Archeologische Monumentenkaart (AMK) Het plangebied is niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Archeologische verwachting Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Oirschot (bijlage 2; OZDOB, 2021) heeft het noordoosten van het plangebied een hoge archeologische verwachting vanwege de ligging in een historische kern. Het zuidwesten van het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van een esdek (bouwlanddek) op dekzandwelvingen. Bekende archeologische waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied is wel informatie bekend (bijlage 7). In tabel 1 is een overzicht gegeven van de verschillende onderzoeken in de omgeving van het plangebied, in tabel 2 zijn de verschillende vondstmeldingen weergegeven. Informatie uit overige bronnen De heemkundekring De Heerlijkheid Oirschot heeft aangegeven niet over aanvullende informatie te beschikken.

Archeologisch gezien valt uit de resultaten van de reeds uitgevoerde onderzoeken in de omgeving van het plangebied af te leiden dat, vanwege de ligging op dekzandwelvingen met bovenliggend bouwlanddek, de plangebieden veelal een hoge archeologische verwachting toegekend krijgen. Het archeologische niveau bevindt zich hierbij in de top van het dekzand. Uit archeologische onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied blijkt dat in het dekzand nauwelijks intacte podzolprofielen aanwezig zijn. Het intensieve gebruik van de gebieden als akkerland wordt veelal gebruikt als veroorzaker van deze verstoringen. In het onderzoek direct ten oosten van het plangebied zijn in de ondergrond paalkuilen, greppels en muurrestanten aangetroffen. Deze dateren uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. De greppels en paalkuilen lijken veelal opgevuld te zijn met baksteenpuin vanaf de 12e eeuw. Uit het proefsleuvenonderzoek ter plaatse van bedrijventerrein de Scheper, zijn veelal greppels, karrensporen en een restant van een onverharde weg aangetroffen. Deze sporen dateren uit de Nieuwe Tijd. Tot dusver is in de directe omgeving van het plangebied geen aanleiding voor het verwachten van een vindplaats uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen aangetroffen. De nadruk zal daarom voornamelijk liggen op resten en sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.

10

Tabel 1: Overzicht van de archeologische onderzoeken rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

2409120100

De Scheper

Afstandwindrichting 130 m ten oosten

Type onderzoek

Bevindingen

Bron

Bureau- en booronderzoek

In het kader van geplande herontwikkeling van een bedrijventerrein aan de Beerschotseweg in Oirschot is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied ligt op de helling van een dekzandrug. Op het dekzand is het mogelijk om archeologische resten aan te treffen vanaf het Laat Paleolithicum. Over het dekzand is vanaf de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd een dik humeus pakket aangebracht. Sporen worden verwacht op de overgang van het dekzand naar het humeuze dek. Archeologische resten kunnen omgewerkt zijn in de humeuze bovenlaag. Resten die worden verwacht hebben met name betrekking op resten van bewoning, zoals huisplattegronden. Resten vanaf het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum zullen voornamelijk bestaan uit fragmenten vuursteen en houtskool. Vanaf het Neolithicum is het mogelijk aardewerk aan te treffen. Aardewerk uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd kan in het plangebied aanwezig zijn door het verwerken van het huisafval op de akkers met bemesten. Dergelijke resten wijzen daarom niet per definitie op een vindplaats. De verwachting voor resten vanaf de Late Middeleeuwen is laag omdat het plangebied een agrarisch gebied was. Uit het booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijke podzolbodem in slechts drie boringen is aangetroffen. In de overige boringen is deze niet meer intact aanwezig.

In het plangebied is daardoor een bouwvoor aanwezig van 30 tot 50 cm en een ACbodemprofiel met een scherpe overgang tussen de bouwvoor en de C-horizont. In drie gebieden binnen het plangebied is de bodem, waarschijnlijk recent, diep verstoord. De verstoringen reiken tot een diepte van 0,6 tot 2,2 m –mv. uit de vele opgravingen in de

Koekkelkoren en Moerman (2013)

11

2466007100

De Scheper

174 m ten oosten

Proefsleuven

2241126100

’t Laar

420 m ten noorden

Bureau- en karterend booronderzoek

omgeving is bekend dat door het ploegen niet alle sporen en resten verstoord zullen zijn. In het huidige plangebied kunnen dus op direct onder de bouwvoor, op een diepte van 30 tot 50 cm –mv, archeologische resten voorkomen uit de periode Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. In de drie gebieden binnen het plangebied waar de verstoringen veel dieper reiken dan 50 cm geldt deze verwachting niet meer. In deze gebieden is het nagenoeg uitgesloten dat nog onverstoorde archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Er is geadviseerd ter plaatse van de onverstoorde delen van het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. Op basis van het verkennende booronderzoek (2409120100) is in het plangebied ‘de scheper’ een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. In totaal zijn in het plangebied (circa 5 ha) 26 proefsleuven van 4 bij 25 m gezet. In deze putten zijn veelal vondsten en sporen aangetroffen die verband houden met landinrichting (perceelsbegrenzing, greppels en een onverharde weg) uit de Nieuwe Tijd. Vanwege de lage zeldzaamheid van dergelijke sporen in het brabantse dekzandlandschap en de lage informatiewaarde is de vindplaats als laag gewaardeerd en behoeft deze niet opgegraven te worden. Het plangebied is na het proefsleuvenonderzoek qua archeologie vrijgegeven.

In het kader van geplande woningbouw in het plangebied (circa 1400 m2) heeft een archeologisch bureau- en karterend booronderzoek plaatsgevonden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied over het algemeen een hoge archeologische verwachting heeft. Op basis van de landschappelijke ligging, de bewoningsgeschiedenis van de regio en de ouderdom van de afzettingen geldt voor het plangebied een specifiek hoge verwachting voor de steentijden tot en met de midden-Romeinse periode, en een middelhoge verwachting voor de volle middeleeuwen en de nieuwe tijd. Voor de laat-Romeinse periode

Gazenbeek (2015)

De Ruiter en Krekelbergh (2010)

12

en de vroege middeleeuwen was de verwachting laag. Uit het karterend booronderzoek blijkt dat in het plangebied is sprake van een humeus dek met een dikte van 35 tot 55 cm. De bodem in het plangebied valt dan ook deels te typeren als een hoge zwarte enkeerdgrond (humeus dek > 50 cm) en deels als een laarpodzolgrond (humeus dek < 50 cm). Er is géén oud esdek aangetroffen waarin meerdere fasen konden worden waargenomen. Onder het humeuze dek was de bodem in de meeste boringen afgetopt tot op de C-horizont. In één boring is nog een BC-horizont aanwezig. Aan de onderkant van het humeuze dek bevonden zich de vlekkerige restanten van het oorspronkelijke podzolprofiel, die bij de ontginning in het humeuze dek zijn opgenomen. Dergelijke menglaag is vooral typerend voor recentere ontginningen uit de nieuwe tijd, toen de meer marginaal gelegen gronden in gebruik werden genomen en de podzolhorizont werd doorspit ten behoeve van grondverbetering (Doesburg et al., 2007). Eén boring is dieper verstoord tot in de C- horizont.

Gezien het feit dat het hierbij ook om een relatief recente ontginning gaat (laarpodzolgrond, vlekkerige menglaag aan de onderkant van het humeus dek) en dus niet om een oud esdek dat gevormd is op een locatie die van oudsher interessant was voor bewoning en steeds een conserverende werking heeft gehad op de onderliggende archeologie, kan de hoge archeologische verwachting voor bronstijd tot en met de midden-Romeinse tijd en de middelhoge verwachting voor de late middeleeuwen/nieuwe tijd voor het plangebied worden bijgesteld naar laag. Het plangebied is immers waarschijnlijk een late ontginning en dus pas laat in gebruik genomen. De specifieke hoge verwachting voor steentijden komt hierbij ook te vervallen, mede wegens de afwezigheid van een grotendeels intact podzolprofiel. Het vondstniveau waarop artefacten uit de steentijden kunnen worden verwacht is hierdoor

13

5109701100

Beerseweg 6

88 m ten noordoosten

Bureau- en booronderzoek

verdwenen. Op basis van deze resultaten is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren. In het kader van een bestemmingsplanwijziging om de nieuwbouw van twee woningen met bijgebouwen mogelijk te maken is in het plangebied (circa 1 ha) een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aan het zuidwestelijke deel van het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Nieuwe Tijd Laat (vanaf 1850-1900) en een lage verwachting voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd Midden. Aan het noordoostelijke deel van het plangebied (overgrote deel) is een lage verwachting toegekend voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd.

U Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem is verdwenen maar dat het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont nog intact aanwezig is. In meerdere boringen is Brabantse Leem aangetroffen, die gezien de dikte van het humeuze zanddek (al dan niet een esdek), van oorsprong vrij ondiep aanwezig is, wat erop duidt dat het plangebied vrij drassig moet zijn geweest en minder geschikt was voor bewoning. Pas nadat het humeuze dek was opgebracht, waarschijnlijk pas vanaf de Nieuwe Tijd, was de grond geschikt voor landbouw en om er op te wonen. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum

Schorn (2021)

14

4038971100

Beerseweg 9

100 m ten oosten

Proefsleuven

tot en met het Neolithicum en de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de hoge verwachting voor het zuidwestelijke deel van het plangebied om bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Nieuwe Tijd Laat (vanaf 1850-1900) en de lage verwachting voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd Midden bij te stellen. Dit geldt ook voor de lage verwachting voor noordoostelijke deel van het plangebied (overgrote deel) voor bebouwingsresten en bijbehorende sporen uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd. Er is geadviseerd in het zuidwesten van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. Dit onderzoek is tijdens het opstellen van dit rapport nog niet uitgevoerd. Op basis van het verkennend booronderzoek (2420436100) is in het plangebied aan de Beerseweg 9 in Oirschot een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het archeologische onderzoek heeft de aanwezigheid van archeologische resten uit de 19e en (vroege) 20e eeuw aangetoond. Deze resten zijn te koppelen aan historische kaartbeelden van de bewoning in het gebied.

In de sleuven zijn resten van bebouwing aangetroffen die dezelfde oriëntatie hebben als op het kaartmateriaal. Er kan dus vanuit gegaan worden dat men hier te maken heeft met de resten van bebouwing op een historisch boerderijerf. Wegens het ontbreken van sporen en met name vondstmateriaal uit oudere tijdsperioden is niet met zekerheid te zeggen of het hierbij om de boerderij Ten Dunne gaat, of een opvolger hiervan. Het aangetroffen vondstmateriaal komt namelijk allemaal uit de 19e eeuw of jonger. Er is geen ouder archeologisch materiaal aangetroffen. Op basis van

Van den Berghe (2018)

15

2420436100

Beerseweg 9

100 m ten oosten

Bureau- en booronderzoek

de resultaten is geadviseerd geen nader vervolgonderzoek uit te voeren. De bevoegde overheid heeft echter besloten dat bij de verdere werkzaamheden in het plangebied een archeologische begeleiding uitgevoerd moet worden. Het is onbekend of deze begeleiding als heeft plaatsgevonden. In het kader van de herinrichting van een bedrijventerrein heeft in een plangebied (circa 1.3 ha) een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek is een middelhoge verwachting op waarden uit de perioden LaatPaleolithicum-Vroege Middeleeuwen vastgesteld. De verwachtte waarden bestaan uit bewoningsporen, tijdelijke kampementen: vuursteen artefacten, haardkuilen en nederzettingsresten: cultuurlaag, fragmenten aardewerk, natuursteen en gebruiksvoorwerpen. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de top van de podzolbodem niet meer intact in het plangebied aanwezig is. De bodemopbouw bestaat uit een bouwlanddek op dekzand, waar in de top van de bodem geen podzolprofiel meer aanwezig is. Derhalve is archeologische verwachting op resten uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum naar laag bijgesteld. Resten vanaf het Neolithicum kunnen nog wel in het plangebied aangetroffen worden. In de boringen zijn echter geen aanleidingen waargenomen die duiden op de aanwezigheid van een vindplaats uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen.

De hoge verwachting op Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd blijft behouden. Een vindplaats uit deze periode wordt op basis van historisch kaartermateriaal in het centrum van het plangebied verwacht. Er is geadviseerd een proefsleuvenonderzoek in het plangebied uit te voeren.

Kremer (2014)

16

Tabel 2: Overzicht van de vondstmeldingen rondom het plangebied (<500 m).

Zaak-ID

Toponiem

Afstandwindrichting

Datering

Type onderzoek

Omschrijving vondstmelding

4038971100

Beerseweg 9

102 m ten oosten

Nieuwe tijd

Proefsleuven

Baksteenfragmenten en Industrieel wit. De bakstenen betreffen funderingsresten van 19e-20e eeuwse bebouwing.

17

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historisch gebruik

Huis, schuur, erf en tuin

Huidig gebruik

Tuin, erf

Historische bebouwing aanwezig

Nee, wel direct grenzend aan het plangebied

Bebouwing van cultuurhistorische waarde

Nee, wel direct grenzend aan het plangebied

Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied ligt ten zuidwesten van Oirschot en ligt aan de rand van een klein gehucht dat zijn oorsprong kent van vóór 1830. Het gehucht betreft een relatief jong gehucht dat zijn oorsprong aan het eind van de Middeleeuwen kent. Het betreft het gehucht Dun dat voor het eerst in 1392 als boerderij ‘Ten Dunne’ vermeld wordt (Sanders, 1994; Leenders, 1996; www.canonvanoirschot.nl). Mogelijk is de hoeve door splitsing of door het bijbouwen van jongere hoeven de kern van een klein gehuchtje geworden.

Op de oudst geraadpleegde kaart, de kadastrale minuutplan uit 1811-1832, is te zien dat centraal in het plangebied een woning aanwezig is. Deze woning heeft een oppervlakte van circa 250 m2. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als erf en tuin. Direct om het plangebied heen in de grond voornamelijk in gebruik als bouwland. Op een topografische kaart uit 1850 bevindt zich in het noordoosten van het plangebied een tweetal gebouwen. Het is op basis van deze kaart niet te zeggen of dit hetzelfde gebouw en schuur uit 1811 betreft, of jongere bebouwing betreft. Deze bebouwing blijft tot de bouw van de bestaande langgevelboerderij direct ten noordoosten van het plangebied aanwezig. De langgevelboerderij is volgens het kadaster gebouwd in 1893 (bagviewer.kadaster.nl). Hiertoe zullen de twee voorgaande gebouwen gesloopt zijn. Het gehele plangebied is in deze periode in gebruik als erf, tuin en weiland. Op de kaart uit 1955 is de bestaande uitbouw aan de langgevelboerderij in het plangebied zichtbaar. Ten zuidwesten van deze uitbouw bevindt zich tevens een schuurtje. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als erf. Op de kaart uit 1975 is het schuurtje ten zuidwesten van de uitbouw in het noorden van het plangebied gesloopt en is in het zuiden van het plangebied een schuur zichtbaar. Deze schuur is hedendaags nog in het plangebied aanwezig.

Ook staat de schuur direct ten zuidwesten van het plangebied gekarteerd. Deze schuur is hedendaags nog aanwezig. De historische ontwikkeling van het plangebied op topografische kaarten is weergegeven in figuur 2 – 9. Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME; www.ikme.nl) worden binnen het plangebied geen vondsten en/of sporen verwacht die te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog. De VEO Bommenkaart geeft tevens geen indicatie dat vooronderzoek en/of opsporing van explosieven heeft plaatsgevonden in het plangebied (www.explosievenopsporing.nl). Op basis van de Kaart van Verdedigingswerken in Nederland worden binnen het plangebied ook geen militaire waarden uit overige periodes verwacht (www.landschapinnederland.nl /militaire-landschapskaart).

18

Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is ten tijde van het onderzoek deels bebouwd. De aanwezige betreffen de uitbouw aan de historische langgevelboerderij (circa 105 m2), een bijgebouw (circa 151 m2) en een gedeelte van de bestaande schuur ten zuidwesten van het plangebied (circa 80 m2). Het overige deel van het plangebied is begroeid met gras of is verhard. In het plangebied heeft tot zover bekend geen sanering plaatsgevonden (omgevingsrapportage.noord-brabant.nl). Bouwtekeningen van de bestaande uitbouw en schuren zijn niet vrijblijvend te verkrijgen in het gemeente archief van Oirschot (www.oirschot.nl/bouwplannen-en-bouwtekeningen-bekijken). Ook beschikt de opdrachtgever niet over bouwdossiers of bouwtekeningen van de bestaande bebouwing. Het plangebied staat verder niet op de provinciale ontgrondingenkaart aangeduid (Noord-Brabant, 2005). Op basis van de historische kaarten blijkt wel dat in ieder geval éénmaal de voormalige bebouwing in het plangebied (te zien op het kadastrale minuutplan 1811) gesloopt, dan wel gesaneerd moet zijn. Eventuele ondergrondse resten van deze bebouwing zouden nog centraal in het plangebied aanwezig kunnen zijn (figuur 10).

19

Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1850 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

20

Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1890 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

21

Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

22

Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.

Figuur 9: Uitsnede van een luchtfoto uit 2021. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

23

Figuur 10: Uitsnede van een luchtfoto uit 2021 met in paars de locatie van voormalige bebouwing uit 1811. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).

24

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied in een gebied met dekzandwelvingen ligt. Bovenop het dekzand is in het plangebied al dan niet een oud bouwlanddek aanwezig dat een dikte van circa 30 tot 80 cm heeft. Doordat het plangebied in een overgangsgebied ligt van een mogelijk watervoerende dalvormige laagte naar een zone met dekzandwelvingen, vormde het gebied een aantrekkelijke bewoningslocatie sinds het Laat-Paleolithicum. Vindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum concentreerden zich voornamelijk op dergelijke overgangszones in de nabijheid van open water, vanwaar voor deze periodes een hoge archeologische verwachting geldt. De eerste landbouwnederzettingen uit het Neolithicum vormden zich op de hogere, droge delen van het landschap, waarop landbouw plaats kon vinden. Aangezien het plangebied in dergelijke zone ligt geldt ook voor de periodes Neolithicum-Vroege Middeleeuwen een hoge archeologische verwachting. Op basis van historische kaarten en de gemeentelijke beleidskaart worden in het plangebied resten van bewoning vanaf de Late Middeleeuwen verwacht. Het gehucht Dun, waarin het plangebied gelegen kent zijn oorsprong in de 14e eeuw. Aan de hand het kadastrale Minuutplan blijkt dat in het plangebied in het begin van de 19 e eeuw reeds bebouwing aanwezig was.

De aanwezigheid van bebouwing van vóór het begin van de 19e eeuw kan echter niet worden uitgesloten. Er geldt daarom ook een hoge verwachting op resten uit de periode Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd. Stratigrafische positie Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen bevinden zich in de top van het dekzand. Deze top wordt in het plangebied op een diepte vanaf 30 tot circa 80 cm -Mv. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen direct vanaf het maaiveld aangetroffen worden. Complextypen In het plangebied kunnen nederzettingssporen worden aangetroffen in de vorm van jachtkampementen (Laat-Paleolithicum-Mesolithicum) en erven (Neolithicum-Nieuwe Tijd). Jachtkampementen kenmerken zich door een dichte vondstenconcentratie van onder andere fragmenten bewerkt vuursteen, hetgeen met name afhankelijk is van de langdurigheid en/of intensiteit van eventuele bewoning op die plek. De omvang ervan kan variëren tussen circa 100 en 1000 m2. De aanwezigheid hiervan is in eerste instantie afhankelijk van de intactheid van de top van het dekzand in het gebied. Uit de latere perioden bestaat de kans op het voorkomen van erven, bestaande uit een boerderij, bijgebouwen en waterputten.

Deze terreinen kunnen zich kenmerken door een aaneengesloten archeologische laag, die op grond van kleur verschilt van de oorspronkelijk aanwezige lagen of een dichte vondstenconcentratie. Kortstondige bewoning, sporen van landgebruik en grafvelden zullen zich namelijk juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Ook kunnen funderingen van baksteen gevonden worden van de oude, historische bebouwing in het plangebied. De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 3. Prospectiekenmerken, zoekstrategie en advies Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten worden in het plangebied resten van nederzettingsterreinen verwacht. Deze nederzettingsterreinen kenmerken zich door een dichte

25

concentratie van vondsten, alsook door een aaneengesloten archeologische laag en grondsporen. Tevens kunnen bakstenen funderingen van de historische bebouwing aangetroffen worden. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden voornamelijk grondsporen in de vorm van perceelsbegrenzingen, greppels en een onverharde weg aangetroffen. Om de verwachting op archeologische resten uit de periodes vanaf het Laat-Paleolithicum te kunnen toetsten, dient de lithologische opbouw van de ondergrond en de mate van intactheid van de bodem te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 10.

26

Tabel 3: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.

1

Archeologische verwachting Datering

2

Complextype

3 4 5

Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 7

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

8

Reden Hoog Laat-Paleolithicum-Mesolithicum Resten bevinden zich in de top van het dekzand dat vanwege de relatief hoge ligging gunstig voor bewoning was. Hoog Neolithicum-Vroege Resten bevinden zich in de top van het dekzand. Middeleeuwen Vanwege de hogere ligging in het landschap vormde het een gunstige locatie voor landbouw. Hoog Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Het plangebied bevindt zich in de historische kern van het gehucht ‘Dun’. Op basis van historische kaarten blijkt in het plangebied reeds sinds 1811 bebouwing aanwezig te zijn. Bebouwing van vóór 1811 valt daardoor niet uit te sluiten. Nederzettingen (jachtkamp), huisplaatsen, erfgerelateerde resten, sporen van landgebruik en terreininrichting, 100-1000 m2 (omvang jachtkamp); 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Top van het dekzand (50-80 cm -Mv); vanaf maaiveld + De kans is aannemelijk dat door het aangebrachte bouwlanddek archeologische resten en sporen goed geconserveerd zijn gebleven. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondstconcentraties, cultuurlagen, funderingsresten of grondsporen. Er zijn geen verstoringen bekend.

27

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Om in het plangebied de sanering van de bestaande gebouwen en de realisatie van een nieuwbouwwoning met bijgebouwen mogelijk te maken is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform protocol 4003 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 4.1 (KNA 4.1). De boringen zijn daarbij gebruikt om zowel de mate van intactheid van de bodem als de bodemopbouw zelf te bepalen. In totaal zijn in het plangebied zes boringen gezet (boring 1-6). De boringen hebben een diepte tot maximaal 150 cm –Mv en zijn doorgezet tot minimaal 30 cm in het pleistocene substraat (dekzand), waarbij de archeologisch relevante niveaus zijn aangeboord. De boringen zijn gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn gefotografeerd en vervolgens beschreven conform de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 10. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet, op de onverharde terreindelen binnen het gebied. Circa 320 m2 van het plangebied is bebouwd en circa 600 m2 is verhard door middel van klinkers, tegels of een grindlaag.

De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 9. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl). Boring 1 is na drie pogingen circa 2 m ten noorden van de geplande locatie verplaatst. Ter plaatse van de geplande locatie (verwachte ligging van de historische bebouwing), bleek een moderne mestkelder ingegraven te zijn (bron: opdrachtgever). Veldwaarnemingen Ten tijde van het veldonderzoek stonden in het plangebied twee schuren en een aanbouw van de langgevelboerderij. Langs de noordoostgrens van het plangebied en rondom de aanwezige schuren was verharding aanwezig. Het centrale deel van het plangebied vertoonde een onregelmatig reliëf met kuilen en ophogingen waarin en -op bouwpuin lag. In het zuidwesten van het plangebied was een ophoging in het maaiveld aanwezig, waarbij de top bestraat was. Hierop was een bult zand en bouwpuin gestort. Het overige deel van het plangebied was verwilderd en begroeid met onkruid en gras. Aan de hand van visuele inspectie valt te achterhalen dat de schuur in het zuidoosten van het plangebied gefundeerd staat op houten palen. Deze palen steken circa 60 tot 80 cm de ondergrond in. De vloer bestaat uit gegoten beton en heeft een dikte van circa 20-30 cm.

De schuur in de zuidwesthoek van het plangebied is gefundeerd op metalen palen die circa 70 cm de ondergrond insteken. Hiertoe is een cilindervormige kuil van circa 50-60 cm doorsnee gegraven, waarna deze is volgestort met puin en beton (zie figuur 11). De vloer bestaat tevens uit gegoten beton van circa 30 cm dikte. Foto’s van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek zijn weergegeven in figuur 12.

28

Figuur 12: Links: Foto van één van funderingspalen van de schuur in het zuidwesthoek van het plangebied. Rechts: Foto van de binnenzijde van de schuur in het zuidoosten van het plangebied. Op de foto is de betonvloer en zijn de houten funderingspalen zichtbaar.

Figuur 11: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (21-02-2023).

Bodemopbouw en lithologie Het bodemprofiel in het plangebied bestaat aan de basis uit zwak siltig, zwak grindig, zeer tot matig fijn zand. Dit zand heeft een lichtbruine tot geelbruine kleur en bevat enkele roestvlekken. De top van het zand ligt op een diepte van 65-110 cm -Mv (15,0-14,7 m +NAP). Vanwege het voorkomen van grind in de zandlaag is het zand geïnterpreteerd als fluvio-eolische afzettingen. Hierop ligt een laag zwak tot matig siltig, zwak humeus, matig fijn zand. Het zand bevat wortelresten en is donkerbruingrijs van kleur. De zandlaag is geïnterpreteerd als opgebracht antropogeen bouwlanddek. De top van de onderliggende fluvio-eolische afzettingen is opgenomen in dit bouwlanddek, te duiden aan de aanwezige zandbrokken in het bouwlanddek en het ontbreken van verwerings of in- en uitspoelingshorizont in het bodemprofiel. De top van het bouwlanddek ligt in boring 1 en 2 tot aan het maaiveld. In boring 3-5 is het bouwlanddek vergraven en is een laag zwak siltig, matig fijn tot matig grof zand opgebracht. Dit zand lijkt geroerd te zijn met het onderliggende bouwlanddek, te duiden aan de zand- en humusbrokken uit onderliggende bodemlagen. Boring 4 is na 15 cm gestaakt in een puinlaag waarin betonbrokken, bakstenen en ijzer is aangetroffen. Deze puinlaag is geïnterpreteerd als een moderne verhardingslaag. Waarschijnlijk houdt deze verband met de naastgelegen schuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Oirschot&id=3bf3ba22-210e-4306-8213-b0f41dedddb8