CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

RV d.d. 30 november 2021 Vaststelling gevallen adviesrecht raad, gevallen verplichte participatie en gevallen uitgebreide procedure bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en delegatiebesluit Z-21-146019 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 17 februari 2022, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Vaststelling gevallen adviesrecht raad, gevallen verplichte participatie en gevallen uitgebreideprocedure bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en delegatiebesluit4.764 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

onderwerp zaaknummer portefeuillehouder team opgesteld door datum voorstel datum raad

Vaststelling gevallen adviesrecht raad, gevallen verplichte participatie en gevallen uitgebreide procedure bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en delegatiebesluit Z/21/146019/289791 P. Glasbeek Ruimte M.J.J. Platell 30 november 2021 27 januari 2022

*Z027C1AE747*

raadsvoorstel

B&W stellen de raad voor het volgende te besluiten: voorstel

(Gevallen adviesrecht raad) 1. De raad heeft in de volgende gevallen het recht om advies te geven, zoals bedoeld in art. 16.15a sub b Ow, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. d. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid. (Gevallen verplichte participatie) 2. Een aanvrager is in de volgende gevallen gehouden participatie uit te voeren zoals bedoeld in art.

16.55 lid 7 Ow, alvorens een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan te vragen: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid; c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van

d.

bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid.

(Gevallen uitgebreide procedure) 3. Het college te verzoeken in de volgende gevallen de uitgebreide procedure, zoals bedoeld in art. 16.65 lid 4 Ow, van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid; c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. d. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid.

(Delegatiebesluit) 4. De raad delegeert, zoals bedoeld in art. 2.8 Ow, in de volgende gevallen haar bevoegdheid aan het college tot het nemen van besluiten in het kader van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving: a. wijzigen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen waarover de raad of college heeft besloten; b. wijzigen van het omgevingsplan voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad geen adviesrecht heeft; c. vertalen van beleidsregels van raad en college naar het omgevingsplan; d. verwerken van verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan; e. wijzigen van het omgevingsplan ten gevolge van gewijzigde wet- en regelgeving; f. wijzigen van technische bepalingen in het omgevingsplan; g. wijzigen van de toelichting op het omgevingsplan; h. wijzigen of toevoegen van begripsbepalingen in het omgevingsplan; i. wijzigen of toevoegen van informatieproducten in het omgevingsplan; j. corrigeren van verschrijvingen, inconsistenties, etc. in het omgevingsplan.

Burgemeester en wethouders van Oegstgeest

secretaris Jeffrey Versluis

burgemeester Emile Jaensch

toelichting voorstel inleiding

Op 1 juli 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving over de fysieke leefomgeving. Volgens die wet omvat de fysieke leefomgeving in ieder geval: bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Voorbereiding op invoering Omgevingswet De gemeente Oegstgeest bereidt zich voor met het programma invoering Omgevingswet. Met dit programma wordt invulling gegeven aan Route 2022 – roadmap invoering Omgevingswet van de VNG (https://vng.nl/publicaties/route-2022-roadmap-invoering-omgevingswet). Langs vijf sporen laat deze roadmap zien wat gemeenten moeten doen ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet. De vijf sporen zijn: A. Ambitie, strategie en beleid; B. Omgevingsvisie en programma; C. Omgevingsplan; D. Initiatieven-, dienstverlenings- en behandelproces; en E. Monitoring, toezicht en handhaving. Ieder spoor vermeldt de acties die gemeenten dienen uit te voeren. Binnen spoor C (omgevingsplan) valt het vaststellen van de gevallen: 1. van aanvragen van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij het college aan de raad een (de facto bindend) advies moet vragen, zoals bedoeld in art. 16.15a sub b Omgevingswet; 2.

waarbij bij de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verplicht participatie uit te voeren, zoals bedoeld in art. 16:55 lid 7 sub b Omgevingswet; 3. waarbij de raad het college verzoekt om bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren, zoals bedoeld zoals bedoeld art. 16:65 lid 4 Omgevingswet; 4. waarbij de raad aan het college de bevoegdheid delegeert om besluiten in het kader van de Omgevingswet en -regelgeving te nemen. De raad heeft op 20 april 2017 ten aanzien van de invoering van de Omgevingswet besloten bij beleid te kiezen voor het scenario “conserveren” en bij nieuwe ontwikkelingen te kiezen voor “anticiperen”. Daarnaast heeft de raad besloten bij “participatie” te kiezen voor het scenario “anticiperen” en bij nieuwe ontwikkelingen te kiezen voor “faciliteren”. Beslispunt 1. Vaststelling gevallen adviesrecht bij aanvragen omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Onder het huidige omgevingsrecht (art 2.27 Wabo) dient het college bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan de raad een “verklaring van geen bedenkingen” (VVGB) te vragen, voordat het college de vergunning kan verlenen.

De raad heeft op 19 december 2013 een lijst van gevallen (bijlage 1) opgesteld (art. 6.5 lid 3 Bor) waarbij zo’n VVGB niet nodig is, waardoor het college voor die gevallen zonder tussenkomst van de raad een vergunning kan verlenen. Onder de Omgevingswet blijft het college verantwoordelijk voor het verlenen van omgevingsvergunningen (incl. buitenplanse), maar behoeft het college alleen een (de facto bindend) advies (art. 16:15a sub b Ow) aan de raad te vragen indien het een geval betreft waarvan de raad heeft vastgesteld dat het adviesrecht wil uitoefenen. Waar onder het huidige recht altijd een VVGB nodig is, behalve als de raad het geval op een lijst heeft geplaatst, wordt de procedure onder de Omgevingswet omgekeerd. De raad zal door het college alleen om advies

3

worden gevraagd voor de gevallen die de raad op een lijst heeft geplaatst. Conform het door de raad vastgestelde scenario dat de invoering van de Omgevingswet conserverend dient te gebeuren, is de VVGB-lijst vertaald in een lijst met gevallen waarin de raad adviesrecht krijgt. Dat is bijvoorbeeld als volgt gedaan: Voorbeeld 1: Huidige wetgeving: (er is geen VVGB nodig voor:) een aanvraag van een omgevingsvergunning voor initiatieven voor een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid Omgevingswet: (de raad moet om advies gevraagd worden bij:) aanvragen van omgevingsvergunningen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid. Voorbeeld 2: Huidige wetgeving: (er is geen VVGB nodig voor:) het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden met maximaal 10%; Omgevingswet: (de raad moet om advies gevraagd worden bij:) het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden met meer dan 10%;

Beslispunt 2. Vaststelling gevallen verplichte participatie Gevallen verplichte participatie Onder het huidige omgevingsrecht wordt participatie gestimuleerd, maar is participatie niet geformaliseerd. Onder de Omgevingswet wordt participatie verplicht gesteld bij, onder andere, de vaststelling van de omgevingsvisie en het omgevingsplan (art. 10.7 lid 1 Ob, resp. art. 10.2 lid 1 Ob). Bij de aanvraag van omgevingsvergunningen wordt het uitvoeren van participatie sterk gestimuleerd, onder andere doordat de aanvrager bij de aanvraag moet invullen of hij al dan niet participatie heeft uitgevoerd (art. 16:55 lid 5 Ow). Participatie is niet verplicht behalve wanneer het een geval betreft waarvan de raad heeft besloten dat participatie verplicht is. Indien participatie niet verplicht is mag de aanvrager de vraag of hij participatie heeft verricht met “nee” beantwoorden maar moet het college de aanvraag toch in behandeling nemen. Voor het voorstel van de gevallen waarvan de raad vindt dat participatie verplicht moet zijn, is dezelfde lijst gehanteerd als bij het voorstel voor de gevallen voor het adviesrecht van de raad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.

Participatie wordt daarmee het verplichte voorportaal voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bij vergunningaanvragen waarbij de raad uiteindelijk advies aan het college uitbrengt. Dat betekent dat participatie verplicht is bij het vaststellen van de omgevingsvisie, het omgevingsplan, èn bij aanvragen van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die op de lijst staan die de raad vaststelt. Lacunes in de wetgeving De wetgeving over verplichte participatie bevat lacunes. Het toetsen van participatie als die verplicht is, is in de wet- en regelgeving, inclusief memorie van toelichting niet beschreven. De wetgever heeft nagelaten om sancties te verbinden als verplichte participatie in het geheel niet heeft plaatsgevonden. De wetgever heeft ook geen normen gesteld waar de verplichte participatie aan moet voldoen.

De oorzaak van deze onduidelijkheid ligt waarschijnlijk in de ontwikkeling die participatie tijdens de totstandkoming van de Omgevingswet heeft doorgemaakt. In eerste instantie was participatie bij omgevingsvergunningen sterk gewenst en vormvrij. De aanvrager van een vergunning had dus alle vrijheid om te kiezen voor participatie en die naar eigen inzichten in te richten. Later is daar, onder invloed van de Tweede en Eerste Kamer, verplichte participatie bij gekomen voor door de raad vast te stellen gevallen. Verschillende inzichten over verplichte participatie Er is navraag gedaan bij juristen en specialisten van andere gemeenten en bij de VNG. Dat heeft verschillende inzichten opgeleverd:  Uit het feit dat gemeenten participatie verplicht kunnen stellen in vast te stellen gevallen, moet volgens sommigen worden afgeleid dat indien er geen participatie heeft plaatsgevonden (of onvoldoende) de aanvraag buiten behandeling moet worden gesteld. Zij stellen zelfs voor om dit als criterium op te nemen in de toepasbare regels in de software van het DSO, zodat automatisch de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.  Anderen stellen dat buiten behandeling stellen niet mag omdat het slechts een indieningsvereiste is en dat participatie vormvrij is.

 Er zijn er die voorstellen om de verplichting tot participatie in participatiebeleid of een participatieverordening op te nemen, om daarmee de uitgevoerde participatie te kunnen toetsen. Maar tot op heden is er geen gemeente bekend die dat heeft gedaan. Advies VNG om het participatiebeleid na een of twee jaar te evalueren De conclusie die hieraan kan worden verbonden is dat er verwarring is over de status van de verplichting tot participatie. De VNG adviseert om de ontwikkelingen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet af te wachten en met name te wachten totdat jurisprudentie duidelijkheid geeft over de status van de verplichte participatie. De VNG adviseert tevens om na een of twee jaar de participatie te evalueren en het participatiebeleid bij te stellen indien, bijvoorbeeld jurisprudentie, daartoe aanleiding geeft.

Participatiebeleid als stimulans en beoordelingskader Tot aan die evaluatie is het wel gewenst om aanvragers van een omgevingsvergunning tegemoet te komen indien die vragen hoe zij hun participatie moeten inrichten. Het college heeft daarvoor op 30 november 2021 participatiebeleid vastgesteld voor participatie bij de aanvraag van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, zie bijlagen 2 en 3. Dit participatiebeleid is niet alleen van toepassing op vergunningaanvragen waarbij participatie verplicht is gesteld, maar ook wanneer die niet verplicht is gesteld. Het participatiebeleid bestaat uit spelregels (bijlage 2 bij dit raadsvoorstel) die voor alle aanvragen van toepassing zijn en een handreiking “in gesprek met de omgeving” (bijlage 3 bij dit raadsvoorstel). In de handreiking zijn drie categorieën van aanvragen gedefinieerd en worden suggesties gedaan hoe bij die drie verschillende categorieën participatie zou kunnen worden vormgegeven. Bij de lichtste categorie, bijvoorbeeld een dakkapel die niet vergunningsvrij is, zouden keukentafelgesprekken een passende vorm van participatie kunnen zijn. Bij de middelste categorie, bijvoorbeeld het kappen van een aantal bomen, zou een inloopavond passend kunnen zijn en bij de zwaarste categorie een informatieavond met een presentatie door de initiatiefnemer.

Bij het opstellen van dit participatiebeleid is gekeken naar de wijze waarop andere gemeenten dat hebben gedaan. Daarbij is gebleken dat Katwijk voor een pragmatische aanpak heeft gekozen, volgens de hierboven aangegeven driedeling. In goed overleg met Katwijk en de mensen die bij Oegstgeest bezig zijn met participatie is het participatiebeleid van Katwijk overgenomen en aangepast aan de “Leidraad voor participatie in Oegstgeest” die op 25 juni 2020 door de raad is vastgesteld en het “Plan van Aanpak uitwerking Leidraad participatie voor Oegstgeest”, dat op 29

september 2020 door het college is vastgesteld.

Beslispunt 3. Vaststelling gevallen uitgebreide procedure aanvraag omgevingsvergunningen Onder het huidige recht is de uitgebreide procedure van toepassing op vergunningaanvragen, zoals aangeduid in par 3.3 Wabo. Onder de Omgevingswet heeft het college de bevoegdheid om de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren op vergunningaanvragen indien een activiteit aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en het de verwachting is dat verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben (art. 16:65 lid 4 Ow). Het grootste verschil met de gewone procedure is dat op een uitgebreide procedure de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing is, waarbij de aanvraag ter inzage wordt gelegd, zienswijzen kunnen worden ingediend en de zienswijzen door het bevoegd gezag moeten worden beoordeeld. Aangezien het van toepassing verklaren van de uitgebreide procedure een bevoegdheid is van het college, is dit uitgewerkt als een verzoek van de raad aan het college om in ieder geval voor de gevallen op de lijst deze uitgebreide procedure van toepassing te verklaren. De lijst van gevallen is gelijk aan die van de adviesbevoegdheid van de raad (beslispunt 1) en voor verplichte participatie (beslispunt 2).

Beslispunt 4. Delegatiebesluiten in het kader van de Omgevingswet In veel gemeenten is een deel van de besluitvorming over (het wijzigen van) bestemmingsplannen (op grond van art. 6.12, derde lid, jo art. 3.6 Wro) door de raad aan het college gedelegeerd. Het gaat dan om besluiten van de raad waarbij het college bijvoorbeeld de mogelijkheid wordt gegeven om een bestemmingsplan te wijzigen, van het bestemmingsplan af te wijken of nadere eisen te stellen. Onder de Omgevingswet gaan de bestemmingsplannen op in het omgevingsplan. De Omgevingswet (art. 2.8) kent daarom de mogelijkheid dat de raad wijzigingen van delen van het omgevingsplan aan het college delegeert. Welke delen dat zijn dient te raad te besluiten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in tegenstelling tot onder het huidige recht betrekkelijk kleine correcties van een bestemmingsplan, bijvoorbeeld met een postzegelplan of met een regeling van kruimelgevallen, onder de Omgevingswet niet meer mogelijk zijn. Onder de Omgevingswet zijn alle ruimtelijke regels in het omgevingsplan opgenomen. Indien een onvolkomenheid, een lacune of een tegenstrijdigheid in het omgevingsplan wordt geconstateerd, dient het omgevingsplan te worden aangepast. Daarnaast bevat de Omgevingswet de plicht voor het bevoegd gezag om na de vaststelling van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, binnen vijf jaar (art.

4.17 Ow) dit in het omgevingsplan aan te passen. Een delegatiebesluit maakt het mogelijk dat voor deze gevallen de kortere procedure via het college kan worden gevolgd. Om een voorstel op te kunnen stellen voor onderwerpen die zich lenen voor een delegatiebesluit zijn de delegatiebesluiten van een aantal gemeenten geïnventariseerd en de onderwerpen in een aantal categorieën ingedeeld. Het betreft twee gemeenten in de regio (Katwijk, Zoeterwoude) die reeds een delegatiebesluit voor de Omgevingswet hebben vastgesteld en de gemeente Amstelveen, een gemeente die redelijk recent een delegatiebesluit heeft vastgesteld. De gevallen waarbij de bevoegdheid wordt gedelegeerd, zijn als volgt gecategoriseerd: Uitwerking van vastgesteld beleid of genomen besluiten: 1. Wijzigen van het Omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen (indien daarover besluitvorming heeft plaatsgevonden, Katwijk) 2. Wijzigen in het Omgevingsplan voor initiatieven waarvoor de raad geen adviesrecht heeft

(Amstelveen) 3. Vertalen van beleidsregels van raad en college in het Omgevingsplan (Amstelveen, Katwijk) Wettelijk verplicht: 4. Verwerken verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het Omgevingsplan (Amstelveen, Katwijk, Zoeterwoude) Corrigerend, redactioneel, wijziging wet- en regelgeving: 5. Wijzigen van het Omgevingsplan ten gevolge van gewijzigde wet- en regelgeving (Amstelveen, Zoeterwoude) 6. Wijzigen van technische bepalingen in het Omgevingsplan (Zoeterwoude) 7. Wijzigen van de toelichting van het omgevingsplan (Zoeterwoude) 8. Wijzigen of toevoegen van begripsbepalingen in het omgevingsplan (Amstelveen) 9. Wijzigen of toevoegen van informatieproducten in het omgevingsplan (Amstelveen) 10. Corrigeren van verschrijvingen, inconsistenties, etc (Amstelveen)

beoogd effect

De wetgever heeft gemeenteraden de mogelijkheid geboden om het inzetten van een aantal instrumenten uit de Omgevingswet aan te passen aan gemeentelijke gebruiken en wensen. Met dit raadsvoorstel wordt:  vastgesteld in welke gevallen de raad het recht heeft advies uit te brengen aan het college bij aanvragen van omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (beslispunt 1)  vastgesteld in welke gevallen van aanvragen om omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten participatie verplicht is voor de aanvrager (beslispunt 2)  vastgesteld in welke gevallen de raad het college vraagt de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (beslispunt 3) vastgesteld in welke gevallen de raad haar bevoegdheid tot het nemen van besluiten in het kader van de Omgevingswet delegeert aan het college (beslispunt 4).

argumenten

1.1 Adviesrecht raad in dezelfde gevallen als bij de VVGB-lijst De lijst met gevallen waarin het college geen VVGB-verklaring aan de raad hoeft te vragen bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is omgezet in een lijst van gevallen waarbij het college advies aan de raad moet vragen. Daardoor krijgt de raad adviesrecht bij dezelfde gevallen als waarbij nu het college een verklaring van geen bezwaar aan de raad moet vragen. Dit geeft invulling aan het besluit van de raad om de invoering van de Omgevingswet (qua beleid) conserverend te laten plaatsvinden. 1.2 Besluit noodzakelijk voor invloed raad bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten Onder de Omgevingswet is net zoals onder het vigerend recht B&W bevoegd tot het verlenen van vergunningen voor (onder andere) buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Onder het huidige recht kan B&W alleen direct een vergunning verlenen als de raad een VVGB afgeeft, of als de activiteit op de lijst staat van de gevallen waarvoor geen VVGB nodig is. Onder de Omgevingswet is de situatie omgekeerd. Het college behoeft alleen advies te vragen indien het een geval betreft waarvan de raad heeft vastgesteld dat het adviesrecht wil hebben. Als de lijst met gevallen van adviesrecht niet wordt vastgesteld, zou de raad daarmee aangeven dat de raad bij geen enkele buitenplanse aanvraag advies wil geven.

2.1 Participatie verplicht bij dezelfde gevallen als bij het adviesrecht Uit de Omgevingswet volgt dat participatie gewenst maar niet verplicht is bij elke aanvraag van een omgevingsvergunning. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid dat de raad een lijst met gevallen vaststelt waarbij participatie verplicht is. Participatie wordt verplicht gesteld bij dezelfde gevallen als waarbij de raad adviesrecht heeft. Dat betekent dat bij het uitbrengen van het advies de raad altijd kan zien hoe de participatie heeft plaatsgevonden en wat er is gedaan met de resultaten van de participatie. 3.1 Uitgebreide procedure van toepassing bij dezelfde gevallen als bij het buitenplanse adviesrecht De uitgebreide procedure is aan te bevelen voor de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met aanzienlijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving en wanneer te verwachten is dat verschillende belanghebbenden bezwaar zullen hebben, omdat in de uitgebreide procedure de uniforme voorbereidingsprocedure van par 3.4 Awb (met zienswijzen en beantwoording daarvan) van toepassing is.

Door het college te vragen om de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren bij dezelfde gevallen als waarbij de raad adviesrecht heeft en participatie verplicht is, heeft de raad de meest uitgebreide informatie als hij van zijn adviesrecht gebruik maakt. Als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd voor een geval waarvan de raad heeft aangegeven dat hij advies wil geven, moet tevens participatie hebben plaatsgevonden en moet de uitgebreide procedure zijn doorlopen. 4.1 Delegatie van bevoegdheden bij beleidsarme besluiten Onder de huidige wetgeving kan het college gebruik maken van de mogelijkheid om postzegelplannen of een regeling voor kruimelgevallen vast te stellen om onvoorziene ontwikkelingen mogelijk te maken. Die mogelijkheden verdwijnen met de Omgevingswet. Bij het eerste omgevingsplan, dat van rechtswege geldt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en onder andere alle geldende bestemmingsplannen zal bevatten, is de kans groot dat er tegenstrijdigheden in voor komen. Om die tegenstrijdigheden te corrigeren, biedt het delegatiebesluit de mogelijkheid om dat op een efficiënte wijze door het college te laten doen, in plaats van een procedure via de raad.

Datzelfde geldt voor andere beleidsarme besluiten in het kader van het omgevingsplan, bijvoorbeeld bij de wettelijke verplichting om een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit binnen vijf jaar in het omgevingsplan te verwerken of als de wijziging van het omgevingsplan een gevolg is van vastgesteld beleid. Redactionele wijzigingen en besluiten die noodzakelijk zijn als gevolg van wijziging van wet- en regelgeving behoren ook tot de categorie beleidsarme besluiten.

kanttekeningen

financiën

4.1 Het delegatiebesluit is voor Oegstgeest nieuw Het uitgangspunt dat de raad op 20 april 2017 heeft geformuleerd om de invoering van de Omgevingswet (volledig) conserverend te laten plaatsvinden, is bij het delegatiebesluit niet gevolgd, omdat Oegstgeest nooit een vergelijkbaar besluit in het kader van het vigerende omgevingsrecht heeft genomen. Het delegatiebesluit wordt toch voorgesteld omdat het voorkomt dat de raad besluiten moet nemen over wijzigingen van het omgevingsplan waarbij geen of nauwelijks beleidsvrijheid is en bij besluiten die grotendeels van administratieve aard zijn. Het voorstel heeft geen directe financiële consequenties. Het opstellen van dit raadsvoorstel behoort tot het Programma Invoering Omgevingswet.

duurzaamheid

Het voorgestelde besluit heeft geen directe gevolgen voor duurzaamheid. Duurzaamheid kan wel een onderdeel zijn bij het inzetten van de genoemde instrumenten, zoals participatie.

participatie

Participatie is niet van toepassing, omdat deze besluiten gaan over de verdeling van de bevoegdheid tussen college en raad met betrekking tot een aantal besluiten in het kader van de Omgevingswet. Overigens is participatie bij het tot stand komen van de omgevingsvisie en van het omgevingsplan verplicht volgens de Omgevingswet. Bij die gelegenheid zullen de burgers en betrokken bedrijven bij de totstandkoming worden betrokken.

communicatie of vervolg

. De besluiten worden gepubliceerd op de website Oegstgeest.raadsinformatie.nl

publiekssamenvatting

De gemeenteraad heeft besloten in welke gevallen: 1. het college aan de raad advies moet vragen bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 2. de aanvrager verplicht is participatie uit te voeren bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 3. het college de uitgebreide procedure van toepassing zal verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 4. de raad de bevoegdheid om besluiten te nemen in het kader van de Omgevingswet heeft gedelegeerd aan het college.

bijlage(n)

1. Besluit VVGB-gevallen d.d. 19 december 2013 2. Participatiebeleid, spelregels 3. Participatiebeleid, handreiking “in gesprek met de omgeving”

onderwerp zaaknummer portefeuillehouder team opgesteld door datum voorstel datum besluit

Vaststelling gevallen adviesrecht raad, gevallen verplichte participatie en gevallen uitgebreide procedure bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, delegatiebesluit Z/21/146019/289791 P. Glasbeek Ruimte M.J.J. Platell 23 november 2021 27 januari 2022

*Z027C1AE747*

raadsbesluit

De gemeenteraad van Oegstgeest; gelezen

het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 november 2021;

gelet op

artikelen 16.15a sub b, 16.55 lid 7, 16.65 lid 4 en a sub b en 2.8 van de Omgevingswet

besluit

(Gevallen adviesrecht raad) 1. De raad heeft in de volgende gevallen het recht om advies te geven, zoals bedoeld in art. 16.15a sub b Ow, bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. d. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid. (Gevallen verplichte participatie) 1. Een aanvrager is in de volgende gevallen gehouden participatie uit te voeren zoals bedoeld in art.

16.55 lid 7 Ow, alvorens een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aan te vragen: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid; c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van

d.

woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid.

(Gevallen uitgebreide procedure) 2. Het college te verzoeken in de volgende gevallen de uitgebreide procedure, zoals bedoeld in art. 16.65 lid 4 Ow, van toepassing te verklaren op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. bij aanvragen waarvoor geen “Nota van uitgangspunten” door de raad is vastgesteld; b. bij aanvragen voor de vestiging van een bedrijf anders dan een Bioscience (gerelateerd) bedrijf in Nieuw Rhijngeest Zuid; c. bij aanvragen met een behoorlijke ruimtelijke impact, zoals: i. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van woningen en bijbehorende bebouwingen indien die niet in de ruimtelijke structuur passen; ii. het wijzigen van het gebruik, vernieuwen, veranderen of vervangen van bedrijfsbebouwing indien die niet in de ruimtelijke structuur past; iii. het vergroten van bestaande bebouwingsmogelijkheden van meer dan 10%; iv. het wijzigen van gebruik van onbebouwde gronden met een oppervlakte van minimaal 500 m2 die naar aard en schaal niet in de ruimtelijke structuur passen. d. bij aanvragen voor de aanleg of aanpassing van lokale verkeers-, water en groenvoorzieningen indien die niet passen in het gemeentelijke beleid. (Delegatiebesluit) 1. De raad delegeert, zoals bedoeld in art.

2.8 Ow, in de volgende gevallen haar bevoegdheid aan het college tot het nemen van besluiten in het kader van de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving: a. wijzigen van het omgevingsplan bij nieuwe ontwikkelingen waarover de raad of college heeft besloten; b. wijzigen van het omgevingsplan voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad geen adviesrecht heeft; c. vertalen van beleidsregels van raad en college naar het omgevingsplan; d. verwerken van verleende omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten in het omgevingsplan; e. wijzigen van het omgevingsplan ten gevolge van gewijzigde wet- en regelgeving; f. wijzigen van technische bepalingen in het omgevingsplan; g. wijzigen van de toelichting op het omgevingsplan; h. wijzigen of toevoegen van begripsbepalingen in het omgevingsplan; i. wijzigen of toevoegen van informatieproducten in het omgevingsplan; j. corrigeren van verschrijvingen, inconsistenties, etc. in het omgevingsplan.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van Oegstgeest op 27 januari 2022. de griffier

de voorzitter

Fred Kromhout

Emile Jaensch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11044061/1