Bijlage bij RM d.d. 30 november 2021 Erratum Verordening fysieke leefomgeving Z-21-146019 Oegstgeest
Tekst van het document
Met het aanbrengen van voorwerpen wordt bijvoorbeeld bedoeld het aanbrengen van verlichting. De draden van de verlichting kunnen de houtopstand afknellen en snoeiwerk onmogelijk maken. Artikel 3.111 (afstand tot erfgrenslijn) [artikel 12 en definitie ‘boom’ Bomenverordening] Volgens artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek is het niet geoorloofd binnen 2 m van de grenslijn van een erf een boom te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven of dat erf een openbare weg of een openbaar water is. Voor heesters en heggen te hebben geldt een afstand van 0,5 m. In een gemeentelijke verordening kunnen afwijkende afstanden worden toegelaten. Van die mogelijkheid is in dit artikel gebruik gemaakt. Voor bomen geldt een minimale afstand van 0,5 m. Voor heesters en heggen is de afstand nihil. Die mogen dus direct tot aan de erfgrens voorkomen. Voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 zijn aangeplant (datum inwerkingtreding Bomenverordening Oegstgeest 2019) en die tevens vermeld staan op de groene kaart of de bomenlijst of waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101, is deze afstand ook nihil. In artikel 3.112, tweede lid, is bepaald dat de afstand tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam. Om misverstanden te voorkomen bepaalt het tweede lid dat onder de bomen, bedoeld in het eerste lid, onder a, ook vallen bomen met een stamdiameter van minder dan 15 cm.
Artikel 3.112 (wijze van meten) [artikel 5, eerste lid, onder a, en definitie ‘boom’, Bomenverordening] In dit artikel is geregeld hoe de stamdiameter van een boom en de afstand van een boom tot de erfgrens moeten worden gemeten. HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD AFDELING 4.1 ONDERHOUD- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN § 4.1.1 Algemeen Artikel 4.1 (toepassingsbereik) In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in afdeling 4.1. Die regels zijn alleen van toepassing op het aanleggen, beheren, onderhouden, vervangen en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving die zijn aangewezen in deze afdeling. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in paragraaf 4.1.1 alleen gelden voor de onderdelen van de fysieke leefomgeving die in afdeling 4.1 zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geldt dus niet voor alle onderdelen in de fysieke leefomgeving maar alleen voor onderdelen die in die afdeling zijn aangewezen. Artikel 4.2. (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels over onderdelen van de fysieke leefomgeving in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over het onderhouden en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving in deze afdeling zijn gesteld vanwege een concretisering van die doelen.
Artikel 4.3 somt deze oogmerken limitatief op. Bij de regels in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. Artikel 4.3 (normadressaat)
Artikel 4.3 bepaalt tot wie de regels van afdeling 4.1 zijn gericht, namelijk de rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Dat zal meestal de eigenaar of andere zakelijk gerechtigde zijn. De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving moet voldoen aan de regels van deze afdeling, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich houden aan de regels over het beheren en in stand houden daarvan. Artikel 4.4 (specifieke zorgplicht) De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving heeft een specifieke zorgplicht. Van diegene wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of dat onderdeel nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de oogmerken die zijn opgenomen in artikel 4.2. De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet.
Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van de rechthebbende, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan de rechthebbende mondeling of schriftelijk kunnen informeren over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan. Vanaf dat moment is het voor de rechthebbende duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. § 4.1.2 Sloten, andere wateren en niet-openbaar vuilwaterriool Artikel 4.5 (toepassingsbereik) In dit artikel is bepaald dat paragraaf 4.1.2 van toepassing is op het onderhouden en in stand houden van sloten, andere wateren, niet-openbare vuilwaterriolen en putten. Artikel 4.6 (specifieke zorgplicht voor toestand sloten en andere wateren) [artikel 4:9 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geconcretiseerd voor de rechthebbende op een perceel met een sloot of ander water.
Artikel 4.7 (specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbaar vuilwaterriool en putten) [artikel 4:9 APV 2020] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 4.4 geconcretiseerd voor de rechthebbende op een gebouw.
AFDELING 4.2 GEDOOGPLICHTEN
Artikel 4.14 (voorzieningen voor verkeer en verlichting) [artikel 2:21 APV 2020]
In dit artikel is bepaald dat de rechthebbende op een bouwwerk moet gedogen dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, worden onderhouden en gewijzigd of worden verwijderd. HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN (gereserveerd) HOOFDSTUK 6 PROCESREGELS AFDELING 6.1 ADVIES § 6.1.1 Advisering over cultureel erfgoed Artikel 6.1 (gemeentelijke monumenten) [artikelen 8 en 11, eerste lid, Erfgoedverordening] Dit artikel regelt de inschakeling van de Monumentencommissie als het college het voornemen heeft om een monument of een archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. Dit artikel zet de regeling omtrent het vragen van advies voort die was opgenomen in de artikelen 8 en 11 van de Erfgoedverordening. De commissie is ingesteld met de Verordening op de monumentencommissie. Artikel 6.2 (rijksmonumenten) [artikel 17 Erfgoedverordening] Op grond van artikel 15 van de Monumentenwet 1988 moet de gemeenteraad een commissie instellen die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarbij is bepaald dat binnen deze commissie enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg.
De instelling van de commissie is geregeld in de Verordening op de monumentencommissie. Artikel 6.3 (gemeentelijke dorpsgezichten) [artikel 18, tweede lid, Erfgoedverordening] Dit artikel regelt de inschakeling van de Monumentencommissie als het college het voornemen heeft om een dorpsgezicht aan te wijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Dit artikel zet de regeling omtrent het vragen van advies voort die was opgenomen in artikel 18 van de Erfgoedverordening. De commissie is ingesteld met de Verordening op de monumentencommissie. § 6.1.2 Advisering over welstand Artikel 6.4 (taken welstandscommissie) [artikel 9.1 Bouwverordening] Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht als een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het college beslist. Volgens artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet baseert de welstandscommissie haar advies slechts op de welstandscriteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota, tenzij die criteria leiden tot strijd met het bestemmingsplan.
Volgens hetzelfde artikellid zijn de adviezen van de welstandscommissie openbaar en wordt een advies van de welstandscommissie inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd. Artikel 6.5 (samenstelling welstandscommissie) [artikelen 9.1 en 9.2 Bouwverordening] Eerste lid
Met de Stichting Dorp, Stad en Land zijn afspraken gemaakt over het door die stichting verzorgen van de welstandscommissie. Die commissie adviseert het college bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwactiviteiten over redelijke eisen van welstand. Die redelijke eisen van welstand zijn opgenomen in de welstandsnota. Tweede lid De welstandscommissie kiest zelf uit haar midden de voorzitter en de secretaris. Beiden moeten deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit of cultuurhistorie. In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder nietdeskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking verstaan. Er is geen verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie. Derde lid Voor ieder lid moet een plaatsvervanger worden aangewezen. Dit om de continuïteit van het advieswerk te verzekeren. Vierde lid Voor elk lid van de welstandscommissie geldt het onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur.
Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college is dan ook uitgesloten. Vijfde lid Er zijn ten minste twee leden vereist voor het nemen van besluiten over de adviezen die worden uitgebracht aan het college. Artikel 6.6 (openbaarheid van vergaderen) [artikel 9.6 Bouwverordening] Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b, tweede lid, van de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren. In aanvulling op artikel 12b, tweede lid, van de Woningwet wordt in artikel 6.6 geregeld dat de agenda voor elke vergadering tijdig wordt bekendgemaakt. De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit.
Bovendien zal de openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger en de bouwer. Artikel 6.7 (mondelinge toelichting) [artikel 9.6 Bouwverordening]
Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2 Awb. Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is. De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid.
Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering verdient. Bij veelvoorkomende omgevingsvergunningen voor het bouwen van kleine bouwwerken zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van bouwplannen bij te wonen. Het verdient in dat geval aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd verloren hoeft te gaan. Artikel 6.8 (termijn van advisering en motivering) [artikel 9.5 Bouwverordening] De termijnen voor de behandeling van aanvragen om omgevingsvergunningen zijn geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In artikel 6.8 is de advisering binnen de Wabo-termijn vastgelegd. Een verlenging van de adviestermijn is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de vergunningverlening is verlengd. De mogelijkheid van beoordeling van een zogenoemd schetsplan in een informele voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst van een (formele) aanvraag om een omgevingsvergunning. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.
Artikel 6.9 (afdoening onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie) [artikel 9.7 Bouwverordening] In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. Artikel 6.9 biedt de mogelijkheid om de advisering onder verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan het oordeel van de welstandscommissie bekend is.
Hierbij is geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Artikel 10:1 Awb definieert mandaat als de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie neemt geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert het college. Artikel 6.10 (vorm van het advies) [artikel 9.8 Bouwverordening] Volgens artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet moet het advies van de welstandscommissie inhoudende dat een bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, schriftelijk worden uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd. In artikel 6.10 is in aanvulling daarop geregeld dat het advies van de welstandscommissie moet zijn ondertekend door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter. In daartoe voorkomende gevallen worden de adviezen zowel door de voorzitter als door de secretaris ondertekend. Op grond van het derde lid moet het college ervoor zorgen dat het advies bij de aanvraag om de omgevingsvergunning wordt gevoegd. Artikel 6.11 (jaarlijkse verantwoording) [artikel 9.4 Bouwverordening] Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid.
De jaarlijkse verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni. Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de welstandszorg te vergroten, is ook aan het college ingevolge artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad.
In dit jaarverslag moet ten minste aan de orde komen: op welke wijze het college is omgegaan met de welstandsadviezen; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; in welke gevallen het college een besluit heeft genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn overgegaan. Dit verslag van het college kan deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Samen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hiermee het gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd. Artikel 6.12 (vergoeding) [artikel 9.10 Bouwverordening] In dit artikel is de vergoeding geregeld voor de leden van de welstandscommissie. Over de vergoeding zijn afspraken gemaakt met de stichting Dorp, Stad en Land.
AFDELING 6.2 MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK
Artikel 6.4 (participatie bij vervangingsplan houtopstanden) [artikel 1 (definitie vervangingsplan) Bomenverordening] Op grond van artikel 3.101, tweede lid, aanhef en onder b, geldt de vergunningplicht voor het vellen van andere dan monumentale en waardevolle houtopstanden niet als de velling plaatsvindt op basis van een goedgekeurd vervangingsplan houtopstanden. In bijlage I is een vervangingsplan houtopstanden omschreven als door het college of de raad voor een locatie voor een periode van drie jaar vastgesteld plan voor het vervangen van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente. Op grond van artikel 6.4 komt een vervangingsplan houtopstanden alleen tot stand met inzet van burgerparticipatie.
AFDELING 6.3 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN Artikel 6.5 (kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift) [artikel 5:24, vierde lid, APV 2020] Afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht bevat bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten. Zo is in artikel 3:41, eerste lid, van die wet bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Voor een deel van de activiteiten waarover regels zijn gesteld in hoofdstuk 3 geldt een meldingsplicht. Deze melding geeft het college de gelegenheid voor een initiële controle van de activiteit, zodat het zich ervan kan vergewissen dat de regels worden nageleefd. De melding hoeft niet geaccepteerd te worden en heeft dan ook geen rechtsgevolg. Omdat de reactie op een melding geen besluit is, is afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. In dit artikel is daarom kennisgeving van een melding voorgeschreven in het belang van derden. De kennisgeving geschiedt in dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Dit kan bijvoorbeeld ook publicatie op het internet zijn. Die wijze van publicatie wordt niet voorgeschreven. Aanbevolen wordt om naast publicatie op het internet de kennisgeving ook op de klassieke wijze te laten geschieden.
Overigens wordt opgemerkt dat pas kennis moet worden gegeven bij een volledige melding. Omwonenden en andere belanghebbenden worden door de kennisgeving geïnformeerd over de voorgenomen activiteit. De kennisgeving kan aanleiding zijn een verzoek om handhaving te doen of een verzoek om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften zijn beschikkingen, die worden gegeven over een concrete activiteit. Ze kunnen ambtshalve worden gegeven, bijvoorbeeld naar aanleiding van een melding of van toezicht, of op verzoek, zowel van degene die de activiteit verricht als van een derde. Ze zijn gericht tot degene die de activiteit verricht, dus een bepaald persoon of een bepaald bedrijf. Omdat artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht enkel toezending of uitreiking aan belanghebbenden voorschrijft is in dit artikel opgenomen dat, in het kader van de bekendmaking, kennisgeving van maatwerkvoorschriften geschiedt in dag-, nieuws- of huis-aanhuisbladen of op een andere geschikte wijze.
HOOFDSTUK 7 HANDHAVING
Artikel 7.1 (toezichthouders) [artikelen 6:2 APV 2020, 17, eerste lid, Bomenverordening, 22 Erfgoedverordening, artikel 22 Afvalstoffenverordening 2021] Op grond van dit artikel worden de toezichthouders aangewezen die erop toe zien dat de regels van deze verordening worden nageleefd. De aangewezen toezichthouders beschikken over de toezichthoudende bevoegdheden die zijn geregeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet
bestuursrecht. Dat betekent bijvoorbeeld dat plaatsen mogen worden betreden en inzage mag worden gevorderd in administraties. De aanwijzing van toezichthouders geschiedt door middel van een besluit van het college. Artikel 7.2 (strafbepaling) [artikel 6:1 APV 2020, artikel 21 Erfgoedverordening en artikel 16 Bomenverordening] In dit artikel is een aantal overtredingen van bepalingen van deze verordening strafbaar gesteld. De maximale straf is een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 7.3 (economisch delict) [artikel 21 Afvalstoffenverordening 2021] Volgens artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten worden overtredingen van voorschriften die zijn gesteld in een afvalstoffenverordening (op grond van artikel 10.23 Wet milieubeheer) alleen aangemerkt als economische delicten als ze zijn aangeduid als strafbare feiten. Die aanduiding heeft plaatsgevonden in artikel 7.3. Dat betekent dat het overtreden van een verplichting in paragraaf 3.3.4 wordt beschouwd als een economisch delict. HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT
Artikel 8.1 (overgangsrecht) [artikel 6:5 APV 2020, artikel 24 Afvalstoffenverordening 2021, artikel 19 Bomenverordening] Eerste lid Het eerste lid regelt het overgangsrecht voor besluiten die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend op grond van een van de verordeningen die worden ingetrokken met artikel 9.1. Daarbij kan met name worden gedacht aan vergunningen, ontheffingen en aanwijzingen. Die besluiten blijven gelden en worden beschouwd als besluit op grond van deze verordening. Tweede lid Het tweede lid regelt overgangsrecht voor aanvragen om besluiten die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend maar nog niet zijn afgehandeld. Het nieuwe recht wordt daarop van toepassing verklaard. Omdat de inhoud van de betrokken bepalingen niet is gewijzigd, is eerbiedigend overgangsrecht niet nodig. Derde lid Net als bij andere besluitvormingsprocedures, zoals de vergunningverlening, wordt in dit artikel bepaald dat op het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt (nog) lopende handhavingsprocedures worden behandeld volgens het nieuwe recht. Dit uitgangspunt geldt ongeacht of er sprake is van een ambtshalve genomen sanctiebesluit of een sanctiebesluit dat wordt genomen op verzoek van een belanghebbende. In dit artikel gaat het om het moment waarop het sanctiebesluit is opgelegd.
Is voor inwerkingtreding van deze verordening alleen een schriftelijk voornemen daartoe geuit, dan is dit artikel niet van toepassing. Uiteraard wordt het sanctiebesluit dan met toepassing van de nieuwe verordening opgelegd, als tenminste na inwerkingtreding van deze verordening nog steeds sprake is van een overtreding. Bij de formulering is gekozen voor de verzamelterm ‘bestuurlijke sanctie’. Deze term is ontleend aan de Awb en omvat naast de uit hoofdstuk 5 Awb bekende herstelsancties (lasten onder bestuursdwang en onder dwangsom) ook de (gehele of gedeeltelijke) intrekking van een begunstigende beschikking bij wijze van sanctie (artikel 3.8, aanhef en onder c).
HOOFDSTUK 9 INTREKKING VAN VERORDENINGEN EN NIEUWE GRONDSLAG NADERE REGELS Artikel 9.1 (intrekking van verordeningen) Met dit artikel worden de verordeningen ingetrokken die volledig overgaan naar deze verordening. De Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020 en de Erfgoedverordening Oegstgeest 2020 worden met aparte besluiten ingetrokken en vervangen door nieuwe verordeningen. Artikel 9.2 (nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten) Artikel 9.2 is een zogenoemde omhangbepaling. Door het vervallen van de oorspronkelijke grondslagen voor de in dit artikel genoemde nadere regels, aanwijzingsbesluiten en andere regelingen worden deze grondslagen ‘omgehangen’. Voor alle regels, besluiten en andere regelingen wordt aangegeven op welke artikelen van deze verordening deze berusten.
HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN
Artikel 10.1 (citeertitel) Deze verordening wordt aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest. Artikel 10.2 (inwerkingtreding) Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. De verordening zal in werking treden op de dag na de dag van bekendmaking.
TRANSPONERINGSTABELEN
TRANSPONERINGSTABEL AFVALSTOFFENVERORDENING 2021 Onderwerp
Artikel Afvalstoffenverordening 2021
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Algemeen
Artikel 1
N.v.t. (definitie van ‘perceel’ kan niet worden toegevoegd want dat begrip wordt ook in andere artikelen van deze verordening gebruikt in een andere betekenis; betekenis van het begrip is bovendien duidelijk vanwege de samenhang met de artikelen in de Wet milieubeheer die de grondslag bevatten voor de regels)
Artikel 2
Artikel 3.24
Artikelen 3 en 4
Artikelen 3.4, vierde lid, 3.6 en 3.34
Artikel 5
Artikel 2.9
Artikel 6
Artikel 3.35
Artikelen 7 en 8
Artikel 3.36
Artikel 9
Artikel 3.37
Artikel 10
Artikel 3.38
Bedrijfsafvalstoffen
Artikelen 11 tot en met 13
Artikel 3.39
Zwerfafval en overige
Artikelen 14 tot en met 20
Artikel 3.33
Handhaving en toezicht
Artikel 21
Artikel 7.3
Artikel 22
Artikel 7.1
Artikel 24
Artikel 8.1
Huishoudelijke afvalstoffen
Overgangsrecht
TRANSPONERINGSTABEL ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2020 Onderwerp
Artikel APV 2020
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in APV?
Begripsbepalingen
Artikel 1:1
Artikel 1.1 en bijlage I
Ja
Beslistermijn
Artikelen 1:2, eerste Artikel 3.5 en tweede lid
Ja
Artikel 1:2, derde lid N.v.t. (o.g.v. artikel 16.64 gelden die regels voor omgevingsvergunningen en o.g.v. artikel 22.8 Ow en artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow)
Nee
Voorschriften en beperkingen
Artikel 1:4, eerste lid Artikel 3.6
Ja
Persoonlijk karakter
Artikel 1:5
Ja
Artikel 3.7
Onderwerp
Artikel APV 2020
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in APV?
Intrekking of wijziging vergunning
Artikel 1:6
Artikel 3.8
Ja
Termijnen
Artikel 1:7
Artikel 3.9
Ja
Weigeringsgronden
Artikel 1:8
Artikel 3.10 (m.u.v. de Ja weigeringsgronden openbare orde en openbare veiligheid)
Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikelen 2:1 tot en met 2:9
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Voorwerpen op of aan de weg
Artikel 2:10, eerste, derde en vierde lid
Artikelen 3.41 en 3.43
Nee
vergunning
Artikel 2:10, tweede N.v.t. (zie hiervoor bij artikel 1:2, lid derde lid)
Nee
Artikel 2:10, vijfde lid en de nadere regels van 2 maart 2021.
Artikelen 3.42 en 3.45 tot en met 3.51
Nee
Artikel 2:10, zesde lid
Artikel 1.4
Nee
Artikel 2:10, zevende lid
Artikel 3.5
Nee
Artikel 2:10, achtste N.v.t. (o.g.v. artikel 22.8 Ow en Nee lid artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow; in artikel 16.64, vierde lid, Ow wordt par. 4.1.3.3 van de Awb uitgesloten voor omgevingsvergunningen) Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 2:11, eerste lid
Artikelen 3.52 en 3.54
Nee
Artikel 2:11, tweede N.v.t. (zie hiervoor bij artikel 1:2, lid derde lid)
Nee
Artikel 2:11, derde lid
Artikel 3.1, tweede lid
Nee
Artikel 2:11, vierde lid
Artikel 1.4
Nee
Artikel 2:11, vijfde lid
N.v.t. (zie bij 2:10, achtste lid)
Nee
Artikel 2:12, eerste en tweede lid
Artikelen 3.57 en 3.58
Nee
Artikel 2:12, derde lid
Artikel 1.4
Nee
Winkelwagentjes
Artikel 2:14
Artikelen 1.4 en 3.42, tweede lid
Nee
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Artikel 2:15
Artikel 3.53
Nee
Uitrit aanleggen of veranderen
Onderwerp
Artikel APV 2020
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Openen straatkolken
Artikel 2:16
N.v.t. (betreft openbare veiligheid) Ja
Kelderingangen
Artikel 2:17
N.v.t. (betreft openbare veiligheid) Ja
Rookverbod in de natuur
Artikel 2:18
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2:21
Artikel 4.14
Nee
Veiligheid op het ijs
Artikel 2:23
N.v.t. (betreft openbare orde en veiligheid)
Ja
Evenementen
Artikelen 2:24 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:26
Ja
Definitie openbare inrichting
Artikel 2:27
Ja
Terrasvergunning
Artikel 2:28a, eerste Artikelen 3.78 tot en met 3.80 en tweede lid Artikel 2:28a, derde lid
N.v.t. (blijft in APV staan)
Blijft (ook) in APV?
Nee
Artikel 3.80 Nee/Ja (de bevoegdheid van de burgemeester om nadere regels te stellen over sluitingstijden is opgenomen in artikel 2:29, derde lid, onder b, APV 2021)
Artikel 2.28a, vierde N.v.t. (o.g.v. artikel 22.8 Ow en Nee lid artikel 2.1a, aanhef en onder b, Ob worden vergunningen in een verordening beschouwd als omgevingsvergunningen in de zin van de Ow; in artikel 16.64, vierde lid, Ow wordt par. 4.1.3.3 van de Awb uitgesloten voor omgevingsvergunningen) Sluitingstijd e.d.
Artikelen 2:29 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:33
Ja
Regulering paracommerciële rechtspersonen
Artikelen 2:34a en 2:34b
N.v.t. (betreft Alcoholwet (voorheen Drank- en Horecawet)
Ja
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Inrichtingen voor nachtverblijf
Artikelen 2:35 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:38
Ja
Speelgelegenheden
Artikelen 2:38a tot en met 2:40
Ja
Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikelen 2:41 tot en N.v.t. (betreft openbare orde of met 2:65 zijn regels die in de APV blijven vanwege de onderlinge samenhang)
Ja
Bestrijding van heling van goederen
Artikelen 2:66 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:68
Ja
Voorkoming en Artikelen 2:34c tot bestrijding criminaliteit en met 2:34e
N.v.t. (betreft openbare orde)
Consumentenvuurwerk Artikelen 2:71 tot en N.v.t. (betreft openbare orde en Ja en carbidschieten met 2.73a veiligheid, APV moet wel technisch
Onderwerp
Artikel APV 2020
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in APV?
worden gewijzigd vanwege gebruik begrip consumentenvuurwerk) Drugsoverlast
Artikelen 2:74 en 2:74a
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikelen 2:76 tot en N.v.t. (betreft openbare orde) met 2:79
Ja
Seksinrichtingen e.d.
Artikelen 3:1 tot en met 3:16
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Geluid- en lichthinder
Artikel 4:1
Artikel 1.1 en bijlage I (de meeste definities zijn verwerkt in de artikelen)
Nee
Artikel 4:2
Artikel 3.26
Nee
Artikel 4:3
Artikel 3.27
Nee
Artikel 4:4
Artikel 3.28
Nee
Artikel 4:5
N.v.t. (betreft openbare orde)
Ja
Artikel 4:6
Artikelen 1.4 en 3.30
Nee
Straatvegen
Artikel 4:7
N.v.t. (kan vervallen)
Nee
Wildplassen
Artikel 4:8
N.v.t. (is openbare orde)
Ja
Toestand van sloten en Artikel 4:9 riolen
Artikelen 4.6 en 4.7
Nee
Oplaten ballonnen
Artikel 4:9a
N.v.t. (blijft in APV)
Ja
Gebruik confetti en serpentine
Artikel 4:9b
N.v.t. (blijft in APV)
Ja
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
Artikel 4:13
N.v.t. (blijft in APV)
Ja
Hinderlijke of gevaarlijke reclame
Artikel 4:15
Artikelen 1.4 en 3.82
Nee
Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikelen 4:17 – 4:19
n.v.t. (blijft in APV)
Ja
Parkeerexcessen
Artikel 5:2
Artikel 3.60
Nee
Artikelen 5:3 en 5:7
Artikel 3.61
Nee
Artikelen 5:4 tot en met 5:5
Artikel 3.62
Nee
Artikelen 5:6 en 5:8
Artikel 3.63
Nee
Artikel 5:9
Artikel 3.64
Nee
Artikel 5:10
Artikel 3.65
Nee
Artikel 5:11
Artikel 3.66
Nee
Artikel 5:12
Artikel 3.67
Nee
Collecteren
Artikelen 5:13 – 5:16
N.v.t. (gaat niet over leefomgeving Ja of gaat over openbare orde)
Standplaatsen
Artikel 5:17
Artikel 3.68
Nee
Artikelen 5:18 en 5:19
Artikel 3.69
Nee
Artikel 5:20, eerste
Artikel 1.4
Nee
Onderwerp
Artikel APV 2020
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in APV?
lid
Openbaar water en waterstaatswerken
Artikel 5:20, tweede Artikel 3.71, derde lid lid
Nee
Artikel 2 Beleidsregels standplaatsen
Artikel 3.70
Nee
Artikelen 4 en 6 Beleidsregels standplaatsen
Artikelen 3.72 en 3.73
Nee
Artikel 5 Beleidsregels standplaatsen
Artikel 3.74
Nee
Artikel 10 Beleidsregels standplaatsen
Artikel 3.75
Nee
Artikel 11 Beleidsregels standplaatsen
3.76
Nee
Standplaatsenbeleid Artikel 3.71 en artikelsgewijze toelichting
Nee
Artikelen 5:24, eerste lid, en 5:28
Artikel 3.84
Nee
Artikel 5:24, tweede Artikel 3.85 en derde lid
Nee
Artikel 5:24, vierde lid
Artikel 6.5
Nee
Artikel 5:24, vijfde lid
Artikel 1.4
Nee
Artikel 5:25, eerste Artikelen 3.86 en 3.87 tot en met vierde lid
Nee
Artikel 5:25, vijfde lid
Artikel 1.4
Nee
Artikel 5:25, zesde en zevende lid
Artikel 3.88
Nee
Artikelen 5:29 – 5:31
N.v.t. (betreft openbare orde en veiligheid)
Ja
Crossterreinen
Artikel 5:32
N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)
Ja
Rijden in natuur
Artikel 5.33
N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)
Ja
Vuurverbod
Artikel 5.34
N.v.t. (nadruk ligt op openbare veiligheid)
Ja
Asverstrooiing
Artikelen 5:35 – 5:37
N.v.t. (past niet in verordening fysieke leefomgeving)
Ja
Artikelen 7.1 en 7.2
Ja
Sanctie-, overgangs- en Artikelen 6:1 en 6:2 slotbepalingen Artikel 6:3 Artikel 6:5
N.v.t. (gaat over openbare orde en Ja veiligheid) Artikel 8.1
Ja
TRANSPONERINGSTABEL BOMENVERORDENING OEGSTGEEST 2019 Onderwerp
Artikel Bomenverordening Oegstgeest 2019
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Begripsomschrijvingen
Artikel 1
Artikel 1.1 en bijlage I (procedurele regel over participatie in definitie ‘vervangingsplan’ is opgenomen in afdeling 6.4)
Groene kaart en bomenlijst
Artikel 2
Artikel 2.12
Vergunnningplicht vellen monumentale en waardevolle houtopstand
Artikel 3, eerste en tweede lid
Artikel 3.100
Criteria verlening omgevingsvergunning
Artikel 4
Artikel 3.103
Vergunningplicht vellen overige houtopstand
Artikel 5, eerste tot en met derde lid
Artikel 3.101
Artikel 3, derde en vierde lid Artikel 3.99, eerste lid
Artikel 5, vierde en vijfde lid Artikel 3.99, tweede lid) Criteria verlening omgevingsvergunning
Artikel 6
Artikel 3.103
Aanvraagvereisten
Artikel 7
Artikel 3.102
Intrekking of wijziging vergunning
Artikel 8
Artikel 3.8
Beperking geldigheidsduur
Artikel 9
Artikel 3.104
Vergunningvoorschriften
Artikel 10
Artikel 3.105
Herplant- en instandhoudingsplicht
Artikel 11, eerste lid
N.v.t. Bij schending vergunningplicht kan herplanten met een bestuurlijke sanctie worden afgedwongen
Artikel 11, tweede tot en met vijfde en zevende lid
Artikel 3.106
Artikel 11, zesde en zevende Artikel 3.107 lid Afstand tot erfgrenslijn
Artikel 12
Bestrijding van ziekten
Artikel 13, eerste en tweede Artikel 3.108 lid
Noodkap
Artikel 3.111
Artikel 13, derde lid
N.v.t. Is geregeld in de Awb
Artikel 14, eerste lid
Artikel 3.109
Artikel 14, tweede lid
N.v.t. Is geregeld in de Awb
Bescherming gemeentelijke Artikel 15 houtopstanden
Artikel 3.110
Strafbepaling
Artikel 16
Artikel 7.2
Toezicht en opsporing
Artikel 17, eerste lid
Artikel 7.1
Artikel 17, tweede lid
N.v.t. Het aanwijzen van opsporingsambtenaren mag niet bij
Onderwerp
Artikel Bomenverordening Oegstgeest 2019
Artikel Verordening fysieke leefomgeving verordening. Is uitputtend geregeld in artikel 141 e.v. Wetboek van Strafvordering
Artikel 17, derde lid
N.v.t. Is al geregeld in de Awb
Inwerkingtreding
Artikel 18
Artikel 10.2
Overgangsbepaling
Artikel 19
Artikel 8.1
TRANSPONERINGSTABEL BOUWVERORDENING Onderwerp
Artikel Bouwverordening
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in Bouwverordening?
Begripsomschrijvingen Artikel 1.1
Artikel 1.1 en bijlage I (aantal begripsomschrijvingen is vervallen omdat die niet meer relevant zijn)
Nee
Indeling van het gebied
Artikel 1.3
N.v.t. Nee Niet meer relevant vanwege het vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen in hoofdstuk 2 van de Bouwverordening (zie hieronder bij de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.30)
Bodemonderzoek
Artikel 2.1.5, eerste lid
Artikel 3.15, vierde lid
Nee
Artikel 2.1.5, tweede lid
Artikel 3.14
Nee
Artikel 2.1.5, derde Artikel 3.15, derde lid en vierde lid
Nee
Artikel 2.1.5, vijfde Artikel 3.15, vijfde lid lid
Nee
Verbod bouwen op Artikel 2.4.1 verontreinigde bodem Artikel 2.4.2
Artikelen 3.14 en 3.16
Nee
Artikel 3.17
Nee
Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen
Artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.30
N.v.t. Nee Deze bepalingen zijn van rechtswege vervallen per 1 juli 2018 door een wijziging van de Woningwet (zie ledenbrief van de VNG van 17 april 2018)
Welstand
Artikel 9.1, eerste en tweede lid
Artikelen 6.4 en 6.5, eerste lid
Nee
Artikel 9.1, derde lid
N.v.t. (is geregeld in artikel 12b, eerste lid, Wowe
Nee
Artikel 9.2
Artikel 6.5
Nee
Artikel 9.4
Artikel 6.11 en artikel 12b,
Nee
Onderwerp
Artikel Bouwverordening
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in Bouwverordening?
derde lid, Wowe Artikel 9.5
Artikel 6.8
Nee
Artikel 9.6, eerste lid
Artikel 12b, tweede lid, Wowe Nee
Artikel 9.6, tweede Artikelen 6.6 en 6.7 en vierde lid
Administratieve bepalingen
Artikel 9.6, derde lid
N.v.t. (dat er een uitnodiging wordt verstuurd spreekt voor zicht)
Nee
Artikel 9.7
Artikel 6.9
Nee
Artikel 9.8
Artikel 6.10. De verplichting om Nee te motiveren staat in artikel 12b, eerste lid Wowe
Artikel 9.10
Artikel 6.12
Nee
Artikel 10.6
N.v.t. Niet meer relevant
Nee
TRANSPONERINGSTABEL ERFGOEDVERORDENING Onderwerp
Artikel Erfgoedverordening
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in Erfgoedverordening?
Begripsbepalingen
Artikel 1
Artikel 1.1 en bijlage I
Nee
Gemeentelijk erfgoedregister
Artikel 2
Artikel 2.1
Nee
Aanwijzing beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen
Artikelen 3 en 4
n.v.t. Ja Blijven in de Erfgoedverordening. Cultuurgoederen en verzamelingen vallen buiten de definitie van cultureel erfgoed in de Omgevingswet en daarmee buiten het kader van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2 Ow).
Aanwijzing gemeentelijke monumenten en voornemen tot aanwijzing
Artikelen 5 en 6
Artikel 2.2
Nee
Voorbescherming
Artikel 7
Bijlage I (definitie ‘voorbeschermd gemeentelijk monument’). De voorbeschermingsregels zijn opgenomen in par. 3.5.2.
Nee
Advies gemeentelijke Artikel 8 adviescommissie
Artikel 6.1
Nee
Beslistermijn en
Artikel 2.3
Nee
Artikel 9
Onderwerp
Artikel Erfgoedverordening
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in Erfgoedverordening?
bekendmaking
Artikel 10
Artikelen 2.1, vijfde lid, en 2.3
Nee
Aanwijzing voorlopig gemeentelijk monument
Artikel 11
Artikelen 2.2, vijfde lid en 6.1
Nee
Wijzigingen erfgoedregister
Artikel 12, eerste lid Artikel 2.1 (wijzigen aanbrengen Nee in het register zit besloten in de bevoegdheid om het register te beheren)
inhoud aanwijzingsbesluit
Artikel 12, tweede en derde lid
Artikel 2.4 (vervallen of wijzigen Nee van aanwijzing verwerken in erfgoedregister zit besloten in de bevoegdheid van artikel 2.1 om het register te beheren)
Verbod beschadigen monument
Artikel 13
Artikel 3.91
Nee
Vergunningplicht
Artikel 14
Artikel 3.92
Nee
Intrekking Artikel 15 omgevingsvergunning
Artikel 3.8
Nee
Weigeren Artikel 16 omgevingsvergunning
Artikel 3.93
Nee
Adviescommissie Artikel 17 rijksmonumentenacti viteiten
Artikel 6.2
Nee
Aanwijzen beschermd Artikel 18, eerste lid Artikel 2.5 dorpsgezicht
Nee
Advies gemeentelijke Artikel 18, tweede adviescommissie lid
Artikel 6.3
Nee
Procedurele regels
Artikel 18, derde lid Artikel 2.6
Nee
Opname in erfgoedregister
Artikel 18, vierde lid Artikel 2.1
Nee
Bestemmingsplannen Artikel 18, vijfde en zesde lid
Artikel 2.7
Nee
Artikel 18, zevende lid
N.v.t. (beheersverordening vervalt als instrument)
Nee
Relatie met Monumentenwet en provinciale verordening
Artikel 18, achtste lid
Artikel 2.5, derde lid
Nee
Wijziging, intrekking en vervallen aanwijzing
Artikel 19
Artikel 2.8 ((vervallen of wijzigen Nee van aanwijzing verwerken in erfgoedregister zit besloten in de bevoegdheid van artikel 2.1 om het register te beheren)
Vergunningplicht
Artikel 20
Artikelen 3.95 en 3.8
Nee
Handhaving en
Artikelen 21 en 22
Artikelen 7.1 en 7.2
Nee
Onderwerp
Artikel Erfgoedverordening
Artikel Verordening fysieke leefomgeving
Blijft (ook) in Erfgoedverordening?
Vangnet archeologie
Artikel 23
Artikel 3.97
Nee
Overgangsrecht
Artikel 25
Artikel 8.2
Nee
toezicht