CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij IV d.d. 25 maart 2021 Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oegstgeest 2021 Z-20-133699- Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Oordeelsvorming Burger 15 april 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oegstgeest 202122.485 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

10. Indien een wethouder gedurende een tijdvak als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, onder a of b, van de Gemeentewet tevens raadslid is, vervalt gedurende dit tijdvak zijn aanspraak op een vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1. 11. De burgemeesters en de wethouder ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de burgemeester of de wethouder vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 12. De burgemeester en de wethouder ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de burgemeester of de wethouder vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 13.

Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het zevende lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de burgemeester en de wethouder een uitkering op dezelfde voet. 14. De burgemeester ontvangt ter aanvulling van de eindejaarsuitkering, bedoeld in het twaalfde lid, jaarlijks een bedrag van € 450, met dien verstande dat, indien de eindejaarsuitkering over minder dan twaalf maanden is opgebouwd, dit bedrag naar evenredigheid wordt verminderd. Artikel 3.2.2. Waarneming burgemeester door wethouder Indien de wethouder die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, wordt zijn bezoldiging voor die tijd ten laste van de gemeente aangevuld tot het bedrag waarop de bezoldiging van de burgemeester ingevolge artikel 3.2.1 is vastgesteld. Artikel 3.2.3. Neveninkomsten 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als burgemeester of wethouder genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 3.2.1, tiende lid, en aangevuld op grond van artikel 3.2.2; b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 66, zesde lid, of artikel 44, zesde lid, van de Gemeentewet. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de burgemeester of de wethouder aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie: a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer neveninkomsten heeft genoten dan 14% van de bezoldiging over dat jaar of, indien hij zijn ambt gedurende een gedeelte van het kalenderjaar vervulde, een evenredig deel daarvan, dan wel c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven. 3. Het college van burgemeester en wethouders verminderen op verzoek van de burgemeester of de wethouder diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten. 4.

Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het college van burgemeester en wethouders het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en

verstrekt een afschrift daarvan aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder. 5. Het college van burgemeester en wethouders vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder. 6. Indien de burgemeester of de wethouder geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De burgemeester of de wethouder meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken. 7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de burgemeester of de wethouder binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het eerste lid heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het zesde lid, stelt het college van burgemeester en wethouders de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij het uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden. 8. Op verzoek van de burgemeester of de wethouder kan het college van burgemeester en wethouders besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden. Artikel 3.2.4. Uitkering bij overlijden 1.

In het geval van overlijden van de burgemeester of de wethouder wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste of tweede, onderscheidenlijk derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de overledene laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden burgemeester of wethouder ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet. 3.

Indien voor de overledene een tijdsbestedingsnorm als bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewet was vastgesteld, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van die tijdsbestedingsnorm uitgekeerd. Artikel 3.2.5. Mobiliteitstoelage burgemeester 1. Een burgemeester die, nadat hij ten minste twee ambtstermijnen heeft vervuld in dezelfde gemeente, benoemd wordt tot burgemeester van een andere gemeente, ontvangt, indien die andere gemeente in een gelijke inwonersklasse is ingedeeld, ten laste van die andere gemeente eenmalig een mobiliteitstoelage op de bezoldiging van € 10.476,83. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op de datum van de benoeming van de burgemeester in die andere gemeente, die andere gemeente weliswaar in een gelijke inwonersklasse is ingedeeld, maar op dat moment op grond van artikel 3.4 in een hogere inwonersklasse is geplaatst. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.

Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen burgemeester en wethouder Artikel 3.2.6. Ambtskosten 1. De burgemeester ontvangt een vergoeding van € 412,02 per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. De burgemeester van meer dan een gemeente ontvangt deze vergoeding van elke van die gemeenten. 2. Een wethouder ontvangt een vergoeding van € 379,06 per maand voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. Indien een wethouder gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, ontvangt hij voor die tijd een ambtstoelage van € 412,02 per maand. 3. De wethouder die met toepassing van artikel 36, tweede lid, van de Gemeentewet de functie in deeltijd uitoefent, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid met de vastgestelde tijdsbestedingsnorm, bedoeld in artikel 36, vierde lid, van de Gemeentewet. 4. Wanneer de burgemeester of de wethouder in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten. 5.

De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.2.7. Kosten in verband met verhuizing 1. Indien de burgemeester of de wethouder bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de gemeente, heeft hij ten laste van de gemeente eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing in verband met zijn benoeming naar de gemeente. 2. Voor de duur dat de burgemeester of een wethouder met toepassing van artikel 71, tweede of derde lid, onderscheidenlijk 36a, tweede lid, van de Gemeentewet zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in de gemeente, heeft hij ten laste van de gemeente aanspraak op: a. een vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, en b. een vergoeding van de reiskosten naar de woning waar hij ten tijde van de benoeming woonde. 3.

Indien de burgemeesters of de wethouder in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in de basisregistratie personen en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van die dubbele woonlasten. 4. De burgemeester heeft binnen uiterlijk één jaar na eervol ontslag of niet-herbenoeming bij vertrek uit de gemeente of uit de aan hem ter beschikking gestelde woning ten laste van de gemeente eenmalig aanspraak op vergoeding van verhuiskosten voor zover hij niet uit anderen hoofde aanspraak heeft op een verhuiskostenvergoeding. 5. Verschuldigde loon- of inkomstenbelasting over de vergoedingen op grond van dit artikel worden ten laste van de gemeente aan de burgemeester onderscheidenlijk de wethouder vergoed. 6. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 3.2.8. Ter beschikking gestelde woning

1. De burgemeester of de wethouder betaalt voor het bewonen van een door de gemeente aan hem in verband met de uitoefening van zijn ambt ter beschikking gestelde woning een eigen bijdrage per maand aan de gemeente. 2. Indien de burgemeester of de wethouder voor het gebruik van een woning, bedoeld in het eerste lid, loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de gemeente aan hem vergoed. 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van een ter beschikking gestelde woning. Artikel 3.2.9. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten 1. De burgemeester en de wethouder hebben ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a. kosten voor woon-werkverkeer; b. reis- en verblijfkosten voor reizen, gemaakt voor de uitoefening van het ambt. 2. Onze Minister stelt nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 3.2.10. Ter beschikking gestelde auto 1.

Het college van burgemeester en wethouders kan aan de burgemeester of de wethouder ten laste van de gemeente een auto ter beschikking stellen, daaronder begrepen een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door de gemeente gecontracteerde vervoerder. 2. Een ter beschikking gestelde auto, met uitzondering van een auto voor gemeenschappelijk gebruik en een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden. Een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep wordt uitsluitend gebruikt voor zakelijke doeleinden. 3. Onder gebruik voor zakelijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik dat voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen niet als gebruik voor privédoeleinden wordt aangemerkt. 4. Onder gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik in het kader van de uitoefening van nevenfuncties, waarvan de uitoefening door de burgemeester of wethouder naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in het belang van de gemeente is. 5.

Het college van burgemeester en wethouders kan bij de terbeschikkingstelling van een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, bepalen dat deze door de burgemeester of de wethouder ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. 6. Indien de burgemeester of de wethouder een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden en hij voor het gebruik van die auto loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van de gemeente aan hem vergoed. 7. Indien de burgemeester of de wethouder een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden, worden vergoedingen van derden in verband met het gebruik van die auto in de gemeentekas gestort. 8. De burgemeester of de wethouder betaalt voor het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde auto voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden een eigen bijdrage per maand

aan de gemeente. 9. Indien aan de burgemeester of de wethouder een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking is gesteld, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 3.2.9, eerste lid. 10. Voor zover de burgemeester of de wethouder gebruik maakt van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, heeft hij geen aanspraak op vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder b, en vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 3.2.9, eerste lid. 11. Onze Minister stelt nadere regels over de voorwaarden voor de ter beschikkingstelling van een auto en het gebruik daarvan, alsmede over de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het achtste lid. Artikel 3.2.11. Loopbaanoriëntatie 1. De kosten die de burgemeester of de wethouder maakt omdat hij zich tijdens het ambt oriënteert op zijn verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooit, komen ten laste van de gemeente, op voorwaarde dat het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat: a.

de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit redelijk is; b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit niet kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit; en c. de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de burgemeester van een gemeente die zal worden opgeheven op grond van een herindelingsregeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling. In dat geval komen op voorstel van de commissaris de kosten voor loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten van de burgemeester ten laste van het Rijk, mits de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt in verband met het vinden van een andere werkkring en mits is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste lid, onder a, b en c. 3. Onze Minister kan met betrekking tot het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Artikel 3.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen 1.

Indien er sprake is van een dringende reden van dienstbelang en de burgemeester of de wethouder die buiten de gemeente verblijft, zou schade lijden als hij direct terugkeert naar de gemeente, legt hij zijn voornemen om vanwege deze reden terug te keren naar zijn gemeente voor aan de commissaris onderscheidenlijk de burgemeester. 2. Indien de commissaris onderscheidenlijk de burgemeester het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan de burgemeester of de wethouder ten laste van de gemeente een schadeloosstelling toegekend. 3. De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de burgemeester of de wethouder. Het college van burgemeester en wethouders stelt de hoogte van de schadeloosstelling vast. Artikel 3.2.13. Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte De wethouder aan wie in verband met haar zwangerschap en bevalling of ziekte grond van artikel 45, eerste lid, van de Gemeentewet verlof is verleend, ontvangt in afwijking van artikel 3.2.6, tweede lid, een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van de helft van het bedrag,

genoemd in die bepaling. Paragraaf 3. Overige bepalingen Artikel 3.2.14. Vergoeding bij waarneming van de burgemeester 1. Op degene die op grond van artikel 78 van de Gemeentewet onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast, zijn voor die tijd de bepalingen in deze afdeling en afdeling 3.3, voor zover die betrekking hebben op de rechtspositie van de burgemeester, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 3.2.3, 3.2.5, 3.2.7, derde lid, 3.2.17, 3.2.18 en 3.2.19. 2. Indien een waarnemend burgemeester, aangewezen op grond van artikel 78 van de Gemeentewet, tevens burgemeester is van een andere gemeente, kan in afwijking van artikel 3.2.16 de verhouding waarin de bezoldiging en de overige financiële aanspraken op grond van afdeling 3.2 ten laste van de gemeenten komen, door Onze Minister worden vastgesteld. Artikel 3.2.15. Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger wethouder 1. De tijdelijke vervanger van de wethouder die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschikth eid, ouderdom en overlijden per maand een bedrag dat afhankelijk is van de inwonersklasse van de gemeente waarin hij wethouder is en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel:

bedrag

inwonersklasse

1

€ 274,49

2

€ 317,45

3

€ 359,36

4

€ 386,60

5

€ 429,55

6

€ 471,46

7

€ 514,42

8

€ 542,70

9

€ 618,14

2. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden in het eerste lid de in de tabel genoemde bedragen bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.2.16. Verdeling lasten over meerdere gemeenten Wanneer dezelfde persoon burgemeester is van meer dan één gemeente, komen: a. de bezoldiging en de uitkeringen, bedoeld in artikel 3.2.1, in verhouding tot het inwonertal naar boven afgerond op een veelvoud van 100, ten laste van elke gemeente; b. de vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten, bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, en overige financiële aanspraken en voorzieningen op grond van paragraaf 2 van deze afdeling en van afdeling 3.3 in gelijke mate ten laste van elke gemeente, tenzij die kunnen worden toegerekend aan de uitoefening van het ambt in een van de gemeenten, in welk geval zij ten laste komen van die gemeente. Artikel 3.2.17. Kennisgeving bij afwezigheid Indien de burgemeester langer dan acht dagen wegens ziekte of om andere redenen zijn ambt niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan de commissaris. Artikel 3.2.18. Schorsing 1.

Een besluit tot schorsing als bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Gemeentewet bevat in ieder geval een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. 2. De burgemeester die geschorst is, behoudt gedurende de schorsing zijn bezoldiging en uitkeringen, bedoeld in artikel 3.2.1 en zijn aanspraak op vergoedingen en voorzieningen op grond van de afdelingen 3.2 en 3.3. 3. Gedurende een schorsing is het de burgemeester als zodanig niet toegestaan de gemeentelijke dienstgebouwen te betreden. Artikel 3.2.19. Ontslag 1. De burgemeester wordt op zijn verzoek ontslagen of na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd. Het ontslag wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. 2. Aan de burgemeester wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, eervol ontslag verleend. 3. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de burgemeester ontslag worden verleend op grond van: a. ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken; b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn ambt, anders dan uit hoofde van ziekte of gebreken;

c. opheffing van de gemeente; d. een aanbeveling van de gemeenteraad tot ontslag wegens een verstoorde verhouding tussen de burgemeester en de raad als bedoeld in artikel 61b, tweede lid, van de Gemeentewet; e. andere gronden. 4. Een ontslag als bedoeld in het derde lid, onder a, kan slechts plaatsvinden indien: a. er sprake is van ongeschiktheid tot het vervullen van zijn ambt wegens ziekte of gebreken gedurende een ononderbroken periode van zes maanden, en b. herstel niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a bedoelde termijn van zes maanden te verwachten is. 5. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, wordt een medisch onderzoek ingesteld door een of meer door Onze Minister aangewezen geneeskundigen en, indien de burgemeester dit wenst, een door de burgemeester aangewezen geneeskundige. De burgemeester is verplicht medewerking te verlenen aan het onderzoek en wordt schriftelijk in kennis gesteld van het starten van het onderzoek en de in de vorige volzin bedoelde mogelijkheid. Indien de burgemeester geen medewerking verleent, is de in het vierde lid, onder b, genoemde voorwaarde niet van toepassing. 6. Het ontslag op grond van het derde lid, onder a, b en c, wordt eervol verleend.

Het ontslag op grond van het derde lid, onder d en e, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten. Afdeling 3.3. Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 3.3.1. Bewaken en beveiligen 1. Indien het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een raadslid, een wethouder of de burgemeester kosten maakt, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van de gemeente. 2. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het treffen van andere voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een raadslid, een wethouder of de burgemeester dan die welke op grond van het eerste lid ten laste van de gemeente komen. Artikel 3.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, een wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan de daarbij behorende abonnementen. Artikel 3.3.3. Vergoeding kosten scholing 1.

De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raadslid, wethouder of burgemeester komen ten laste van de gemeente. 2. De gemeenteraad kan voor de toepassing van het eerste lid bedoelde scholing nadere regels stellen voor zover het de scholing van raadsleden betreft. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van de burgemeester of wethouders betreft. Artikel 3.3.4. Beroepsvereniging Indien een raadslid, een wethouder of de burgemeester als zodanig lid is van een voor ieder raadslid, iedere wethouder of iedere burgemeester toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging die blijkens haar statuten deskundigheidsbevordering of belangenbehartiging van de functie van raadslid, wethouder of burgemeester ten doel heeft of mede ten doel heeft, wordt de contributie van

die beroepsvereniging ten laste van de gemeente vergoed, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het in de eerste volzin bedoelde doel. Artikel 3.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg Het college van burgemeester en wethouders treft ten laste van de gemeente een voorziening voor bedrijfsgeneeskundige zorg voor de raadsleden, de wethouders en de burgemeester. Artikel 3.3.6. Voorzieningen in verband met beroepsziekte of een dienstongeval 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden; b. dienstongeval: ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden. 2. Een raadslid, een wethouder of de burgemeester ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling of verzorging in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval: a. voor zover deze kosten ten laste blijven van het raadslid, de wethouder of de burgemeester, en b. voor zover de beroepsziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is. 3. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de beroepsziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid, en gehoord de vergadering van fractievoorzitters van alle partijen in gemeenteraad. 4. Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen. 5. Als de schade van de beroepsziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden of ontslag, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen raadslid, de gewezen wethouder of de gewezen burgemeester. Artikel 3.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking 1.

Indien een raadslid, een wethouder of de burgemeester naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, kent het college van burgemeester en wethouders hem op aanvraag ten laste van de gemeente een voorziening toe als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel een financiële tegemoetkoming daarvoor. 2. Een voorziening of een financiële vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegekend, indien die voorziening proportioneel is en niet reeds uit anderen hoofde is toegekend of vergoed. 3. Regels, gesteld bij of krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.3.8. Eindheffingsbestanddelen Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen: a. b. c. d.

de vergoedingen en toelage, bedoeld in de artikelen 3.1.6 en 3.2.6; de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 3.1.10; de vergoedingen in verband met verhuizing, bedoeld in artikel 3.2.7, eerste en vierde lid; de vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid,

onder a; e. de tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in artikel 3.2.7, derde lid; f. de vergoeding van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 3.1.7, eerste lid, en de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 3.2.9, eerste lid; g. de vergoeding van de belastingheffing, bedoeld in de artikelen 3.2.7, vijfde lid, 3.2.8, tweede lid, en 3.2.10, zesde lid; h. de vergoeding van de kosten in verband met loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten, bedoeld in artikel 3.2.11, eerste lid; i. de ter beschikking stelling van informatie- en communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 3.3.2; j. de vergoeding van de kosten voor scholing als bedoeld in artikel 3.3.3; k. de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedoeld in artikel 3.3.4, en l. een voorziening of financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.3.7, eerste lid. Afdeling 3.4. Commissieleden Artikel 3.4.1. Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen 1. Aan een commissielid wordt per bijgewoonde vergadering van de commissie ten laste van de gemeente een vergoeding toegekend die afhankelijk is van het aantal inwoners van de gemeente, en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel:

Vergoeding per vergadering

Aantal inwoners

tot en met 10.000

€ 65,77

10.001 – 20.000

€ 72,71

20.001 – 50.000

€ 87,23

50.001 – 100.000

€ 107,33

100.001 – 250.000

€ 137,08

250.001 of meer

€ 173,78

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het aantal inwoners verstaan het aantal inwoners volgens de door het centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari. 3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend

voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.4.2. Hogere vergoeding De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, ten aanzien van: a. een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en b. een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Artikel 3.4.3. Reiskostenvergoeding 1. Een commissielid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 3.4.4.

Overige vergoedingen en voorzieningen Ten aanzien van een commissielid zijn de artikelen 3.1.11, 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.4, 3.3.6, 3.3.7 en 3.3.8 van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 4. Waterschappen Afdeling 4.0. Algemeen Artikel 4.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b. c. d.

algemeen bestuur: algemeen bestuur van het waterschap; dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van het waterschap; voorzitter: voorzitter van het algemeen en het dagelijks bestuur van het waterschap; lid van het algemeen bestuur: lid van het algemeen bestuur dat niet tevens lid is van het dagelijks bestuur van hetzelfde waterschap; e. lid van het dagelijks bestuur: lid van het dagelijks bestuur, dat niet tevens voorzitter is van hetzelfde waterschap; f. vertrouwenscommissie: commissie die door het algemeen bestuur bij verordening is ingesteld en belast is met het beoordelen van de kandidaten voor de functie van voorzitter; g. rekenkamercommissie: commissie die door het algemeen bestuur bij verordening is ingesteld en belast is met het onderzoek naar de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het waterschapsbestuur gevoerde bestuur, met uitzondering van de controle van de jaarrekening; h. onderzoekscommissie: commissie die door het algemeen bestuur bij verordening is ingesteld en belast is met een onderzoek dat op voorstel van een of meer van de leden van het algemeen bestuur wordt ingesteld naar het door het dagelijks bestuur of de voorzitter gevoerde bestuur; i.

commissielid: lid van een commissie die door het algemeen bestuur bij verordening is ingesteld, dat niet tevens lid van het algemeen bestuur is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd;

j.

fractievoorzitter: lid van het algemeen bestuur waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; k. deeltijdfactor: het deel van de werkweek dat de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in staat dient te worden gesteld aan het ambt te besteden, uitgedrukt in een percentage van een voltijdsfunctie; l. commissaris: commissaris van de Koning van de provincie waarbinnen het waterschap gelegen is, dan wel, indien het een interprovinciaal waterschap betreft, de als zodanig bij reglement van het waterschap aangewezen commissaris. Artikel 4.2 (leeg) Artikel 4.3 (leeg) Artikel 4.4 (leeg) Artikel 4.5. Totale bezoldiging dagelijks bestuur 1. Het totaal van de bezoldiging van de leden van het dagelijks bestuur is gesteld op ten hoogste 300% van een voltijds bezoldigingsbedrag. 2. Het algemeen bestuur stelt, met in achtneming van het eerste en derde lid, de deeltijdfactor van ieder lid van het dagelijks bestuur vast. 3. Indien een lid van het dagelijks bestuur tevens lid is van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen, wordt bij de vaststelling van zijn deeltijdfactor het aantal uren betrokken dat dit lid op jaarbasis gemiddeld per maand activiteiten ontplooit ten behoeve van dat bestuur van de Unie van Waterschappen. 4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt buiten beschouwing gelaten het deel van de bezoldiging die het lid van het dagelijks bestuur, bedoeld in het derde lid, op grond van artikel 4.2.1, derde lid, meer ontvangt dan hij zou ontvangen wanneer bij de vaststelling van zijn deeltijdfactor geen rekening wordt gehouden met het lidmaatschap van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen. Afdeling 4.1. Leden algemeen bestuur Paragraaf 1. Beloning lid algemeen bestuur Artikel 4.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden 1. Een lid van het algemeen bestuur ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur een vergoeding voor de werkzaamheden van € 521,17 per maand. 2. Een lid van het algemeen bestuur dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3.

Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

4. Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 50% van de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het lid van het algemeen bestuur op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen. Artikel 4.1.2. Toelage lid vertrouwenscommissie en rekenkamercommissie 1. Aan een lid van het algemeen bestuur dat lid is van de vertrouwenscommissie of de rekenkamercommissie wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie per jaar ten laste van het waterschap een toelage verleend van € 125,72 per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 4.1.3. Toelage lid onderzoekscommissie 1.

Aan een lid van het algemeen bestuur dat lid is van een onderzoekscommissie wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van het waterschap een toelage toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter de duur van de activiteiten vast. Artikel 4.1.4. Toelage lid bijzondere commissie 1. Indien het algemeen bestuur besluit ter uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een lid van het algemeen bestuur geacht kunnen worden te behoren, kan het bij verordening besluiten aan de leden van het algemeen bestuur die lid zijn van die commissie ten laste van het waterschap een toelage toe te kennen van maximaal € 125,72 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter de duur van de activiteiten vast. 3.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 4.1.5. Toelage fractievoorzitter 1. De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van € 73,34 per maand, vermeerderd met € 10,47 voor elk lid van het algemeen bestuur dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend. De toelage bedraagt ten hoogste € 157,15 per maand. 2. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van de maand begint of eindigt, wordt de toelage, bedoeld in het eerste lid, voor die maand naar evenredigheid van de duur van het fractievoorzitterschap toegekend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de voorzitter vast: a. hoeveel leden een fractie telt, en b. de duur van het fractievoorzitterschap.

4. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen lid van het algemeen bestuur Artikel 4.1.6. Onkostenvergoeding 1. Een lid van het algemeen bestuur ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van het algemeen bestuur een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het lidmaatschap van het algemeen bestuur verbonden kosten van € 181,28 per maand. 2. Een lid van het algemeen bestuur dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van en maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 4.1.7.

Reiskostenvergoeding 1. Een lid van het algemeen bestuur heeft ten laste van het waterschap aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen van het algemeen bestuur en commissies, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten het waterschap gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 4.1.8 (leeg) Artikel 4.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden 1. Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat de leden van het algemeen bestuur eenmaal per jaar een bedrag ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, voor één maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een lid van het algemeen bestuur dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een lid van het algemeen bestuur wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet. Artikel 4.1.10. Ziektekostenverzekering 1.

Een lid van het algemeen bestuur ontvangt ten laste van het waterschap een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 112,20 per jaar. 2. Een lid van het algemeen bestuur dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij

het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 4.1.11. Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering In het geval een lid van het algemeen bestuur een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende lid worden verlaagd. Paragraaf 3. Waarneming door lid algemeen bestuur Artikel 4.1.12. Waarneming voorzitter Indien een lid van het algemeen bestuur op grond van artikel 51a, tweede lid, van de Waterschapswet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast: a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van het waterschap aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 4.2.1, tweede lid, vermeerderd met een vakantie-uitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 4.2.1, vijfde, zesde onderscheidenlijk zevende lid; b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 4.1.6, een vergoeding als bedoeld in artikel 4.2.6, eerste lid, en c.

zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 4.2.9, en de artikelen 4.2.10 en 4.2.12 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4. Tijdelijk ontslagen lid van het algemeen bestuur Artikel 4.1.13. vergoeding voor werkzaamheden en onkostenvergoeding 1. Artikel 4.1.1 is van overeenkomstige toepassing op het lid van het algemeen bestuur aan wie op grond van artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat indien door het algemeen bestuur toepassing is gegeven aan artikel 4.1.1, vierde lid, dit lid van het algemeen bestuur een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden. 2. Artikel 4.1.6 is van overeenkomstige toepassing op het lid van het algemeen bestuur, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de vergoeding de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepaling van toepassing is. 3. De artikelen 4.1.9, 4.1.10 en 4.1.11 en afdeling 4.3 zijn van overeenkomstige toepassing op het lid van het algemeen bestuur, bedoeld in het eerste lid. Afdeling 4.2. Voorzitter en leden dagelijks bestuur Paragraaf 1. Beloning voorzitter en lid dagelijks bestuur Artikel 4.2.1. Bezoldiging en uitkeringen 1. Onze Minister kan op verzoek van het algemeen bestuur, gedeputeerde staten gehoord, een deeltijdfactor voor de voorzitter vaststellen. 2.

De bezoldiging van de voorzitter bedraagt € 10.022,51 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. 3. De bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur bedraagt, met inachtneming van artikel 4.5, € 8.184,34 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. 4. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij

het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen, genoemd in het tweede en derde lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. 5. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een vakantie-uitkering van 8% van de door hen genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 6. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur ontvangen een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hen genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar.

Bij ontslag, aftreden of overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag, aftreden of overlijden. 7. Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het vierde lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangen de voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur een uitkering op dezelfde voet. 8. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de bezoldiging voor die maand genoten naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand. Artikel 4.2.2. Waarneming voorzitter door lid dagelijks bestuur Indien een lid van het dagelijks bestuur gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, wordt zijn bezoldiging voor die tijd ten laste van het waterschap aangevuld tot het bedrag, genoemd in artikel 4.2.1, tweede lid. Artikel 4.2.3. Neveninkomsten 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

bezoldiging: totaal van de per kalenderjaar als voorzitter of lid van het dagelijks bestuur genoten bezoldiging, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede of derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 4.2.1, vijfde lid, en aangevuld op grond van artikel 4.2.2; b. neveninkomsten: andere inkomsten als bedoeld in artikel 48, zesde lid, of artikel 44, vijfde lid, van de Waterschapswet. 2. Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie: a. een opgave van de neveninkomsten welke hij over dat kalenderjaar of over een gedeelte daarvan heeft genoten, dan wel b. een verklaring dat hij geen neveninkomsten heeft genoten of niet meer dan 14% van de bezoldiging op jaarbasis aan neveninkomsten heeft genoten over dat jaar of, indien hij zijn ambt vervulde gedurende een gedeelte van het kalenderjaar, een evenredig deel daarvan, dan wel c. een verklaring dat een opgave van neveninkomsten achterwege zal blijven. 3. Het dagelijks bestuur vermindert op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur diens bezoldiging reeds gedurende het kalenderjaar met een bedrag waarmee hij verwacht dat zijn bezoldiging zal worden verrekend vanwege zijn neveninkomsten. 4.

Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, deelt het dagelijks bestuur het bedrag van de bezoldiging dat teruggevorderd dient te worden mede en verstrekt een afschrift

daarvan aan de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur. 5. Het dagelijks bestuur vordert, indien Onze Minister, dan wel een door hem aangewezen instantie, constateert dat er sprake is van te verrekenen neveninkomsten, het teveel aan ontvangen bezoldiging terug van de voorzitter onderscheidenlijk het lid van het dagelijks bestuur. 6. Indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur geen informatie kan verstrekken, meldt hij dit binnen zes maanden onder opgaaf van redenen aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur meldt tevens een redelijke termijn waarop hij deze informatie alsnog zal verstrekken. 7. In het geval genoemd in het tweede lid, onderdeel c, alsmede indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar geen opgave als bedoeld in het eerste lid heeft ingezonden, of niet heeft voldaan aan het zesde lid, stelt het dagelijks bestuur de bezoldiging over het afgelopen jaar vast op 65% van de bezoldiging op jaarbasis, tenzij het uit anderen hoofde kan vaststellen tot welk bedrag er verrekend moet worden. 8. Op verzoek van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur kan het dagelijks bestuur besluiten de verrekening of terugbetaling in termijnen te laten plaatsvinden. Artikel 4.2.4. Uitkering bij overlijden 1.

In het geval van overlijden van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede onderscheidenlijk derde lid, vermeerderd met de vakantie-uitkering, welke de overledene laatstelijk genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overledene ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet. Artikel 4.2.5 (leeg) Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen voorzitter en lid dagelijks bestuur Artikel 4.2.6.

Ambtskosten 1. De voorzitter ontvangt een vergoeding voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van € 412,02 per maand, naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. 2. Het lid van het dagelijks bestuur ontvangt een vergoeding van € 379,06 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten naar evenredigheid van de vastgestelde deeltijdfactor. Indien een lid van het dagelijks bestuur gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van voorzitter is belast, ontvangt hij voor die tijd een vergoeding van € 412,02 per maand voor de aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten. 3. Wanneer de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur in de loop van een maand is benoemd of in de loop van een maand is afgetreden, ontslagen of overleden, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, voor die maand naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het ambt in die maand genoten.

4. De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 4.2.7. Kosten in verband met verhuizing 1. Indien de voorzitter bij zijn benoeming zijn werkelijke woonplaats nog niet heeft in het waterschap, heeft hij ten laste van het waterschap eenmalig aanspraak op een vergoeding van verhuiskosten bij verhuizing in verband met zijn benoeming naar het waterschap. 2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling nadere regels over de hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 4.2.8 (leeg) Artikel 4.2.9. Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten 1. De voorzitter en het lid van het dagelijks bestuur hebben ten laste van het waterschap aanspraak op vergoeding van: a. kosten voor woon-werkverkeer; b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten het waterschap, gemaakt voor de uitoefening van het ambt. 2. Onze Minister stelt nadere regels over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 4.2.10. Ter beschikking gestelde auto 1.

Het dagelijks bestuur kan aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur ten laste van het waterschap een auto ter beschikking stellen, daaronder begrepen een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een daartoe door het waterschap gecontracteerde vervoerder. 2. Een ter beschikking gestelde auto, met uitzondering van een auto voor gemeenschappelijk gebruik en een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, kan worden gebruikt voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden. Een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep wordt uitsluitend gebruikt voor zakelijke doeleinden. 3. Onder gebruik voor zakelijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik dat voor de toepassing van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 en de daarop berustende bepalingen niet als gebruik voor privédoeleinden wordt aangemerkt. 4. Onder gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt in dit artikel en de daarop berustende bepalingen verstaan gebruik in het kader van de uitoefening van nevenfuncties, waarvan de uitoefening door de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur naar het oordeel van het dagelijks bestuur in het belang van het waterschap is. 5.

Het dagelijks bestuur kan bij de terbeschikkingstelling van een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto als bedoeld in het eerste lid, bepalen dat deze door de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. 6. Indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden en hij voor het gebruik van die auto loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van het

waterschap aan hem vergoed. 7. Indien de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur een aan hem ter beschikking gestelde auto uitsluitend gebruikt voor zakelijke en bestuurlijke doeleinden, worden vergoedingen van derden in verband met het gebruik van die auto in de kas van het waterschap gestort. 8. De voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur betaalt voor het gebruik van de aan hem ter beschikking gestelde auto voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden een eigene bijdrage per maand aan het waterschap. 9. Indien aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur een auto, niet zijnde een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking is gesteld, heeft hij geen aanspraak op vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en reiskosten als bedoeld in artikel 4.2.9, eerste lid. 10. Voor zover de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur gebruik maakt van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep als bedoeld in het eerste lid, heeft hij geen aanspraak op vergoedingen, bedoeld in artikel 4.2.9, eerste lid. 11. Onze Minister stelt nadere regels over de voorwaarden voor de ter beschikkingstelling van een auto en het gebruik daarvan, alsmede over de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in het achtste lid. Artikel 4.2.11. Loopbaanoriëntatie 1.

De kosten die de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur maakt omdat hij zich tijdens het ambt oriënteert op zijn verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooit, komen ten laste van het waterschap, op voorwaarde dat het dagelijks bestuur van oordeel is dat: a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit redelijk is; b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit niet kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit, en c. de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 2. Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen. Artikel 4.2.12. Terugkeer wegens dringende redenen 1. Indien er sprake is van een dringende reden van dienstbelang en de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur die buiten het waterschap verblijft, zou schade lijden als hij direct terugkeert naar het waterschap, legt hij zijn voornemen om vanwege deze reden terug te keren naar zijn waterschap voor aan de commissaris onderscheidenlijk de voorzitter. 2.

Indien de commissaris onderscheidenlijk de voorzitter het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur ten laste van het waterschap een schadeloosstelling toegekend. 3. De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de voorzitter of het lid van het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur stelt de hoogte van de schadeloosstelling vast. Artikel 4.2.13. Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte Dit besluit is, voor zover het betrekking heeft op de leden van het dagelijks bestuur, van overeenkomstige toepassing op het lid van het dagelijks bestuur aan wie in verband met zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel 21 van de Waterschapswet tijdelijk ontslag is verleend, met dien verstande dat dit tijdelijk ontslagen lid, in afwijking van artikel 4.2.6, tweede lid, een vergoeding ontvangt voor aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten van de helft van het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9970467/1