5 Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot Gemeente Oirschot Bijlagenboek
Bestemmingsplan Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot Gemeente Oirschot Bijlagenboek
Rapportnummer:
211x07272_bijlagen
IMRO-nummer:
NL.IMRO.0823.BPOISTAPAKKEROUDE-ONTW
Datum:
April 2022
Opdrachtgever:
Berk & Kerkhof Makelaars
Projectteam BRO:
SSh, RGr
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, Abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
,QKRXGVRSJDYH
%LMODJHQELMWRHOLFKWLQJ
%LMODJH
6FKHWVRQWZHUS
%LMODJH
4XLFNVFDQ)ORUDHQIDXQD
%LMODJH
$UFKHRORJLVFKRQGHU]RHNHQ
%LMODJH
%RGHPRQGHU]RHN
%LMODJH
(YDOXDWLHUDSSRUWDJHVDQHULQJ
%LMODJH
$NRHVWLVFKRQGHU]RHN
%LMODJH
2PJHYLQJVGLDORRJ
%LMODJH
6WLNVWRIRQGHU]RHN
%LMODJH
$GYLHVYHLOLJKHLGVUHJLR
%LMODJH
0HUEHVOXLWNOHLQVFKDOLJHZRQLQJERXZ
2
Bestemmingsplan "Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot" (ontwerp)
%LMODJHQELMWRHOLFKWLQJ
Bestemmingsplan "Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot" (ontwerp)
3
%LMODJH 6FKHWVRQWZHUS
4
Bestemmingsplan "Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot" (ontwerp)
Schetsontwerp Stapakker/Oude Grintweg 59A Oirschot projectnummer:
211X07272
projectleider:
Opdrachtgever:
status:
wijziging:
-- / ----
deelplan:
wijziging:
-- / ----
schaal:
1:500
datum start:
woensdag 2 september 2020
laatste wijziging:
/ ----
formaat:
A4
datum:
woensdag 2 september 2020
bestand:
basisbestand.dwg
Bosscheweg 107
Ruimte om in te leven
Postbus 4
www.bro.nl
5282 WV Boxtel
info@bro.nl
T 0411 850 400
F 0411 850 401
%LMODJH 4XLFNVFDQ)ORUDHQIDXQD
6
Bestemmingsplan "Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot" (ontwerp)
1RWLWLH
: 4XLFNVFDQIORUDHQIDXQDUXLPWHOLMNH RQWZLNNHOLQJ2XGH*ULQWZHJDWH 2LUVFKRW
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Gecontroleerd door
: 5 december 2016 : : 211x07272 : Ineke Kroes :
Er zijn plannen om een herinrichting te realiseren op een strook groen aan de noordrand van de bebouwde kom van de plaats Oirschot. Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. 1DWXXUEHVFKHUPLQJLQ1HGHUODQG De bescherming van de natuur is t/m 31 december 2016 in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet (NB-wet) en de Flora- en faunawet (FF-wet). Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per 1 januari 2017 worden deze twee wetten samen met de Boswet, samengevoegd tot de Wet Natuurbescherming (Wnb), die eveneens gebaseerd is op de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Natuurbeschermingswet/ Wet Natuurbescherming De Natuurbeschermingswet, en ook de vanaf 1 januari 2017 geldende Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten.
De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Nature 2000-gebied (of Beschermd natuurmonument) zijn vergunningsplichtig. Dit blijft onveranderd van kracht onder de nieuwe wetgeving. Provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaande uit het Brabants Natuurnetwerk (voormalig EHS) en Groenblauwe Mantel zij ruimtelijk vastgelegd in de hernieuwde Verordening Ruimte 2014. Het Brabants Natuurnetwerk is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheergebieden voor agrarische natuurbeheer behoren tot het Brabants Natuurnetwerk. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Flora- en Faunawet/ Wet Natuurbescherming
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
1
De Flora- en Faunawet, en ook de komende Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 2 Flora- en faunawet, art 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Onder de Wet Natuurbescherming blijft de zorgplicht onveranderd van kracht.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Flora en faunawet naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit ‘tabel 2’, de bijlage 1 soorten van het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (tezamen tabel 3) en met alle vogels. Voor de Wet Natuurbescherming moet vanaf 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Tenslotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Het is per november 2016 nog niet duidelijk hoe de Wet Natuurbescherming omgaat met deze indeling, vooralsnog moet ervan uitgegaan worden, dat deze indeling gehandhaafd blijft. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen. :HUNZLM]HTXLFNVFDQIORUDHQIDXQD In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de ‘Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van LNV van september 2009.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
2
Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 5 december 2016 door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied. Mogelijke verblijfplaatsen en sporen van dieren zijn onderzocht. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van de checklist aanwezigheid (inschatten mogelijke aanwezigheid vleermuizen in een Flora- en faunawet vooronderzoek) uit het Vleermuisprotocol versie 25 maart 2013. Naast een veldbezoek is er een bronnenonderzoek gedaan. Voor dit bronnenonderzoek is onder meer gebruik gemaakt van de quickscanhulp (quickscanhulp.nl). De quickscanhulp geeft een overzicht van gegevens (van de afgelopen vijf jaar) uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens. Aan de hand van het uitgevoerde onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. %HVFKULMYLQJYDQKHWSODQJHELHG De beschrijving van het plangebied omvat de ligging, de huidige situatie en de toekomstige situatie. Ligging van het plangebied Het plangebied bevindt zich op een strook groen aan de noordrand van bebouwde kom van de plaats Oirschot. De Amersfoortcoördinaten van het midden van het plangebied zijn X= 149.806, Y= 391.238.
Het plangebied is rood omkaderd weergegeven op de luchtfoto (figuur 1) en weergegeven als een rode ster op de topografische kaart (figuur 2). Huidige situatie Het plangebied ligt tussen de bebouwing langs de Oude Grintweg (aan de westzijde) en Stapakker (aan de oostzijde). Het plangebied bestaat uit een voormalige tuin, en is nu grotendeels een braakliggend terrein met veel opgaande kruiden (pionierssoorten) en bramen. Er zijn enkele bomen aanwezig binnen het plangebied, waaronder een paar oude notenbomen. Bebouwing binnen het plangebied is aanwezig in de vorm van een schuur. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Zie onderstaande afbeeldingen voor een impressie van het plangebied. Toekomstige (geplande) situatie De gewenste ontwikkeling betreft de realisatie van enkele woningen binnen het plangebied. Hoe deze woningen precies gesitueerd worden binnen het plangebied is op dit moment nog niet bekend. Wel zal de straat Stapakker naar het westen toe tot binnen het plangebied verlengd worden. Voor de bouw van de woningen en aanleg van de weg zal vegetatie worden weggehaald alsook grondverzet worden gepleegd. Kap van (enkele van de aanwezige) bomen binnen het plangebied is niet uitgesloten. Tevens zal de schuur binnen het plangebied gesloopt worden.
1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EL&I genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
3
Figuur 1: Luchtfoto plangebied (rood omlijnd).
Figuur 2: Topografische kaart plangebied
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
4
Figuur 5. De entree van de achtertuin van het adres Oude Grintweg 59a, Oirschot.
Figuur 6. Impressie van de braakliggende tuin
Figuur 7. Hoog opgroeiende pionierssoorten zijn uitgebloeid, de pluimen staan her en der in de tuin. Er staan twee bomen met holtes
Figuur 8. Overzicht van de tuin met vooral veel pionierskruiden en bramen.
Figuur 9. In het noordelijk deel van de tuin staat een boom met een groot takkennest.
Figuur 10. Holte in een van de bomen.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
5
Figuur 11. . Het schuurtje is gesloopt, de restanten kiggen nog in de tuin als houtstapel.
Figuur 12. Een hoge conifeer markeert het meest noordelijk deel van het plangebied.
7RHWVLQJJHELHGVEHVFKHUPLQJ Wettelijke gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen ligt op 4.6 kilometer afstand. Gezien de afstand tot dit Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling zijn significante effecten op voorhand uitgesloten. In de planvorming hoeft derhalve verder geen rekening gehouden te worden met de Natuurbeschermingswet, of de nieuwe Wet Natuurbescherming. Planologische gebiedsbescherming Het plangebied ligt geheel buiten het Brabants Natuurnetwerk, de Groenblauwe Mantel of het attentiegebied ecologische hoofdstructuur. Negatieve effecten op planologisch beschermde gebieden (het Brabants Natuurnetwerk, de Groenblauwe Mantel en het attentiegebied) worden uitgesloten. In de planvorming hoeft verder geen rekening gehouden te worden met planologisch beschermde gebieden. 7RHWVLQJ6RRUWEHVFKHUPLQJ Vaatplanten Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen binnen het plangebied. Vanuit de omgeving zijn er waarnemingen bekend van diverse beschermde soorten vaatplanten, waaronder Steenanjer, tongvaren, veldsalie, waterdrieblad en wilde marjolein (FFwet tabel 2, Geen aangewezen bescherming Wnb).
Effectenbeoordeling Het plangebied waar de ingreep plaatsvindt, bestaat uit een tuin waar vermoedelijk de laatste paar jaren geen onderhoud aan is gepleegd, maar die geheel besloten ligt in het stedelijk gebied. In september 2014 is door BRO op dezelfde locatie een quickscan uitgevoerd. De tuin was toen relatief goed onderhouden. In het verleden is deze tuin intensief beheerd. Aan alle kanten zijn hoge hagen, of is bebouwing. De mogelijkheid dat in de laatste twee jaren beschermde wilde soorten op deze locatie zijn komen aanwaaien, wordt, vanwege de beslotenheid van de tuin, redelijkerwijze uitgesloten. Er zijn geen gebouwen of stenige plaatsen op het terrein, wat de aanwezigheid van de tongvaren uitsluit. Er is geen vijver of ander water, waardoor het voorkomen van waterdrieblad eveneens wordt uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten wordt redelijkerwijze op voorhand uitgesloten.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
6
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen sporen van beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het voorkomen van eekhoorn en steenmarter (tabel 2 FFwet, Bijlage A Wnb) zijn uit de directe omgeving bekend. In een boom aan de noordkant van het plangebied is een groot takkennest aangetroffen, wat mogelijk dienstdoet als vaste rust- of verblijfplaats van de eekhoorn. Er zijn, in de twee bomen vlakbij het huis, holtes aangetroffen die mogelijk gebruikt kunnen worden door de steenmarter. Ook de houtstapel (fig. 11) is geschikt als verblijfplaats voor steenmarter. Effectenbeoordeling Zowel de eekhoorn als de steenmarter maakt gebruik van meerdere vaste rust- en verblijfplaatsen, en beide zijn daarin redelijk flexibel. Binnen de kwetsbare periode mogen deze beschermde grondgebonden zoogdieren echter niet verstoord worden. Concreet houdt dit voor de eekhoorn in, dat de boom met het eekhoornnest (fig. 9) uitsluitend verwijderd mag worden buiten de kraam- en winterslaapperiode, ofwel tussen half september en eind oktober. Voor de steenmarter geldt dat werkzaamheden (m.n. verwijderen bomen met holtes) uitsluitend plaats kunnen vinden in de periode augustus-februari, en pas nadat vastgesteld is dat de verblijfplaatsen verlaten zijn.
Indien deze maatregelen in acht worden genomen worden negatieve effecten op zwaarder beschermde soorten grondgebonden zoogdieren hiermee uitgesloten. Naast deze strenger beschermde grondgebonden zoogdieren, kunnen ook diverse algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren van tabel 1 zoals o.a. veldmuis en huisspitsmuis van het plangebied gebruik maken. Voor deze soorten geldt een vrijstelling. Vleermuizen Uit het plangebied en/of omgeving zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger (tabel 3 FFwet, Bijlage IV HR, Wnb). Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van potentiële vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen binnen het plangebied. Er zijn geen gebouwen binnen het plangebied die mogelijkheden geven als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn wel bomen met holtes, en omringende hagen en er zijn veel hoge kruiden, waar vleermuizen kunnen foerageren. Effectenbeoordeling De holtes in de bomen vertonen geen sporen van vleermuizen. De holtes lopen naar beneden, en kunnen inregenen. Ze zijn in die zin niet geschikt voor vleermuizen. Er zijn geen lijnvormige elementen aanwezig, en dus geen vliegroutes. Mogelijk kan er sprake zijn van foerageergebied. Echter, er is in de omgeving ruim voldoende foerageergebied aanwezig. Er is een parkje naast de tuin, en de tuin grenst aan meerdere begroeide achtertuinen.
Met de planontwikkeling gaan geen vaste rust- of verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en/of vliegroute verloren. Negatieve effecten voor vleermuizen worden redelijkerwijze uitgesloten. Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in en nabij het plangebied enkele vogelsoorten waargenomen waaronder enkele roodborstjes. Binnen het plangebied biedt de begroeiing geschikte nestlocaties voor broedvogels. Er zijn tijdens het veldbezoek echter geen nesten van broedvogels aangetroffen. Waarnemingen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (waarvan ook het leefgebied/de functionele leefomgeving beschermd is) zoals slechtvalk, havik, roek, huismus en gierzwaluw zijn be-
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
7
kend nabij het plangebied. Nestlocaties van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals (grote) takkennesten waar roofvogels en roek in kunnen broeden of nestlocaties van huismus of gierzwaluw zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen binnen het plangebied, met uitzondering van het takkennest in de boom op fig. 9. Effectenbeoordeling Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, met name voor roofvogels. Het ligt te dicht in het stedelijk gebied. Het takkennest is om die reden ook niet geschikt als mest voor roofvogels. Er verdwijnt door deze ingreep geen essentieel leefgebied voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De gunstige staat van instandhouding van deze vogelsoorten komt door de ingreep niet in gevaar. Met de planontwikkeling gaat geen leefgebied verloren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Negatieve effecten voor vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Door werkzaamheden in de directe omgeving van begroeiing en bomen kan verstoring van broedende vogels plaatsvinden. Door werkzaamheden hier buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd.
Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Door voor aanvang van werkzaamheden te inspecteren op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen, wordt de kans op negatieve effecten voor vogels sterk verminderd. Vissen, amfibieën en reptielen Binnen het plangebied is er geen oppervlaktewater aanwezig. Negatieve effecten voor vissen en voortplantingsplaatsen van amfibieën zijn op voorhand uitgesloten. Vanuit de omgeving zijn ook geen waarnemingen bekend van beschermde vissen of amfibieën. Het is echter niet geheel uitgesloten dat een zwervend exemplaar van een algemene amfibieënsoort als gewone pad (tabel 1) binnen het plangebied voorkomt. Negatieve effecten op zowel algemeen en zwaarder beschermde soorten amfibieën worden op voorhand uitgesloten. In de omgeving is de strenge beschermde hazelworm (tabel 3 FFwet, Bijlage A Wnb) bekend. Binnen het plangebied is echter geen geschikt leefgebied voor de hazelworm of andere beschermde reptielen aanwezig, door de afwezigheid van bos- en heidegebieden, struwelen of houtwallen met geschikte plaatsen om te zonnen. Negatieve effecten voor reptielen zijn redelijkerwijze uitgesloten.
Beschermde ongewervelde diersoorten Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde ongewervelde diersoorten. Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor beschermde ongewervelde diersoorten vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten. Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn daarmee op voorhand uitgesloten. &RQFOXVLHHQDDQEHYHOLQJHQ De boom met het eekhoornnest (fig. 9) mag uitsluitend verwijderd worden buiten de kraam- en winterslaapperiode, ofwel tussen half september en eind oktober. Voor de mogelijk aanwezige steenmarter geldt dat werkzaamheden (m.n. verwijderen bomen met holtes) uitsluitend plaats kunnen vinden in de periode augustus-februari, en pas nadat vastgesteld is dat de verblijfplaatsen verlaten zijn.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
8
Diverse algemeen beschermde soortgroepen, zoals grondgebonden zoogdieren (b.v. huisspitsmuis, veldmuis etc.) en amfibieën (b.v. gewone pad, middelste groene kikker etc.) kunnen van het plangebied gebruik maken. Voor de genoemde soorten van FFwet, tabel 1 en Wnb Bijlage A met provinciale vrijstelling, geldt een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet en een provinciale vrijstelling Wnb, bij ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor geldt echter wel de algemene zorgplicht. Binnen het plangebied zijn enkele broedende vogels te verwachten in de aanwezige bomen, en overige begroeiing. Door werkzaamheden buiten de broedperiode (als broedseizoen kan de periode tussen half maart en half juli globaal worden aangehouden) uit te voeren dan wel te starten, wordt de kans op negatieve effecten geminimaliseerd. Indien op een locatie geen bewoonde nesten, broedende of nestelende vogels aanwezig zijn, mogen ook tijdens het broedseizoen werkzaamheden worden uitgevoerd. Door voor aanvang van werkzaamheden te inspecteren op aanwezige bewoonde nesten, legsels of nestjongen en, indien deze aanwezig zijn, de werkzaamheden uit te stellen tot nadat de jongen zijn uitgevlogen, wordt de kans op negatieve effecten voor vogels sterk verminderd.
Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vissen, reptielen, amfibieën en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) te verwachten. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met inachtneming van de zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën en ongewervelden zijn er geen specifieke maatregelen nodig.
ADVIES / Quickscan flora en fauna Oude Grintweg 59a te Oirschot
9
%LMODJH $UFKHRORJLVFKRQGHU]RHNHQ
16
Bestemmingsplan "Stapakker / Oude Grintweg 59a te Oirschot" (ontwerp)
5$33257 $UFKHRORJLVFKEXUHDXHQYHUNHQQHQG YHOGRQGHU]RHNGRRUPLGGHOYDQERULQJHQ 2XGH*ULQWZHJWH2LUVFKRW
2SGUDFKWJHYHU BRO Postbus 4 5280 AA Boxtel
,661
3URMHFWQXPPHU Aeres Milieu projectnummer AM14206 6WDWXVUDSSRUW Concept
$XWRULVDWLH
Opsteller rapport:
paraaf
Drs. ing. N.J.W. van der Feest Drs. D. Hagens Redactie:
29 september 2016
paraaf
Drs. C.D.R. Cohen Stuart
Vrijgave: &RQWDFWJHJHYHQV Aeres Milieu B.V. Postbus 1015 6040 KA ROERMOND (t) 0475 – 320 000 (f) 0475 – 321 967 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Ing. T.K.P.G. Thijssen
datum
datum 29 september 2016
paraaf
datum 29 september 2016
,1+28'623*$9( 6$0(19$77,1*
$'0,1,675$7,(9(*(*(9(16
,1/(,',1*
:(5.:,-=( 2.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 9 2.2 Verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen ................................................................................... 9 %85($821'(5=2(. 3.1 Landschappelijke situatie - geomorfologie..................................................................................... 11 3.2 Landschappelijke situatie - bodem ................................................................................................ 12 3.3 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .............................................................................. 12 3.4 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ..................................................................... 13 3.5 Bewoningsgeschiedenis – historisch materiaal ............................................................................. 15 9(5:$&+7,1*602'(/
9(/':(5.=$$0+('(1 5.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 19 5.2 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw ............................................................. 19 5.3 Interpretatie .................................................................................................................................... 20 5.4 Archeologische indicatoren ............................................................................................................ 20 &21&/86,( 6.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 21 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen ..................................................................................... 21 $$1%(9(/,1*(1
/,7(5$7885/,-67
%LMODJHQ Topografische overzichtskaart Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Overzicht IKAW met aanwezige onderzoeken, monumenten en waarnemingen Overzicht gemeentelijke archeologische beleidskaart Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Overzicht AHN Boorkernbeschrijvingen
Pagina 2 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
6$0(19$77,1* Op 3 september 2014 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Oude Grintweg te Oirschot. Het doel van het booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde specifieke verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kunnen vervolgens adviezen over de aanwezige archeologische resten, of vervolgtraject worden opgesteld. Op basis van de bekende gegevens omtrent archeologische waarden in het gebied en geografische ligging moet worden geconcludeerd dat voor het plangebied een middelhoge verwachting geldt voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum, een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de bronstijd als voor nederzettingsresten uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het plangebied ligt in een relatief hooggelegen golvende dekzandvlakte. Hoewel de hoger gelegen dekzandruggen en –kopjes rondom het plangebied aantrekkelijker zullen zijn geweest, bevindt zich direct ten noordoosten van het plangebied een watervoorzienende locatie. Vanwege de relatief hoge ligging en de aanwezigheid van enkeerdgronden (plaggendek) met een conserverende werking is het plangebied een aantrekkelijke bewoningslocatie.
Bovendien zijn in de omgeving, binnen dezelfde golvende dekzandvlakte, resten aangetroffen uit zowel de ijzertijd als uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt direct ten oosten van de Oude Grintweg, een noordelijke uitvalsweg vanuit de ten zuiden van het plangebied gelegen historische kern van Oirschot. Oostelijk van het plangebied bevindt zich het voormalige e (vroeg)middeleeuwse gehucht Notel. Het plangebied is voor zover bekend sinds tenminste het begin van de 19 eeuw in gebruik geweest als bouwland. Afgezien van enkele aan de Oude Grintweg gelegen boerderijen zijn geen historische nederzettingsstructuren bekend in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kan worden gesteld dat de verwachte enkeerdgronden (esdek), zoals beschreven in het bureauonderzoek, aanwezig zijn. Onder deze cultuurlaag is echter geen podzol meer aanwezig. Deze is vermoedelijk, als gevolg van ploegwerkzaamheden opgenomen in het bovenliggende cultuurdek. Uitzondering hierop zijn boringen 1 en 5 waar restanten van een B-C overgang zijn aangetroffen. Hierdoor zullen zeer kwetsbare vindplaatsen uit de periode paleolithicum tot en met het neolithicum als gevolg van de verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel niet langer in-situ aanwezig zijn. Derhalve kan de archeologische verwachting voor deze periode worden bijgesteld naar laag.
Alleen de diepere sporen zullen, indien aanwezig, bewaard zijn. Zeker gezien de beperkte verstoring in boring 1 en 5. De sporen van bewoning uit de latere, sedentaire perioden hebben een dieper bereik en kunnen zodoende nog intact zijn. Op basis van deze gegevens kan de verwachting voor het aantreffen van sporen uit de periode bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven. Eventueel aanwezige resten uit de periode middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd hangen sterk samen met de kwaliteit en intactheid van het esdek. Gezien de intacte aard, met uitzondering van boring 1, van dit cultuurdek blijft ook de verwachting voor deze perioden gehandhaafd. Het esdek fungeert als beschermende deken over het archeologisch interessante niveau en kent een conserverende werking voor eventueel aanwezige archeologische resten. Gezien de diepte van het aangetroffen B-C niveau kan worden gesteld dat bodemverstoringen tot dit niveau niet als dreiging hoeven te worden gezien (circa 60 centimeter –mv). Echter kan het bevoegd gezag een bufferzone opnemen om eventueel aanwezige resten te beschermen tegen degradatie. Indien de voorgenomen ontwikkeling wel dieper rijkt dan is vervolgonderzoek noodzakelijk voorafgaand aan de bodemingrepen.
Dit onderzoek dient bij voorkeur uitgevoerd te worden door middel van proefsleuven op basis van een nog op te stellen en goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Er kan in dit kader ook worden gedacht aan archeologie sparend bouwen, zo kan bijvoorbeeld het ophogen van het maaiveld een grotere marge voor de voorgenomen werkzaamheden opleveren
Pagina 3 van 32
Pagina 4 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
$'0,1,675$7,(9(*(*(9(16 Projectnummer OM-nummer Soort onderzoek Adres onderzoekslocatie Toponiem Gemeente Provincie Kadastrale registratie Coördinaten
Oppervlakte Huidig locatie gebruik Aanleiding onderzoek Opdrachtgever Bevoegde overheid Opslag documentatie en materiaal Datum uitvoering
: AM14206 : 62.876 : Verkennend booronderzoek : Oude Grintweg te Oirschot : Oude Grintweg : Oirschot : Noord-Brabant : Oirschot, sectie D, nummers 5434 : centrum 149.806; 391.235 NW: 149.778; 391.268 NO: 149.834; 391.268 ZW: 149.778; 391.196 ZO: 149.834; 391.196 2 : circa 2.350 m : Grasland en tuin : Woningbouw : BRO : Gemeente Oirschot : Zuidhoven 9m te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te ‘s-Hertogenbosch : 3 september 2014
Pagina 5 van 32
Pagina 6 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
,1/(,',1*
In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie Gemeente Oppervlakte Huidig perceelsgebruik Toekomstig perceelsgebruik
: Oude Grintweg te Oirschot : Oirschot 2 : circa 2.350 m : Grasland : Woningbouw
Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA 3.3. Het verkennend onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd door een KNA-archeoloog onder leiding van een KNA-senior archeoloog. $DQOHLGLQJ De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van circa 5 woningen. De diepte van de toekomstige verstoring is niet bekend, maar zal naar verwachting tot tenminste 8090 cm beneden maaiveld reiken.
Figuur 1: Verbeelding van het voorgenomen plan. Het rode kader geeft het plangebied weer (Bron: aangeleverd door de opdrachtgever).
Pagina 7 van 32
'RHO Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is, het bepalen van een specifiek verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Specifiek voor de locatie Oude Grintweg zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
3ODQJHELHG Het plangebied ligt aan de Oude Grintweg in het noorden van de bebouwde kom van Oirschot. Het plangebied is in gebruik als grasland en tuin. In het westen en noorden wordt het plangebied begrensd door een woning met tuin en erf, in het oosten door woningen met tuin aan de Stapakker en in het zuiden door openbaar groen.
Figuur 2: plangebied bij aanvang van de werkzaamheden.
Pagina 8 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
2.1
:(5.:,-=( Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese. Archeologische bronnen Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Archeologische Monumentenkaart (AMK) Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS II) Archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente Oirschot Specifieke lokale informatie Bodem- en geomorfologische kaarten Bodemkaart (Alterra, uit Archis2) Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis2) Actuele Hoogtekaart van Nederland (AHN) Historische kaarten Historisch minutenplan (1800-1832) Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978) Moderne topografische kaart (2005) De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst.
2.2
Verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Om een regelmatige verdeling over het plangebied te kunnen garanderen is gebruik gemaakt van een grid met gelijkbenige driehoeken (voor zover het plangebied dit toelaat). Voor een verdeling van de boringen zie bijlage 3. Deze meetpunten worden met behulp van meetwiel en meetlint uitgezet. De boorpunten worden gerelateerd aan de AHN. De boringen zijn uitgevoerd met een edelman boor van 10 centimeter. De boringen worden tot minimaal 30 centimeter in de ‘schone’ (C-horizont) ondergrond doorgeboord. De boorkernen worden conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven. Voor het plangebied aan de Oude Grintweg is uitgegaan van 5 boringen om een duidelijk beeld te kunnen schetsen. Dit komt neer op circa 21 boringen per hectare. Tijdens het veldwerk wordt, voor zover mogelijk gekeken naar archeologische indicatoren aan het oppervlakte.
Pagina 9 van 32
Pagina 10 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
3.1
%85($821'(5=2(. Landschappelijke situatie - geomorfologie
Oirschot ligt in het zuidelijk zandgebied. De ondergrond wordt doorsneden door een aantal zuidoost-noordwest georiënteerde breuken, die de Centrale Slenk en de Peelhorst begrenzen. Oirschot ligt binnen de Centrale Slenk. De Gilze-Rije breuk vormt de zuidwestelijke rand van het dalingsgebied de Centrale Slenk en loopt 1 westelijk van Tilburg. In dit gebied liggen als gevolg van tektonische bewegingen oude rivierafzettingen dicht aan het oppervlak. Deze 2 zijn afgezet door de Rijn. Deze rivierzanden worden tot de Formatie van Sterksel gerekend en werden afgezet vanaf het laatste deel van het Vroeg-Pleistoceen (circa 1,1 miljoen jaar geleden) tot in het Midden-Pleistoceen (circa 475.000 jaar geleden). Op deze afzettingen bevindt zich een dunne laag dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 115.000 – 11.755 jaar geleden), ontstond een steeds kouder en 3 droger klimaat. Deze laatste ijstijd, het Weichselien is belangrijk geweest voor de vorming van het huidige landschap rond het plangebied. In deze periode (circa 115.000 – 10.000 jaar geleden) breidde het landijs zich sterk uit, maar bereikte Nederland niet. Tijdens een groot deel van het Weichselien was de bodem permanent bevroren. Tijdens perioden van dooi werd door sneeuwsmelt- en regenwater veel sediment verspoeld.
Hierbij zijn fluvioperiglaciale afzettingen gevormd en dalen ontstaan. De fluvioperiglaciale afzettingen zijn zeer divers en bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten en worden tot de Formatie van Boxtel 4 gerekend. Deze afzettingen zijn in het plangebied in de diepere ondergrond aanwezig. Ze bestaan hier uit zwak siltig, matig fijn zand. Direct ten noordoosten van het plangebied bevinden zich dalen die in deze periode zijn gevormd (bijlage 5, code 2R2). Later zijn de fluvioperiglaciale afzettingen bedekt met dekzand. In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 – 15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie grotendeels verdwenen, 5 waardoor op grote schaal verstuiving optrad waarbij dekzand werd afgezet. Dit zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend. Het reliëf dat tijdens de dekzandafzetting is ontstaan, wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. In het Holoceen (vanaf circa 11.755 jaar geleden) werd het klimaat warmer en vochtiger. Het landschap is door geologische processen weinig meer veranderd.
Het dekzand werd door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken sneden zich in, waarbij ze de natuurlijke laagten volgden, zoals de eerder gevormde dalen. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een golvende dekzandvlakte (bijlage 5, code 3L5). Zoals eerder opgemerkt bevindt zich direct ten noordoosten van het plangebied een dalvormige laagte zonder veen (bijlage 5, code 2R2). Ten westen en noorden bevinden zich meerdere dekzandruggen en –kopjes (bijlage 5, code 3K14). Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, bijlage 7)6 zijn de dekzandruggen en dekzandkopjes ten westen en noorden van het plangebied als lichte verhogingen binnen het landschap te herkennen. Er is in het algemeen weinig reliëfverschil te zien in het landschap.
1 Berendsen 2005, 31. 2 De Mulder e.a. 2003, 327. 3 Berendsen 2004, 183. 4 Berendsen 2004, 189. 5 Berendsen 2004, 190. 6 www.ahn.nl Pagina 11 van 32
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Volgens de bodemkaart ligt het plangebied in een zone van hoge zwarte enkeerdgronden in lemig fijn zand 7 (bijlage 6, code zEZ23). Enkeerdgronden hebben een plaggendek of esdek dat is ontstaan doordat mogelijk al vanaf de late 8 middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Plaggen werden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop der tijd is 9 hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. Dergelijke cultuurdekken hebben vaak een beschermende werking en dienen als een buffer die de potentiële archeologische lagen beschermd tegen verstoringen. De totale dikte van het plaggendek is bij de hoge 10 enkeerdgronden meer dan 50 cm. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Onder het plaggendek ligt de oorspronkelijke bodem, mogelijk een podzolgrond. De podzolgrond bestaat uit een A-horizont, waaronder vaak een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is. Hieronder ligt de B-horizont 11 (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont. Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont al dan niet intact.
Vaak zijn deze door verploeging met de onderste helft van het plaggendek vermengd geraakt. Op de bodemkaart staan de gemiddelde grondwaterstanden aangeven met grondwatertrappen. De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een zeer diepe grondwaterstand (grondwatertrap VI). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40 en 80 cm beneden maaiveld ligt en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Oirschot. e
Oirschot is als nederzetting ontstaan in de vroege middeleeuwen. Het dorp kwam vooral vanaf de 13 eeuw tot bloei als hoofdplaats van het kwartier Kempenland als onderdeel van de Meijerij van ’s Hertogenbosch. De dorpskern werd aanvankelijk gevormd door het Vrijthof waar tevens de eerste parochiekerk stond: een vroeg e 12 eeuwse tufstenen zaalkerk. Ter plaatse van deze kerk zijn bewoningsresten aangetroffen uit de 12 Merovingische periode. In 1268 werd ten noordwesten hiervan begonnen met de bouw van de Petruskerk. Deze werd in 1462 door brand verwoest. De nieuw gebouwde gotische kerk bleef tijdens de dorpsbrand van 1566 gespaard, maar de bebouwing aan de zuidzijde ervan ging grotendeels in vlammen op en werd niet herbouwd. Hierdoor kwam een open ruimte vrij, de huidige Markt. Het centrum verplaatste zich van het Vrijthof naar de Markt. Na de dorpsbrand in 1623, toen ook de laatste bebouwing vlak bij de kerk in vlammen opging, 13 kreeg de Markt haar huidige omvang. Het plangebied ligt ten noorden van de historische dorpskern van Oirschot en ten westen van het voormalige gehucht Notel. Notel was van oudsher een gehucht of herdgang waarin de bebouwing in een dalvormige laagte tussen twee grote open akkergebieden ligt. De open akkergebieden stonden voorheen ook bekend als ‘Heezen’ en kent mogelijk een vroegmiddeleeuwse oorsprong.
De naam Notel is vermoedelijk afgeleid van de naam ‘note’, dat naar notenbomen kan verwijzen. Gezien de uitgang ‘–lo’ verwijst het mogelijk naar een bos met notenbomen. Het latere Notel zou dan pas in de e 14 13 eeuw haar huidige ligging gekregen hebben. 7 Alterra 2009, kaartblad 51 West. 8 Spek 2004. 9 Hiddink, H., H. Renes 2007. 10 De Bakker en Schelling 1989, 141. 11 De Bakker en Schelling 1989, 127 12 http://users.bart.nl/~leenders/txt/oirschot.html 13 Kolman e.a. 1997, 264. 14 http://users.bart.nl/~leenders/txt/oirschot.html
Pagina 12 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er enkele tientallen woningen vernield of verwoest in Oirschot. Ook werd 15 de toren van de Sint Petruskerk verwoest en leed de kerk brandschade. In de jaren 1941 en in 1943 tot en met 1945 zijn enkele vliegtuigen neergestort. Deze crashes vonden voor zover bekend plaats in het buitengebied 16 van Oirschot. Er zijn geen aanwijzingen dat in de directe omgeving van het plangebied oorlogsgerelateerde verwoestingen of crashes hebben plaatsgevonden, maar dit is niet uit te sluiten.
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Op de IKAW heeft het plangebied een hoge kans op het aantreffen van archeologische resten (zie bijlage 3). Op de leidende Archeologische beleidskaart van de gemeente Oirschot geldt voor het plangebied eveneens een hoge archeologische verwachting (categorie 4) en ligt deze in een zone waar zich een esdek (enkeerdgronden) 17 bevindt (zie bijlage 4). Binnen een straal van 1 kilometer ten opzichte van het plangebied zijn 12 onderzoeksmeldingen en 17 waarnemingen bekend. 2QGHU]RHNVPHOGLQJHQELQQHQKHWSODQJHELHG Onderzoeksmelding 48.194 Het plangebied ligt binnen een omvangrijke onderzoeksmelding. Het betreft een bureauonderzoek dat het SRE in het kader van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oirschot uitvoerde. 2QGHU]RHNVPHOGLQJHQHQZDDUQHPLQJHQELQQHQHHQVWUDDOYDQPHWHUYDQKHWSODQJHELHG Onderzoeksmelding 14.851 Op 40 meter ten westen van het plangebied werd in het kader van de aanleg van het fietspad Oirschot-Boxtel in 2004 een booronderzoek uitgevoerd door Grontmij. De bodem bleek verstoord en vanwege de geringe diepte van de toekomstige verstoring werd geen vervolgonderzoek nodig geacht. Onderzoeksmelding 30.969 Binnen een verspoelde dekzandvlakte en op de flank van een dekzandrug, op 275 meter ten noordwesten van het plangebied, werd door Bilan in 2008 een booronderzoek uitgevoerd.
Aangezien geen archeologische indicatoren werden aangetroffen (op de hogere delen), werd geen vervolgonderzoek geadviseerd. Onderzoeksmelding 5237 en waarnemingsnummer 57.934 Op 400 meter ten noordoosten van het plangebied en binnen dezelfde golvende dekzandvlakte, werd door het ARC in 2003 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Er werden alleen (sub)recente sporen gevonden en aardewerk en dierlijke botresten. Er werd geen vervolgonderzoek geadviseerd. 2QGHU]RHNVPHOGLQJHQHQZDDUQHPLQJHQELQQHQHHQVWUDDOYDQPHWHUYDQKHWSODQJHELHG Onderzoeksmelding 30.604 Op 750 meter ten noordwesten van het plangebied werd door Synthegra in 2008 een bureauonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek staan nog niet in Archis vermeld. Onderzoeksmelding 27.266 In 2008 voerde Synthegra een booronderzoek uit op een locatie in de golvende dekzandvlakte, op 590 meter ten noordoosten van het plangebied. Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen en vervolgonderzoek werd niet nodig geacht. Waarnemingsnummers 14.745 en 30.928 In een beekdal op 650 meter ten noordoosten van het plangebied werd in 1983 de resten van een waterput uit de late middeleeuwen aangetroffen (waarnemingsnummer 14.745). In 1931 werd bij deze locatie ‘rood-aarden 15 Van Blankenstein 2006, 150; www.canonvanoirschot.nl. 16 Auwerda en Grimm 2008 (Verliesregisters 1941, 1943 tot en met 1945).
17 SRE Milieudienst 2011, Archeologische beleidskaart Kempen- en A2 gemeenten, 13. Archeologische beleidskaart gemeente Oirschot. Pagina 13 van 32
urnen (Romeinsch?)’ aangetroffen. Mogelijk zou het ook om Merovingische urnen kunnen gaan (waarnemingsnummer 30.928). Onderzoeksmeldingen 2479 en waarnemingsnummers 50.493, 52.117 en 410.616 Door het ADC werd in 2001 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in de golvende dekzandvlakte, direct langs het beekdal. De locatie ligt op 760 meter ten noordoosten van het plangebied. Er werden resten aangetroffen van een spieker, greppels/sloten, paalgaten en meerdere (handgevormde) aardewerkresten uit de periode late ijzertijd-Romeinse tijd (waarnemingsnummers 50.493, 52.117 en 410.616). Onderzoeksmeldingen 38.146 en 47.458 en waarnemingsnummer 441.204 In de golvende dekzandvlakte, op 800 meter ten zuidoosten van het plangebied, werd in 2009 door Grontmij een booronderzoek uitgevoerd. Op grond van de resultaten werd een proefsleuvenonderzoek geadviseerd dat in 2011 werd uitgevoerd. De bodem bleek voor een groot deel verstoord en er werd enkel een greppel aangetroffen met drie fragmenten gedraaid aardewerk uit de late middeleeuwen in de greppelvulling (waarnemingsnummer 441.204). Aangezien geen archeologische waarden werden aangetroffen, werd geen verder onderzoek nodig geacht (onderzoeksmeldingen 38.146 en 47.458).
Onderzoeksmeldingen 3178, 3754 en 7583; waarnemingsnummers 14.671, 32.738, 32.741, 44.799, 403.559, 410.310, 413.552, 417.106, 432.671 en 440.527 In de bebouwde kom en binnen de kern van Oirschot, op een afstand van 400-800 meter ten zuiden van het plangebied, werden enkele onderzoeken uitgevoerd. In 2004 voerde Bilan een booronderzoek uit ter plaatse van De Oude Enck. De bodem bleek verstoord en er werden een drietal fragmenten aardewerk gevonden uit de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd. Er werd geen vervolgonderzoek geadviseerd (onderzoeksmelding 7583 en waarnemingsnummer 403.559). RAAP voerde in 2000 een bureau- en booronderzoek uit, waarbij eveneens een verstoord bodemprofiel werd aangetroffen (onderzoeksmeldingen 3178 en 3754). Ook werden in het verleden een groot aantal vondsten gedaan in de dorpskern. Onder meer trof men huisplattegronden aan met aardewerkresten uit de periode vanaf 700 tot 900 en uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd evenals nederzettingsresten uit de ijzertijd (waarnemingsnummer 432.671). Elders werden resten aangetroffen uit de periode late ijzertijd – Romeinse tijd, waaronder gedraaid en handgevormd aardewerk evenals aardewerkresten, baksteenresten en een waterput uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (waarnemingsnummers 413.552 en 432.671).
Ook werden aardewerkresten (bolpot, gedraaid aardewerk, Pingsdorf) uit de vroege middeleeuwen (waarnemingsnummer 44.799) en meerdere muurresten en funderingsresten en aardewerk uit de late middeleeuwen en uit de nieuwe tijd gevonden (waarnemingsnummers 14.671, 32.738, 32.741, 410.310, 417.106 en 440.527).
Pagina 14 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch materiaal
Het plangebied ligt langs de Oude Grintweg ten noorden van de historische dorpskern van Oirschot en ten westen van het voormalige gehucht Notel. De Oude Grintweg vormde een noordelijke uitvalsweg vanuit de kern van Oirschot richting Boxtel. e
18
Op het minuutplan uit het begin van de 19 eeuw (figuur 5) is te zien dat de Oude Grintweg een bestaande weg is. Het plangebied ligt binnen een akkerveld dat staat aangegeven als “De Lurp”. De perceleringen zijn 19 groot en ongelijk in vorm. Uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) behorende bij het minuutplan, blijkt dat het plangebied in gebruik is als bouwland. Op de kaart uit 1830-1850 is een nagenoeg gelijke situatie zichtbaar. Het plangebied blijft onbebouwd en in gebruik als bouwland. De Oude Grintweg staat aangegeven als een van de voornaamste uitvalswegen vanuit de historische kern van Oirschot. Ten oosten van het plangebied is het gehucht Notel te zien. Op de kaart uit 1900 wordt duidelijk dat de bouwlandpercelen zijn omgeven door groenstroken, mogelijk houtwallen. Aan de andere zijde van de Oude Grintweg, direct ten westen van het onbebouwde plangebied, staat een gebouw aangegeven. De bebouwde kom van Oirschot heeft zich al uitgebreidt op de kaart uit 1953. Het plangebied blijft in gebnruik als bouwland. Het gebouw ten westen van het plangebied lijkt te zijn verdwenen. Tussen 1983 en 1991 wordt de huidige wijk rondom het plangebied aangelegd en ontstaat er bebouwing 20 rondom het plangebied.
18 www.watwaswaar.nl Gemeente Oirschot, sectie F, blad 3. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 19 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. 20 Gebaseerd op studie van laat 20e eeuws topografisch kaartmateriaal via www.watwaswaar.nl. Pagina 15 van 32
Figuur 3: Historisch kaartmateriaal uit respectievelijk 1811-1832, 1830-1850, 1900 en 1953, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.watwaswaar.nl).
%RGHPYHUVWRULQJ Er zijn geen gegevens bekend of binnen het plangebied bodemverstorende activiteiten hebben 21 e plaatsgevonden. Voor zover bekend is het plangebied de laatste onbebouwd gebleven in de 20 eeuw.
21 www.bodemloket.nl
Pagina 16 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
9(5:$&+7,1*602'(/
De jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen, bij voorkeur in de buurt van (open) water. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst, nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit, wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Het plangebied ligt in een relatief hooggelegen golvende dekzandvlakte. Hoewel de hoger gelegen dekzandruggen en –kopjes rondom het plangebied aantrekkelijker zullen zijn geweest, bevindt zich direct ten noordoosten van het plangebied een watervoorzienende locatie (bijlage 5, code 2R2). Vanwege de relatief hoge ligging van het plangebied en de aanwezigheid van enkeerdgronden met een conserverende werking van eventueel aanwezige archeologische resten door een plaggendek, wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Vanaf het neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode stapt men geleidelijk over naar landbouw en veeteelt en worden jagen en verzamelen steeds minder belangrijk. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren.
Voor de watervoorziening worden waterputten gegraven en in en nabij de nederzetting worden afvalkuilen gegraven. In de periode vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. Vanwege de relatief hoge ligging zal het plangebied vanaf het neolithicum een aantrekkelijke bewoningsplaats zijn geweest. In de omgeving, binnen dezelfde golvende dekzandvlakte, zijn resten aangetroffen uit zowel de ijzertijd als uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen (zie paragraaf 3.4). Daarom wordt aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit zowel de periode neolithicum tot en met de bronstijd als voor nederzettingsresten uit de ijzertijd, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Het bewoningspatroon verandert geleidelijk vanaf de late middeleeuwen. In deze periode is een hoge ligging van het gebied niet meer bepalend voor het bewoningspatroon. Vanaf de late middeleeuwen concentreert de bewoning zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Het plangebied ligt direct ten oosten van de Oude Grintweg. Ten zuiden van het plangebied ligt de historische, van oorsprong vroegmiddeleeuwse dorpskern van Oirschot. Oostelijk van het plangebied bevindt zich het voormalige (vroeg)middeleeuwse gehucht Notel.
De Oude Grintweg vormde een noordelijke uitvalsweg vanuit e de kern van Oirschot richting Boxtel. Het plangebied is voor zover bekend sinds tenminste het begin van de 19 eeuw in gebruik geweest als bouwland. Afgezien van enkele aan de Oude Grintweg gelegen boerderijen zijn er geen historische nederzettingsstructuren bekend in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor archeologische resten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd.
Pagina 17 van 32
3HULRGH Laat-paleolithicum – mesolithicum
9HUZDFKWLQJ Middelhoog
Neolithicum – bronstijd
Hoog
IJzertijd – vroege middeleeuwen
Hoog
Late middeleeuwen – nieuwe tijd
Middelhoog
9HUZDFKWHNHQPHUNHQYLQGSODDWV Bewoningssporen, tijdelijke kampementen: vuursteen artefacten, haardkuilen Nederzetting: cultuurlaag, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen
'LHSHWHOLJJLQJVSRUHQ Onder het plaggendek in de oorspronkelijke bodem
Onder het plaggendek in de oorspronkelijke bodem
Nederzetting: cultuurlaag, Vanaf het maaiveld fragmenten aardewerk, natuursteen funderingsresten, gebruiksvoorwerpen,
Tabel 1: Archeologische verwachting per periode.
Pagina 18 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
5.1
9(/':(5.=$$0+('(1 Algemeen
Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting in het plangebied. Hiertoe zijn in het plangebied 6 verkennende boringen gezet tot een diepte van maximaal 130 cm – mv (zie bijlage 8). De boringen zijn uitgevoerd met een edelmanboor met een diameter van 10 centimeter.
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De bodemopbouw van het plangebied kan worden omschreven als uniform, met uitzondering van boring 1. De bovengrond bestaat uit een matig zandig, matig siltig, sterk humeus pakket dat bruingrijs van kleur is, met uitzondering van boring 1 dat sporen van baksteen bevat en opvallend veel brokken zand. Hieronder ligt een pakket matig zandig, matig siltig zand variërend in kleur van oranje-beige tot grijs-beige met verschillende mate van roestvlekken. Hieronder bevindt zich de natuurlijke ondergrond. In twee boringen (1 en 5) bevindt zich tussen de genoemde pakketten een geleidelijke overgang van een neutraal-bruine kleur naar de beige kleur van de ondergrond.
Figuur 4: het profiel van boring 5.
Pagina 19 van 32
5.3
Interpretatie
De in het bureauonderzoek verwachte hoge zwarte enkeerdgronden komen overeen met de aangetroffen bodemprofielen. De bovengrond wordt geïnterpreteerd als een zogenaamde ploeglaag of Ap-horizont. Deze Aphorizont is gelegen op de natuurlijke ondergrond ofwel C-horizont. De overgang tussen deze lagen is scherp waardoor enige mate van aftopping heeft plaatsgevonden. De profielen zijn te beschrijven als een A-C profiel, met uitzondering van boringen 1 en 5. Bij A-C profielen is de oorspronkelijke bodemopbouw opgenomen in het bovenliggende cultuurdek. In boring 4 is sprake van een geroerde top van de C-horizont, duidend op een diepe verstoring van de bodemopbouw. De afwijkende boringen 1 en 5 vertonen een geleidelijke overgang van een licht humeuze neutraal bruine kleur naar een beige kleur. Deze laag wordt geïnterpreteerd als een overgang van de B-horizont naar de natuurlijke ondergrond of C-horizont. Er kan dus worden gesteld dat er een beperkte mate van intactheid is van het oorspronkelijke bodemprofiel in deze boringen.
5.4
Archeologische indicatoren
Hoewel het actief zoeken naar archeologische indicatoren niet behoord tot de strekking van een verkennend onderzoek, worden dergelijke waarnemingen wel genoteerd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen indicatoren aangetroffen.
Pagina 20 van 32
Archeologisch onderzoek Oude Grintweg te Oirschot / AM14206
6.1
&21&/86,( Algemeen
Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kan worden gesteld dat de verwachte enkeerdgronden (esdek), zoals beschreven in het bureauonderzoek, aanwezig zijn. Onder deze cultuurlaag is echter geen podzol meer aanwezig. Deze is vermoedelijk, als gevolg van ploegwerkzaamheden opgenomen in het bovenliggende cultuurdek. Uitzondering hierop zijn boringen 1 en 5 waar restanten van een B-C overgang zijn aangetroffen. De zeer kwetsbare vindplaatsen uit de periode paleolithicum tot en met het neolithicum zullen als gevolg van de verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel niet langer in-situ aanwezig zijn. Derhalve kan de archeologische verwachting voor deze periode worden bijgesteld naar laag. Als gevolg hiervan is de verwachting dat alleen de diepere sporen, indien aanwezig, bewaard zullen zijn. Zeker gezien de beperkte verstoring in boring 1 en 5. De sporen van bewoning uit de latere, sedentaire perioden hebben een dieper bereik en kunnen zodoende nog intact zijn. Op basis van deze gegevens kan de verwachting voor het aantreffen van sporen uit de periode bronstijd tot en met de vroege middeleeuwen gehandhaafd blijven. Eventueel aanwezige resten uit de periode middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd hangen sterk samen met de kwaliteit en intactheid van het esdek.