CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

RV d.d. 13 april 2021 Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+ Z-20-131552 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 7 juni 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+4.924 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

onderwerp zaaknummer portefeuillehouder team opgesteld door datum voorstel datum raad

Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+ Z/20/131552/280930 P. Glasbeek Bestuur, strategie en bedrijfsvoering P. van der Meij 13 april 2021 3 juni 2021

*Z0250F4C5C3*

raadsvoorstel

B&W stelt de raad voor het volgende te besluiten: voorstel

1. De samenwerking op het gebied van de energie- en warmtetransitie in de Leidse regio met de overige vier Leidse regiogemeenten en Katwijk te formaliseren ten behoeve van onder meer de totstandkoming van een open regionaal transport- en distributienet. 2. De regionale organisatie warmtetransitie Leidse regio in oprichting een budget mee te geven van € 179.383 dat bijdraagt aan een totaal van maximaal 2 miljoen vanuit de zes gemeenten voor de periode tot eind 2022. 3. De intentie uit te spreken om, ter invulling van de geformaliseerde samenwerking binnen de Leidse regio ten behoeve van de totstandkoming van een open regionaal transport en distributienet, voor de periode vanaf 1 januari 2023 een regionaal te vormen investeringsfonds op te bouwen. 4. Voor die wijken waarvoor een collectief warmtenet de laagste maatschappelijke kosten draagt te kiezen voor een energie-mix waarbij op dit moment wordt uitgegaan van een substantiële voeding met restwarmte via het warmtetransportnet WLQ+. 5. Binnen de kaders van dit raadsbesluit het college te mandateren om ter uitvoering van dat raadsbesluit formele afspraken te maken met Gasunie en/of andere partijen om de ingezette koers te kunnen vervolgen. 6.

De realisatie van de beslispunten 4 en 5 afhankelijk te maken van de (tijdige) besluitvorming en uitvoering door andere partijen als het gaat om de WarmtelinQ+ en de beschikbaarheid van restwarmte voor de Leidse regio, waarbij de Leidse regio haar verantwoordelijkheid pakt om partners in de energietransitie aan te moedigen hun deel in de collectieve verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie te nemen.

Burgemeester en wethouders van Oegstgeest

de secretaris Jeffrey Versluis

de burgemeester Emile Jaensch

toelichting voorstel inleiding

In regionaal verband zijn in het afgelopen jaar gesprekken gevoerd met bovenregionale partijen waaronder Gasunie, het ministerie van EZK en de provincie Zuid-Holland over de warmtelevering vanuit Rotterdam naar de Leidse regio. Aanleiding voor de Leidse regio om in die verkenning te participeren, is de gezamenlijke ambitie om de huidige energievoorziening te verduurzamen en om deze ook betaalbaar te houden voor onze inwoners. In een eerste fase is onderzocht of er een haalbare business case is voor landelijke partijen om de warmtetransportleiding mogelijk te maken, in eerste instantie van de Rotterdamse haven naar Rijswijk en vervolgens met een aftakking naar Leiden. Vervolgens hebben de colleges in de Leidse regio en Katwijk in juni 2020 besloten om met bovenregionale partijen een laatste onderzoeksfase in te gaan en om, onder bepaalde voorwaarden, de intentie uit te spreken om te komen tot het afgeven van een afnamegarantie. In de laatste onderzoeksfase zijn we als regio tot de conclusie gekomen dat het vanuit onze publiekrechtelijke gemeentelijke rol niet past om als partner deel te nemen aan het project Warmtelinq+ en evenmin om een financiële garantstelling af te geven voor de warmtetransportleiding. Wel hebben we als regio aangegeven dat we in de warmtetransportleiding een kans zien om onze energievoorziening te verduurzamen en mogelijk te versnellen.

Het belang van de warmtetransportleiding voor in eerste instantie de aanvoer van hoge temperatuur warmte als aanjager van de energietransitie wordt ook onderschreven in de Regionale Energiestrategie (RES 1.0) Naast de mogelijke beschikbaarheid van restwarmte is de verwachting dat geothermie ook in voldoende mate beschikbaar zal komen in Holland Rijnland om de vraag voor hoge- en middentemperatuur warmte op een betaalbare manier in te vullen. Die kansen lijken er in ieder geval te zijn voor de Duin- en Bollenstreek. Ook voor geothermie en andere bronnen zijn warmtetransportnetten cruciaal om de juiste temperatuur warmte op de juiste plaats te krijgen. Deze potentie voor verschillende warmtebronnen is voor de Leidse regio en Katwijk aanleiding om een geformaliseerde samenwerking aan te gaan met als doel de totstandkoming van een open regionaal transport- en distributienet mogelijk te maken, waarop meerdere (lokale en bovenlokale) bronnen van duurzame warmte kunnen aansluiten. Daarvoor zien de gemeenten noodzaak om vanuit hun publiekrechtelijke rol gezamenlijk taken op te pakken en te organiseren.

beoogd effect

Door als Leidse regio onze publiekrechtelijke verantwoordelijkheid te pakken daarbinnen samen te kijken naar de benodigdheden om een aantal wijken aan te kunnen aansluiten op hoge- en middentemperatuur warmte beogen we tijdig de juiste infrastructuur gereed te hebben voor de aanlevering van de benodigde warmte aan dat deel van de gebouwde omgeving dat afhankelijk is van specifiek hoge temperatuur warmte. In de RES 1.0 is helder opgenomen dat zonder toevoeging van restwarmte uit Rotterdam als alternatieve warmtevoorziening de energietransitie maar moeilijk op gang zal komen en het nog de vraag is of er dan voldoende lokale bronnen zijn om de gebouwde omgeving in de regio te voorzien van warmte van de juiste temperatuur.

argumenten

1.1. De samenwerking tussen de zes gemeenten is nodig om zowel de warmteketen als het open energiesysteem (warmte, elektriciteit en gas) en de sturing op publieke waarden daarbinnen verder vorm te geven. Voor de gemeenten in de Leidse regio staat het realiseren van de doelstellingen uit de warmtetransitie (CO2-reductie) en daarmee borgen van een duurzame1, betaalbare, haalbare, betrouwbare warmtevoorziening voor alle inwoners centraal. Deze publieke waarden vormen het vertrekpunt voor sturing en rolneming in de warmtetransitie. De zes gemeenten erkennen de regionale afhankelijkheden in de warmteketen zoals hiervoor geschetst en beschouwen een daadkrachtige sturing op de warmteketen en rolneming van gemeenten in relatie tot maatschappelijke partners en marktpartijen in de warmtetransitie als noodzakelijk om voldoende slagkracht te hebben als regisseur van de energietransitie. Deze geen lock-in die een overschakeling naar meer duurzame bronnen tegenhoudt: bij gelijke geschiktheid qua duurzaamheid en betaalbaarheid, worden lokale bronnen eerst ingezet. 1

2

constatering vormt de basis voor de keuze om als zes gemeenten samen te werken op de warmtetransitie en een gezamenlijke organisatie en passend financieel instrumentarium vorm te geven. In de gesprekken over de ambitie om een open regionale warmteketen vorm te geven is het onderstaande schema als referentiekader gehanteerd:

In de verhouding tussen overheden en marktpartijen is de inzet van de Leidse regio om een open regionale warmteketen mogelijk te maken, waarbij meerdere marktpartijen een bron van warmte kunnen aansluiten, bij voorkeur ook lokale bronnen van warmte. Daarnaast kunnen in een open warmteketen meerdere marktpartijen maar ook publiek-private samenwerkingsvormen en coöperatieve modellen de distributie en levering voor hun rekening nemen. Verder wordt overwogen of het model van een geïntegreerde rolneming op transport en distributie door een regionaal netbeheerder ook mogelijk gemaakt kan worden. Dit lijkt meer voor de hand te liggen als het netbeheer voor de combinatie van warmte, gas en elektriciteit (geïntegreerd energiesysteem) in de Leidse regio georganiseerd moet worden. De keuze voor samenwerking in de periode medio 2021 tot en met eind 2022 kan worden genomen zonder vooruit te lopen op de bestuurlijke en politieke keuzes over de lokale transitievisies warmte. Deze keuze kan worden gemaakt in aanvulling op de regionale structuur warmte (RSW) als onderdeel van de RES Holland Rijnland. Deze keuze kan de komende tijd verder worden geconcretiseerd voor de Leidse regio.

Een waarschijnlijke samenwerkingsvorm is de “regeling zonder meer” en komt neer op een publiekrechtelijke afspraak tussen de samenwerkende bestuursorganen van gemeenten, zonder dat daarvoor een specifieke rechtsvorm wordt gekozen. Anders dan bij de wettelijk geregelde vormen (bijvoorbeeld gemeenschappelijk orgaan of openbaar lichaam) is het bij de regeling zonder meer dan ook niet mogelijk om bevoegdheden toe te delen. Als uitgangspunten voor de samenwerking worden in ieder geval slagvaardigheid, deskundigheid, democratische legitimiteit, doelmatigheid en flexibiliteit gehanteerd. Een eventuele aanvulling en nadere uitwerking van deze uitgangspunten volgt voor 1 augustus 2021. Als voorlopige reikwijdte van de samenwerking wordt voorgesteld om deze minimaal te omschrijven als de gezamenlijke voorbereiding van besluitvorming en juridische en planologische procedures nodig voor de operationalisering van de vormgeving van de warmteketen in ontwerp, totstandkoming en beheer. Verder om in deze samenwerking ook specifiek te kijken naar de samenwerking met woningcorporaties en andere relevante partners. De komende 1,5 jaar zullen worden benut om te verkennen welke organisatie- en rechtsvorm benodigd en passend is om de warmtetransitie in de Leidse regio vanaf 1 januari 2023 te organiseren.

Hiermee krijgt de organisatie de tijd om los van mogelijke onzekerheden rondom de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen voldoende vorm te krijgen. In deze verkenningstijd is het nodig ook te kijken hoe dit zich verhoudt tot de bestaande lokale organisaties en samenwerkingsverbanden en mogelijke vormgeving van een regionale uitvoeringsorganisatie voor de energietransitie in Holland Rijnland (uitvoering RES 1.0 en doorontwikkeling naar RES 2.0). Daarbij wordt expliciet gekeken ook naar samenwerking met de Duin- en Bollenstreek, onder andere als het gaat om geothermie. Voorgesteld wordt om de samenwerking vast te leggen in een samenwerkingsconvenant. Hierbij raadplegen we de raden en informeren wij hen periodiek over het proces van verkenning van de samenwerking, te starten met de raad voor 1 augustus 2021 via een raadsinformatiebrief te informeren over een voorlopige processchets. Voor het aangaan van de Regeling zonder meer

door het college is o.g.v. art. 1 lid 2 Wet gemeenschappelijke regelingen toestemming van de gemeenteraad nodig. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Voor komende tijd betekent dit een borging van de stabiele programma-organisatie tot eind 2022. 1.2. In het Nader Coalitieakkoord is steun uitgesproken voor de inzet van het college bij de onderhandelingen op dit dossier evenals het treffen van een financiële voorziening bij positieve besluitvorming. In het Nader Coalitieakkoord heeft de coalitie aangegeven het college te steunen in de regionale onderhandelingen met landelijke partijen. De afnamegarantie die daarin nog werd benoemd is van de baan, wel wordt er nog steeds regionaal ingezet op het warmtetransportnet ten behoeve van de energietransitie in de Leidse regio. Ook wordt in het Nader Coalitieakkoord steun uitgesproken voor de RES-doelstellingen. Ook in die doelstellingen wordt het belang van restwarmte als duurzame bron en startmotor voor de energietransitie benoemd. Conform het Nader Coalitieakkoord is de inzet van restwarmte voor bepaalde wijken in Oegstgeest gebaseerd op de Transitievisie Warmte, waarbij laagste maatschappelijke kosten van het warmtealternatief zwaar meewegen in het aanwijzen van wijken. 2.

Om de programmaorganisatie verder vorm te geven en voor te sorteren op vervolgstappen is een budget van maximaal 2 miljoen voor de periode tot eind 2022 noodzakelijk. Voorgesteld wordt om de verdeling van de totale bijdrage aan de programma-organisatie van maximaal 2 miljoen euro te baseren op het inwonertal van de gemeenten. Dit vertaalt zich door aan de volgende incidentele bijdrage voor de zes gemeenten: Leiden Katwijk Leiderdorp Voorschoten Oegstgeest Zoeterwoude

€ 903.408 € 474.838 € 195.386 € 184.843 € 179.383 € 62.141 € 2.000.000

Voor 1 augustus 2021 wordt een plan van aanpak in de colleges vastgesteld waarin duidelijk wordt hoe de maximaal 2 miljoen euro wordt ingezet, welke afspraken worden vormgegeven over de sturing op effectieve inzet van deze middelen en welke verdeling van het budget over 2021 en 2022 wordt voorgesteld. Het beeld waar de 2 miljoen euro voor nodig is betreft de volgende onderdelen: Pakken van rolneming als regisseur van de energietransitie, conform afspraken in Klimaatakkoord. Een samenwerkingsorganisatie op de warmtetransitie vorm te geven. Een team van professionals te vormen in combinatie met de inzet van collega’s binnen de zes gemeenten. Duurzame competentie- en kennisontwikkeling vraagt hierbij aandacht. Het ontwerpen en ontwikkelen van een open regionale energie-infrastructuur (warmte, gas, elektriciteit) en energyhubs. Samenwerking met netbeheerders zoals Alliander, TenneT, Gasunie en andere relevante partijen zoals EBN en InvestNL hierop. Het in beeld krijgen van de investeringsbehoefte en een meerjarig beeld bij de mogelijke realisatie hiervan en de eerste stappen daarin te zetten. Het ontwerp van een financieel instrumentarium dat past bij de rolneming en borging van sturing op publieke waarden in de warmtetransitie. Dit betreft de uitwerking van de intentie van een regionaal investeringsfonds (waarover verderop in dit document meer).

De totstandkoming van een voorlopig ontwerp, de ruimtelijke inpassing (PIP) en de voorbereiding op aanleg van WarmtelinQ+ en aansluiting op het bestaande warmtenet. Samenwerking met Gasunie/WarmtelinQ, PZH en Vattenfall hierop. Regionaal kunnen afspraken worden gemaakt over welke gebieden en wijken in welke periode mee te nemen in de warmtetransitie.

-

-

De benutting van restwarmte via WarmtelinQ+, het doen van een marktverkenning gericht op het ontwerp van mogelijke warmtekavels en te ontwikkelen distributienetten en de samenwerking met woningcorporaties, VVE’s en andere partijen hierop. Het stimuleren van initiatieven uit de samenleving en regionale verbindingen leggen tussen energie-coöperaties en buurtwarmte-initiatieven, als gevolg van een open regionale energieinfrastructuur.

Naar verwachting wordt uiterlijk in de decembercirculaire 2021 van het Rijk duidelijkheid verschaft over de keuze van het nieuwe kabinet als het gaat om de vergoeding van uitvoeringslasten Klimaatakkoord. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft hierover in het voorjaar 2021 het adviesrapport ‘Van Parijs naar praktijk’ uitgebracht, gebaseerd op onderzoek artikel 2 Wet financiële verhoudingen. Het advies luidde om 1,6 miljard euro beschikbaar te stellen voor de gemeenten voor de periode 2022-2024, waarbij het om een bedrag van 350 miljoen euro per jaar gaat voor de transitie in de gebouwde omgeving. Voorgesteld wordt dat als de gemeenten uitvoeringsgelden Klimaatakkoord beschikbaar gesteld krijgen, er met terugwerkende kracht een herijking van de verdeelsleutel plaatsvindt met ingang van dit besluit op basis van de verdeelsleutel en spelregels van de totstandkoming van deze uitvoeringsgelden. Rond de zomer 2022 zal een voorstel worden ontwikkeld over het al dan niet vanaf 1 januari 2023 voortzetten van de regionale samenwerking. Voor een voortgezette samenwerking vanaf 1 januari 2023 zijn geen middelen begroot. Verwacht wordt dat dan wel duidelijkheid is over de beschikbaarheid van aanvullende middelen vanuit de rijksoverheid voor de energietransitie (uitvoering taken Klimaatakkoord). 3.

De bestuurlijke intentie is uitgesproken om een regionaal investeringsfonds in te richten en een verkennend onderzoek te doen naar de praktische vormgeving en te verwachten impact hiervan op de sturing op publieke waarden in de warmtetransitie. We streven er naar de investeringsbehoefte in de energie-infrastructuur van de Leidse regio en een eerste beeld van mogelijke financiële bijdragen van partners in deze investeringen helder te hebben per eind 1e kwartaal 2022. De regie op de totstandkoming van een bovenlokale of regionale energie-infrastructuur beschouwen wij als een opgave waarop netbeheerders, gemeenten, woningcorporaties, provincie en marktpartijen met elkaar samenwerken. Met het uitspreken van deze bestuurlijke intentie is uiteraard nog geen concrete verbintenis aangegaan om middelen ergens voor in te zetten. Er volgen daarom uit deze intentieverklaring nog geen verbintenissen voor de gemeenten naar derden, anders dan de intentie naar elkaar toe. Voorgesteld wordt om een verkennend onderzoek te doen naar de praktische invulling en de verwachte impact van een dergelijk investeringsfonds. De bedoeling is dat het resultaat van dit onderzoek tijdig op tafel ligt zodat het kan worden verwerkt in een ontwerp van een regionaal investeringsfonds dat begin 2022 gereed is.

De opzet van een regionaal investeringsfonds betekent dat er nog veel afspraken gemaakt moeten worden, zoals gemeentelijke versus regionale inzet van een investeringsfonds, de verbinding tussen de financiële bijdrage en bestuurlijke invloed (governance) bij investeringen. Dit zal in de opzet voor een investeringsfonds worden meegenomen. Met dit besluit wordt geen financiële toezegging gedaan. Daarnaast volgen uit deze intentieverklaring nog geen verbintenissen voor de gemeenten naar derden, anders dan de intentie naar elkaar toe. Bij niet nakoming hiervan resulteert dit ook niet tot causaal daaraan verbonden schade die de partners kunnen ervaren en bij elkaar gaan claimen. 4. Bestuurlijk is de keuze gemaakt om restwarmte te benutten in de Leidse regio. Daarnaast is ook in de RES opgenomen dat restwarmte een belangrijke warmtebron die in grote mate bijdraagt aan het halen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. De bestuurlijke keuze om restwarmte te benutten is gebaseerd op een aantal argumenten. Ten eerste betreft dit de constatering van de opgave om in de regio 125.000 woningen te

verduurzamen. In de regio kunnen naar inschatting zo’n 50.000 woningen – in aanvulling op het bestaande Vattenfall warmtenet – worden voorzien van hoge of midden temperatuur duurzame warmte. Dit kan om restwarmte gaan en in de Leidse regio naar verwachting ook om geothermie. Deze inschatting wordt hieronder geduid in de verdeling per gemeente:

Ten tweede wordt restwarmte via WarmtelinQ+ met de kennis van nu gezien als een vorm van duurzame warmte die het best beschikbaar is als bron van collectieve warmtevoorziening. Restwarmte vormt voorlopig in de energiemix de basis en is complementair aan andere vormen van duurzame warmte op een midden of lagere temperatuur naarmate de behoefte aan hoge temperatuur warmte als gevolg van meer isolatie afneemt. Restwarmte is een vorm van duurzame warmte. In onderstaande tabel uit onderzoek door GreenVIS in opdracht van het ministerie EZK2 is te zien hoe duurzaam restwarmte scoort in vergelijking tot andere warmtetechnieken. Duurzaamheid wordt hier gemeten aan de hand van de CO2-uitstoot per GJ. In de tabel is te zien dat restwarmte op termijn steeds duurzamer wordt. Dit heeft te maken met twee ontwikkelingen: 1. De sector industrie, waar de restwarmte vandaan komt, verduurzaamt zelf ook. De industrie heeft een eigen opgave met doelen om te verduurzamen waardoor restwarmte als bron duurzamer wordt. Dat neemt niet weg dat restwarmte nu ook al als duurzaam wordt gezien omdat de warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. 2. Het systeem wordt efficiënter doordat de Piek- en Back-up voorzieningen op termijn meer gebruik zullen maken van hernieuwbare energie en door technologische ontwikkeling.

Geothermie Restwarmte Aquathermie Aardgas (cv-ketel)

in 2019 14,3 kg CO2/GJ 18,6 kg CO2/GJ 33,6 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ

in 2030 8,6 kg CO2/GJ 9,5 kg CO2/GJ 11,7 kg CO2/GJ 58,5 kg CO2/GJ

In de tabel is goed af te lezen dat de duurzame warmteoplossingen steeds duurzamer worden omdat de techniek in ontwikkeling is. Dit geldt niet voor aardgas. Restwarmte is ook duurzame warmte omdat die warmte anders de lucht of het water in zou gaan in de Rotterdamse haven. Nu wordt deze warmte opnieuw benut. CO2 uitstoot restwarmte haven Rotterdam wordt toegerekend aan industrie, met eigen opgave en 2

‘Inventarisatie duurzaamheid warmtenetten. Normstelling CO2-emissie Wet collectieve Warmtevoorziening’, pag. 21

doelen om te verduurzamen. Ten derde is een keuze voor restwarmte ook een keuze vanuit maatschappelijke kostenbatenperspectief. Alliander geeft aan dat voor de verzwaring van het elektriciteitsnet bij 100% elektrificatie van warmtevraag in Leidse regio (excl. kosten eindgebruikers, isolatie e.d.) een bedrag van 190 miljoen euro moet worden geïnvesteerd. Dit bedrag moet worden vergeleken met de investering voor de realisatie van transport- en distributienetten en de kosten voor eindgebruikers (aanpassing op woningniveau bij collectieve warmtevoorziening). Ook het ruimtebeslag van uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur en opwek duurzame elektriciteit in vergelijking met het ruimtebeslag van warmtenetten en installaties (bovengronds en ondergronds) weegt daarin mee. Tenslotte wordt vanuit de RES Holland Rijnland ook een keuze voor restwarmte gemaakt, omdat de beschikbaarheid van HT-bronnen in de regio niet voldoende is en er dus bovenregionale bronnen moeten worden ingezet. Over een meer precieze duiding of objectivering van deze maatschappelijke kosten en baten beschikken wij momenteel niet. Wij zien dit als een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid en de provincie om dergelijke afwegingen te maken. De Provincie heeft hier al een zogenaamde warmteladder voor opgesteld, die ook in RES-verband is overgenomen.

Wij beschouwen op basis van dit argument het benutten van restwarmte en andere duurzame bronnen van warmte als een inspanning van provincie, gemeenten en Alliander als partners in RES-regio Holland Rijnland. Ten vierde kan restwarmte via WarmtelinQ+ als startmotor een belangrijke rol vervullen in het op gang brengen van de warmtetransitie door vraagontwikkeling en de noodzakelijke aanleg van distributienetten. Deze distributienetten zijn ook nodig voor de benutting van andere duurzame bronnen zoals geothermie en aquathermie. De verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke benutting van restwarmte ligt niet bij gemeenten, met uitzondering van aansluiting van eigen vastgoed. Noodzakelijk is dat de betaalbaarheid door het rijk gefaciliteerd zal worden. De mogelijkheid om SDE++ subsidie beschikbaar te krijgen voor de benutting van duurzame warmtebronnen in de Leidse regio wordt de komende tijd verkend in samenwerking met de nationale partners. De betaalbaarheid zal in grote mate het tempo van de transitie bepalen en kan met de SDE++ subsidie verbeteren. 5. Mandaat voor het college is noodzakelijk om formele afspraken te kunnen maken met Gasunie en eventuele andere partijen binnen de gestelde kaders. Door te kiezen voor de formulering ‘formele afspraken’ hoeft de uitwerking niet altijd tot een overeenkomst beperkt te blijven.

Doordat Gasunie of andere partijen uit hoofde van dit voorstel geen economisch voordeel ontvangen van de gemeenten in de Leidse regio is vooralsnog geen sprake van een risico op staatssteun. Dat risico dient telkens te worden getoetst bij het aangaan van samenwerkingen en bij het maken van nadere afspraken op basis van het bestuurlijke mandaat. 6.

Alle partijen dragen verantwoordelijkheid vanuit een bepaalde rol en voor een bepaalde bijdrage, niet alleen de Leidse regio. De Leidse regio trekt met de voorliggende beslispunten haar eigen plan om vanuit haar eigen rol en verantwoordelijkheid gezamenlijk en voortvarend de warmtetransitie op te pakken. Echter, de zes gemeenten in de Leidse regio maken het voorbehoud dat als andere partners hun deel van de collectieve verantwoordelijkheid in besluiten en uitvoering niet pakken, ook de uitvoering van besluiten door de zes gemeenten kan worden gestopt. De warmtetransitie is een collectieve verantwoordelijkheid van overheden, marktpartijen, maatschappelijke partners en de samenleving. Het is niet alleen een opgave van de gemeenten. Gemeenten werken lokaal en regionaal samen met woningcorporaties, regionaal en landelijk met netbeheerders en investeerders en beleidsmatig, juridisch, ruimtelijk, financieel en communicatief met de provincie en de rijksoverheid en diverse publieke uitvoeringsorganisaties of (overheids)bedrijven met een publieke taak zoals Gasunie. Besluiten die in de colleges en raden betrekking hebben op de benutting van restwarmte via de WarmteLinQ+ specifiek maar ook besluiten die betrekking hebben op de warmtetransitie in de regio in het algemeen hebben dus alleen zeggingskracht en zullen alleen voortvarend kunnen

worden opgepakt door gemeenten als ook de noodzakelijke besluiten door de andere partijen genomen worden. Anders gezegd, de zes gemeenten in de Leidse regio zullen als andere partners hun deel van de collectieve verantwoordelijkheid in besluiten en uitvoering niet pakken, ook zelf een voorbehoud maken in de uitvoering van hun verantwoordelijkheid.

kanttekeningen

1. De regio heeft nog geen zekerheden op de door ons gestelde voorwaarden Landelijke partijen geven ons vooralsnog geen harde garanties op onze voorwaarden die we op 23 juni 2020 in alle colleges hebben vastgesteld. Het juridisch instrumentarium (nieuwe warmtewet) is er nog niet en op het punt van betaalbaarheid kan EZK momenteel geen harde toezeggingen doen anders dan dat er wordt onderzocht of de SDE++ kan worden uitgebreid voor restwarmteprojecten zoals WLQ+. Ondanks dat er nog veel onduidelijkheid is binnen dit dossier is het noodzakelijk dat we ons hiervoor inzetten. Een deel van de gebouwde omgeving binnen Oegstgeest is afhankelijk van hoge temperatuur warmte om huizen en gebouwen in de toekomst zonder aardgas te kunnen verwarmen. Er zijn op dit moment weinig andere, betaalbare bronnen die ons de benodigde capaciteit en temperatuur kunnen leveren. Ook binnen de Regionale Energiestrategie (RES) wordt het belang van restwarmte onderschreven. Mochten we niet meedoen op dit dossier dan is de kans groot dat we niet genoeg hoge temperatuur warmte krijgen om zonder onnodige hoge investeringen bepaalde wijken binnen Oegstgeest van het aardgas af te kunnen koppelen. In het nader Coalitieakkoord geeft de coalitie aan stappen te willen zetten op dit dossier.

financiën

1. Beslispunt 2: De regionale organisatie warmtetransitie Leidse regio in oprichting een budget mee te geven van 2 miljoen voor de periode tot eind 2022 om de organisatie vorm te geven en in effectieve samenwerking met Gasunie, Alliander, woningcorporaties en andere partners eerste stappen te zetten in de totstandkoming van een open regionaal transporten distributienetwerk. Het bedrag van maximaal 2 miljoen zal worden verdeeld naar inwonertal van de zes gemeenten. Dat betekent voor de gemeenten de volgende incidentele bijdrage:

Leiden Katwijk Leiderdorp Voorschoten Oegstgeest Zoeterwoude

€ 903.408 € 474.838 € 195.386 € 184.843 € 179.383 € 62.141 € 2.000.000

Voorstel voor de dekking is om in de aankomende kadernota 2022-2025 de inzet van de duurzaamheidsreserve voor dit deel op te nemen. Voor dit budget wordt een samenwerkingsorganisatie opgericht. In de zomer wordt een programmaplan verwacht waarin duidelijk wordt hoe de maximaal 2 miljoen wordt ingezet. Ook de capaciteit en inzet van medewerkers uit andere zal hierin een rol moeten krijgen. 2. Beslispunt 3: De intentie uit te spreken om voor de periode vanaf 1 januari 2023 een regionaal te vormen investeringsfonds op te bouwen. In dit voorstel wordt geen besluit genomen over de regionale samenwerking en te vormen investeringsfonds vanaf 2023, hiernaar wordt een onderzoek voorgesteld. De resultaten uit dit onderzoek zullen worden vertaald in een ontwerp van het investeringsfonds om te toetsen bij de raden en colleges zodat dit kan worden meegewogen in de voorbereiding op besluitvorming over de begroting 2023 en verder. Hiervoor is nog geen begroting of dekking beschikbaar.

duurzaamheid

participatie

Er is in Oegstgeest een groot aantal oude woningen die zonder vergaande isolatie op dit moment niet door een midden of lage temperatuur warmtebron verwarmd kan worden. Voor deze huizen is hoge temperatuur warmte cruciaal en vooralsnog een van de meest betaalbare alternatieven voor aardgas. Alle woningen elektrificeren vergt hoge maatschappelijke kosten én ruimtelijke impact voor verzwaring van de netten en is bovendien niet haalbaar voor oudere woningen in Oegstgeest. Ook hybride warmtepompen en aquathermie vragen elektriciteit. Inzet van waterstof wordt niet voor 2030 verwacht en daarvoor moet ook meer hernieuwbare energie komen om het te produceren. Geothermie is in potentie aanwezig in de regio, lijkt betaalbaar, maar is nog in een vroege onderzoeksfase. Hoge temperatuur restwarmte is op dit moment de enige bron die deze vraag kan vervullen. Ook in de (RES) is benoemd dat hoge temperatuur restwarmte een belangrijke rol speelt in de energietransitie en het behalen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord. n.v.t.

communicatie of vervolg

Het voorstel is tot stand gekomen na intensieve afstemming en voorbereiding door de zes gemeenten gezamenlijk. De partijen betrokken bij de realisatie van WLQ+ (Ministerie van EZK, Provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam en Gasunie) zijn op de hoogte van de inhoud van het voorstel. Het besluit van de Raad zal gecommuniceerd worden in onderlinge afstemming met de andere gemeenten

publiekssamenvatting

Warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+ Gemeenten staan samen met de provincies en het Rijk voor de taak om duurzame energie op te wekken en beschikbaar te stellen aan hun inwoners en bedrijven, en om in 2030 1,5 miljoen woningen te hebben verduurzaamd. Oegstgeest werkt aan plannen hiervoor in nauwe samenwerking met de andere gemeenten in de Leidse regio en Katwijk. Het college van burgemeester en wethouders stelt de gemeenteraad voor om deze samenwerking te formaliseren en verder te versterken en zo vanuit hun publiekrechtelijke rol een open regionaal warmtenet

mogelijk te maken. Dit netwerk kan dan worden aangesloten op een restwarmteleiding uit Rotterdam die mogelijk door Gasunie wordt aangelegd. Onderdeel van het voorstel is om vanuit de zes gemeenten gezamenlijk, een financieel commitment af te geven voor een eenmalig bedrag van maximaal 2 miljoen euro voor de periode tot eind 2022. Daarvan komt € 179.383 voor rekening van Oegstgeest. Dit geld is bedoeld om de gezamenlijke organisatie vorm te geven en met partners zoals Gasunie, Alliander en woningcorporaties de eerste stappen te zetten voor een open regionaal transportnetwerk voor warmte. Verder zullen ook de mogelijkheden voor een gezamenlijk investeringsfonds worden onderzocht.

bijlage(n)

onderwerp zaaknummer portefeuillehouder team opgesteld door datum voorstel datum besluit

Samenwerking warmtetransitie Leidse regio en restwarmte via WLQ+ Z/20/131552/280930 P. Glasbeek Bestuur, strategie en bedrijfsvoering P. van der Meij 13 april 2021 3 juni 2021

*Z0250F4C5C3*

raadsbesluit

De gemeenteraad van Oegstgeest; gelezen

het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 april 2021;

gelet op

De landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord;

besluit

1. De samenwerking op het gebied van de energie- en warmtetransitie in de Leidse regio met de overige vier Leidse regiogemeenten en Katwijk te formaliseren ten behoeve van onder meer de totstandkoming van een open regionaal transport- en distributienet. 2. De regionale organisatie warmtetransitie Leidse regio in oprichting een budget mee te geven van € 179.383 dat bijdraagt aan een totaal van maximaal 2 miljoen vanuit de zes gemeenten voor de periode tot eind 2022. 3. De intentie uit te spreken om, ter invulling van de geformaliseerde samenwerking binnen de Leidse regio ten behoeve van de totstandkoming van een open regionaal transport en distributienet, voor de periode vanaf 1 januari 2023 een regionaal te vormen investeringsfonds op te bouwen. 4. Voor die wijken waarvoor een collectief warmtenet de laagste maatschappelijke kosten draagt te kiezen voor een energie-mix waarbij op dit moment wordt uitgegaan van een substantiële voeding met restwarmte via het warmtetransportnet WLQ+. 5. Binnen de kaders van dit raadsbesluit het college te mandateren om ter uitvoering van dat raadsbesluit formele afspraken te maken met Gasunie en/of andere partijen om de ingezette koers te kunnen vervolgen. 6.

De realisatie van de beslispunten 4 en 5 afhankelijk te maken van de (tijdige) besluitvorming en uitvoering door andere partijen als het gaat om de WarmtelinQ+ en de beschikbaarheid van restwarmte voor de Leidse regio, waarbij de Leidse regio haar verantwoordelijkheid pakt om partners in de energietransitie aan te moedigen hun deel in de collectieve verantwoordelijkheid voor de warmtetransitie te nemen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van Oegstgeest op 3 juni 2021. de griffier

de voorzitter

Fred Kromhout

Emile Jaensch

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10068370/1