Bijlage 2 bij RV d.d. 7 sept 2021 Zienswijze en herziening Provinciaal Omgevingsbeleid - Archeologie Nieuw-Rhijngeest Z-21-147033 Oegstgeest
Tekst van het document
Ontwerp Herziening 2021 Omgevingsbeleid Partiële wijziging Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma
Beleidsmodules Ruimtelijke kwaliteit | Bedrijventerreinen | Grote ruimtevragers Verstedelijking | Optimalisatie woningbouwplannen | Sociaal en betaalbaar wonen 3 ha kaart | Molenbiotoop | Externe veiligheid | Bos en bomen | Gezond en veilig | Natuurnetwerk Nederland | Boom- en sierteeltgebied | Recreatiewoningen | Mobiliteit
Inhoud Herziening 2021 Omgevingsbeleid ......................................................................................................... 3 Inleiding ........................................................................................................................................................ 3 A Wijziging Omgevingsvisie..................................................................................................................... 4 A1 Bedrijventerreinen ............................................................................................................................. 4 A2 Grote ruimtevragers ........................................................................................................................... 8 A3 Verstedelijking ................................................................................................................................... 12 A4 Optimalisatie woningbouwplannen ........................................................................................... 19 A5 Sociaal en betaalbaar wonen ......................................................................................................... 23 A6 Ruimtelijke kwaliteit........................................................................................................................
24 A7 Bos en bomen ...................................................................................................................................... 62 A8 Gezonde en veilige leefomgeving ................................................................................................. 65 A9 Permanente bewoning recreatiewoningen.............................................................................. 67 A10 Verstedelijking en mobiliteit ...................................................................................................... 69 B Wijziging Omgevingsverordening ...................................................................................................... 70 B1 Bedrijventerreinen ........................................................................................................................... 70 B2 Grote ruimtevragers ......................................................................................................................... 75 B3 Optimalisatie woningbouwplannen ........................................................................................... 76 B4 Sociaal en betaalbaar wonen .........................................................................................................
78 B5 Ruimtelijke kwaliteit........................................................................................................................ 80 B6 Bos en bomen ...................................................................................................................................... 89 B7 Molenbiotopen.................................................................................................................................... 93 B8 Bevoegdheid begrenzing Natuurnetwerk Nederland........................................................... 95 B9 Permanente bewoning recreatiewoningen.............................................................................. 97 B10 Verstedelijking en mobiliteit ...................................................................................................... 98 B11 Boom- en Sierteeltgebied Greenport Boskoop ..................................................................... 99 B12 Mutaties 3 ha kaart ...................................................................................................................... 103 B13 Overige kaartwijzigingen .......................................................................................................... 105 C Wijziging Omgevingsprogramma .....................................................................................................
106 C1 Bedrijventerreinen......................................................................................................................... 106 C2 Mutaties 3 hectare kaart .............................................................................................................. 112 C3 Externe veiligheid ........................................................................................................................... 112 Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsverordening ............................................................................ 121 Bijlage 2 Kaartwijzigingen Omgevingsverordening ............................................................................. 121 Bijlage 3 Kaartwijzigingen Omgevingsvisie ......................................................................................... 121 2
Herziening 2021 Omgevingsbeleid Inleiding Het is wenselijk het Omgevingsbeleid actueel, toepasbaar en opgavegericht te houden. Nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten kunnen daarom aanleiding geven tot vernieuwing en aanpassing van het Omgevingsbeleid. In de Lange Termijn Agenda van Provinciale Staten is aangekondigd voor welke onderwerpen (beleidsmodules) heroverweging of aanpassing van het Omgevingsbeleid aan de orde is en op welke termijn. In deze herziening is een aantal beleidsmodules gebundeld, zodat niet voor iedere module een afzonderlijke procedure hoeft te worden doorlopen. Tevens bevordert bundeling een integrale aanpak. De herziening heeft betrekking op de volgende beleidsmodules: Verstedelijking Optimalisatie van woningbouwplannen -
Sociaal en betaalbaar wonen Mutaties 3 hectare kaart Bedrijventerreinen
-
Grote ruimtevragers Ruimtelijke kwaliteit Molenbiotoop
-
Externe veiligheid Bos en bomen Gezond en veilig
-
Bevoegdheid aanpassen begrenzing Natuurnetwerk Nederland
De wijzigingen zijn hieronder gegroepeerd per instrument van het omgevingsbeleid: Omgevingsverordening, Omgevingsvisie en Omgevingsprogramma. Sommige onderwerpen leiden tot wijziging van meerdere of alle instrumenten. Deze onderwerpen komen daarom meerdere keren terug. De wijziging van de Omgevingsverordening is daarnaast ook in een formeel wijzigingsbesluit opgenomen (bijlage 1).
3
A Wijziging Omgevingsvisie A1 Bedrijventerreinen De geactualiseerde bedrijventerreinenstrategie vormt de basis van deze beleidsaanpassingen. Deze strategie is door middel van brede afstemming tot stand gekomen waarbij diverse bijeenkomsten en gesprekken hebben plaats gevonden met partijen die actief zijn op (het gebied van) bedrijventerreinen in de provincie Zuid-Holland. Denk hierbij aan de bestuurlijke regio’s, gemeenten, kennisinstellingen, adviesbureaus, ondernemersverenigingen, parkmanagers, lobbyorganisaties, omliggende provincies en omgevingsdiensten. Daarnaast is de conceptversie voorgelegd aan de bestuurlijke regio’s en is de input hierop, waar mogelijk, verwerkt in deze strategie Actualisatie van de huidige provinciale bedrijventerreinenstrategie (dat de basis vormt van deze beleidsaanpassingen) is nodig om goed in te kunnen spelen op de huidige marktontwikkelingen en trends op en rondom bedrijventerreinen en economie. Zuid-Holland staat voor een grote woningbouwopgave en daarmee ook een economische opgave. Waar mensen wonen, moeten immers ook mensen werken om grote, niet-duurzame forensenstromen te voorkomen. Daarnaast staan veel bestaande bedrijventerreinen onder druk, omdat ze bijvoorbeeld verouderd zijn en binnenstedelijk liggen, en daarmee aantrekkelijk zijn voor transformatie naar woningbouw.
Dat, terwijl deze plekken vaak nog aan veel mensen werk bieden en een goed alternatief voor de bedrijven niet voorhanden is. Ook zien we dat de veranderende economie (o.a. flexwerken, digitalisering en circulaire economie) leidt tot een ander soort ruimtevraag en locatiewens van bedrijven. Tot slot zien we dat bedrijventerreinen steeds vaker een bijdrage kunnen leveren aan andere maatschappelijke opgaven en provinciale ambities, bijvoorbeeld met betrekking tot verduurzaming van de economie en de gebouwde omgeving. De aanpassingen die voortvloeien uit de bedrijventerreinenstrategie hebben betrekking op nieuwe mogelijkheden op het gebied van compensatie van bedrijventerreinen, de status van de regionale bedrijventerreinenvisies, de introductie van woon-werk-akkoorden, de structurele inzet op leegstandsaanpak en een bredere inzet op duurzaamheid en energieverbruik. Conclusie: De vertaling van de bedrijventerreinen strategie naar de instrumenten van het Omgevingsbeleid, leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De nieuwe tekst van de beleidskeuze ‘Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’ is hieronder opgenomen. .
Beleidskeuze Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau en een optimale benutting van bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën/ milieuzone en watergebonden bedrijven.
4
Aanleiding Bedrijventerreinen zijn zeer belangrijk voor de Zuid-Hollandse economie. De schaarse ruimte moet zo efficiënt mogelijk worden benut met aandacht voor kwaliteit. Kwalitatief goede bedrijventerreinen zijn nodig voor een optimaal vestigingsklimaat voor het gehele Zuid-Hollandse bedrijfsleven. Met het bedrijventerreinenbeleid wordt een bijdrage geleverd om te komen tot een economisch concurrerend Zuid-Holland.
Motivering provinciaal belang De Provincie Zuid-Holland versterkt samen met andere overheden, ondernemers en kennisinstellingen Zuid-Holland als economische topregio. Dit doet zij omdat de taken voor ruimtelijke ordening en regionale economie (en daarmee het beleid voor bedrijventerreinen) gedecentraliseerd zijn volgens het bestuursakkoord 2011-2015 tussen Rijk, IPO, VNG en UvW. Hierdoor is de provincie verantwoordelijk voor de regionale planning en programmering van bedrijventerreinen en andere werklocaties. Daarnaast is de bedrijventerreinenmarkt voornamelijk een regionale markt. Circa 90% van de bedrijfsverplaatsingen vindt namelijk op regionale schaal plaats. Bovendien speelt op de bedrijventerreinenmarkt een aantal uitdagingen op regionaal of provinciaal niveau, zoals de noodzaak vraag en aanbod in balans te brengen, bedrijven vanaf milieucategorie 3/ milieuzones met zone 3 voor geluid en zone 2 voor geur, watergebonden bedrijvigheid, circulariteit en het principe ’not in my backyard’ (NIMBY).
Toelichting De provincie zet in op drie beleidslijnen: 1. Het in evenwicht houden en, waar nodig, brengen van de vraag naar en het aanbod van 2. 3.
bedrijventerreinen Het beter benutten van bedrijventerreinen en, indien noodzakelijk, het ontwikkelen van nieuwe locaties die kwalitatief toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande voorraad. Het verduurzamen van bedrijventerreinen waarbij ze zich tevens voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen.
1. Het in evenwicht houden en, waar nodig, brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen Vraag en aanbod in balans Elk gebied kent andere opgaven, andere spelers en andere coalities. Daarbij passen maatwerk, flexibiliteit en een verbindende rol van de provincie. Om de mismatch tussen kwantitatief aanwezig planaanbod en kwalitatieve vraag op te heffen zou er soms her- of deprogrammering of fasering van het (harde) planaanbod aan de orde kunnen zijn, om zo kwalitatief goed aanbod de ruimte te geven. Bij te weinig aanbod is beter benutten de inzet; uitbreiding in het algemeen en buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD) in het bijzonder is niet het uitgangspunt en alleen gewenst in uitzonderlijke gevallen. Dit draagt namelijk niet bij aan zorgvuldig ruimtegebruik. De provincie ziet bedrijventerreinen vanaf milieucategorie 3 (milieuzone 3 voor geluid en 2 voor geur) als bedrijventerreinen met een regionale functie en belang. Daar is provinciale sturing op noodzakelijk. Bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 (milieuzone 1) is ook belangrijk, maar dit type bedrijvigheid heeft een kleiner afzetgebied en over het algemeen goed mengbaar met andere functies. Gemeentelijke sturing is daarbij afdoende. Voor binnenstedelijk gelegen bedrijventerreinen met milieucategorie 3 is functiemenging alleen mogelijk wanneer de belangen van bedrijven niet worden geschaad.
Bedrijventerreinen waar bedrijven gevestigd zijn van categorie 3 en hoger en watergebonden bedrijven worden in principe behouden voor bedrijvigheid. Transformatie naar een andere functie is toegestaan mits de verloren gegane ruimte voor bedrijven kwantitatief en kwalitatief 5
wordt gecompenseerd in de relevante marktregio, of als er sprake is van een overschot aan het desbetreffende type bedrijventerrein. Deze behoefte moet zijn afgestemd in regionaal verband en aangegeven moet worden hoe en waar de eventuele compensatie zal plaatsvinden. Wanneer een regio een door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie heeft, kan feitelijk gecompenseerd worden (gebruikte ruimte en m² voor m² bedrijfsruimte). Zonder aanvaarde visie is het uitgangspunt planologisch compensatie. Dit betekent dat hectares (het ‘platte vlak’) en planologische ruimte moet worden gecompenseerd. Behoefteramingen Een goede vraagraming is essentieel om te beoordelen of er voldoende ruimte voor bedrijven is en een balans tussen vraag en aanbod. De provincie voert daarom op regelmatige basis een vraag- en/of behoefteraming uit waarbij gekeken wordt naar kwantiteit en kwaliteit en het huidig gebruik van de bestaande voorraad. De behoefteramingen zijn vervolgens input voor de regionale bedrijventerreinenvisies. Sturen via regionale bedrijventerreinenvisies De provincie vindt regionale visies belangrijk en wil hier graag over meedenken en aan meewerken.
Geactualiseerde regionale bedrijventerreinenvisies kunnen namelijk zorgen voor de kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van vraag en aanbod en kunnen inzicht geven in de realistische vraag door vervanging (transformatie) en de eventuele, reeds bestaande uitbreidingsvraag. De provincie en regio’s kunnen op basis van deze visies een betere kwalitatieve en kwantitatieve afweging maken. De provincie stelt het opstellen van deze regionale visies echter niet verplicht. Gedeputeerde Staten zullen (indien de visie voldoet aan de provinciale regelgeving) de regionale visies aanvaarden/ instemmen met deze regionale visies (waarbij deze via een voorhangprocedure aan Provinciale Staten worden voorgelegd). Dit aanvaarden leidt tot meer duidelijkheid bij provincie, regio’s en gemeenten over onderwerpen als vraag, aanbod en daarmee marktbehoefte en compensatie. Zonder aanvaarde visie is het uitgangspunt compensatie van de planologische ruimte (planologische compensatie). Met een aanvaarde visie is compensatie van het feitelijk gebruik mogelijk (feitelijke compensatie). Gedeputeerde Staten kunnen voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. Daarbij zullen Gedeputeerde Staten vooraf duidelijkheid geven over gewenste inhoud van de visie.
Als de betreffende regio hier geen goede invulling aan geeft, kunnen Gedeputeerde Staten zo nodig zelf de regionale bedrijventerreinen visie opstellen. Toetsing en beoordeling plannen De provincie beoordeelt bij een nieuw bestemmingsplan of deze past binnen het provinciaal Omgevingsbeleid en geeft op basis hiervan advies aan de gemeente. Voor de provincie zijn watergebonden bedrijventerreinen en bedrijventerreinen vanaf milieucategorie 3/ milieuzones met zone 3 voor geluid en zone 2 voor geur belangrijk. De provincie stuurt daarom met haar instrumentarium om voldoende kwantitatief en kwalitatief aanbod van deze terreinen beschikbaar te hebben om in de vraag te kunnen voorzien. Bij het beoordelen van nieuwe plannen kijkt de provincie naar de onderbouwing van kwantiteit en kwaliteit, conform de Ladder voor duurzame verstedelijking.. De regio’s en de individuele gemeenten stellen de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking op. Nieuwe bedrijventerreinen kunnen mogelijk gemaakt worden indien deze voorzien in een kwalitatieve (en kwantitatieve) behoefte. Indien de behoefte goed onderbouwd is, heeft de provincie een positieve grondhouding. Indien er bij de bestemmingsplannen voor zowel nieuwe, als bestaande bedrijventerreinen sprake is van een plan dat onvoldoende te motiveren is, kan er door reductie van 6
harde plancapaciteit elders in de regio alsnog ruimte worden gemaakt om het plan te motiveren. Hiermee worden nieuwe, gewenste ontwikkelingen op de juiste plek gerealiseerd. In de motivering moet dit worden opgenomen en er dient voorzienbaarheid gecreëerd te worden. Drie jaar na de vaststelling van het betreffende bestemmingsplan dient er voldoende plancapaciteit onttrokken te zijn. Onbenutte plancapaciteit kan voor de provincie reden zijn om kritisch te kijken of er nog sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 2. Het beter benutten van bedrijventerreinen en, indien noodzakelijk, het ontwikkelen van nieuwe locaties die kwalitatief toegevoegde waarde hebben ten opzichte van de bestaande voorraad. Ondernemers zijn over het algemeen sterk verbonden aan hun locatie. Hun werknemers komen uit de buurt, ze zijn betrokken bij de plaatselijke samenleving en hun “plek” in de keten en hebben (grote) investeringen gedaan op de huidige locatie. Ze vertrekken doorgaans pas naar een nieuwe locatie wanneer het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein niet meer passend is en/of de huidige kavel niet meer voldoet. Het komt voor dat de achtergelaten bedrijfsbebouwing vervolgens niet meer gebruikt wordt en dat er bovendien sprake is van achterstallig beheer en onderhoud op het terrein.
Dan wordt het bedrijventerrein minder aantrekkelijk als vestigingsplaats voor bedrijven. Om bedrijventerreinen nu en in de toekomst optimaal te kunnen benutten, zijn onderstaande aspecten essentieel. De provincie draagt hier aan bij door het inzetten op de drie beleidslijnen en primair in te zetten op beter benutten en herstructureren en daarna pas op uitbreiding of nieuwbouw. • Zorgvuldig ruimtegebruik en beter benutten: voorrang geven aan het opvullen van leegstand en leegstaande kavels door het toepassen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. • •
Vestigingsklimaat: behouden en verbeteren van de kwaliteit conform de eisen van de ondernemers en sectoren. Voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen zoals verduurzamen (o.a. energie, klimaatadaptatie
•
en vergroening). Transformatie (naar bijvoorbeeld een woon-werkmilieu) en functiemenging.
Voorbeelden van beter benutten zijn het (opnieuw) vestigen van een watergebonden bedrijf op een watergebonden kavel, het weren of verplaatsen van bepaalde typen bedrijven (bouwmarkten, speelparadijzen en tuincentra) op terreinen die geschikt zijn voor een hogere milieucategorie/-zone of watergebonden bedrijventerreinen of het weer in gebruik nemen van zeer langdurig leegstaand vastgoed. 3. Het verduurzamen van bedrijventerreinen waarbij ze zich tevens voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen Voor een goed vestigingsklimaat is het van belang dat bedrijventerreinen de basis op orde hebben en goed voorbereid zijn op toekomstige ontwikkelingen. Maatregelen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen, het verduurzamen, zoals collectieve energie (besparing en duurzame opwekking), vergroening en glasvezelnetwerk, kunnen efficiënter gezamenlijk worden uitgevoerd. Bijna alle bedrijven op een bedrijventerrein behoren immers tot het MKB. Daardoor missen ze vaak de slagkracht van een groot bedrijf. Door samen te werken kunnen er collectieve acties opgezet worden. Daarom is de organisatiegraad op bedrijventerreinen erg belangrijk in de vorm van een ondernemersvereniging of een Bedrijventerreinen Investeringszone (BIZ).
Via een BIZ of een breder ondernemersfonds kunnen activiteiten gefinancierd worden ter bevordering van de kwaliteit van het bedrijventerreinen als dat van te voren in het programma is opgenomen. Als er geen BIZ aanwezig is op het terrein zijn er aparte draagvlakonderzoeken nodig om dit gezamenlijk te kunnen bereiken.
7
Meer informatie over het bedrijventerreinenbeleid is te vinden op: https://www.zuidholland.nl/onderwerpen/economie-energie/werklocaties/ Er is een directe relatie met de beleidskeuze ‘behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit’.
Beleidsuitwerking Het beleid rondom bedrijventerreinen wordt uitgewerkt in artikel 6.10 en artikel 6.12 van de Omgevingsverordening. Daarnaast is sprake van (onder andere) onderstaande maatregelen in het Omgevingsprogramma: • Subsidie planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland 2017 • Subsidie duurzaamheid op bedrijventerreinen • • •
Kennisuitwisseling Gebiedsgericht werken met andere partners Organisatiegraad verhogen als randvoorwaarde voor verhogen van de kwaliteit van bedrijventerreinen
A2 Grote ruimtevragers In Zuid-Holland, de meest dichtbevolkte provincie van Nederland, is de ruimte schaars. Bekende ruimteclaims rondom wonen, werken en verplaatsen vragen al tientallen jaren om meer ruimte. Daarnaast verschijnen er door nieuwe technologieën, opschaling van logistieke processen en verandering in de industriële processen steeds meer nieuwe grote spelers op het veld. Het gaat onder meer om datacenters, nieuwe infrastructuur voor de energie en logistieke centra. Dit gaat gepaard met een maatschappelijk debat over ruimtelijke kwaliteit en zorgen over ‘verdozing’, versnippering en ‘verrommeling’. De provincie wil daarom gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige ontwikkelingen in Zuid-Holland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden. Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en colocatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. De ruimtevraag van deze grootschalige ontwikkelingen moet worden afgewogen tegen het belang van ruimtelijke kwaliteit en het belang van het toevoegen van maatschappelijk-economische waarde.
De provincie wil de zogenoemde ‘verdozing’ van het landschap tegengaan, zeker waar het gaat om functies die relatief te weinig maatschappelijk-economische waarde toevoegen. De provincie hanteert als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Je kan daarbij denken aan duurzaamheid, gezondheid, brede welvaart, innovatiekracht, vergroening, digitalisering van de economie, versterken van de toegevoegde waarde van een cluster, (multi)modale bereikbaarheid, versterken van een economisch ecosysteem en bijdrage aan werkgelegenheid. Nieuwe locaties worden daarnaast afgewogen ten opzichte van de bereikbaarheid en de capaciteit van het energienetwerk. De provincie kiest daarom voor een selectief beleid en, waar mogelijk, het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies aan de hand van ruimtelijke kwaliteit, mobiliteit, energietransitie en klimaatadaptatie.
8
Drie sporen Om dit selectieve beleid mogelijk te maken kiest de provincie voor meerdere sporen. Allereerst kiest de provincie voor een ‘pas op de plaats’. Dit betekent dat nieuwe grote ruimtevragers alleen worden toegelaten op clusters die zijn geselecteerd op basis van voorlopige criteria. Ten tweede worden verkenningen en onderzoeken gedaan naar grote ruimtevragers. Inmiddels is een verkenning gestart naar logistieke bedrijven. Ten derde is er het traject van het regionale visies voor bedrijventerreinen, waarin ook de ruimte voor grote ruimtevragers wordt meegenomen. Over ongeveer twee jaar kan het voorlopige beleid (‘pas op de plaats’) dan uitgewerkt worden tot definitief beleid. Conclusie: De aanvulling van het omgevingsbeleid met beleid voor grote ruimtevragers leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. In de Omgevingsvisie wordt de beleidskeuze “Grote ruimtevragers” toegevoegd. De volledige tekst van de beleidskeuze is hieronder opgenomen.
Beleidskeuze Grote ruimtevragers De provincie wil gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige ontwikkelingen in Zuid-Holland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden. Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en co-locatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. De ruimtevraag van deze grootschalige ontwikkelingen moet worden afgewogen tegen het belang van ruimtelijke kwaliteit en het belang van het toevoegen van maatschappelijk-economische waarde. De provincie wil de zogenoemde ‘verdozing’ van het landschap tegengaan, zeker waar het gaat om functies die relatief te weinig maatschappelijkeconomische waarde toevoegen. De provincie hanteert als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland.
Je kan daarbij denken aan duurzaamheid, gezondheid, brede welvaart, innovatiekracht, vergroening, digitalisering van de economie, versterken van de toegevoegde waarde van een cluster, (multi)modale bereikbaarheid, versterken van een economisch ecosysteem en bijdrage aan werkgelegenheid. Nieuwe locaties worden daarnaast afgewogen ten opzichte van de bereikbaarheid en de capaciteit van het energienetwerk. De provincie kiest daarom voor een selectief beleid en, waar mogelijk, het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies aan de hand van ruimtelijke kwaliteit, mobiliteit, energietransitie en klimaatadaptatie.
Aanleiding In Zuid-Holland, de meest dichtbevolkte provincie van Nederland, is de ruimte schaars. Bekende ruimteclaims rondom wonen, werken en verplaatsen vragen al tientallen jaren om meer ruimte. Daarnaast verschijnen er door nieuwe technologieën (digitalisering), opschaling van logistieke
9
processen (logistieke infra en gebouwen) en verandering in de industriële processen (HMC/watergebonden/circulair) steeds meer nieuwe grote spelers op het veld. Het gaat onder meer om datacenters, nieuwe infrastructuur voor de energie en logistieke centra. Dit gaat gepaard met een maatschappelijk debat over ruimtelijke kwaliteit en zorgen over ‘verdozing’, versnippering en ‘verrommeling’. Tegelijkertijd vraagt de socio-economische en ruimtelijke ontwikkeling van Zuid-Holland om meer aandacht voor structuurversterkende maatregelen zoals investeringen in het vestigingsklimaat, diversiteit en nabijheid van functies en activiteiten, meer samenhang en interactie tussen economische activiteiten en gebiedsontwikkeling. Ook de betreffende marktpartijen geven aan behoefte aan duidelijke spelregels te hebben. Het is het gezamenlijke belang van de maatschappelijke partijen om duidelijkheid te geven voor de toekomstige (ruimtelijk-economische) ontwikkeling in Zuid-Holland.
Motivering provinciaal belang De provincie streeft naar een compact, samenhangend, divers en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en hoge ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Het gebruik van, en de opgaven binnen, de stedelijke agglomeratie overschrijden de gemeentegrenzen. Zuid-Holland is daarom actief en bewust bezig met slim ruimtegebruik en het bundelen, intensiveren en mengen van functies waar het kan. Ook het Rijk streeft ernaar ontwikkelingen zoveel mogelijk te laten plaatsvinden binnen bestaand stads- en dorpsgebied en heeft daarom de ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. Tegelijkertijd verkent en ontwikkelt het Rijk nationaal beleid voor logistieke corridors en op XXLlogistiek. De provincie wil met haar beleidskeuzes een bijdrage leveren aan nationale keuzes.
Toelichting Het beleid richt zich op grootschalige bedrijfsmatige ontwikkelingen in een samenhangend gebouwd complex op een bedrijfskavel met een oppervlak van 5 ha of meer. Uitgangspunten De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor het mogelijk maken van deze grootschalige ontwikkelingen: • versterken agglomeratiekracht met aandacht voor vestigingskwaliteit, nabijheid en •
diversiteit van functies en activiteiten; verdichting, concentratie, bundeling van complementaire functies passend bij de hiërarchie van (logistieke) knooppunten in de betreffende infrastructuurnetwerken;
Hierbij wordt rekening gehouden met de lokale en regionale behoefte aan verschillende typen van logistiek (zoals stadslogistiek, hubs, bevoorrading, grote internationale vervoersstromen en hubs) Criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers Voornoemde uitgangspunten hebben we uitgewerkt en geconcretiseerd tot een aantal criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers. De volgende vragen zijn relevant voor het antwoord op de vraag of het wenselijk is een grote ruimtevrager te accommoderen en zo ja, waar en hoe? • • •
Is de ontwikkeling noodzakelijk in Zuid-Holland? Waarom op deze locatie? Is de ontwikkeling regionaal afgestemd?
10
•
• •
Draagt de ontwikkeling bij aan economische doelstellingen voor vergroening, digitalisering en verduurzaming van de economie en het gebruik van de bestaande infrastructuur en ruimte? Draagt de ontwikkeling bij aan verduurzaming van de mobiliteit (bijvoorbeeld emissievrije stadslogistiek)?
•
Is de ontwikkeling een waardevolle en zinvolle toevoeging op reeds aanwezige ecosystemen en clusters Brengt de ontwikkeling waardevolle werkgelegenheid met zich mee? Is de inzet van
• •
arbeidsmigranten nodig en wat betekent dat voor de huisvestiging? Is de ontwikkeling noodzakelijk of relevant voor andere bedrijven in de keten? Wordt door de ontwikkeling ruimte elders (bij voorkeur in Zuid-Holland) voor andere
•
maatschappelijke opgaves (bijvoorbeeld woningbouw of betaalbare bedrijfsruimte in de nabijheid van inwoners, werknemers en voorzieningen) vrijgespeeld? Worden mee-koppelkansen maximaal benut (meervoudig ruimtegebruik)?
•
Is de ontwikkeling inpasbaar met hoge aandacht voor ruimtelijke kwaliteit?
Ruimtelijke strategie De provincie stuurt vanuit een ruimtelijke strategie. Bovengenoemde uitgangspunten en criteria leiden tot een ruimtelijk structuurbeeld met knooppunten, bundelingslocaties en corridors. Op basis hiervan zijn locaties geselecteerd waar vestiging van grote ruimtevragers mogelijk blijft. Nieuwe grote ruimtevragers buiten deze locaties zijn uitgesloten. We zien dit als een ‘pas op de plaats’, waarbij voldoende ruimte blijft voor gewenste ontwikkelingen. In overleg met de regio’s, zullen we het ruimtelijk structuurbeeld verfijnen. De regionale visies voor bedrijventerreinen spelen hierin een rol. We vragen de regio’s daarom bovengenoemde criteria te hanteren bij het opstellen van de regionale visies. Deze regionale visies worden over ongeveer twee jaar afgerond. Daarna zullen wij het tijdelijke beleid (‘pas op de plaats’) aanpassen en definitief maken. Het beleid (‘pas op de plaats’) richt zich op nieuwe ontwikkelingen. Het gaat dan in ieder geval om de locaties die op de 3 ha kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) zijn aangeduid als ‘bedrijventerrein zachte plancapaciteit’. De ontwikkelingen van die bedrijventerreinen is nog niet opgenomen in een bestemmingsplan.
Het gaat ook om locaties voor bedrijventerreinen die al wel in een bestemmingsplan zijn opgenomen, maar waar via een herziening van het bestemmingsplan alsnog de vestiging van grote ruimtevragers mogelijk wordt gemaakt Daarnaast verzoeken we gemeenten en regio’s te kijken naar bedrijventerreinen die al wel zijn opgenomen in een bestemmingsplan, maar waar nog uitgeefbare ruimte is. Als het vigerende bestemmingsplan vestiging van grote ruimtevragers mogelijk maakt, is het wenselijk dat opnieuw te bezien. Verdere verkenningen Met het oog op de doorontwikkeling van het beleid voor grote ruimtevragers zullen Gedeputeerde Staten op de volgende punten verkenningen uitvoeren. -
Verkenning op nieuwe ruimteclaims en nieuwe ‘spelers’ vanuit maatschappelijke opgaven. Wat is de ruimtevraag? Welke vestigingsfactoren en type gebieden zijn relevant ?In welke
11
gebieden zijn deze functies nu gesitueerd – en waar zouden deze gesitueerd kunnen worden? -
Wat is de infrastructuurvraag van de functies? Zowel mobiliteit als energie. Verdere verkenning naar de mogelijkheden voor clusteren van logistieke activiteiten en de voorwaarden die daarbij gesteld kunnen worden.
-
Onderzoek naar welke maatregelen gemeenten/provincies hebben genomen (direct en indirect) om minder gewenste ontwikkelingen te weren. In aantal gemeenten worden strengere eisen gesteld aan datacenters, waardoor indirect gestuurd wordt op de hoeveelheid en kwaliteit.
Gedeputeerde Staten zullen ook bijdragen aan verkenningen van het Rijk (goederenverkeercorridors) en andere partners.
Beleidsuitwerking Omgevingsverordening: In de Omgevingsverordening is een artikel opgenomen over de toelaatbaarheid van grote ruimtevragers en een begripsbepaling grote ruimtevragers.
A3 Verstedelijking De verstedelijkingsopgave voor de gehele provincie Zuid-Holland, met daarin een forse woningbouwopgave, kent een breed gedragen urgentiegevoel. In het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving 2020 is afgesproken dat de provincie Zuid-Holland de regierol heeft in het opstellen van de Verstedelijkingsstrategie Zuid-Holland. De provincie heeft in gezamenlijkheid met de regio en het Rijk de contouren van de Verstedelijkingsstrategie opgesteld. De volgende voorgestelde aanpassingen aan het omgevingsbeleid, volgen uit deze contouren van de Verstedelijkingsstrategie. Deze aanpassingen zijn opgenomen in de beleidskeuze ‘verstedelijking’ en in de beleidskeuzes ‘optimalisatie woningbouwplannen’ en ‘sociaal en betaalbaar wonen’. Nieuwe plannen voorzien in voldoende betaalbare en sociale woningen Er is een grote vraag naar woningen. Door meer te sturen op het toevoegen van betaalbare woningen aan de woningvoorraad wilt de provincie een mismatch tussen vraag en aanbod tegengaan. Kansen voor inbreiding en verdichting in de bestaande kernen Naast de locaties voor mogelijke uitbreiding (waaronder de locaties die op de 3 hectare kaart staan) zijn er veel kansen voor inbreiding en verdichting in de bestaande kernen.
Specifiek zijn er kansen op de volgende drie locaties: 1) in naoorlogse wijken, 2) in de nabijheid hoogwaardig openbaar vervoersknooppunten en 3) functiemenging op locaties met detailhandel, kantoren en bedrijven. Mogelijkheden voor verstedelijking op binnenstedelijke locaties Naast de vele woningbouwplannen die er al zijn in de provincie, zijn er mogelijkheden om te verstedelijken op de binnenstedelijke locaties, nabij openbaar vervoer, bestaande infrastructuur, werk en voorzieningen. Specifiek zijn er veel kansen in naoorlogse wijken (met name de zogenaamde stempelwijken), nabij
12
hoogwaardig openbaar vervoersknooppunten en locaties met economische activiteiten zoals kantoren, detailhandel of bedrijven. Met deze toevoeging stuurt de provincie planvorming voor nieuwe woningbouwplannen op kansrijke locaties, met oog voor maatwerk en regionale verschillen. Integrale opgave De verstedelijkingsopgave is groot. Tegelijkertijd is ruimte in het dichtbevolkte Zuid-Holland schaars. Binnen de verstedelijking komen meerdere opgaven samen en deze kunnen elkaar versterken De dynamiek die de verstedelijkingsopgave met zich meebrengt kan de bestaande woningvoorraad helpen te verduurzamen, kan de kwaliteit van de leefomgeving verbeteren en kan locaties beter bereikbaar maken. De verstedelijkingsopgave, met daarin een forse woningbouwopgave, staat niet op zichzelf. Meer mensen kunnen dan gebruik maken van het openbaar vervoer. In combinatie met lopen en de fiets, biedt dit optimale keuzevrijheid tussen de modaliteiten lopen, fietsen, OV en auto. Zo blijft Zuid-Holland ook goed bereikbaar per auto. Door te sturen op multimodaliteit wordt het bestaande netwerk van infrastructuur beter benut. Naast efficiënter gebruik van onder andere openbaar vervoer wordt ook de capaciteit op het wegennet slimmer gebruikt. Zo wordt congestie verminderd. Kwaliteit van het landschap Daarnaast is de kwaliteit van het landschap van regionaal belang.
Daarom gaat de provincie hier zorgvuldig mee om. Door te sturen op locaties en 3ha-locaties goed te benutten wordt de kwaliteit van het landschap beter gewaarborgd. Beleidskeuze ‘optimalisatie woningbouwplannen’ Bij het ontwikkelen van een 3 hectarelocatie geldt de provinciale verordening (optimalisatie woningbouwplannen). Op gebiedsniveau dienen nieuwbouwplannen van 3 hectare en groter een dichtheid te hebben van (gemiddeld) minimaal 45 woningen per hectare. Daarnaast dienen 3 hectarelocaties te voldoen aan het minimale percentage sociale woningbouw en moet de keuze uit de verschillende woningtypen en functiemenging gemotiveerd worden. De uitwerking hiervan is te vinden in de beleidskeuze ‘optimalisatie woningbouwplannen’ (zie onderdeel A4 van de Herziening 2021 Omgevingsbeleid). Beleidskeuze ‘sociaal en betaalbaar wonen’ Het provinciaal belang is om voldoende woningen en voorzieningen te bieden voor haar inwoners en in het bijzonder om voldoende sociale en betaalbare woningen binnen de regio te hebben en te realiseren. De uitwerking hiervan is te vinden in de beleidskeuze ‘sociaal en betaalbaar wonen’ (zie onderdeel A5 van de Herziening 2021 Omgevingsbeleid). Conclusie: De tekst van de beleidskeuze ‘Verstedelijking’ wordt aangepast. De volledige tekst van de beleidskeuze is hieronder opgenomen.
Beleidskeuze Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, 13
concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: -
Bouw naar behoefte; Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer, versterk de langzaam
-
vervoersrelaties; Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit,
-
klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving; Bouw voldoende betaalbare woningen.
Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Naast de locaties voor mogelijke uitbreiding (locaties op de 3 hectare kaart) zijn er veel kansen voor inbreiding en verdichting in de bestaande kernen. Specifiek zijn er kansen op de volgende drie locaties: 1) in naoorlogse wijken, 2) in de nabijheid hoogwaardig openbaar vervoersknooppunten en 3) functiemenging op locaties met detailhandel, kantoren en bedrijven. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij de provincie. Deze worden door de provincie afgewogen en afhankelijk daarvan opgenomen op de 3 hectare kaart.
Aanleiding De verstedelijkingsopgave is groot. Tegelijkertijd is ruimte in het dichtbevolkte Zuid-Holland schaars. Binnen de verstedelijking komen meerdere opgaven samen en deze kunnen elkaar versterken. Er zijn keuzes nodig tussen nieuwe stedelijke uitbreidingen en het investeren in bestaande steden en dorpen. Daarbij speelt de wens voor behoud van het landelijk gebied en tegelijkertijd de ontwikkeling van bestaande steden en dorpen en het beter benutten van bestaande infrastructuur en voorzieningen. Structuurversterking is nodig van het samenhangende stedelijk gebied, waarbij keuzes moeten worden gemaakt voor meer vestigingskwaliteit, nabijheid en diversiteit. Vraag en aanbod van wonen, werkgelegenheid, bedrijfsruimte en voorzieningen zijn soms niet in overeenstemming met elkaar en onevenredig verdeeld over de regio. Om de druk op de autowegen te verminderen, is het van belang dat wonen en werken zoveel mogelijk plaatsvindt nabij hoofdwaardig openbaar vervoer (HOV) en juist daar de hoogste dichtheden in de nabijheid van voorzieningen worden gerealiseerd. Meer mensen kunnen dan gebruik maken van het openbaar vervoer. In combinatie met lopen en de fiets, biedt dit optimale keuzevrijheid tussen de modaliteiten Lopen, fietsen, OV en auto. Zo blijft Zuid-Holland ook goed bereikbaar per auto.
Motivering provinciaal belang
14
De provincie streeft naar een compact, samenhangend, divers en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Het gebruik van, en de opgaven binnen, de stedelijke agglomeratie overschrijden de gemeentegrenzen. Ook het Rijk streeft ernaar ontwikkelingen zoveel mogelijk te laten plaatsvinden binnen bestaand stads- en dorpsgebied en heeft daarom de ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De ladder laat ruimte voor de provinciale regierol in de ruimtelijk ordening. De provincie Zuid-Holland deelt het belang van de toepassing van deze ladder. Het is van belang dat alle betrokken gemeenten dezelfde uitgangspunten hanteren, zodat sprake is van een gelijk speelveld en onderlinge concurrentie geen afbreuk doet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties op (boven)regionale schaal. Het provinciaal belang is om voldoende woningen en voorzieningen te bieden voor haar inwoners en in het bijzonder om voldoende sociale en betaalbare woningen binnen de regio te hebben en te realiseren. Daarnaast is de kwaliteit van het landschap van regionaal belang. Daarom gaat de provincie hier zorgvuldig mee om.
Toelichting De provincie streeft naar het beter benutten en de kwaliteitsverbetering van bestaand stads- en dorpsgebied. Dit is in lijn met de maatschappelijke behoefte en draagt bij aan een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie zet in daarom in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Daartoe worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Bouw naar behoefte; 2. Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; 3. Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties 4. Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; 5. Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving; 6. Bouw voldoende betaalbare woningen. Deze uitgangspunten worden hieronder toegelicht. Bouw naar behoefte Uitgangspunt van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is dat gebouwd wordt naar behoefte. De provincie streeft ernaar dat aanbod en vraag, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin met elkaar in overeenstemming zijn. De provinciale woningbehoefteverkenning brengt in beeld hoeveel woningen nodig zijn en voor welke doelgroepen.
Kwantitatief betekent dat er voldoende woningen in de voorraad beschikbaar zijn, om dat te bereiken moeten er netto voldoende woningen toegevoegd worden. Met kwalitatieve behoefte wordt bedoeld dat er voldoende passende woningen zijn voor de verschillende doelgroepen. Regionale afstemming is hierbij nodig. Vanuit een oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik is het ongewenst nieuwe ontwikkelingen toe te laten als sprake is van overaanbod. De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van bewoners en bedrijven. Woningen worden daar gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Zie de beleidskeuze voor wonen.
15
De markten voor kantoren en detailhandel zijn zeer specifiek waarbij sprake is van veranderende omstandigheden. Daarbij kan er op de ene plek sprake zijn van overaanbod en leegstand, terwijl op de andere plek nog ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De provincie hanteert daarom specifiek beleid en regels voor deze sectoren. Zie de beleidskeuzes over detailhandel en kantoren. Voor bedrijven streeft de provincie naar het op lange termijn in evenwicht brengen van de vraag naar en het aanbod van bedrijventerreinen. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven. Zie de beleidskeuze over bedrijventerreinen. Voor de versterking van het vestigingsklimaat is het wenselijk ontwikkelingen voor wonen en werken in samenhang met elkaar te bezien en in samenhang met investeringen in infrastructuur en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Regionale visies Met regionale visies voor -in ieder geval- wonen en kantoren stemmen gemeenten in regionaal verband het aanbod af op de vraag. De schaal van deze regionale visies is afgestemd op de markt voor de desbetreffende functie.
De regionale visies zijn afgestemd op behoefteonderzoek dat door de provincie is vastgesteld. De provincie is betrokken bij de totstandkoming van deze visies en committeert zich aan de afspraken in de door haar aanvaarde regionale visies. Het is gewenst de regionale visie actueel te houden. De onderbouwing volgens de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van regionale visies. Als het plan qua regionale behoefteraming past in een actuele regionale visie die de instemming heeft van GS, kan daarnaar worden verwezen bij de beschrijving van de behoefte als bedoeld in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ op regionaal niveau volgens de provincie geheel of gedeeltelijk is doorlopen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het verwerken in hun omgevingsplannen van de regionale visie wonen, kantoren, en –indien van toepassing – detailhandel en bedrijventerreinen. De provincie gaat er vooralsnog vanuit dat de samenwerkende gemeenten zelf hun verantwoordelijk nemen en zo nodig bestaande plancapaciteit voor stedelijke ontwikkelingen die niet (langer) in overeenstemming zijn met een regionale visie, zullen schrappen.
Mocht het provinciaal belang dat noodzakelijk maken, dan kan de provincie hiertoe ook haar instrumentarium inzetten. Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied Met kwalitatieve verdichting van het stedelijk gebied wordt de agglomeratiekracht en de diversiteit van de gevraagde vestigingsmilieus versterkt. Bouwen binnen bestaand bebouwd gebied speelt in op de behoefte aan binnenstedelijk wonen en werken en benut bestaande infrastructuur en voorzieningen. Het draagt bij aan efficiënt ruimtebeslag en innovatie in woon-en werkmilieus en in de bouw. Door binnenstedelijk te bouwen kan het open landschap behouden blijven. Behoud en ontwikkelen van het groenblauwe netwerk in, om en tussen de steden draagt bij aan biodiversiteit, een aantrekkelijke leefomgeving, een attractief woonmilieu en een gezonde en klimaatadaptieve omgeving.
16
De provincie hanteert de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ om bouwen binnen bestaand stads- en dorpsgebied te bevorderen. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toepassing is ook van provinciaal belang, daarom is in de Omgevingsverordening een verwijzing opgenomen naar de Rijksladder. Uitgangspunt van de ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Doel van de ladder is zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil dat de ladder voor duurzame verstedelijking op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Bouwlocaties buiten bestaand stads-en dorpsgebied: 3 ha kaart Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt.
Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Nieuwe verstedelijking moet passen in regionale visies en de richtpunten ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsvisie en andere in het omgevingsbeleid aangegeven ruimtelijke kaders. Tevens moet nieuwe verstedelijking passen binnen wettelijke voorschriften. Gedeputeerde Staten zien toe op een adequate toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ in het kader van de beoordeling van omgevingsplannen. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied, worden door de provincie afgewogen vóórdat de gemeente de procedure tot wijziging van het Omgevingsplan start. De provincie stelt voor stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied daarom de eis dat deze zijn opgenomen in het Omgevingsprogramma op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’). Daarmee ligt het eindoordeel over omvangrijke verstedelijking buiten bestaand stads- en dorpsgebied bij de provincie.
Als een locatie is opgenomen op de ‘3 hectare kaart’ betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling. Dit neemt niet weg dat de gemeente bij de verdere detaillering van de betreffende ontwikkeling (in het kader van het omgevingsplan) nog wel rekening moet houden met specifieke onderdelen van het provinciaal beleid, bijvoorbeeld het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. De 3 ha kaart is opgenomen in de Omgevingsverordening. De 3 ha kaart wordt door Gedeputeerde Staten uitgewerkt in het Omgevingsprogramma, door middel van een aantal tabellen met gegevens per locatie over de omvang en waarbij aanwijzingen kunnen worden gegeven over bijvoorbeeld het aantal woningen en de bebouwingsdichtheid. Uitgangspunt voor het opnemen van een locatie op de ‘3 ha kaart’ is dat het gaat om een reële ontwikkeling. Binnen een periode van ten hoogste 10 jaar moet er voldoende behoefte bestaan voor ontwikkeling van de locatie. Na een periode van 5 jaar is een tussentijdse evaluatie wenselijk.
17
Als er op dat moment geen zicht is op realisering moet worden bezien of de locatie nog wel nodig is, zodat er eventueel ruimte ontstaat voor een andere locatie. De regionale visies voor wonen en bedrijventerreinen vormen belangrijke input voor de ‘3 ha kaart’. Het is daarom wenselijk om al voordat een nieuwe buitenstedelijke locatie wordt opgenomen in de regionale visie in overleg te treden met de provincie over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die locatie. Bij het ontwikkelen van een locatie die op de 3 ha kaart staat, zijn het beleid en de regels voor optimalisatie van woningbouwplannen van toepassing. Op gebiedsniveau dienen nieuwbouwplannen van 3 hectare en groter een dichtheid te hebben van (gemiddeld) minimaal 45 woningen per hectare. Daarnaast moeten woningbouwplannen voldoen aan het minimale percentage sociale woningbouw en moet de keuze uit de verschillende woningtypen en functiemenging gemotiveerd worden. Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties Een goede bereikbaarheid is voor Zuid-Holland van groot belang. Dat mensen zich gemakkelijk en comfortabel kunnen verplaatsen tussen gebieden en dat werk en voorzieningen goed bereikbaar zijn, is niet alleen belangrijk voor de leefbaarheid en individuele ontwikkeling maar ook voor het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie van de regio.
De voorkeur gaat uit naar nieuwe woningbouw nabij hoogwaardig openbaar vervoer (HOV) en nabij voorzieningen en werkgelegenheid. In combinatie met fietsen en lopen maakt dit compactere en gezonde verstedelijking mogelijk. Het is wenselijk de langzaam vervoersrelaties te versterken, zodat een optimale keuze mogelijk is tussen de verschillende vervoersmodaliteiten. Binnen het bestaand stads- en dorpsgebied liggen er veel kansen voor herstructurering en transformatie. Voor de provincie ligt de hoogste prioriteit bij herstructurering en transformatie van locaties die binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer liggen. Daarnaast zijn er in de provincie veel kansen voor inbreiding in naoorlogse wijken. Als een nieuwe stedelijke ontwikkeling niet mogelijk is binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer, dan is een goede bereikbaarheid per fiets en auto nodig. Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten Binnen de stedelijke agglomeratie stuurt de provincie op sterke en complementaire centra en ontwikkelingslocaties bij knooppunten. Nieuwe investeringen in gebiedsontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur worden zo veel mogelijk geconcentreerd.
Daarvoor komen locaties in aanmerking binnen de stedelijke agglomeratie, waar het infrastructuurnetwerk nog onbenutte capaciteit heeft en waar door de stedelijke en economische dynamiek kansen liggen voor de versterking van de agglomeratiekracht en complementariteit in de regio. Andere ontwikkelingslocaties kunnen in aanmerking komen, als ze zijn goed ontsloten per hoogwaardig openbaar vervoer en goed te bereiken zijn per fiets en over de weg. Nieuwe bovenregionale voorzieningen (zoals bovenregionale ziekenhuizen, opleidingscentra en culturele voorzieningen) wil de provincie concentreren op locaties die verschillende voordelen combineren: de te bereiken schaalvoordelen, de bijdrage aan de stedelijke economie en dynamiek van de gebieden en het benutten van de capaciteit op het mobiliteitsnetwerk. Levendige en dynamisch centra zijn belangrijk voor de agglomeratiekracht en het vestigingsklimaat. Het is daarom belangrijk dat centrumfuncties, zoals bioscopen, theaters, musea, detailhandel en horeca, in de centra wordt geaccommodeerd en niet in de periferie. De aard en
18
omvang van deze voorzieningen moet aansluiten bij de aard en omvang van de locatie. Een megabioscoop hoort dus bijvoorbeeld niet thuis in een wijk- of stadsdeelcentrum. Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving Bij de planvorming spelen vraagstukken rondom energie, duurzaamheid, bodemdaling, klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving een steeds belangrijker rol. Dit vindt zijn weerslag in locatiekeuzes, bij uitvoering van diverse bouwprogramma’s en bij keuzes ten aanzien van de levensduur en functionaliteit van gebouwen. De provincie heeft de ambitie om gebouwen incl. alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO² neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn aansluitend bij de groenblauwe structuur van Zuid-Holland. Daarnaast vraagt provincie om bij de locatiekeuzes voor en het ontwikkelen van nieuwe bouwplannen, rekening te houden met de (nabije) groenblauwe structuur voor natuurinclusiviteit, gezondheid en recreatie, als ook de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te nemen vanwege het toekomstig beheer van gebouwen alsmede de woon- en werkomgeving.
De potentieel hoge aanleg- en beheerskosten zijn voor ons extra reden om terughoudend te zijn ten aanzien van het toevoegen van nieuwe bouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied in bodemdalingsgevoelige gebieden. De provincie wil hierbij samen met de regio’s tot maatwerk komen in de regionale visies, op gebied van werklocaties en wonen. Bouw voldoende betaalbare woningen De provincie wil zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen voor middeninkomens. Middeninkomens op de woningmarkt behoeven als doelgroep extra aandacht. Deze doelgroep verdient te veel voor de sociale huursector en is aangewezen op de geliberaliseerde huursector en betaalbare koopvoorraad. Betaalbare woningbouw heeft te maken met de betaalmogelijkheden van het huishouden. De provincie hanteert een definitie van middeninkomens die ligt tussen de toewijzingsnorm voor corporaties in de sociale huursector en anderhalf keer modaal. De motivering van het bestemmingsplan gaat in op het percentage betaalbare woningen. Dit vindt zijn grondslag in de geldende door GS aanvaarde regionale woonvisie.
Beleidsuitwerking Omgevingsverordening: • Paragraaf 7.3.7 over de ladder voor duurzame verstedelijking Omgevingsprogramma: • Uitwerking 3 ha kaart + bijbehorende tabellen • Beleidsmaatregels over transformeren, herstructureren en verdichten
A4 Optimalisatie woningbouwplannen De provincie streeft naar optimalisatie van woningbouwplannen, met het oog op het versnellen van woningbouw, zuinig en efficiënt ruimtegebruik en duurzame mobiliteit. De provincie zet daarom in op hogere dichtheden, meer en betaalbare woningen en concentratie van woningbouw nabij HOV. De provincie stimuleert waar mogelijk lopen, fietsen OV en deelmobiliteit daar waar dit autoritten kan vervangen. Een goed woon- en leefklimaat is daarbij belangrijk.
19
Om dit te bereiken stelt de provincie eisen aan de minimale woningdichtheid op nieuwe bouwlocaties. Tevens vraagt de provincie aandacht voor het bouwen van gevarieerde woningtypen. De provincie stelt beperkingen aan het aantal parkeerplaatsen voor stationsomgevingen en voor sociale woningen. Woningbouwplannen zijn makkelijker te realiseren, als de gemeente uitgaat van werkelijk autobezit en werkelijke lokale data over autogebruik (in plaats van de landelijke generieke CROW-parkeerrichtlijnen). Conclusie: In de Omgevingsvisie wordt de nieuwe beleidskeuze optimalisatie woningbouwplannen opgenomen. In de verordening worden nieuwe regels opgenomen over de dichtheid en verscheidenheid van woningbouw, parkeernormen voor sociale woningen en parkeernormen voor stationsomgevingen. De tekst van de beleidskeuze is hieronder volledig opgenomen.
Beleidskeuze ‘Optimalisatie woningbouwplannen’ De provincie streeft naar optimalisatie van woningbouwplannen, met het oog op het versnellen van woningbouw, zuinig en efficiënt ruimtegebruik en duurzame mobiliteit. De provincie zet daarom in op hogere dichtheden, meer en betaalbare woningen en concentratie van woningbouw nabij HOV. De provincie stimuleert waar mogelijk lopen, fietsen OV en deelmobiliteit daar waar dit autoritten kan vervangen. Een goed woon- en leefklimaat is daarbij belangrijk. Om dit te bereiken stelt de provincie eisen aan de minimale woningdichtheid op nieuwe bouwlocaties. Tevens vraagt de provincie aandacht voor het bouwen van gevarieerde woningtypen. De provincie stelt beperkingen aan het aantal parkeerplaatsen voor stationsomgevingen en voor sociale woningen. Woningbouwplannen zijn makkelijker te realiseren, als de gemeente uitgaat van werkelijk autobezit en werkelijke lokale data over autogebruik (in plaats van de landelijke generieke CROW-parkeerrichtlijnen).